Rapport 2011/361

Datum: 19-12-2011

Samenvatting

Verzoeker is advocaat van beroep. Door de kinderrechter was hij op 25 mei 2011 als advocaat toegevoegd aan de minderjarige jongen X. Op 31 mei 2011 nam een schadebemiddelaarster van het Openbaar Ministerie te Middelburg telefonisch contact op met verzoeker, met de vraag of zijn minderjarige cliënt de door hem toegebrachte schade wenste te vergoeden. Verzoeker gaf aan dat hij hier nog geen antwoord op kon geven, omdat hij het dossier nog niet had ontvangen waardoor hij zijn cliënt nog niet van juridisch advies had kunnen voorzien. Op dezelfde dag nam de schadebemiddelaarster telefonisch contact op met de vader van de minderjarige cliënt van verzoeker en legde hem dezelfde vraag voor. De vader stemde in met vergoeding van de schade.

Verzoeker klaagt er dan ook over dat ondanks zijn kort daarvoor gedane mededeling aan de schadebemiddelaarster van het Openbaar Ministerie dat hij inhoudelijk nog geen antwoord kon geven op haar vraag, zij rechtstreeks telefonisch contact heeft opgenomen met de vader van zijn minderjarige cliënt en hem dezelfde vraag heeft voorgelegd.

Zowel de Nationale ombudsman als de Kinderombudsman zijn zich er van bewust dat met name in jeugdzaken korte doorlooptijden zeer wenselijk zijn. Dit mag echter geen afbreuk doen aan het belang en het recht van een jeugdige op rechtsbijstand door een advocaat. De schadebemiddelaarster ondermijnde het recht op rechtsbijstand van de minderjarige X. door buiten hem en zijn advocaat om contact op te nemen met zijn ouders, te meer nu zijn advocaat bekend was en deze niet zozeer onwelwillend was om te reageren maar dat nog niet kon omdat hij nog niet beschikte over het dossier.

De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman zijn dan ook van oordeel dat door buiten verzoeker om contact op te nemen met de vader van X in strijd is gehandeld met het vereiste van fair play en dat de rechten van X op grond van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn geschaad.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Bevindingen

De klacht.

Verzoeker is advocaat van beroep. Door de kinderrechter te Middelburg was hij als advocaat toegevoegd aan de minderjarige jongen X. De Kinderrechter verstrekte hiertoe de Raad voor Rechtsbijstand een last tot toevoeging op de naam van verzoeker op 25 mei 2011.

Op 31 mei 2011 nam een schadebemiddelaarster van het Openbaar Ministerie te Middelburg telefonisch contact op met verzoeker, met de vraag of zijn minderjarige cliënt de door hem toegebrachte schade wenste te vergoeden. Verzoeker gaf aan dat hij hier nog geen antwoord op kon geven, omdat hij het dossier nog niet had ontvangen waardoor hij zijn cliënt nog niet van juridisch advies had kunnen voorzien.

Op dezelfde dag nam de schadebemiddelaarster telefonisch contact op met de vader van de minderjarige cliënt van verzoeker en legde hem dezelfde vraag voor. De vader stemde in met vergoeding van de schade. Volgens verzoeker, omdat vader zich door het telefoontje geïntimideerd voelde.

Verzoeker klaagt er dan ook over dat ondanks zijn kort daarvoor gedane mededeling aan de schadebemiddelaarster van het Openbaar Ministerie dat hij inhoudelijk nog geen antwoord kon geven op haar vraag, zij rechtstreeks telefonisch contact heeft opgenomen met de vader van zijn minderjarige cliënt en hem dezelfde vraag heeft voorgelegd.

Interne klachtprocedure.

Verzoeker legde zijn klacht neer bij de hoofdofficier van justitie te Middelburg (hierna: de hoofdofficier). Op 29 juni 2011 liet de hoofdofficier weten de klacht van verzoeker ongegrond te achten. De reden hiervoor was dat het parket Middelburg veel waarde hecht aan korte doorlooptijden in zaken met minderjarigen. De medewerkster van het parket heeft daarom na het gesprek met verzoeker contact opgenomen met de vader van X, zodat er voortgang in de zaak kon worden gehouden. De vader had direct en zonder voorbehoud aangegeven dat de schade zou worden vergoed, aldus de hoofdofficier. De hoofdofficier gaf nog wel aan dat het beter was geweest als de medewerkster tijdens het telefoongesprek met verzoeker had verteld dat zij gezien de doorlooptijden rechtstreeks contact zou zoeken met de vader van X.

Standpunt verzoeker.

