2004/138

Rapport

Verzoeker, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, tegen wie een klacht was ingediend wegens ongewenst gedrag, welke klacht door de Klachtencommissie ongewenst gedrag van de Koninklijke Marechaussee is behandeld, klaagt erover dat het onderzoek en de advisering van deze klachtencommissie van 28 november 2001 aan de Commandant Staf van de Koninklijke Marechaussee onzorgvuldig zijn geweest, omdat de commissie:

- niet zijn hogere, met naam genoemde, leidinggevende heeft gehoord;

- personen die niet in de commissie wensten deel te nemen, wel heeft gehoord om te vernemen waarom zij niet wensten deel te nemen, maar niet over de klacht zelf;

- voor het horen van deze personen onjuiste redenen heeft aangevoerd;

- haar bevoegdheid heeft overschreden door een psychologisch onderzoek te adviseren, in plaats van te volstaan met het al dan niet gegrond verklaren van de klacht.

Verzoeker klaagt er ook over dat de Commandant Staf van de Koninklijke Marechaussee de klacht op 21 februari 2002 onvoldoende gemotiveerd gegrond heeft verklaard.

Beoordeling

1. Ten aanzien van de Klachtencommissie ongewenst gedrag

1.1. De Klachtencommissie ongewenst gedrag defensie is gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht, en is daarmee krachtens publiekrecht ingesteld. Daarmee is deze Klachtencommissie een zelfstandig bestuursorgaan, waarop voor de behandeling van klachten hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is (zie Achtergrond onder 1, jo onder 2.).

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee.

Y, sinds 1 oktober 2000 als uitzendkracht eveneens werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, diende op 3 september 2001 bij de Klachtencommissie ongewenst gedrag van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de klachtencommissie) een klacht in tegen verzoeker wegens ongewenst gedrag. Zij deelde in haar klachtbrief onder meer mee dat de samenwerking tussen haar en verzoeker, haar directe chef, in de periode van 1 oktober 2000 en 1 mei 2001 goed was geweest. Zo was zij ook met verzoeker mee geweest naar het zogenoemde Koninginnebal. In de periode van 1 mei 2001 tot 1 augustus 2001 had verzoeker echter meer gewild dan alleen collegiale omgang. Dit had zich onder meer geuit in regelmatig contact zoeken terwijl dat niet noodzakelijk was; telefonisch contact zoeken op haar huisnummer en mobiele telefoon, en SMS-tekstberichten sturen met onder andere vragen om mee te gaan drinken; naar anderen te suggereren dat sprake was van een relatie. Ook had hij haar tegen haar zin tijdens een feest dicht tegen zich aangetrokken. In de periode na 1 augustus 2001 tot 3 september 2001 was de verhouding met verzoeker ernstig verstoord geraakt. Verzoeker had diverse keren haar functioneren in twijfel getrokken, ook waar zij niet bij was. Dit bevreemdde haar, omdat hij haar nooit had laten blijken dat zij niet goed functioneerde, en haar zelfs had gevraagd om de functie van bureauhoofd in vast dienstverband te vervullen, en er ook geen functioneringsgesprek met haar had plaatsgevonden.

1.3. De klachtencommissie stelde naar aanleiding van deze klacht een onderzoek in, en bracht op 28 november 2001 advies uit aan de Commandant Staf van de Koninklijke Marechaussee. De klachtencommissie heeft in het kader van de behandeling van de klacht vier functioneel betrokkenen gehoord, en drie personen die hadden geweigerd om deel te nemen in de klachtencommissie omdat zij zich niet objectief en onpartijdig ten opzichte van verzoeker zouden kunnen opstellen. Mede op grond van de verklaringen van deze personen, achtte de klachtencommissie de klacht gegrond, en adviseerde de commandant om verzoeker aan een sociaal-psychiatrisch onderzoek te laten onderwerpen.

1.4. Verzoeker klaagt erover dat het onderzoek en de advisering van de klachtencommissie van 28 november 2001 aan de Commandant Staf van de Koninklijke Marechaussee op een aantal punten onzorgvuldig zijn geweest.

Verzoeker heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat de klachtencommissie niet zijn hogere, met naam genoemde, leidinggevende heeft gehoord.

1.5. Een zorgvuldig en gedegen onderzoek in een gevoelige kwestie als ongewenst gedrag, brengt mee dat alle relevante getuigen worden gehoord, en dat de klachtenprocedure op correcte wijze wordt gevoerd.

In artikel 8, tweede lid, van de Regeling klachtenprocedure ongewenst gedrag en melding vermoedens van misstanden defensie (KOGVAM; zie Achtergrond) is vermeld dat de klachtencommissie bevoegd is die informatie in te winnen die zij voor de vorming van haar advies noodzakelijk acht.

1.6. De door verzoeker bedoelde hogere leidinggevende was P9. In de periode van 1998 tot 1 juli 2001 was P9 de chef van verzoeker. De klachtencommissie heeft P9 niet gehoord. P2 heeft op 1 juli 2001 P9 opgevolgd. De klachtencommissie heeft P2 wel gehoord.

Y is in oktober 2000 op uitzendbasis in dienst getreden bij de Koninklijke Marechaussee, aanvankelijk ter assistentie van het fungerend Hoofd Bureau Z3. Verzoeker was haar directe chef. Uit het verslag van de klachtencommissie komt naar voren dat de klacht van Y betrekking heeft op de periode van 1 mei 2001 tot 1 augustus 2001, waarin zij zich ongemakkelijk begon te voelen, en met name van 1 augustus 2001 tot 3 september 2001, waarin de verhouding tussen haar en verzoeker ernstig was verstoord. De klacht heeft dan ook voornamelijk betrekking op de periode nadat P9 was vertrokken.

1.7. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat P9 mogelijk iets had kunnen verklaren over de aanloopperiode van de klacht, de periode mei en juni 2001, en verder over de persoon van verzoeker. Deze informatie zou echter slechts als achtergrondinformatie kunnen worden gebruikt. Overigens heeft verzoeker verklaard dat hij aan P9 advies heeft gevraagd over zijn voornemen om Y uit te nodigen voor het Koninginnebal, dat P9 daar negatief op heeft geadviseerd, en dat hij dit advies vervolgens niet heeft opgevolgd.

Daarnaast heeft de klachtencommissie ook P6, waarnemend hoofd van de afdeling, en als zodanig de meerdere van verzoeker, gehoord. In totaal heeft de klachtencommissie vier functioneel betrokkenen gehoord. Daarom kan niet worden gezegd dat de klachtencommissie onvoldoende personen heeft gehoord en door het niet-horen van P9 onvoldoende heeft getracht om een goed beeld te krijgen van verzoeker en de klacht.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

1.8. Ook heeft verzoeker er bezwaren tegen dat de klachtencommissie personen die niet in de commissie wensten deel te nemen, heeft gehoord om te vernemen waarom zij niet wensten deel te nemen, maar niet over de klacht zelf. Volgens verzoeker heeft de klachtencommissie voor het horen van deze personen onjuiste redenen aangevoerd.

Verzoeker heeft op dit punt naar voren gebracht dat niet eerst de vier functioneel betrokken personen waren gehoord, en daarna de personen die niet in de commissie wensten deel te nemen, maar eerst twee functioneel betrokkenen, toen drie personen over hun redenen om geen deel te nemen aan de commissie, vervolgens weer twee functioneel betrokkenen, en tot slot een vierde persoon, genoemd door een van degenen die niet in de commissie wenste deel te nemen.

1.9. De klachtencommissie heeft in het verslag van het onderzoek naar de klacht vermeld dat de voorzitter van de commissie bij het formeren van de commissie was geconfronteerd met drie afwijzingen om in de commissie zitting te nemen met als redengeving dat betrokkenen zich niet objectief en onpartijdig ten opzichte van verzoeker zouden kunnen opstellen en daardoor de onpartijdigheid van de commissie zouden kunnen schaden. Gelet op het hoge aantal afwijzingen en de gelijksoortige redengeving heeft de klachtencommissie het voor een volledig beeld van de situatie noodzakelijk geacht die redengeving te vernemen, aldus de klachtencommissie.

Ook heeft de klachtencommissie in het verslag aangegeven dat uit de verklaringen van de vier functioneel betrokken personen was gebleken dat zij onvoldoende bekendheid hadden met de feitelijke situatie in de verstandhouding tussen verzoeker en Y om daaruit een evenwichtige en gedegen conclusie te kunnen trekken over die onderlinge relatie. Daarom had de klachtencommissie behoefte gehad aan meer gegevens.

1.10. Zoals verzoeker terecht naar voren heeft gebracht, heeft de klachtencommissie niet eerst de vier functioneel betrokkenen gehoord, maar slechts twee. Bovengenoemde redengeving van de commissie dat behoefte was aan meer gegevens is daarom niet sluitend. Immers de commissie kon niet weten wat de twee andere functioneel betrokkenen zouden verklaren. Wat hier ook van zij, het is begrijpelijk dat de klachtencommissie voor een gedegen onderzoek een volledig beeld van de situatie wilde hebben en daarom meer wilde weten over de reden om geen deel te nemen aan de commissie. De gegeven reden van weigering alleen al betekende immers dat deze personen (functioneel) met verzoeker te maken hadden gehad. Daarbij kan het aantal van drie weigeringen wel als hoog worden aangemerkt, aangezien naast de voorzitter en de secretaris drie leden deel uitmaakten van de commissie, zodat in feite alle gewone leden deelname hadden geweigerd. Het onderzoek zou dan ook niet volledig zijn geweest wanneer deze personen niet waren gehoord. Echter, voor zover deze personen niets konden verklaren over de klacht zelf of over de periode waarop de klacht betrekking heeft, konden deze verklaringen slechts als achtergrondinformatie dienen, en konden deze niet van doorslaggevende betekenis worden geacht. Uit de subconclusie met betrekking tot deze verklaringen blijkt dat de klachtencommissie dit ook niet heeft gedaan. De klachtencommissie heeft zich uit deze verklaringen een beeld gevormd over de persoon van verzoeker.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

1.11. Ook is verzoeker van mening dat de klachtencommissie haar bevoegdheid heeft overschreden door een psychologisch onderzoek te adviseren, in plaats van te volstaan met het al dan niet gegrond verklaren van de klacht.

