Nationale en internationale eisen voor ombudsinstanties
In 1981 is de Wet Nationale ombudsman vastgesteld en sinds 1999 staat de functie van Nationale ombudsman ook in de Grondwet. Hierin staat dat de Nationale ombudsman op verzoek of uit zichzelf het gedrag van de overheid onderzoekt. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vastgelegd wat de ombudsman wel en niet mag doen. Bijvoorbeeld welke klachten hij mag behandelen. De Tweede Kamer bepaalt wie de Nationale ombudsman wordt en benoemt de ombudsman voor een periode van zes jaar.
Bij gemeenten zijn de raden verantwoordelijk voor de instelling en benoeming van een lokale ombudsinstantie. De benoeming is voor een periode van zes jaar. Andere eisen, zoals opleiding, ervaring en competenties heeft de wetgever niet vastgelegd en mogen gemeenteraden zelf bepalen.
In 2019 zijn de Venice Principles geschreven: 25 internationale criteria waaraan een ombudsinstantie moet voldoen. Ze zijn opgesteld door de Venice Commission: de Europese Commissie voor Democratie door Recht. De commissie is een adviesorgaan van de Raad van Europa waar Nederland en 45 andere Europese landen lid van zijn.
Het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa ondersteunt de Venice Principles met een resolutie. Ook de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties beveelt de criteria voor de instelling van ombudsinstanties. Daarom zijn de Venice Principles ook relevant voor ombudsinstanties in Nederland.
De belangrijkste beginselen voor gemeenteraden zijn:
De functie moet een hoge status krijgen. In de praktijk vergelijkbaar met die van een wethouder, zowel wat betreft niveau als salaris.
De ombudsman wordt gekozen en benoemd volgens procedures die het gezag, de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en legitimiteit versterken.