Een vrouw heeft relatieproblemen en verlaat de woonruimte van haar ex-partner. Ze gaat naar de gemeente voor hulp bij het zoeken naar woonruimte en het regelen van haar financiën. Haar vader dient later klachten in bij de gemeente. Hij vindt dat de gemeente zijn dochter niet goed heeft geholpen. Daarnaast klaagt hij erover dat de gemeente een poststuk voor zijn dochter naar haar ex-partner heeft verzonden. Hij weet niet welk poststuk, maar dat leidt hij af uit wat de ex-partner tegen zijn dochter heeft gezegd. De ex-partner zou de dochter ook telefonisch hebben bedreigd. De vader meent dat een medewerker van de gemeente tegen de politie heeft gezegd dat het niet nodig was hiervan aangifte op te nemen. Ook daarover dient hij een klacht in.
De klachten van de vader zijn door de gemeente behandeld. Ze geeft aan dat ze zijn dochter de weg heeft gewezen voor woonruimte. Voor de financiën is de dochter verwezen naar schuldhulpmaatje. Daarnaast is ze ook op weg geholpen voor het aanvragen van een uitkering. De gemeente zegt geen poststuk naar de ex-partner te hebben gestuurd. En de mededeling aan de politie is niet gedaan.
De ombudsman vindt het belangrijk dat een gemeente haar inwoners zo nodig en voor zover mogelijk helpt bij het vinden van woonruimte en financiën. Hij ziet dat de gemeente die hulp hier heeft geboden. Daarom vindt hij de klacht over de hulp aan de dochter niet gegrond.
Niet duidelijk is geworden of een brief voor de dochter naar de ex-partner is gestuurd. Ook heeft de ombudsman geen duidelijkheid gekregen over wat er tegen de politie is gezegd over de aangifte. Daarom heeft de ombudsman zich over deze punten niet uit kunnen spreken.