1.12. In de klachtenregeling staat niets vermeld over de aard en strekking van het advies van de klachtencommissie. Op grond van de artikelen 9:12 en 9:15 Awb (zie Achtergrond) zendt de klachtencommissie het rapport, waarin is vermeld welke bevindingen het onderzoek heeft opgeleverd, en het advies, met eventuele aanbevelingen, aan het bestuursorgaan. De klachtencommissie heeft dan ook in beginsel de bevoegdheid om tot allerhande aanbevelingen, waaronder ook een psychologisch onderzoek, te adviseren, wanneer het op grond van de bevindingen concludeert tot gegrondverklaring van de klacht. Dit neemt echter niet weg dat de klachtencommissie in deze individuele zaak niet van deze bevoegdheid gebruik had mogen maken, omdat de commissie niet tot een zo verstrekkend advies had kunnen komen, zoals ook de Commandant van mening is geweest. Immers, het advies om verzoeker psychologisch te onderzoeken kon niet steunen op de verklaringen van de functioneel betrokkenen, en was derhalve kennelijk vooral gebaseerd op de achtergrondinformatie, in plaats van op vastgestelde feiten.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

2. Ten aanzien van de Koninklijke Marechaussee

2.1. Verzoeker klaagt er ook over dat de Commandant Staf van de Koninklijke Marechaussee op 21 februari 2002 bovengenoemde klacht onvoldoende gemotiveerd gegrond heeft verklaard. Volgens verzoeker is niet bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag.

2.2. Op grond van artikel 10, tweede lid van de KOGVAM behoort de beslissing op de klacht met redenen omkleed te zijn.

2.3. In de brief van 21 februari 2002 motiveerde de Commandant de gegrondverklaring van de klacht met de mededeling dat er voldoende overtuigende aanwijzingen waren dat verzoeker toenaderingspogingen had gedaan die Y terecht tot een klacht had gebracht. De Commandant acht het aannemelijk dat ten gevolge van deze toenaderingspogingen, waarvoor hij met name het veelvuldige en eenzijdige telefoon- en SMS-verkeer, soms midden in de nacht, illustrerend achtte, voor Y een onaangename werkomgeving werd gecreëerd. Verzoeker had zich in zijn gedragingen onvoldoende rekenschap gegeven van zijn positie als haar superieur. De Commandant duidde in het bijzonder op de omstandigheid dat verzoeker niet was gestopt met zijn toenaderingen nadat Y duidelijk had aangegeven hiervan niet meer gediend te zijn, en nadat verzoeker te kennen had gegeven bemerkingen te hebben op haar functioneren.

2.4. Op grond van het verslag van de klachtencommissie staat vast dat verzoeker SMS-berichten aan Y heeft gestuurd: volgens Y ongeveer dertig, volgens verzoeker niet meer dan tien. Dit betrof de periode waarvan Y heeft aangegeven dat zij zich ongemakkelijk begon te voelen, en waarin verzoeker opmerkingen begon te maken over het functioneren van Y. Daarmee staat voldoende vast dat verzoeker Y eenzijdig heeft benaderd.

Verzoeker stelt niet dat Y ook SMS-berichten aan hem zond.

Daarnaast heeft verzoeker in zijn functie van meerdere van Y zowel negatieve opmerkingen gemaakt over haar functioneren als verwachtingen bij haar gewekt met betrekking tot een functie als hoofd. Hij was ook degene die haar functioneren beoordeelde, hetgeen hij overigens op negatieve wijze heeft gedaan nadat zij een klacht had ingediend. Er was al met al sprake van een afhankelijkheidsrelatie van Y ten opzichte van verzoeker. Vanuit dat oogpunt heeft verzoeker zich ten opzichte van Y dan ook onvoldoende terughoudend opgesteld.

2.5. Op grond van het bovenstaande kon de Commandant in redelijkheid tot de conclusie komen dat verzoeker zich onvoldoende rekenschap had gegeven van zijn positie als haar superieur, en dat verzoeker niet was gestopt met zijn toenaderingen, ook nadat hij opmerkingen had gemaakt over haar functioneren.

Daarbij komt overigens dat de Commandant tegenover verzoeker een nadere motivering heeft gegeven in een gesprek waarbij alleen hij en verzoeker aanwezig waren. Ook heeft de minister van Defensie in een nadere reactie aangegeven wat de redenen waren van de Commandant op grond waarvan deze de stellige overtuiging had dat sprake was van ongewenste toenaderingspogingen.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Klachtencommissie ongewenst gedrag, is, is niet gegrond, behalve ten aanzien van de advisering van de klachtencommissie om een psychologisch onderzoek in te stellen; op dit punt is de klacht gegrond.

De klacht over de onderzochte gedraging van de Koninklijke Marechaussee, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie, is niet gegrond.

Onderzoek

Op 7 november 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van X, ingediend door de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, met een klacht over een gedraging van de Klachtencommissie ongewenst gedrag en een gedraging van de Koninklijke Marechaussee te Den Haag.

Naar deze gedragingen werd een onderzoek ingesteld. De gedraging van de Koninklijke Marechaussee wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie.

In het kader van het onderzoek werd de Klachtencommissie ongewenst gedrag en de minister van Defensie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen de minister en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De Klachtencommissie ongewenst gedrag deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De minister van Defensie berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen of aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Verzoeker is werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee. Op 3 september 2001 diende Y, sinds oktober 2000 als uitzendkracht werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, bij de voorzitter van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de klachtencommissie), een klacht in tegen verzoeker wegens ongewenst gedrag.

2. De klachtencommissie nam de klacht in behandeling en hoorde Y en verzoeker.

Ook hoorde de klachtencommissie diverse personen als getuigen.

Op 28 november 2001 bracht de commissie advies uit.

3. Het advies van de klachtencommissie houdt onder meer het volgende in:

1. ALGEMEEN

De Klachtencommissie ex Klachtenprocedure Ongewenst Gedrag Defensie, waarin zitting hebben

(…)

biedt u hierbij aan het advies naar aanleiding van het onderzoek naar de klacht van 3 september 2001, ingediend door Y, verder te noemen klaagster over gedragingen van X, verder te noemen beklaagde.

De klacht is getoetst aan de formele vereisten ex artikel 6 en het gestelde in artikel 1 sub a van de Klachtenprocedure Ongewenst Gedrag Defensie (zie Achtergrond; N.o.). De Klachtencommissie heeft de klacht ontvankelijk verklaard.

Dat betekent dat op grond van de klacht volgens de Klachtencommissie van vermeende ongewenste gedragingen zoals omschreven In artikel 1 sub a, b, van de Klachtenprocedure Ongewenst Gedrag Defensie sprake zou kunnen zijn. De Klachtencommissie heeft aldus onderzocht of sprake was van:

"(...) a. Ongewenst gedrag: (seksuele) intimidatie, agressie en geweld, stalking, pesten, treiteren, discriminatie en extremisme,"

“(...) b. (seksuele) intimidatie; ongewenste (seksuele) toenadering, verzoeken om (seksuele) gunsten of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag waarbij tevens sprake is van een van de volgende punten:

(1) onderwerping aan dergelijk gedrag wordt hetzij expliciet hetzij impliciet gehanteerd als voorwaarde voor tewerkstelling van een persoon;

(2) onderwerping aan of afwijzing van dergelijk gedrag door een persoon wordt gebruikt als basis voor beslissingen die het werk van deze persoon raken;

(3) dergelijk gedrag heeft tot doel de werkprestaties van een persoon aan te tasten en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving te creëren, dan wel heeft tot gevolg dat de werkprestaties van een persoon worden aangetast en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving wordt gecreëerd."

2. VERLOOP PROCEDURE

a) Voorafgaand

De Klachtencommissie heeft op 10 september 2001 via de Centrale vertrouwenspersoon KMar een klacht ontvangen van een bij Bureau Z3 van Staf KMar tewerkgestelde uitzendkracht (…).

Op 17 september 2001 is de Klachtenprocedure Ongewenst Gedrag Defensie van kracht geworden. Beklaagde en zijn raadsman hebben ingestemd met het gebruik van deze klachtenprocedure. (…) Bij het samenstellen van de Klachtencommissie hebben 3 personen om hen moverende redenen geweigerd zitting te nemen. (…)

Conform de klachtenprocedure rapporteert de Klachtencommissie aan het bevoegd gezag, in casu Commandant Staf KMar. (…)

Klaagster en beklaagde zijn afzonderlijk gehoord.

Op 18 september 2001 is aan klaagster een ontvangstbevestiging gezonden en is zij uitgenodigd voor een gesprek met de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag. Op 18 september 2001 is beklaagde schriftelijk geïnformeerd over de klacht die tegen hem is ingediend en is hij uitgenodigd voor een gesprek met de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag.

b) Zitting

Conform het gestelde in artikel 8 lid 3 van de Regeling (zie Achtergrond; N.o.) moeten zowel klaagster als beklaagde in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze ten aanzien van het advies te geven. Conform het gestelde in artikel 8 lid 2 van de Regeling heeft de Klachtencommissie gemeend een aantal personen te moeten horen.

Achtereenvolgens zijn door de Klachtencommissie gehoord:

Op 24 september 2001 klaagster en eerste luitenant (elnt; N.o.) P1:

Op 1 oktober 2001 beklaagde en luitenant-kolonel (lkol; N.o.) P2;

Op 3 oktober 2001 de heer P3, mevrouw drs. P4 en luitenant-kolonel drs. P5.

Op 18 oktober 2001 majoor P6 en kapitein mr. P7;

Op 7 november 2001 de heer P8.

c) Stukken

Bijgevoegd is:

de klacht (…);

verslag hoorzitting klaagster (…);

verslag hoorzitting beklaagde (…);

verslag nadergehoor klaagster (…) (de genoemde stukken zijn niet opgenomen; N.o.)

