2006/363

Rapport

Verzoeker, veehouder, produceerde onder dreigende strafvervolging in 1996 minder mest dan de hoeveelheid die hem, naar achteraf uit een rechterlijke uitspraak bleek, toekwam. Door een wijziging in de wetgeving werd de daadwerkelijke mestproductie in 1996, voor zover die niet hoger was dan de maximaal toegestane hoeveelheid mestproductie, maatgevend voor de vaststelling van de varkensrechten vanaf september 1998. Verzoeker achtte zich hierdoor benadeeld en verzocht LNV bij de vaststelling van zijn varkensrechten uit te gaan van de mestproductie die hij volgens de rechterlijke uitspraak in 1996 maximaal mocht hebben.

Verzoeker klaagde erover dat het Bureau Heffingen (thans de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de voor hem geldende hoeveelheid varkensrechten (hem bij brief van 17 augustus 2004 meegedeeld) gelet op de uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 november 2003 is berekend.

De Nationale ombudsman overwoog dat LNV wel duidelijk uiteen had gezet hoe de door de rechter vastgestelde mestproductierechten en de feitelijke mestproductie in 1996 een rol speelden bij de vaststelling van de varkensrechten en dat de vaststelling van de varkensrechten plaatsvond op basis van vaste rekenregels die vastgelegd waren in de Wet herstructurering Varkenshouderij. LNV ging in de uiteenzetting niet in op de stelling van verzoeker dat er in zijn geval aanleiding was om bij de berekening van de varkensrechten niet uit te gaan van de werkelijke mestproductie in 1996, maar van de hoeveelheid mest die hij maximaal mocht produceren. Aangezien verzoeker zich beriep op een uitzondering, had het op de weg van LNV gelegen om zich hierover gemotiveerd uit te laten.

LNV handelde in strijd met het motiveringsvereiste.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de onderzochte gedraging niet behoorlijk was.

LNV zette in een brief aan de Nationale ombudsman alsnog uiteen dat verzoekers beroep op een uitzondering niet gehonoreerd kon worden, omdat de wettelijke regels daarvoor geen ruimte boden en dit ook uit vaste jurisprudentie blijkt.

Op grond hiervan was de Nationale ombudsman van oordeel dat LNV de wijze van vaststelling van het varkensrecht alsnog voldoende had toegelicht.

Instantie: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Bureau Heffingen

Klacht:

Onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de voor verzoeker geldende hoeveelheid varkensrechten is berekend.

Oordeel:

Gegrond