Verzoeker gaf aan dat het natuurlijk zeer wenselijk is dat de doorlooptijden in zaken van minderjarigen kort zijn. Echter, een kinderrechter voegt een advocaat toe zodat een advocaat aan de minderjarige rechtsbijstand kan verlenen en het belang van de minderjarige kan behartigen. Verzoeker bracht naar voren dat door de werkwijze van het Openbaar Ministerie een advocaat buiten spel wordt gezet. Een advocaat kan op deze manier geen adequate of tijdige rechtsbijstand verlenen en het Openbaar Ministerie heeft nadrukkelijk niet het belang van een minderjarige verdachte op het oog.

Standpunt minister.

De minister gaf in zijn reactie op de klacht aan de klacht gegrond te vinden. Hij liet onder meer weten dat het recht op rechtsbijstand van een minderjarige verdachte door een advocaat, zoals neergelegd in artikel 489 wetboek van Strafvordering (zie Achtergrond, onder I.), ondanks de doelstelling van het hebben van korte doorlooptijden in jeugdzaken geborgd is. De minister was voorts echter wel van oordeel dat de werkwijze van het parket de beginselen uit artikel 40 van het Kinderrechtenverdrag niet had geschaad. De reden hiervoor was dat het telefoongesprek dat de medewerkster van het parket voerde met de vader van de verdachte vrijblijvend van aard was. Als er twijfels hadden bestaan over de bereidheid van de vader over het al dan niet betalen van de schade zou geadviseerd zijn eerst te overleggen met een advocaat, aldus de minister. Uit onderzoek was overigens gebleken dat de strafgriffie het strafdossier op 30 mei 2011 naar verzoeker had gestuurd. Alles overziend was de minister van mening dat het Openbaar Ministerie formeel niet juist handelde door contact op te nemen met de vader van een minderjarige verdachte, zonder tussenkomst van diens advocaat.

De minister liet weten dat naar aanleiding van de klacht van verzoeker het schadebemiddelingstraject in jeugdzaken opnieuw tegen het licht is gehouden. De toegevoegde advocaat zou in het vervolg het strafdossier dan ook sneller moeten ontvangen. In de toekomst is het streven om alle schadebemiddelingstrajecten via de toegevoegde advocaat te laten lopen.

BEOORDELING.

Het toetsingskader:

Een van de pijlers van ons rechtsbestel is het beginsel van fair play. Dit beginsel houdt voor overheidsinstanties onder meer in dat zij burgers de mogelijkheid geven om hun procedurele kansen te benutten. Om procedurele kansen te kunnen benutten hebben burgers onder bepaalde omstandigheden recht op rechtsbijstand van een advocaat in het kader van een strafproces. Het recht van een verdachte op rechtsbijstand wordt beschouwd als een van de grondslagen van een eerlijk proces. Dit recht is in de Grondwet en in internationale verdragen vastgelegd (zie Achtergrond, onder II.).

Voor minderjarige verdachten is het recht op rechtsbijstand in het bijzonder vastgelegd in artikel 40, lid 2 onder b sub II van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (VRK). Volgens dit artikel heeft een minderjarige recht op juridische en andere passende bijstand voor de gehele procedure vanaf het moment van de beschuldiging. Dit recht is ook vastgelegd in rule 7 van de Beijing Rules. Het recht op bijstand geldt niet alleen vóór of tijdens verhoren of ter terechtzitting, maar omvat zoals gezegd de gehele procedure en alles wat daarin gebeurt, dus ook schadebemiddeling. Daarnaast kan het recht op bijstand ten aanzien van schadebemiddeling ook afgeleid worden uit bepalingen ten aanzien van afdoeningen buiten het recht, ook wel aangeduid als diversion, waar schadebemiddeling aan raakt. Over dergelijke afdoeningen is in General Comment 10 bij het Kinderrechtenverdrag, maar ook in de Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice vastgelegd dat kinderen de gelegenheid moeten hebben om juridische en andere bijstand in te winnen om de geschiktheid en wenselijkheid van een voorgesteld alternatief af te kunnen wegen (zie Achtergrond, onder III).