Naast bovenvermelde stukken liggen bij de secretaris van de Klachtencommissie de navolgende stukken in het archief:

Verslag hoorzitting P1;

Brief van advocatenkantoor Petten, Tideman & Sassen met betrekking tot aanmelding als raadsman van mr. L. Ph. J. Baron van Utenhove;

Notitie van mr. L Ph. J. Baron van Utenhove;

Brief van eerste luitenant P1;

Verslag hoorzitting Ikol P2;

(Verslag; N.o.) van (verzoeker; N.o.) d.d. 3 september 2001 m.b.t. functioneren mevr. Y;

Verslag hoorzitting de heer P3;

Verslag hoorzitting mevrouw drs. P4;

Verslag hoorzitting Ikol drs. P5;

Uitdraai e - mail berichtenwisseling d.d. 310801 tussen beklaagde en klaagster;

Verslag hoorzitting maj P6;

Verslag hoorzitting kap mr. P7;

Verslag hoorzitting de heer P8.

3. FEITENVERSLAG

Situatieschets

Klaagster functioneerde sedert 1 oktober 2000 als uitzendkracht bij het Bureau Z3, aanvankelijk ter assistentie van het fungerend bureauhoofd. Het bureau Z3 maakt deel uit van de afdeling Z binnen de centrale staf van de Koninklijke Marechaussee. Nadat het bureauhoofd gedurende een lange periode ziek thuis was en het duidelijk was geworden dat hij niet op die functie zou terugkeren, functioneerde klaagster zelfstandig. Daarbij was het klaagster niet duidelijk of zij werd geacht leiding te geven aan de bureaumedewerksters danwel die werkzaamheden te verrichten die haar bij aantreden reeds waren opgedragen.

Beklaagde functioneerde als Hoofd van de Sectie Z1 van de afdeling Z. Het bureau Z3 ressorteerde in eerder stadium rechtstreeks onder het Hoofd van de Sectie Z2 van de afdeling Z (…), tevens waarnemend Hoofd van de Afdeling Z. In verband met een functiewisseling van (…) in het najaar van 2000 en de problemen bij het Bureau Z3 werd Hoofd Sectie Z1 belast met de begeleiding van dit Bureau. In de periode dat klaagster bij het bureau Z3 functioneerde, bestond er derhalve een rechtstreekse hiërarchische relatie tussen beklaagde en klaagster.

4. ONDERZOEKSVERSLAG

In onderstaand verslag worden de hoorzittingen weergegeven die in het kader van het onderzoek door de klachtencommissie zijn gehouden.

De Klachtencommissie heeft "per groep" van gehoorden een aantal subconclusies geformuleerd (deze zijn omkaderd). Op basis daarvan zijn vervolgens de eindconclusie en het advies opgesteld.

a) Het horen van klaagster en beklaagde.

Klaagster geeft aan dat de tijdsspanne waarvan sprake is een aantal perioden beslaat. Eerste periode: 01-10-2000 tot 01-05-2001.

Visie klaagster

Klaagster geeft aan dat zij in deze periode niet is lastig gevallen door beklaagde. Beklaagde heeft niet iets gedaan waar klaagster hem direct op kon aanspreken. Het was altijd latent aanwezig, zo stelt klaagster. Zij stelt verder dat beklaagde de ene keer vriendelijk en amicaal was, dan weer afstandelijk. Beklaagde heeft tegen klaagster gezegd voor haar te bewerkstelligen, dat zij een vaste aanstelling zou krijgen. Hij heeft tegenover haar steeds de indruk gewekt dat hij alles voor haar kon en wilde regelen, daarbij voorbijgaand aan (het hoofd; N.o.) en andere bevoegden. Beklaagde heeft gezegd dat hij wel zou kunnen regelen dat de aanstelling van klaagster buiten de procedures om zou gaan, als gunst. Hij zou het initiatief nemen en alles regelen. Klaagster heeft te kennen gegeven, dat er conform de procedures moest worden gehandeld.

Visie beklaagde

Beklaagde ontkent dat hij richting klaagster beloftes heeft gedaan. Hij heeft tegen klaagster gezegd in haar een goed Bureauhoofd te zien. Hij heeft in de aanvang ook tegen klaagster gezegd dat zij bij goed functioneren een kans zou kunnen maken de functie van Bureauhoofd te kunnen vervullen, maar dat hij formeel niet bevoegd is tot het doen van toezeggingen. Beklaagde nodigt klaagster, tegen het advies van zijn directe chef, P9, in, uit om met hem naar het Koninginnebal te gaan.

Tweede periode: 01-05-2001 tot 27-07-2001.

Visie klaagster

In deze periode begon klaagster zich ongemakkelijk te voelen door voorvallen en realiseerde zij zich dat de houding van beklaagde niet gewoon was.

Klaagster werd regelmatig door beklaagde in en buiten de dienst gebeld. Deze gesprekken gingen over koetjes en kalfjes en soms over zaken. Personen binnen Staf KMar maakten opmerkingen waaruit klaagster opmaakte dat deze mensen in de veronderstelling verkeerden dat zij en beklaagde een relatie hadden. Men heeft haar dit ook rechtstreeks gevraagd.

Klaagster heeft als reactie - zij wilde niet de indruk wekken dat er een relatie was - steeds meer afstand genomen tot beklaagde. Dit uitte zich in geïrriteerd optreden tegen hem.

Visie beklaagde

Beklaagde heeft na het vertrek van P10 het Bureau Z3 intensief begeleid en heeft er veel tijd en energie in gestopt. Hij liep er zeer regelmatig binnen. Hij erkent dat hij in die periode met klaagster in en buiten de dienst heeft getelefoneerd. Deze gesprekken gingen over zaken maar liepen wel uit in gesprekken over koetjes en kalfjes.

Klaagster en beklaagde bezoeken onafhankelijk van elkaar een feest.

Visie klaagster

Klaagster stelt dat zij door beklaagde op de dansvloer is getrokken. Dit gebeurde, zo verklaart zij, tegen haar zin. Vervolgens heeft beklaagde haar, ondanks haar verzet, dicht tegen zich aan getrokken. Na de dans heeft klaagster tegen beklaagde gezegd, dat zij niet gediend was van dit gedrag.

Na haar thuiskomst na dit feest, ontving klaagster van beklaagde een SMS-bericht. In dit bericht zou hij hebben aangegeven, dat hij begreep, dat de relatie niet anders kon zijn dan die van collega's. Klaagster heeft dit bericht niet beantwoord. Volgens klaagster bemerkte zij de volgende morgen dat beklaagde nog een SMS-bericht gestuurd had, waarin hij het eerste herriep.

Visie beklaagde

Beklaagde erkent dat hij op het feest is geweest en dat hij klaagster naar de dansvloer heeft geleid. Hij heeft kort met haar gedanst. Hij kan zich niet indenken dat klaagster het dansen heeft ervaren, zoals zij het heeft beschreven. Hij kan zich van het feest alleen herinneren, dat het gezellig was. Hij heeft die avond weinig alcoholhoudende drank gedronken. Hij heeft die nacht één SMS-bericht aan klaagster gezonden, waarin hij aangeeft veilig thuis te zijn. Dit had hij gedaan, zo stelt hij, omdat klaagster zich zorgen had gemaakt over de combinatie drinken en motorrijden.

Visie klaagster

Klaagster geeft aan dat beklaagde vele malen (ongeveer 30 keer) via SMS-berichten contact heeft gezocht met haar. Klaagster heeft bij KPN-Telecom een verzoek ingediend voor een overzicht van het aantal keren dat van het telefoonnummer van beklaagde een bericht aan haar is gestuurd. Dat overzicht is nog niet ontvangen.

Visie beklaagde

Beklaagde kan niet precies aangeven hoeveel SMS-berichten hij aan klaagster gestuurd heeft. Hij is van mening dat het er niet meer dan tien zijn geweest.

Derde periode: 27-07-2001 tot 01-09-2001.

Visie klaagster

Na haar vakantie, van 16 t/m 27 juli 2001, heeft klaagster een aantal weken met de hulp van een vakantiekracht het Bureau Z3 gerund. De twee vaste medewerksters waren gelijktijdig met vakantie. Klaagster is nooit goed geïnformeerd over de werkzaamheden van deze personeelsleden. In deze periode heeft beklaagde haar aangesproken op haar functioneren als bureauhoofd en de slechte prestaties van het bureau.

Klaagster geeft aan dat zij, nadat duidelijk was dat P10 langere tijd ziek thuis zou zijn, twee keer een gesprek heeft gevoerd met beklaagde. Het ging er daarbij om wat haar positie zou zijn en welke veranderingen zouden kunnen worden ingevoerd om de werkwijze van het bureau te verbeteren. In het vervolg hierop is twee keer een werkoverleg gehouden met alle medewerkers van Bureau Z3. Beklaagde is beide keren aanwezig geweest. Klaagster geeft aan dat in het eerste werkoverleg tegenover beide medewerksters is aangegeven dat klaagster waarnemend hoofd van het Bureau was en wat haar taken zouden zijn. Aan klaagster is tot nu toe niet duidelijk aangegeven dat zij de verantwoordelijkheden van waarnemend hoofd niet heeft. In de praktijk echter ging men met betrekking tot ziek melden en verlofaanvragen langs haar heen. Het verlof werd in onderling overleg geregeld, maar later ging men in de data schuiven zonder overleg met haar. Klaagster geeft aan dat met haar nooit een functioneringsgesprek is gevoerd. Beklaagde heeft zich tijdens de afwezigheid van de beide medewerksters, maar in het bijzijn van een uitzendkracht, tegenover klaagster zeer kritisch uitgelaten over het functioneren van klaagster.

Visie beklaagde

Beklaagde beschouwt dit gesprek, hoewel niet formeel, wel als een functioneringsgesprek. Beklaagde geeft aan steeds met P6 te hebben teruggekoppeld over het functioneren van klaagster. P6 erkent dit (zie de verklaring van P6 later in dit verslag). Hij is echter van mening dat de leiding van de Afdeling niet duidelijk is geweest in de richting van klaagster. Haar is niet duidelijk aangegeven wat haar werkzaamheden waren en welke bevoegdheden zij al dan niet had.

Visie beklaagde

Beklaagde geeft aan dat klaagster twee keer in een week bij hem om salarisverhoging heeft gevraagd. De eerste keer heeft hij in overleg met P6 positief gereageerd, omdat het argument dat zij structureel meer werkzaamheden verrichtte dan waarvoor zij aanvankelijk was binnengehaald, juist was. De tweede keer werd afgewezen, omdat zij het salaris wilde koppelen aan de functie van bureauhoofd.

