Brief: Belastingdienst wijst terecht verzoek af om navorderingsaanslagen te toetsen

Een cliënt van verzoeker krijgt navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting opgelegd. Tegen die aanslagen is tot in hoogste instantie geprocedeerd en gehandhaafd. Het betreft een bankrekening van zijn in Hongarije wonende vader die hij niet wilde lastigvallen met verklaringen. Verzoeker oordeelt dat er na afloop van de procedures is uitgegaan van onjuiste en te hoge bedragen en vraagt om af te zien van invordering. De Nationale ombudsman vindt de afwijzing van dit verzoek een redelijke beslissing. Er is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die bij verzoeker niet bekend waren. Er kon dus worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de aanslagen. (Dossiernummer: 2015.12575)

Instantie: Belastingdienst

Klacht:

afwijzende beslissing op het verzoek om toetsing van de verschuldigdheid van de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting.

Oordeel: niet gegrond

Aan verzoeker zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting opgelegd. De aanslagen zijn opgelegd in het kader van het zogenaamde 'rekeningenproject'; buitenlandse bankrekeningen. In het kader van de invordering van die aanslagen heeft verzoeker de ontvanger gevraagd om de verschuldigdheid daarvan te toetsen (artikel 1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008). Verzoeker is van mening dat deze een te hoog bedrag belopen en daarom (deels) niet verschuldigd moeten worden geacht. In een dergelijk geval neemt de Belastingdienst geen invorderingsmaatregelen. De Belastingdienst oordeelde dat van de rechtmatigheid van de navorderingsaanslagen moest worden uitgegaan, en dus kon worden ingevorderd. Met die beslissing is verzoeker het niet eens. Volgens hem had de Belastingdienst bij een marginale toets aanstonds duidelijk moeten zijn dat er gegronde twijfel is over de verschuldigdheid van (een deel van de) navorderingsaanslagen.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de Belastingdienst in redelijkheid kon komen tot zijn afwijzende beslissing op het verzoek. De Belastingdienst kan worden gevolgd in zijn standpunt dat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die bij verzoeker niet bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn ten tijde van de fiscale procedure. Onder die omstandigheid kon de ontvanger uitgaan van de rechtmatigheid van de betrokken aanslagen waarover tot in hoogste instantie is geprocedeerd. Van de Belastingdienst kan niet worden verwacht dat deze de juistheid van de navorderingsaanslagen opnieuw beoordeelt aan de hand van na de uitspraak van de Hoge Raad over die aanslagen (de enkelvoudige belasting) alsnog – in een procedure over de verhogingen en boetes gevoerde vervolgprocedure -  ingebrachte bankbescheiden.

Geachte xxxxx,

U heeft ons geschreven over de beslissing van de Belastingdienst (de ontvanger) op uw verzoek om toetsing van de verschuldigdheid van de aan uw cliënt, xxxxx, opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (ib) en vermogensbelasting (vm).1 U bent het met de afwijzende beslissing op dit verzoek niet eens.

Waar gaat het om?

In het kader van het zogeheten 'Rekeningenproject' heeft de Belastingdienst (de inspecteur) op 31 mei 2003 aan uw cliënt navorderingsaanslagen ib en vm met verhogingen en boetes opgelegd. Het gaat om een totaalbedrag van circa
€ 160.000. Volgens uw cliënt ging het weliswaar om een bankrekening op zijn naam, maar was het geld daarop van zijn in Hongarije wonende vader. Hij wilde zijn vader die op leeftijd was niet lastig vallen met het vragen naar een verklaring daarover. Ook beschikte uw cliënt niet over bankbescheiden. Volgens uw cliënt is de Belastingdienst bij de aanslagregeling van onjuiste (te hoge) bedragen uitgegaan.

Over de opgelegde navorderingsaanslagen heeft uw cliënt tot in hoogste instantie geprocedeerd. Met het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 stonden de navorderingsaanslagen ib en vm (de enkelvoudige belasting2) onherroepelijk vast; het cassatieberoep daartegen werd ongegrond verklaard. Voor de verhogingen/ boetes werd verder geprocedeerd. In die laatste procedure heeft uw cliënt alsnog een verklaring van zijn vader en bankbescheiden ingebracht. Uiteindelijk zijn de verhogingen/boetes in de navorderingsaanslagen vm door de Belastingdienst ingetrokken. De verhogingen/boetes in de navorderingsaanslagen ib zijn aanzienlijk gematigd.

U/uw cliënt heeft de Belastingdienst – op grond van artikel 1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008 (marginale toetsing van de aanslag) – gevraagd om de openstaande bedragen op de navorderingsaanslagen ib en vm niet, althans niet volledig in te vorderen. Dit omdat de bedragen zoals vermeld op de – na het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 ingebrachte – bankbescheiden veel lager waren dan de bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen in aanmerking genomen bedragen. De ontvanger heeft dit verzoek afgewezen. Hij overwoog dat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die bij uw cliënt niet bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn ten tijde van de fiscale procedure. Deze feiten en omstandigheden worden – aldus de ontvanger – verondersteld in de uitkomst van de fiscale procedure te zijn betrokken. Daarmee concludeerde de ontvanger dat uw cliënt niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van de navorderingsaanslagen ib en vm.

Uw standpunt

U vindt dat in dit geval de ontvanger bij een marginale toets aanstonds duidelijk had moeten zijn dat er gegronde twijfel is over de verschuldigdheid van de navorderingsaanslagen ib en vm. U wijst er op dat:

1. de werkelijke bedragen en inkomsten van de Luxemburgse rekening in tegenstelling tot wat de ontvanger stelt niet in de fiscale procedures zijn betrokken voor zover het gaat om de vaststelling van de belastingbedragen.

