Een man was werkzaam bij een energiebedrijf. Tijdens de werkzaamheden werd hij blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Hiervan deed hij een melding. Het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) stelde een onderzoek in als bevoegd toezichthouder en nodigde de man uit voor een hoorgesprek. Tijdens dat gesprek benoemde de man dat hij lozingen van chemicaliën en aardgascondensaat zag. Het SodM nam dit niet op in het getuigenrapport dat het maakte. Daarom is het getuigenrapport volgens de man niet compleet. Ook deed het SodM niets met zijn melding over illegale lozingen. De man besloot een klacht in te dienen bij het SodM.
Het SodM vond de klacht ongegrond. Volgens het SodM behandelde het de melding van de man over de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij het energiebedrijf zorgvuldig. Bij het vastleggen van de verklaring van de man zijn alleen aspecten vermeld die een directe relatie hadden met een vermoedelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens werkzaamheden bij het energiebedrijf. Uiteindelijk besloot het SodM geen onderzoek in te stellen naar de vermoedelijke lozingen, omdat de man liet weten dat die al een aantal jaren geleden plaatsvonden. Het is daarom moeilijk om de vermoedelijke lozingen te kunnen bewijzen. Omdat de man zich niet in de reactie van het SodM kon vinden, vroeg hij de Nationale ombudsman naar zijn klacht te kijken.
De ombudsman stelde het SodM vragen over de wijze waarop het de melding van de man behandelde. Het SodM lichtte toe dat de man de melding over het vermoeden van illegale lozingen deed tijdens het onderzoek naar de mogelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen. En daarbij aangaf dat de vermoedelijke lozingen al een aantal jaren geleden plaatsvonden. Gezien het tijdsverloop kon het SodM geen onderzoek instellen.
Tijdens de hoorzitting over de melding is aan de man medegedeeld dat zijn verklaring werd opgenomen met het oog op de vermoedelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen, niet met het oog op het vermoeden van illegale lozingen. De man ondertekende de schriftelijke verklaring.
De Nationale ombudsman constateert dat het SodM tijdens de hoorzitting uitlegde dat de verklaring alleen werd opgenomen met het oog op het onderzoek naar de vermoedelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Daarom kan de ombudsman volgen dat de waarneming van illegale lozingen geen onderdeel uitmaakte van de verklaring die het SodM daarna voor akkoord aan de man voorlegde en getekend terugontving. Daaruit begrijpt de ombudsman dat de man zich in de verslaglegging kon vinden. Ook werd de ombudsman duidelijk dat het SodM uitlegde waarom het de melding over lozingen van chemicaliën en aardgascondensaat niet (meer) kon onderzoeken. Daarom is de klacht ongegrond.