Visie klaagster

Klaagster ontkent dit ten stelligste. Zij vindt deze voorstelling van zaken volstrekte onzin, omdat een verhoging niet binnen een week rond kan zijn. Klaagster geeft aan alleen verbolgen te zijn geweest, dat een van de medewerksters het heeft geregeld en niet beklaagde zelf. Over de hoogte van de salarisverhoging was zij niet ontevreden.

Subconclusie klachtencommissie:

● Beklaagde was door het afdelingshoofd belast met het toezicht op het Bureau Z3.

● Beklaagde heeft aan klaagster aanvankelijk aangegeven, dat hij een goed bureauhoofd in haar zag en dat als zij goed zou functioneren zij een kans zou maken op de functie van Hoofd Bureau Z3. Hij zou in dit proces een cruciale rol kunnen vervullen.

● Beklaagde heeft verwachtingen voor de toekomst in de richting van klaagster gewekt, die hij uit hoofde van zijn positie niet kon waarmaken

● Beklaagde geeft enerzijds aan dat klaagster niet kan of mag optreden als Hoofd van het Bureau, anderzijds verwijt hij haar dat zij als bureauhoofd niet goed functioneerde.

● Er zijn noch door beklaagde noch door enig andere leidinggevende met klaagster duidelijke schriftelijke afspraken gemaakt over haar werkzaamheden en bevoegdheden.

● Beklaagde heeft zowel tijdens als na kantoortijd regelmatig telefonisch contact gezocht met klaagster, waarbij het zakelijk karakter overging in een privé-karakter. Ook heeft hij haar regelmatig SMS-berichten gestuurd.

● Zowel klaagster als beklaagde geven aan dat zij gekant waren tegen een relatie en dat het de ander is die de suggestie wekte meer te willen dan collegialiteit.

b) Het horen van (functioneel) betrokkenen.

De commissie vond het voor een gedegen vorming van haar oordeel en advies noodzakelijk om in aanvulling op de informatie verkregen uit het horen van klaagster en beklaagde informatie in te winnen bij een aantal (functioneel) betrokkenen.

Reden hiervoor is primair de constatering van de commissie dat op een aantal elementen de verklaringen van beklaagde en klaagster tegenover elkaar staan. Teneinde uit de "welles-nietes-sfeer" te geraken, is toelichting van anderen gevraagd.

Van de direct (functioneel) betrokkenen is als eerste betrokkene P1 gehoord.

P1 is door klaagster in haar klachtschrift genoemd als degene die haar in een persoonlijk gesprek had gewaarschuwd dat er in haar omgeving mensen waren die haar gaarne zouden zien vertrekken.

P1 heeft tegenover de commissie ten stelligste ontkend dat een tweegesprek met die inhoud heeft plaatsgevonden. Wel heeft hij volgens zijn zeggen in het restaurant waar anderen bij zaten, klaagster aangesproken op het feit dat zij zich een status aan het aanmeten was die niet bij haar situatie paste (daarmee doelend op het feit dat klaagster zich in zijn ogen onterecht de status van waarnemend Hoofd Bureau Z3 aanmat). P1 is de mening toegedaan dat klaagster nogal aan het lobbyen was om een vaste aanstelling te verkrijgen, maar dat zij zich anders moest gaan opstellen om dat daadwerkelijk gedaan te krijgen.

(…)

Tenslotte heeft P1 aangegeven dat beklaagde absoluut niets met klaagster te maken wilde hebben in de privé-sfeer. In een aanvullende brief aan de klachtencommissie heeft P1 tenslotte mede aan de hand van casuïstiek aangegeven dat het veeleer klaagster was die te maken had met onbeantwoorde gevoelens in de richting van beklaagde dan andersom.

Voorts is als functioneel betrokkene gehoord P2, Hoofd van de afdeling Z.

P2 is op 1 juli 2001 aangetreden in zijn huidige functie en heeft de maand augustus vakantieverlof genoten. Na terugkeer van zijn verlof heeft beklaagde hem aangesproken over het functioneren van klaagster. Beklaagde heeft daarbij aangegeven problemen te voorzien wanneer klaagster de vervulling van de functie van Hoofd Bureau Z3 zou continueren. Op een tijdens dat gesprek gedaan verzoek van P2 heeft beklaagde de redenen voor zijn mening op papier gezet. P2 heeft gesteld dat hem bij navraag bij beklaagde was gebleken dat er tot dan toe niets op papier was gezet over het functioneren van klaagster. Ook was het haar in een formeel gesprek niet verteld, zodat zij ook niet de gelegenheid had gehad zich te verbeteren. Beklaagde heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij wel moeite had gedaan zo'n gesprek aan te gaan maar dat klaagster dan direct in de verdediging ging. Zo'n gesprek is dan ook niet tot stand gekomen. Het is P2 toen duidelijk geworden, zo heeft hij aangegeven, dat er geen goede werkrelatie was tussen beklaagde en klaagster. Beklaagde heeft pas in later stadium aan het verzoek voldaan om zijn bevindingen in een document vast te leggen. Hem was toen inmiddels bekend dat een klacht tegen hem zou worden ingediend. (Dat document is in kopie ter beschikking gesteld van de KC) (In dit document heeft verzoeker zich negatief uitgelaten over Y en haar functioneren, en heeft hij dit ook gerelateerd aan de klacht die zij heeft ingediend; N.o.). Beklaagde heeft bij die gelegenheid aangegeven dat klaagster zijns inziens niet geschikt is voor de functie van Hoofd Bureau Z3. Zij zou niet goed in staat zijn leiding te geven. P2 heeft aangegeven dat hij in dezelfde week van het gesprek met beklaagde, is uitgenodigd voor een gesprek bij C-Staf. Deze deelde P2 toen mee dat klaagster hem in vertrouwen had genomen en overwoog een klacht in te dienen tegen beklaagde, waarbij C-Staf aangaf dat het problemen in de relationele sfeer betrof. P2 heeft gesteld een dergelijke mededeling niet te hebben verwacht en ervan te zijn geschrokken. Klaagster heeft hem in een tweede gesprek bij C-Staf aangegeven dat zij zowel in als buiten kantooruren zowel telefonisch als door middel van SMS-berichten door beklaagde werd benaderd. Toen zij hem aangaf daarvan niet gediend te zijn, zo heeft zij P2 meegedeeld, zou beklaagde hebben opgemerkt dat hij de daaropvolgende 3 tot 4 weken nog in functie zou zijn en dat hij in die periode nog veel kon betekenen voor klaagster. Daarmee, in de beleving van klaagster, doelend op de omzetting van het dienstverband. P2 heeft desgevraagd meegedeeld, dat hem na zijn aantreden nooit feitelijk iets is gebleken van een relatie tussen klaagster en beklaagde die meer was dan een functionele. Ook heeft hij gemeld dat bij zijn aantreden noch door beklaagde noch door zijn voorganger, P9, het functioneren van klaagster als onderwerp van gesprek is opgebracht. P2 heeft aangegeven dat beklaagde op het indienen van de klacht had gereageerd met een mengeling van kwaadheid en verbaasdheid. De oprechtheid daarvan heeft P2 getroffen. Hij heeft meegedeeld een zelfde oprechtheid ook te hebben aangetroffen bij klaagster.

Als derde functioneel betrokkene is P6 gehoord. Hij heeft vanaf het begin van de tewerkstelling van klaagster bij de Kmar tot 1 juli 2001 gedurende langere perioden als waarnemend hoofd afdeling Z gefungeerd.

In zijn verklaring heeft P6 meegedeeld dat klaagster is ingehuurd om bepaalde werkzaamheden te verrichten en niet als vervanger van het Hoofd Bureau Z3. Door de afdelingsleiding is zij meermalen geprezen over de verbeteringen die zij in het bureau Z3 heeft aangebracht. Zij heeft zich vanaf een bepaald moment - wanneer dat was heeft P6 zich niet kunnen herinneren - wel als zodanig gepresenteerd. Al vrij snel na haar binnenkomst heeft klaagster - zo heeft P6 aangegeven - om loonsverhoging gevraagd, gelet op het samenstel van werkzaamheden dat zij verrichtte en dat aanzienlijk meer betrof dan waarvoor zij was "ingehuurd". Dat is toegestaan. De tweede verhoging waarom zij volgens beklaagde binnen een week vroeg, is niet toegestaan. P6 heeft tegenover de commissie erkend dat, gelet op de overige werkzaamheden van beklaagde, het erop neerkwam dat klaagster leiding gaf aan het Bureau. Zij werd en wordt echter door de leiding gezien als medewerkster (…). In de visie van P6 gaf klaagster eigenlijk informeel wel maar formeel geen leiding, waardoor er bij haar rol onduidelijkheid kan zijn ontstaan. Dat bleek, zo heeft P6 gesteld, onder meer uit het feit dat zij volgens beklaagde zelf haar werkbriefjes van Randstad ondertekende. Voorts heeft P6 tegenover de commissie niet uitgesloten dat klaagster, gedoogd door de afdelingsleiding, op de verlofaanvraag van de medewerksters van het bureau heeft beslist. Inmiddels is bij controle van doorslagen van werkbriefjes gebleken dat klaagster geen van de werkbriefjes heeft ondertekend. (Hierbij wordt overigens vermeld dat de werkbriefjes binnen de Staf niet te achterhalen zijn).

Beklaagde, zo heeft P6 aangegeven, is bij hem te rade gekomen om zijn mening te horen over het voornemen van beklaagde klaagster uit te nodigen voor het Koninginnebal. Hij heeft dat niet afgeraden. Dit in tegenstelling tot het voormalige afdelingshoofd, P9. Beklaagde heeft daarbij nadrukkelijk aangegeven niet in een soort van relatie met klaagster naar dat bal te willen gaan, maar om haar te introduceren bij de leidinggevenden binnen de KMar. P6 heeft tegenover de commissie verklaard van beklaagde te hebben vernomen dat hij geen relatie binnen werkomstandigheden wilde. Beklaagde heeft P6 wel verteld het gevoel te hebben dat klaagster een relatie met hem wilde.