2. Nadat de navorderingsaanslagen onherroepelijk zijn geworden is gebleken dat de werkelijke bedragen en inkomsten van de Luxemburgse rekening veel minder waren dan de bedragen die de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in aanmerking heeft genomen.

U vindt dat de ontvanger onbehoorlijk handelt met het invorderen van de navorderingsaanslagen nu uw cliënt omstandigheden heeft aangevoerd die bij hem niet bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn ten tijde van het vaststellen van de navorderingsaanslagen. U benadrukt dat de inspecteur in de procedure aangaande de verhogingen/boetes voor het gerechtshof

's-Hertogenbosch heeft verklaard: "voor de jaren 1990, 1991 en 1992 niet het bewijs van het bestaan van een rekening c.q. van het rekeninghouderschap van de belanghebbende c.q. van het aanhouden van gelden in het buitenland door de belanghebbende kan leveren."3

Geen verder onderzoek

Wij stellen geen nader onderzoek in naar uw klacht. De reden daarvoor is het volgende.

Uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009 volgt dat uw cliënt in die procedure heeft ontkent dat hij houder is van de Luxemburgse bankrekening (zie rechtsoverweging 5.3.5.). Het Hof overwoog dat kon worden aangenomen dat uw cliënt rekeninghouder was (rechtsoverweging 5.2.11). Omdat uw cliënt niet heeft voldaan aan de verplichting de door de inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken was sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast (rechtsoverweging 5.3.6.). Het Hof overwoog dat de schatting van de verzwegen inkomsten redelijk was, behalve voor zover daarbij de vermenigvuldigingsfactor 1,5 is toegepast. Het Hof verminderde de navorderingsaanslagen ib. De vermogens voor de vermogensbelasting (navorderingsaanslagen vm) diende de inspecteur te berekenen met inachtneming van rechtsoverweging 5.6.3 van de uitspraak. De ten behoeve daarvan alsnog door uw cliënt ingebrachte bankbescheiden beoordeelde het Hof als te laat zodat daarmee uit overwegingen van een goede procesorde geen rekening mee werd gehouden. Met het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 zijn de navorderingsaanslagen ib en vm onherroepelijk geworden.

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman kon de ontvanger in redelijkheid komen tot zijn afwijzende beslissing op uw verzoek. Daarvoor is van belang dat uw cliënt in de procedure bij het gerechtshof Amsterdam heeft ontkend te beschikken over de bankrekening in Luxemburg. Die proceshouding is wezenlijk geweest in de procedure. Opmerkelijk is in dit verband rechtsoverweging 5.3.7. in de uitspraak van het Hof: "Belanghebbende heeft het Hof voor dat geval verzocht voormeld artikel (27e AWR; N.o.)4 buiten toepassing te laten door hem in de gelegenheid te stellen alsnog het van hem verlangde bewijs te leveren. Het Hof wijst dit verzoek af, omdat artikel 27e AWR de rechter niet toestaat om de toepassing ervan achterwege te laten indien een belastingplichtige na schending van artikel 47, eerste lid, AWR5 alsnog bereid is aan zijn verplichtingen te voldoen". De Hoge Raad heeft overwogen dat uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat uw cliënt het verweer heeft gevoerd dat hij redelijkerwijs niet kan beschikken over de gevraagde gegevens (rechtsoverweging 4.3.1). Zo bezien kon de ontvanger in de situatie van uw cliënt in redelijkheid komen tot zijn standpunt dat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die bij uw cliënt niet bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn ten tijde van de fiscale procedure. Onder die omstandigheid kon de ontvanger uitgaan van de rechtmatigheid van de betrokken navorderingsaanslagen waarover tot in hoogste instantie is geprocedeerd. Van de ontvanger kan niet worden verwacht dat deze de juistheid van de betrokken navorderingsaanslagen opnieuw beoordeelt aan de hand van na de uitspraak van de Hoge Raad alsnog ingebrachte bankbescheiden. Dit sluit ook aan bij de beslissing van het gerechtshof Amsterdam om bij de berekening van de vermogens voor de vermogensbelasting (navorderingsaanslagen vm) de alsnog door uw cliënt ingebrachte bankbescheiden als te laat verstrekt buiten beschouwing te laten.

Conclusie

Wij stellen geen nader onderzoek in naar de door u ingediende klacht.

Een afschrift van deze brief is gestuurd naar de Belastingdienst. Dit gelet op zijn invorderingsbelang.

Beslissing wordt openbaar gemaakt

Onze beslissing wordt openbaar gemaakt. Een afschrift van deze brief is te vinden op onze website www.nationaleombudsman.nl. Om de privacy te waarborgen is de brief anoniem: het gaat wel over de klacht van uw cliënt, maar zijn naam komt er niet in voor.

Met vriendelijke groet,

de Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

 

Notes

[←1]

Artikel 1.1.5 van de Leidraad Invordering bepaalt dat de ontvanger de aanslag desgevraagd 'marginaal' toetst. Hij doet dit als de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden aanslag. Als de ontvanger na marginale toetsing van mening is dat de aanslag niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger geen invorderingsmaatregelen.

[←2]

Waar verder wordt gesproken over de navorderingsaanslagen (ib en vm) wordt bedoeld de enkelvoudige belasting.

[←3]

Deze procedure vond plaats na de uitspraak van de Hoge Raad van 15 april 2011.

[←4]

Omkering en verzwaring van de bewijslast.

[←5]

Verplichting om gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken

Publicatiedatum
Rapportnummer
Brief