1998/197

Rapport
Op 16 april 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer M. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Op 17 april 1997 legde een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman de klacht telefonisch voor aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie met de vraag of in deze zaak een oplossing in het vooruitzicht kon worden gesteld. Nadat verzoekers gemachtigde op 23 juni 1997 had bericht dat het verzoek van 17 april 1997 niet tot een bevredigende oplossing had geleid, werd naar de gedraging van de Visadienst, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Justitie gezamenlijk, een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt over de lange behandelingsduur van het op 19 mei 1995 ingediende bezwaarschrift, tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van zijn echtgenote en zijn kinderen, door de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Verzoeker klaagt er met name over dat de Minister van Buitenlandse Zaken (de Visadienst) de rechterlijke uitspraak van 10 januari 1997, waarin de Minister van Buitenlandse Zaken wordt opgedragen binnen 10 weken na 23 januari 1997 opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, niet heeft uitgevoerd. ACHTERGROND Ingevolge art. 41 lid 1 onder c van het Vreemdelingenbesluit moeten vreemdelingen die zich naar Nederland willen begeven voor een verblijf van langer dan drie maanden, in beginsel in het bezit zijn van een paspoort voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna afgekort mvv). De mvv is een nationaal visum dat door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland kan worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst. Afgifte van een mvv in het buitenland gaat in principe vooraf aan de verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Justitie op 24 juli 1997 verzocht op de

klacht te reageren. In plaats van de Minister van Justitie reageerde de Staatssecretaris van Justitie. Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Minister van Buitenlandse Zaken deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De Minister van Justitie en verzoeker gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:. De feiten1. Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende op 1 december 1994 ten behoeve van zijn echtgenote en drie kinderen een aanvraag in tot verlening van een mvv (zie

Achtergrond

).2. Bij beschikking van 16 mei 1995 wees de Minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag af.3. Op 19 mei 1995 diende verzoekers echtgenote een bezwaarschrift in tegen de afwijzing van de aanvraag.4. Bij beschikking van 27 september 1995 verklaarde de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift ongegrond.5. Op 5 oktober 1995 stelde verzoekers echtgenote beroep in tegen deze beslissing bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.6. Bij uitspraak van 10 januari 1997 verklaarde de vreemdelingenkamer van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zitting houdende te Haarlem, het beroep gegrond, vernietigde de bestreden beslissing wegens motiveringsgebreken en droeg de Minister van Buitenlandse Zaken op om binnen tien weken na de datum van verzending van de uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift. Een afschrift van de uitspraak werd verzonden op 23 januari 1997.7. Bij brief van 29 april 1997 stelde de Visadienst verzoekers gemachtigde in de gelegenheid om binnen twee weken eventuele nieuwe feiten en/of omstandigheden aan te voeren.8. Bij beschikking van 4 augustus 1997 verklaarde de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift opnieuw ongegrond.

B. Het standpunt van verzoeker Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht

.. Het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie De Staatssecretaris van Justitie deelde in haar reactie van 1 september 1997 onder meer het volgende mee:"Uit het dossier dat op de onderhavige zaak betrekking heeft is mij het volgende gebleken. (...) Bij brief van 29 april 1997 heeft de IND aan de gemachtigde verzocht binnen twee weken eventuele nieuwe feiten en omstandigheden te melden. Bij gebreke aan een reactie op deze brief is op 2 juni 1997 besloten betrokkene nogmaals te doen horen door een ambtelijke commissie. Op 3 juni 1997 is in telefonisch overleg met de gemachtigde een hoorzitting gepland voor 30 juli 1997. Op 9 juni 1997 is de formele uitnodiging voor de hoorzitting aan de gemachtigde verzonden. Bij brief van 10 juni 1997, welke op 16 juni 1997 door de IND voor ontvangst is geregistreerd, heeft de gemachtigde alsnog op het verzoek van de IND van 29 april 1997 gereageerd. (...) Op 20 juni 1997 is telefonisch aan de gemachtigde meegedeeld dat zijn brief van 10 juni 1997 geen aanleiding gaf om het bezwaar gegrond te verklaren en dat derhalve de hoorzitting van 30 juli 1997 diende te worden afgewacht alvorens er op het bezwaarschrift zou kunnen worden beslist. Inmiddels heeft de hoorzitting plaatsgevonden en is het bezwaarschrift op 4 augustus 1997 ongegrond verklaard. (...) De tweede beslissing op het bezwaar van 4 augustus 1997 is genomen vier maanden na het verstrijken van de door de rechter aan de IND gestelde beslistermijn van tien weken. Ik betreur dat en acht de klacht over de behandelingsduur van het bezwaarschrift (...) wat dat aangaat gegrond. Voor het feit dat de zaak na de uitspraak van de rechter niet onmiddellijk met voortvarendheid is afgedaan kan als verklaring worden aangevoerd dat het in zaken als de onderhavige te voeren beleid met de nodige onzekerheid is omgeven. De politieke besluitvorming over de vraag welke de consequenties zijn voor het gezinsherenigingsbeleid van de (...) uitspraken van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken van 15 mei 1996 (en dan met name de motivering van de positieve verplichting in het kader van artikel 8 EVRM, indien er – zoals in dezen – sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen) is tot op heden niet afgerond. Overigens neemt dit niet weg dat