Beklaagde heeft tegenover de commissie aangegeven dat klaagster binnen een week om een tweede salarisverhoging heeft verzocht. Hij is hiermee toen, zo heeft hij gesteld, naar P6 gegaan. Gezamenlijk is toen besloten niet op dat verzoek in te gaan. Volgens P6 heeft het niet toestaan van de tweede salarisverhoging een kentering in de werkrelatie tussen klaagster en beklaagde teweeggebracht en niet de gebeurtenissen tijdens het Koninginnebal. P6 heeft tenslotte aangegeven er niet zeker van te zijn of klaagster zich bij hem heeft afgemeld toen zij op 16 augustus jl laat in de middag ziek (in de termen van klaagster "met een zomergriepje") naar huis is gegaan. De twijfel bij beklaagde of klaagster daadwerkelijk ziek was of dat zij teleurgesteld was na het eerder op die dag door beklaagde met haar gevoerde "slecht weergesprek" kan P6 zich overigens goed voorstellen. Gebleken is inmiddels uit de werkbriefjes dat klaagster op 17 augustus een vrije dag heeft genomen. Op 16 augustus staan normaal 8 werkuren genoteerd. Zij heeft zich derhalve niet ziek gemeld.

Als laatste functioneel betrokkene is P7 gehoord. Zij functioneert als medewerker van de sectie Z1 waar beklaagde tot 1 september 2001 als sectiehoofd functioneerde. Zij wordt ook gehoord omdat zij door P4 (…) is genoemd als een van diegenen die in het gezelschap van beklaagde verkeerde bij een stapavondje in Den Haag.

Uit de verklaring van P7 blijkt dat zij tijdens de training voor de Vierdaagse van beklaagde heeft vernomen dat hij klaagster had meegenomen naar het Koninginnebal om haar te introduceren bij de leidinggevenden binnen de KMar. Klaagster zou veelvuldig "om beklaagde hebben heen gezworven".

Beklaagde heeft volgens P7 nooit toenaderingspogingen tot haar ondernomen. Over de functionele relatie tussen beklaagde en klaagster kan P7 niets zeggen. Ook stelt zij niets naders te weten over een mogelijke privé-relatie tussen beklaagde en klaagster. Van beklaagde, zo stelt zij, weet zij dat hij dat niet wilde.

Over het stapavondje heeft P7 verteld dat beklaagde wel gedronken had maar niet dronken was en dat het een gezellige boel was waarbij enkele buitenstaanders werden uitgenodigd. Zij was daarover wel verrast omdat de intentie was dat zij en beklaagde de avond gezamenlijk zouden doorbrengen ter afsluiting van de Vierdaagse.

Subconclusies klachtencommissie m.b.t. de verklaringen van (functioneel) betrokkenen in relatie tot verklaringen beklaagde en klaagster

● Alle verklaringen van betrokkenen spreken erover dat beklaagde heeft aangegeven geen relatie in de werkomgeving te willen en meer specifiek geen relatie met klaagster te willen. Dat staat lijnrecht tegenover de verklaring van klaagster.

● Beklaagde heeft aan direct-betrokkenen aangegeven dat klaagster niet goed functioneerde als bureauhoofd. Hij heeft dat vastgelegd nadat het nieuwe afdelingshoofd daarom had gevraagd en nadat hem bekend was geworden dat klaagster een klacht tegen hem zou indienen.

● Alle verklaringen van betrokkenen spreken van verbazing. Geen van hen had deze klacht verwacht

● Alle gehoorde betrokkenen hebben in de directe werksfeer met beklaagde te maken en niet met klaagster,

● Er is een tegenstrijdigheid kenbaar in de verklaring van P1 en die van klaagster. Waar klaagster spreekt van een persoonlijk gesprek waarin P1 haar heeft gewaarschuwd dat er in haar omgeving mensen waren die haar gaarne zagen vertrekken, ontkent P1 ten stelligste ooit zo'n gesprek met haar te hebben gevoerd.

● De ervaringen van klaagster en datgene wat over de onderlinge relatie tussen beklaagde en klaagster bij direct betrokkenen op het werk bekend was, "matchen" niet. Voorts geven de verklaringen blijk van onvoldoende bekendheid met de feitelijke situatie in de verstandhouding tussen beklaagde en klaagster om daaruit een evenwichtige en gedegen conclusie te kunnen trekken over die onderlinge relatie. Daarom is er voor een gewogen beoordeling behoefte aan meer gegevens.

c) Het horen van derden.

De voorzitter van de commissie is bij het formeren van de commissie geconfronteerd met drie afwijzingen om in de commissie zitting te nemen met als redengeving dat betrokkenen zich niet objectief en onpartijdig ten opzichte van beklaagde zouden kunnen opstellen en daardoor de onpartijdigheid van de commissie zouden kunnen schaden. Gelet op dat hoge aantal afwijzingen en de gelijksoortige redengeving heeft de klachtencommissie het voor een volledig beeld van de situatie noodzakelijk geacht die redengeving te vernemen.

(…)

(Deze verklaringen zijn niet weergegeven omdat zij door de Commandant als niet relevant terzijde zijn gelaten, en daarom niet kunnen dienen als grondslag van de motivering van de Commandant op de klacht van Y. De conclusie is hierna wel weergegeven, om aan te geven hoe de klachtencommissie deze verklaringen heeft gebruikt.; N.o.)

Subconclusie klachtencommissie

De verklaringen van degenen die geen zitting wilden nemen in de klachtencommissie bewerkstelligen dat de voorliggende klacht in een duidelijke context wordt geplaatst Voorts ontstaat door deze verklaringen een duidelijk beeld van gedragingen van beklaagde door de jaren heen.

Op grond van hetgeen er aan materiaal ligt, komt de commissie tot de hiernavolgende conclusies en haar advies.

5. CONCLUSIES KLACHTENCOMMISSIE

● (…)

Op de voet van artikel 1 sub a en b. van de Klachtenprocedure Ongewenst gedrag Defensie kwalificeert de klachtencommissie het door klaagster in haar klacht beschreven gedrag van beklaagde als ongewenst gedrag. Daarbij doelt de commissie met name op de volgende ontwikkeling.

Aanvankelijk vertoonde het gedrag van beklaagde in de richting van klaagster enthousiasme, waarbij collegialiteit in de beleving van klaagster uitmondde in een zekere opdringerigheid. Daarbij heeft beklaagde verwachtingen gewekt voor de toekomst. Vanaf een bepaald moment is dat geheel omgedraaid en veranderd in gedrag waarbij beklaagde klaagster duidelijk heeft gemaakt dat zij niet voldeed als wnd hoofd Bureau Z3. Haar is echter nooit op papier of ten minste voldoende duidelijk meegedeeld welke haar verantwoordelijkheden en bevoegdheden precies waren en welke taken klaagster geacht werd te verrichten. Tegelijkertijd heeft beklaagde in de beleving van klaagster de attitude aangenomen dat hij degene was die ten minste grote invloed zou hebben in het besluit klaagster een dienstverband met de KMar aan te bieden. Zij heeft dat als intimiderend ervaren en werd daardoor steeds meer onzeker over haar positie.

● (…) Wat de klachtencommissie gaandeweg het onderzoek heeft vastgesteld, is dat beklaagde aan functioneel betrokkenen in zijn omgeving bij herhaling duidelijk heeft gemaakt dat hij geen privé-relatie wilde met iemand uit zijn werkomgeving. Daarmee heeft beklaagde een beeld gecreëerd dat lijnrecht tegenover de belevingen van klaagster staat. Hij is daarin zo ver gegaan dat hij advies vroeg aan twee meerderen of het verstandig was klaagster mee te nemen naar een feest van de KMar (Koninginnebal). De commissie heeft gelet op deze feitelijkheden een groot verschil geconstateerd tussen hetgeen beklaagde tegenover zijn werkomgeving belijdt en - althans in de beleving van klaagster - zijn gedrag jegens klaagster.

Vervolgens heeft beklaagde het functioneren van klaagster bij zijn meerderen ter discussie gesteld, terwijl hij tegelijkertijd - althans in de beleving van klaagster - bij haar de suggestie wekte nog iets voor haar te kunnen doen in de korte periode voor zijn vertrek als sectiehoofd. Die kentering in het gedrag van beklaagde viel samen met het gegeven dat de situatie in relatie tot klaagster niet liep zoals hij zich had voorgesteld. Bij de commissie is - naar aanleiding daarvan - de indruk achtergebleven dat beklaagde na kennisneming van het indienen van de klacht, een situatie creëerde waarin hij nog zaken naar zijn hand kon zetten, daarbij klaagster in een soort van wurggreep houdende. Wat daarbij in de verklaring van beklaagde opvalt is dat hij zegt die reactie en belevingen van klaagster in 't geheel niet te herkennen. (…)

6. ADVIES

De in de conclusies geconstateerde gedragslijn bij beklaagde is voor de commissie reden het hiernavolgende advies te formuleren.

Het is de commissie onduidelijk of het in de conclusies vermelde herhaald vertonen van ongewenste gedragingen door beklaagde weloverwogen is en derhalve door betrokkene zelf corrigeerbaar of dat eerder sprake is van onvoldoende besef van wat hij met zijn gedrag een ander kan aan doen. Het gegeven dat beklaagde met oprecht ongeloof en verbijstering reageert op de door de klaagster aangegeven gedragingen, doet eerder het laatste vermoeden. De commissie acht het daarom noodzakelijk dat hierover zowel naar de organisatie toe als naar de beklaagde zelf, duidelijkheid wordt verkregen respectievelijk geboden. Immers, indien er sprake is van een beperkt zelfinzicht, is de kans op recidive groot. Dat geldt met name in het sociale verband waarin ongelijkheid in relatie tot onvoldoende zelfinzicht de gewraakte gedragingen zou kunnen oproepen. Het valt noch naar beklaagde zelf noch naar een eventueel gedupeerde persoon uit te leggen dat benadeling voorkomen had kunnen worden.

De commissie adviseert om die reden het bevoegd gezag om beklaagde aan een sociaal-psychiatrisch onderzoek (…) te laten onderwerpen. De vraagstelling daarbij zou in de visie van de Commissie moeten zijn of er psychische dan wel psychiatrische gronden zijn naar welke de gedragingen van beklaagde zijn te herleiden. Indien die vraag positief wordt beantwoord adviseert de commissie na te gaan of begeleiding en/of behandeling de aangewezen weg is en de vraag te beantwoorden aan welke - arbeidsvoorwaardelijke - randvoorwaarden moet worden voldaan om betrokkene de bij zijn krachten en bekwaamheden passende werkzaamheden binnen de Koninklijke Marechaussee in volle omvang te kunnen laten vervullen, inclusief uitzendingen.

