Een man woonde boven garageboxen. Deze garageboxen werden verhuurd door een woningbouwcorporatie. De man had last van geluidsoverlast. Daarnaast had hij het idee dat er vanuit de garagebox bedrijfsmatig werd gehandeld. Iets wat volgens de man verboden is. Hij nam daarover contact op met de gemeente en deed een melding woonoverlast. Daarna hadden hij en de gemeente meerdere keren contact met elkaar. De gemeente liet weten dat zij de melding over de overlast overdroeg aan het onderdeel binnen de gemeente dat zich speciaal bezighoudt met woonoverlast. Daarna hoorde de man niets meer en diende een klacht in bij de gemeente. Zijn klacht ging over het voortbestaan van de geluidsoverlast en dat hij niets hoorde van het specifieke onderdeel binnen de gemeente. Later deed hij ook een handhavingsverzoek.
De gemeente behandelde de klacht eerst informeel en later formeel. Tijdens de contacten over de klacht liet de gemeente de man weten dat het specifieke onderdeel niets tegen de overlast kon doen omdat de gemeente niet de eigenaar van de garagebox is. Daarom werd de man naar de verhuurder, de woningcorporatie, verwezen. De gemeente verklaarde de klacht van de man ongegrond. Zij was van mening dat zij wel had gehandeld naar aanleiding van de melding woonoverlast.
De man nam contact op met de ombudsman. De ombudsman startte een onderzoek en stelde de gemeente een aantal vragen. Uit de antwoorden op de vragen en de informatie die de ombudsman van de man kreeg, concludeerde hij dat de rol van het specifieke onderdeel wel en op meerdere momenten aan de man was uitgelegd en waarom zij in deze situatie niets konden doen. Ook werd de ombudsman duidelijk dat de gemeente aan de man uitlegde waarom hij naar de woningcorporatie was verwezen. En dat zij het handhavingsverzoek oppakte. Dit leidde uiteindelijk ook tot handhavend optreden. De ombudsman komt tot de conclusie dat de klacht van de man ongegrond is.