Het oordeel:

Zowel de Nationale ombudsman als de Kinderombudsman zijn zich er uiteraard van bewust dat met name in jeugdzaken korte doorlooptijden zeer wenselijk zijn. Dit mag echter geen afbreuk doen aan het belang en het recht van een jeugdige op rechtsbijstand door een advocaat. De schadebemiddelaarster ondermijnde het recht op rechtsbijstand van de minderjarige X. door buiten hem en zijn advocaat om contact op te nemen met zijn ouders, te meer nu zijn advocaat bekend was en deze niet zozeer onwelwillend was om te reageren maar dat nog niet kon omdat hij nog niet beschikte over het dossier. Dat het telefoongesprek een vrijblijvend karakter zou hebben gehad en plaatsvond met de vader van X, doet daar niet aan af. De werkwijze gaat immers voorbij aan het basale recht van de minderjarige om zich door zijn advocaat te laten adviseren over geboden alternatieven en opties en zodoende de gevolgen daarvan te kunnen overzien en af te kunnen wegen. Dit geldt zeker voor schadebemiddeling. Dit vindt immers plaats in een fase van de procedure waarin de minderjarige nog niet is veroordeeld en in beginsel nog moet worden uitgegaan van de onschuldpresumptie, terwijl het accepteren van schadebemiddeling opgevat kan worden als een schuldbekentenis.

Alles overziend zijn de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman dan ook van oordeel dat door buiten verzoeker om contact op te nemen met de vader van X in strijd is gehandeld met het vereiste van fair play en dat de rechten van X op grond van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn geschaad.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te Middelburg is gegrond.

De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman hebben met instemming kennisgenomen van de mededeling van de minister dat het schadebemiddelingstraject in jeugdzaken opnieuw tegen het licht is gehouden. Een toegevoegde advocaat behoort in de toekomst het strafdossier sneller te ontvangen en het streven is erop gericht om in de toekomst alle schadebemiddelingstrajecten te laten verlopen via de toegevoegde advocaat. Daarbij wordt opgemerkt, dat de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman er vanuit gaan dat het streven resulteert in een staande praktijk.

De Nationale ombudsman, De Kinderombudsman,

A.F.M. Brenninkmeijer M.L.M. Dullaert

 

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Verzoekschrift d.d. 13 juli 2011, met daarbij:

De beslissing van de hoofdofficier van justitie te Middelburg d.d. 29 juni 2011;

Standpunt van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 18 oktober 2011;

Achtergrond

I. Wetboek van strafvordering

Artikel 489

(…)1. Aan de verdachte die geen raadsman heeft, wordt ambtshalve een raadsman toegevoegd wanneer

a de officier van justitie in een strafbeschikking een taakstraf als bedoeld in artikel 77f, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wil opleggen en deze meer dan twintig uren zal belopen;

b de officier van justitie een strafbeschikking wil uitvaardigen en het bedrag dat daarmee is gemoeid het bedrag van € 115 overschrijdt of

c tegen hem een vervolging, anders dan door een strafbeschikking, is aangevangen wegens een feit waarvan in eerste aanleg de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, kennis neemt.

2 Aan de veroordeelde die geen raadsman heeft, wordt ambtshalve een raadsman toegevoegd, indien de veroordeelde, gelet op de aard van een krachtens de artikelen 77u of 77ee, eerste lid, in verband met artikel 14i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, af te nemen verhoor, diens bijstand behoeft.

3 De toevoeging geschiedt door of op last van de voorzitter van de rechtbank, onderscheidenlijk, wanneer hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg, door de voorzitter van het gerechtshof. (…)

II. Grondwet

Artikel 18

1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.

2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

 

Het recht op rechtsbijstandis ook vastgelegd in artikel 6, derde lid onder c van het EVRM en in artikel 14, derde lid onder b van het IVBPR

III. Kinderrechtenverdrag

Artikel 3: belangen van het kind vormen de eerste overweging bij iedere maatregel.

artikel 40, lid 2 onder b.II: Staten waarborgen dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft: (…) dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de wet is bewezen, dat (…) het juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging.

General Comment 10:

In geval van diversion: the child must be given the opportunity to seek legal or other appropriate assistance on the appropriateness and desirability of the diversion offered.

Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on child-friendly justice:

IV.B.25 Children should be thoroughly informed and consulted on the opportunity to have recourse to either a court proceeding or alternatives outside court settings. This information should also explain the possible consequence of each option. Based on adequate information, both legal and otherwise, a choice should be available. Children should be given the opportunity to obtain legal and other assistance in determining the appropriateness and desirability of the proposed alternatives.

IV.B.26 children should be guaranteed equivalent levels of safeguards in both judicia land out-of-court proceedings.

United Nations Standard Minimum Rules for the Administration of Juvenile Justice (Beijing Rules):

7.1 Basic procedural safeguards such as (…) the right to council (…) shall be guaranteed at alle stages of proceedings.

 


Zoek in rapporten

Formaat: 2011/049

Rapport tekst

Text Size

Printervriendelijke versie
Lees voor