Tevens adviseert de commissie het bevoegd gezag aan klaagster duidelijkheid te verschaffen omtrent haar positie. Daarbij is het tevens noodzakelijk actie te ondernemen om de interne arbeidsverhoudingen te normaliseren. De commissie adviseert de centrale vertrouwenspersoon hierin een bemiddelende rol te laten spelen.”

4. Verzoeker reageerde via zijn gemachtigde op 14 december 2001 als volgt op het advies van de commissie:

“Zienswijze van X op de rapportage en het advies van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag.

1. De gevolgde procedure

1.1 Cliënt acht het juist dat de commissie, teneinde een beeld te krijgen van de organisatorische setting uit welke de klacht is voortgevloeid, is overgegaan tot het horen van P2, P6, P7 en P1. Hij acht het evenwel onbegrijpelijk dat de commissie niet is overgegaan tot het horen van zijn hogere leidinggevende in de periode van 1998 tot juni 2001, P9. Het horen van P9 had naar de mening van cliënt een goed beeld kunnen geven van de wijze waarop cliënt als (Hoofd Sectie Z1; N.o.) functioneerde, hetgeen zeker dienstbaar zou zijn geweest bij de beoordeling van de onderhavige klacht en met name bij het trekken van de juiste conclusies.

1.2 Het bevreemdt cliënt ten zeerste dat de commissie, zonder hem dit mede te delen, tot het horen van een aantal derden is overgegaan en dat dit gedeeltelijk gebeurde vóórdat de hierboven gehoorde functioneel betrokkenen waren gehoord. De motivatie voor het horen van de derden was immers dat het horen van klaagster, beklaagde en functioneel betrokkenen onvoldoende duidelijkheid had opgeleverd. Er was "onvoldoende bekendheid met de feitelijke situatie in de verstandhouding tussen beklaagde en klaagster (is) om daaruit een evenwichtige en gedegen conclusie te kunnen trekken over die onderlinge relatie. Daarom is er behoefte aan meer informatie." Achteraf is echter gebleken dat P3, P4 en P5 zijn gehoord vóórdat P6 en P7 zijn gehoord. De motivatie voor het horen van derden is dan ook niet valide.

1.3 Cliënt kan de commissie ook niet volgen in de beweegredenen om überhaupt tot het horen van derden over te gaan. Zijns inziens valt uit de verklaringen van de gehoorde functioneel betrokkenen immers duidelijk af te leiden dat hem in deze kwestie geen blaam treft. Indien de commissie dan toch tot het horen van andere personen had willen overgaan, ware het logisch geweest indien zij tot het horen van P9 en de twee andere vrouwelijke medewerkers van het bureau was overgegaan.

1.4 Cliënt is verbijsterd over het feit dat de commissie, nadat zij van P3, P5 en P4 had vernomen waarom zij niet in de commissie zitting wilden nemen, deze betrokkenen heeft bevraagd over de mening die zij uit eerdere ervaringen met cliënt hadden. Door deze handelwijze is de commissie naar het oordeel van cliënt buiten het eigenlijke geding getreden. Bovendien doet de mening van de genoemde personen, nu zij met de onderhavige kwestie niets van doen hadden en naar eigen zeggen in dezen niet objectief konden zijn, naar het oordeel van cliënt in het geheel niet ter zake.

1.5 Cliënt acht het onbegrijpelijk dat de gehoorde derden, voordat zij werden gehoord, kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van de klacht. Zodoende wisten zij bij het beantwoorden van de vragen van de commissie waarvan mijn cliënt werd beschuldigd. Mede gelet op het feit dat deze personen te kennen hadden gegeven op grond van eerdere ervaringen niet in de commissie te willen plaatsnemen, had de commissie moeten besluiten niet tot het horen van deze derden over te gaan.

1.6 Tot slot dient te worden vermeld dat P3, zijnde een regulier lid van de commissie, door met de eveneens gehoorde P8 over de inhoud van de klacht te spreken, zo niet in strijd met de letter, dan toch in ieder geval in strijd met de geest van de klachtenregeling heeft gehandeld.

2. De inhoud van de verklaringen

2.1 Cliënt is van mening dat de verklaringen van de (functioneel) betrokkenen een waarheidsgetrouw beeld geven van de gang van zaken op de afdeling en van de wijze waarop het contact tussen cliënt en klaagster verliep. Zij bevestigen onder andere de stelling van cliënt dat hij op geen enkele wijze pogingen heeft gedaan om met klaagster een relatie te beginnen.

2.2 (…)

(Verzoekers reactie op de verklaringen van de personen die hebben geweigerd in de klachtencommissie deel te nemen is niet opgenomen omdat de beslissing van de Commandant op de klacht niet op deze verklaringen is gebaseerd.; N.o.).

3. De getrokken conclusies

3.1 Nadat de commissie klaagster, beklaagde, de (functioneel) betrokkenen en een viertal derden gehoord heeft, verklaart zij de klacht voldoende aannemelijk gemaakt en gegrond. Deze zienswijze wordt door cliënt uitdrukkelijk betwist. Hij refereert hierbij aan de door de commissie (…) van de rapportage getrokken subconclusies. Deze houden in dat over hetgeen gebeurd is een verschil van zienswijze bestaat tussen klaagster enerzijds en cliënt en de (functioneel) betrokkenen anderzijds. Om die reden had de commissie op dat moment het bevoegd gezag moeten adviseren de klacht van klaagster wegens gebrek aan bewijs ongegrond te verklaren.

De commissie heeft dit echter niet gedaan. Zij is namelijk aan de hand van de (gedeeltelijk al in een eerder stadium opgestelde) verklaringen van derden nadere conclusies gaan trekken. Ik heb al vermeld dat de verklaringen van de derden over hetgeen gebeurd zou zijn helemaal geen duidelijkheid zouden hebben kunnen verschaffen. De derden hadden namelijk geen inzicht over de feitelijke situatie in de verstandhouding tussen klaagster en cliënt en konden dit ook niet hebben. Hun verklaringen konden dus niet bijdragen aan het bewijs of de aangevoerde gedragingen van cliënt wel of niet hebben plaatsgevonden. Cliënt is dan ook van mening dat de commissie, nu haar conclusie voor een groot deel gebaseerd is op de verklaring van de derden, deze niet had mogen trekken en de klacht ongegrond had moeten verklaren.

3.2 Nadat de commissie de klacht voldoende aannemelijk en gegrond heeft verklaard, is zij gaan onderzoeken of de door de commissie bewezen verklaarde gedragingen door cliënt bewust vertoond zijn dan wel dat hij onvoldoende beseft wat het gevolg van zijn handelen is. De commissie slaagt er niet in in dezen een conclusie te trekken en adviseert het bevoegd gezag cliënt aan een psychologisch onderzoek te onderwerpen. Naar het oordeel van cliënt neemt de commissie haar bevoegdheid hiermee wel erg ruim. Hij is van mening dat de taak van de commissie uitsluitend het beantwoorden van de vraag behelst of de klacht gegrond of ongegrond is. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag om te bepalen welke conclusies uit het oordeel van de commissie dienen te worden getrokken.

4. Conclusie cliënt

Cliënt is van oordeel dat niet bewezen is dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag. Hij is dan ook van mening dat hem in dezen geen sanctie dient te worden opgelegd en dat hij van deze kwestie in het verdere verloop van zijn carrière geen hinder mag ondervinden.”

5. De beslissing van de Commandant Staf Kmar van 21 februari 2002 op de klacht van Y, gericht aan verzoekers gemachtigde, houdt onder meer het volgende in:

“Op 10 september 2001 heeft de klachtencommissie ongewenst gedrag van de Koninklijke Marechaussee (hierna te noemen de klachtencommissie) een klacht ontvangen van Y, werkzaam als uitzendkracht bij het bureau Z3 van de afdeling Z van de staf KMar te 's Gravenhage. Deze klacht handelt over u, werkzaam als hoofd sectie Z1 van de afdeling Z van de staf KMar te 's Gravenhage. De klacht is ingediend conform de regeling "klachtenprocedure ongewenst gedrag en melding vermoedens van misstanden defensie" (hierna te noemen de regeling).

De klacht is door de klachtencommissie getoetst aan de regeling en is door de klachtencommissie ontvankelijk verklaard. De klachtencommissie heeft een onderzoek ingesteld en heeft de resultaten daarvan vastgelegd in een dossier. Vervolgens zijn beklaagde en U in het bezit gesteld van dit advies waarbij U beiden, conform artikel 8, lid 6 van de regeling, in de gelegenheid bent gesteld uw zienswijze schriftelijk kenbaar te maken op dit advies.

Op 11 februari 2002 ontving ik het dossier, door tussenkomst van de Bevelhebber der Koninklijke Marechaussee, van de klachtencommissie. Dit dossier bevat het advies van de klachtencommissie inzake de procedure tussen Y (hierna te noemen klaagster) en X (hierna te noemen beklaagde). Naast het advies bevat het dossier diverse achterliggende stukken zoals de klacht, verslagen van de hoorzittingen, voortgangsberichten, de zienswijze van klaagster en beklaagde en berichtgeving omtrent de aanwijzing van het bevoegde gezag in de onderhavige kwestie.

Ingevolge de regeling, artikel 1, lid t. ben ik, als commandant van de Staf KMar, i.c. een eenheid met een eigen taak bedeeld administratief of organisatorisch zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Defensie, aangemerkt als het bevoegd gezag waarover ik u heb geïnformeerd ingevolge referte. Tevens heb ik u bekend gesteld dat ik voor of uiterlijk maandag 25 november 2002 zal komen tot een definitief oordeel (besluit) waarvan ik u onverwijld in kennis zal stellen.

Ik acht het volgende:

Met de klachtencommissie ben ik, na raadpleging van de regeling en de klacht, van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.

Gelezen het dossier onderschrijf ik de conclusie van de klachtencommissie dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenste gedragingen, zoals omschreven in artikel 1 sub a en b van de regeling. De klacht is naar mijn mening gegrond.