deze zaak binnen de door de rechter gestelde termijn had moeten worden afgedaan op de wijze zoals dat thans is geschied.". Het standpunt van de Minister van Buitenlandse Zaken De Minister van Buitenlandse Zaken deelde in zijn reactie van 6 augustus 1997 onder meer het volgende mee:"Gelet op de formulering van de klacht en gezien het feit dat Uw brief tevens voor een reactie is voorgelegd aan de Minister van Justitie, moge ik U voor wat betreft mijn reactie op onderhavige klacht verwijzen naar de reactie van de Minister van Justitie.". De reactie van verzoeker Verzoeker deelde in zijn reactie van 25 september 1997 op de standpunten van de Staatssecretaris van Justitie en de Minister van Buitenlandse Zaken onder meer het volgende mee:"Ik blijf ontevreden over de totale gang van zaken en vindt de argumentatie die het Ministerie geeft voor de vertragingen tijdens mijn procedure onbevredigend. (...) De verklaring die wordt gegeven voor de vertraging door het Ministerie (wachten op de politieke besluitvorming rond de consequenties van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken van 15 mei 1996), wordt drie zinnen later door datzelfde Ministerie weer ontkracht door de zin: "Overigens neemt dit niet weg dat deze zaak binnen de door de rechter gestelde termijn had moeten worden afgedaan...". Vraag blijft dus waarom heeft het Ministerie in mijn geval (inmiddels voor de tweede keer) zo lang gewacht heeft met de behandeling van mijn bezwaar, zeker nadat een Nederlandse rechter uitspraak heeft gedaan over de behandelingstermijn. Waarom wordt het argument gebruikt als het niet geldig blijkt te zijn? Is een Ministerie verheven boven een gerechtelijk uitspraak?"

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt over de lange behandelingsduur van het op 19 mei 1995 ingediende bezwaarschrift, tegen de afwijzing van een mvv (zie

Achtergrond

) ten behoeve van zijn echtgenote en zijn kinderen, door de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Hij klaagt er met name over dat de Minister van Buitenlandse Zaken (de Visadienst) de rechterlijke uitspraak van 10 januari 1997, waarin de Minister van Buitenlandse Zaken wordt opgedragen binnen 10 weken na de datum van verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, niet heeft uitgevoerd.

2. De uitspraak van 10 januari 1997 van de vreemdelingenkamer van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te Haarlem, is op 23 januari 1997 verzonden, zodat de Minister van Buitenlandse Zaken uiterlijk op 3 april 1997 opnieuw een beslissing had moeten nemen op het bezwaarschrift. Na het verstrijken van deze termijn duurde het echter nog vier maanden voordat de beslissing, op 4 augustus 1997, was genomen.3. Gezien de verdeling van machten in onze rechtsstaat behoren bestuursorganen prompte uitvoering te geven aan een vonnis van de onafhankelijke rechter in een bepaalde zaak. Deze grondregel kan slechts uitzondering lijden indien er een – naar objectieve maatstaven gemeten – onmogelijkheid tot uitvoering van het vonnis in de betreffende zaak aanwezig zou moeten worden geacht. Een dergelijke omstandigheid doet zich in dit geval niet voor.4. De Staatssecretaris van Justitie heeft in reactie op de klacht, op 1 september 1997, meegedeeld dat zij het betreurt dat de tweede beslissing op het bezwaarschrift is genomen vier maanden na het verstrijken van de door de rechter gestelde beslistermijn van tien weken. Zij achtte de klacht gegrond. De Staatssecretaris heeft, ter verklaring voor het feit dat de zaak na de uitspraak van de rechter niet onmiddellijk met voortvarendheid is afgedaan, aangevoerd dat het te voeren beleid in zaken als de onderhavige met de nodige onzekerheid is omgeven. Zij stelde dat de politieke besluitvorming, over de vraag welke de gevolgen zijn voor het gezinsherenigingsbeleid van een aantal (voor deze zaak relevante) uitspraken van de Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken van 15 mei 1996, tot op dat moment nog niet was afgerond. Wat er ook zij van deze verklaring, zij kan de vertraging in deze zaak niet rechtvaardigen. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Visadienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ondergebracht bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Justitie gezamenlijk, is gegrond.

Instantie: Visadienst

Klacht:

Lange behandelingsduur bezwaarschrift tegen afwijzing mvv voor echtgenote en kinderen verzoeker.

Oordeel:

Gegrond