De klachtencommissie kiest er niet voor het feit nader te preciseren. "Ongewenste toenadering" acht ik in dit opzicht het meest toepassend. Er zijn voldoende overtuigende aanwijzingen dat beklaagde toenaderingspogingen heeft gedaan die klaagster - terecht - tot een klacht hebben gebracht. Ik acht het aannemelijk dat ten gevolge van deze toenaderingspogingen - waarvoor met name het veelvuldige en eenzijdige telefoon- en SMS-verkeer, soms midden in de nacht, illustrerend zijn - voor klaagster een onaangename werkomgeving werd gecreëerd. Beklaagde heeft zich in zijn gedragingen jegens klaagster onvoldoende rekenschap gegeven van zijn positie als haar superieur. In het bijzonder duid ik hiermee op de omstandigheid dat beklaagde niet is gestopt met zijn toenaderingen nadat klaagster duidelijk had aangegeven hiervan niet (meer) gediend te zijn en nadat hij te kennen had gegeven bemerkingen te hebben over haar functioneren.

Mij bepalend tot de feiten zoals aangedragen in de onderhavige kwestie onderschrijf ik de gegrondverklaring door de klachtencommissie. De klachtencommissie adviseert het bevoegd gezag om beklaagde aan een sociaal psychiatrisch onderzoek (…) te laten onderwerpen. Dit advies wordt niet overgenomen aangezien de klachtencommissie haar advies te sterk heeft gebaseerd op hetgeen zij heeft gehoord tijdens de hoorzitting van een tweede groep personen (P3, P4, P5, P8). Ik ben van mening dat de verklaringen van deze personen niet relevant zijn inzake de onderhavige kwestie. De feiten zoals mij uit het dossier gebleken, in (louter) de onderhavige kwestie bieden geen basis voor zo'n verstrekkend advies.

Besluit:

De klacht is ontvankelijk en gegrond. Beklaagde heeft zich schuldig gemaakt aan ongewenste toenadering, zoals bedoeld in artikel 1, onder b. van de regeling klachtenprocedure ongewenst gedrag en melding vermoedens van misstanden defensie. Een afschrift van dit besluit zal ingevolge de regeling, worden verzonden aan de centrale vertrouwenspersoon KMar.

Voorts bericht ik u dat het bevoegd gezag met beklaagde een persoonlijk onderhoud zal aangaan waarin hem zeer nadrukkelijk zal worden aangegeven dat voornoemd gedrag i.c. ongewenste toenadering van een leidinggevende jegens een (functioneel) onder hem gestelde, zoals door mij is vastgesteld in de onderhavige kwestie, onacceptabel is.

Ik verzoek u, X, eventueel in gezelschap van uw raadsman, te verschijnen voor het - hierboven bedoelde - persoonlijk onderhoud met ondergetekende op dinsdag 12 maart 2002, om 09.00 uur op de Koningin Beatrix Kazerne te 's Gravenhage.

Mocht u verhinderd zijn dan verzoek ik u met mij in contact te treden om een andere afspraak te maken. Mocht u andere vragen hebben dan kunt u zich te allen tijde in verbinding stellen met mij.”

B. Standpunt verzoeker

Het standpunt van verzoeker is samengevat weergegeven onder Klacht.

C. Standpunt minister van Defensie

1. De Minister van Defensie gaf onder meer de volgende reactie op de klacht:

“Naar aanleiding van het deel van de klacht dat betrekking heeft op het optreden van de klachtencommissie merk ik het volgende op.

De werkwijze voor het onderzoek van de klachtencommissie staat beschreven in artikel 8 van de Regeling klachtenprocedure ongewenst gedrag en melding vermoedens van misstanden defensie (hierna: Regeling KOGVAM.

Het staat de klachtencommissie vrij om te bepalen welke getuigen zij willen horen om informatie in te winnen die zij voor de vorming van haar advies noodzakelijk acht. Het niet voldoen aan een verzoek van een beklaagde om een bepaalde persoon te horen behoeft door de klachtencommissie niet te worden gemotiveerd. De Regeling KOGVAM geeft de klachtencommissie de ruimte om een eigen afweging te maken.

De klachtencommissie heeft haar bevoegdheid niet overtreden door in het advies aan het bevoegd gezag naast de gegrond verklaring van de klacht tevens een psychologisch onderzoek te adviseren. De commissie heeft haar motivatie hiervoor in het advies aan het bevoegd gezag uiteengezet (…). De Regeling KOGVAM legt de commissie op dat punt geen beperkingen op.

Ten aanzien van verzoekers klacht dat de Commandant Staf onvoldoende gemotiveerd de klacht gegrond heeft verklaard verwijs ik naar de schriftelijke beoordeling van de klacht door Commandant Staf d.d. 21 februari 2002, (…). In dit schrijven geeft Commandant Staf gemotiveerd aan waarom hij het advies van de klachtencommissie over de gegrondverklaring van de klacht wel overneemt en waarom hij het advies voor een psychologisch onderzoek niet overneemt. Tevens is in dit schrijven aangegeven dat er een persoonlijk onderhoud met verzoeker zal plaatsvinden, eventueel in gezelschap van een raadsman. Verzoeker heeft ervoor gekozen om dit onderhoud alleen met Commandant Staf te laten plaatsvinden. De brief d.d. 12 maart 2002, (…), waarin het doel van het onderhoud, de ernst van het gedrag van verzoeker onder de aandacht te brengen, is voorafgaande aan het gesprek aan verzoeker uitgereikt. Van de inhoud van dit gesprek is geen verslag gemaakt.”

2. De minister voegde als bijlagen verklaringen bij van door de klachtencommissie gehoorde personen, alsmede een functioneringsverslag van 3 september 2001 van verzoeker over Y, waarin hij zich negatief over haar uitlaat, en aangeeft dat Y zijns inziens dient te vertrekken.

D. Reactie verzoeker

Verzoeker bracht in zijn reactie op de informatie van de minister van Defensie onder mee het volgende naar voren:

"Artikel 8 van de Regeling klachtenprocedure ongewenst gedrag en melding van misstanden defensie (regeling KOGVAM) beschrijft inderdaad de werkwijze voor onderzoek van de klachtencommissie. Natuurlijk staat het de commissie vrij om te bepalen welke getuigen zij wil horen om informatie in te winnen die zij voor de vorming van haar advies noodzakelijk acht. In casu heeft de commissie geen getuigen gehoord die inhoudelijk iets over de klacht konden vertellen. Zij heeft personen gehoord die normaliter deel uit maken van de klachtencommissie maar, gelet op mijn persoon, geweigerd hebben in de commissie zitting te nemen. Zij konden bovendien niets inhoudelijks over de klacht naar voren brengen maar waren wel bereid om iets over mijn persoonlijkheid naar voren te brengen. Deze mensen (P3, P5 en P4) zijn mijns inziens geen getuigen die inhoudelijk informatie kunnen aandragen die kan leiden tot een gedegen onderzoek van de ingediende klacht.

Ik ben dan ook van mening dat de commissie door de genoemde getuigen te horen niet zozeer de klacht heeft willen onderzoeken maar de persoon van de beklaagde. Ik ben van mening dat de commissie hierdoor buiten haar bevoegdheid is getreden. Verder bevreemdt het mij dat de commissie verzuimd heeft mijn direct leiddinggevende, P9, te horen. P9 was bij uitstek degene die inhoudelijk iets kon zeggen over de klacht en over de functionele relatie tussen klaagster en beklaagde.

Ten aanzien van het advies aan het bevoegd gezag naast de gegrondverklaring van de klacht tevens een psychologisch onderzoek te adviseren blijf ik van mening dat dit advies niet gebaseerd is op een deskundig oordeel en feitelijke grondslag, volstrekt disproportioneel is en dat de commissie wel degelijk hiermee haar bevoegdheid heeft overschreden.

Commandant stafKmar heeft in zijn besluitvorming (brief 21 februari 2002) het advies van een psychologisch onderzoek naast zich neer gelegd. Tevens acht hij de verklaringen van de tweede groep personen niet relevant voor de onderhavige kwestie. Wat blijft dan nog over aan verklaringen welke betrekking hebben op de klacht zelf. Louter en alleen de verklaring van klaagster. Aan mijn verhaal, ondersteund door verklaringen van andere getuigen (P1, P6 en P7), wordt geen waarde gehecht. Ik blijf van mening dat de beslissing van commandant StafKmar om de klacht gegrond te verklaren een onvoldoende feitelijke grondslag heeft. Commandant StafKmar schrijft in zijn brief, d.d. 21 februari 2002 dat er voldoende overtuigende aanwijzingen zijn. Ik vraag mij oprecht af wat deze aanwijzingen dan zijn."

E. Reactie minister van Defensie

1. De minister van Defensie reageerde onder meer als volgt op verzoekers reactie:

“Naar aanleiding van uw bovengenoemde brief waarin u vraagt om een reactie met betrekking tot de brief van X (hierna: verzoeker) van 13 juni 2003, deel ik u het volgende mee.

Commandant Staf KMar, luitenant-kolonel L. is als bevoegd gezag, (…), opgedragen de klacht van Y, verder te noemen klaagster, tegen verzoeker wegens ongewenst gedrag te behandelen. Hierover heeft Commandant Staf KMar middels zijn brief, (…), d.d. 11 februari 2002, klaagster en middels zijn brief, (…), d.d. 11 februari 2002 verzoeker geïnformeerd. In deze brieven heeft Commandant Staf KMar aangegeven dat het dossier hem op 11 februari 2002 in handen is gesteld. Van dit dossier maakt onder andere deel uit de rapportage en het advies van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag zoals dat is opgesteld en ondertekend door de voorzitter en leden op 28 november 2001.

Bij zijn besluit de klacht ontvankelijk en gegrond te achten heeft Commandant Staf KMar zich gebaseerd op de aangedragen informatie zoals verwoord door de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag in de hierboven genoemde rapportage en advies. In zijn brief, (…), d.d. 21 februari 2002 heeft Commandant Staf KMar zijn besluit/oordeel ter kennis gebracht van verzoeker. De Commandant Staf heeft middels deze brief (…) verzoeker aangegeven dat hij de klacht ontvankelijk en gegrond heeft geacht.

Ter aanvulling op het gestelde in de genoemde brief d.d. 21 februari 2002 waarin Commandant Staf KMar (…) zijn besluit heeft onderbouwd wordt door hem - desgevraagd - bij deze nog eens benadrukt dat hij, na kennisname van de op de klacht betrekking hebbende stukken, de stellige overtuiging heeft bekomen dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen/toenaderingen ten aanzien van klaagster die door haar als zeer ongewenst zijn ervaren waarbij zij dit verzoeker verschillende keren heeft aangegeven.

Commandant Staf KMar schrijft in zijn brief van 21 februari 2002 dat hij het advies van de klachtencommissie om verzoeker aan een sociaal psychiatrisch onderzoek te onderwerpen (…) niet heeft overgenomen. Hij is van mening dat de verklaringen van een groep personen (P3, P4, P5, P8) niet relevant zijn geweest voor de onderhavige klacht van klaagster.

Zich louter beperkend tot de aangedragen informatie over de klacht van klaagster is de Commandant Staf tot het oordeel gekomen dat de klacht gegrond is en derhalve heeft hij in dat opzicht het advies van de Klachtencommissie wel gevolgd.

Uit het feitenverslag, onder punt 3, van de eerder genoemde rapportage/advies van de Klachtencommissie is Commandant Staf KMar tot de volgende constateringen gekomen:

1. In zijn functionele relatie van chef heeft verzoeker, in ieder geval in de periode 1 oktober 2000 tot 1 mei 2001 aangegeven dat hij klaagster kan "maken" door haar meerdere keren - ongevraagd -voor te houden dat klaagster "bij goed functioneren een kans zou maken om de functie van bureauhoofd te kunnen krijgen". Hij geeft daarbij aan dat hij daar, vanwege zijn functie een belangrijke rol in zou kunnen vervullen. Op dat moment is er nog geen sprake van dat klaagster zich door dit gedrag voelt lastig gevallen. Wel spreekt eruit dat verzoeker aangeeft dat hij blijkbaar over bepaalde macht beschikt die van belang kan zijn voor klaagster. Het vorenstaande wordt bevestigd in de door verzoeker opgeschreven verklaring over dit aspect.

2. Vanaf de periode 16 juli tot 1 september 2001 is verzoeker - blijkbaar - minder tevreden over het functioneren van klaagster, dit is echter nooit uitgesproken bijv. in een functioneringsgesprek, en ontstaat een omgekeerde situatie. Verzoeker, als haar chef, doet zich nu opnieuw voor als een belangrijke functionaris die klaagster vanwege zijn positie niet alleen kan "maken" (zie punt 1.) maar ook kan "breken". Klaagster heeft het gedrag en de houding van verzoeker in die periode als bedreigend en intimiderend ervaren en derhalve als ongewenst.

3. Nadat verzoeker - tegen het advies van zijn afdelingshoofd in - klaagster uitnodigt om samen naar het koninginnebal te gaan ontstaat na 1 mei 2001 (tot 1 september 2001) een situatie dat verzoeker klaagster steeds vaker gaat bellen en sms-en. Dit gebeurt in en buiten de dienst. De gesprekken gaan over het werk maar lopen vaak uit in gesprekken over koetjes en kalfjes. Nadat klaagster en verzoeker op enig moment, onafhankelijk van elkaar in die periode, een feest bezoeken ontstaat een situatie dat verzoeker klaagster - tegen haar zin - tijdens een dans tegen zich aan probeert te drukken. Klaagster zegt tegen verzoeker daar niet van gediend te zijn. Vanaf die gebeurtenis gaat het bellen en sms-en door maar nu in een sfeer dat klaagster dit als bedreigend en ongewenst ervaart. Op dat moment is de grens van gewenst/toelaatbaar duidelijk overschreden en volhardt verzoeker toch in zijn gedrag. Dit duurt voort tot het moment dat klaagster haar beklag doet bij Commandant Staf KMar in aanwezigheid van de voorzitter medezeggenschapscommissie, P11. Commandant Staf KMar brengt klaagster vervolgens in contact met de vertrouwenspersoon, P12.

Bovenstaande heeft Commandant Staf KMar, als bevoegd gezag, gebracht tot het besluit de klacht gegrond te verklaren.

Vervolgens besluit Commandant Staf KMar ter afdoening van de klacht over te gaan om verzoeker, in gezelschap van zijn raadsman, uit te nodigen voor een persoonlijk onderhoud op dinsdag 12 maart 2002 om 09.00 uur op zijn bureau.

Nadat verzoeker op 12 maart 2002 - alleen - verschijnt reikt Commandant Staf KMar verzoeker een brief aan (…), d.d. 12 maart 2002).

Onder verwijzing naar deze brief stelt Commandant Staf KMar verzoeker, alvorens het onderhoud met hem te voeren, in de gelegenheid deze brief te lezen.

In deze brief, 3e en 4e alinea, wordt door Commandant Staf KMar nog eens onderstreept welk oogmerk hij heeft met het houden van het persoonlijk onderhoud. Een afschrift van de brief is, als maatregel van corrigerende aard, opgelegd in het persoonsdossier onder beheer van het hoofd van de Afdeling Personeel.

Vervolgens vindt, aansluitend, het persoonlijk onderhoud ("onder vier ogen") plaats waarin Commandant Staf KMar toelicht en motiveert waarom hij de klacht gegrond acht en waarom hij heeft gekozen voor de afdoening zoals dat op dat moment plaats vindt. Het gesprek duurt krap een uur. Er is geen gespreksnotitie gemaakt van het gesprek en er zijn verder geen getuigen bij het gesprek aanwezig geweest. Commandant Staf KMar herinnert zich van het gesprek dat het constructief was, ondanks dat verzoeker blijk geeft teleurgesteld te zijn en onbegrip toont, en dat verzoeker de "boodschap" heeft begrepen. Bovendien heeft Commandant staf KMar de overtuiging dat hij zijn besluit voldoende heeft onderbouwd.”

2. In de bovengenoemde brief van 12 maart 2002 deelde de Commandant verzoeker mee dat hij een ernstig en constructief gesprek met hem wilde hebben, en dat hij het bevoegd gezag niet zou verzoeken om nadere maatregelen te treffen, in de verwachting dat verzoeker zich verder zou onthouden van gedragingen als die waarop de klacht betrekking had.

3. In aanvulling op deze informatie liet de minister desgevraagd weten dat P9 tot 1 juli 2001 werkzaam was geweest als chef van verzoeker.

F. standpunt klachtencommissie ongewenst gedrag

De Klachtencommissie ongewenst gedrag deelde mee dat de minister van Defensie in zijn brief van 28 april 2003 (hiervóór vermeld onder C.) het standpunt van de Klachtencommissie had verwoord.

g. nadere reactie verzoeker

Verzoeker handhaafde zijn klacht in zijn nadere reactie op de informatie van de minister van Defensie.

Achtergrond

1. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:1, eerste lid:

“Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld”

Artikel 9:12:

“Het bestuursorgaan stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.”

Artikel 9:15, vierde lid:

“De persoon of commissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan het bestuursorgaan. Het rapport bevat het verslag van het horen.”

2. Regeling klachtenprocedure ongewenst gedrag defensie

“Gelet op:

- Hoofdstuk 9 van de Algemene Wet Bestuursrecht

(…)

Besluit:

(…)

Artikel 8 Onderzoek

1. De klachtencommissie stelt, indien de klacht of melding ontvankelijk wordt verklaard, een onderzoek in. Het onderzoek is niet openbaar.

2. De klachtencommissie is bevoegd die informatie in te winnen die zij voor de vorming van haar advies noodzakelijk acht. Zij kan betrokken personen horen, is bevoegd deskundigen te raadplegen en kan alle haar noodzakelijk voorkomende stukken inzien

3. De klachtencommissie hoort tenminste klager en beklaagde. De commissie kan besluiten dat personen al of niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord. Van het horen wordt een verslag opgemaakt. Klager en beklaagde hebben het recht kennis te nemen van en te reageren op de ten overstaan van de commissie afgelegde verklaringen.

4. Door de klachtencommissie aangesproken medewerkers zijn gehouden de gevraagde informatie te verstrekken dan wel verplicht anderszins medewerking te verlenen.

5. Klager en beklaagde kunnen zich door een op basis van deze regeling aangewezen vertrouwenspersoon of door een zelf gekozen raadspersoon laten bijstaan. Kosten voor de bijstand in het kader van deze regeling door een zelfgekozen raadspersoon worden niet vergoed.

6. Alvorens een advies uit te brengen, stelt de klachtencommissie klager en beklaagde in de gelegenheid om hun zienswijze ten aanzien van het advies van de klachtencommissie schriftelijk kenbaar te maken, Deze zienswijze wordt gevoegd bij het advies van de klachtencommissie.

7. De klachtencommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht of melding door centrale vertrouwenspersoon een schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag, respectievelijk aan de bevelhebber, met bijgevoegd - waar van toepassing - de schriftelijke zienswijze van klager en beklaagde. Het advies wordt met redenen omkleed.

(…)

Artikel 10 Beslissing

1. Op klachten of meldingen wordt beslist door het bevoegd gezag van beklaagde, tenzij de klacht of melding is gericht tegen het bevoegde gezag of tegen een hiërarchisch niveau hoger dan het bevoegd gezag, in welk geval op de klacht of melding wordt beslist door de bevelhebber.

2. Het bevoegd gezag neemt binnen twee weken na ontvangst van het advies een beslissing naar aanleiding van de klacht of melding. De beslissing is met redenen omkleed en houdt in dat de klacht of melding geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond is.”

Instantie: Klachtencommissie ongewenst gedrag van de KMAR

Klacht:

Onderzoek en advisering aan de Commandant Staf van de KMAR onzorgvuldig geweest (tegen verzoeker was klacht ingediend wegens ongewenst gedrag) omdat commandant: niet zijn hogere leidinggevende heeft gehoord, personen heeft gehoord die niet in de commissie wensten deel te nemen om te vragen waarom zij niet wensten deel te nemen maar niet over de klacht zelf, onjuiste redenen aangevoerd voor het horen van deze personen;.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Klachtencommissie ongewenst gedrag van de KMAR

Klacht:

Bevoegdheid overtreden door een psychologisch onderzoek te adviseren .

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Koninklijke Marechaussee

Klacht:

Klacht onvoldoende gemotiveerd gegrond verklaard.

Oordeel:

Niet gegrond