2019/007 Politie vergoedt schade aan ingevorderde bus niet

De eigenaar van een busverhuurbedrijf klaagt over het niet nakomen van een toezegging door de politie. Die had zijn bus gevorderd om een groep voetbalsupporters te vervoeren nadat hij –uit angst voor vernieling- de groep niet wilde vervoeren. De politie had hem toegezegd eventuele schade te vergoeden. De eigenaar doet aangifte tegen de supporters wegens vernieling maar die wordt geseponeerd. De politie weigert vervolgens de vernielingen te vergoeden en zegt dat de bus feitelijk niet was gevorderd. De ombudsman oordeelt dat de politie meer oog had moeten hebben voor de positie van de eigenaar en had moeten kijken naar oplossingsmogelijkheden. De ombudsman doet de aanbeveling om binnen zes weken te kijken naar de mogelijkheden en een passende oplossing.

Instantie: politie-eenheid Oost-Nederland

Klacht:

toezegging om de schade als gevolg van het vorderen van de bus te betalen, niet nagekomen

Oordeel: gegrond

Verzoeker heeft een bedrijf dat bussen verhuurt. Hij verhuurde een bus met chauffeur aan partij X. De chauffeur bracht een groep personen naar een locatie. Later die dag werd verzoeker gebeld door de politie met het verzoek om de groep personen eerder te komen ophalen dan de afgesproken tijd. Het bleek te gaan om een groep voetbalsupporters. Toen de chauffeur ter plekke arriveerde, was de situatie uit de hand gelopen vanwege het gedrag van de voetbalsupporters na verlies door hun club. De politie greep in. Verzoeker gaf zijn chauffeur de opdracht om de groep supporters niet mee terug te nemen in de bus uit angst voor vernieling van zijn bus. De politie vorderde vervolgens bij verzoeker de bus om de groep personen terug te vervoeren. Volgens verzoeker heeft de politie bij de vordering van zijn bus mondeling toegezegd dat de eventuele schade voor rekening van de politie zou komen. Hierop heeft verzoeker ingestemd met het terug vervoeren van de groep personen. De voetbalsupporters hadden voor ongeveer € 6500 aan schade aangericht in de bus. Verzoeker deed op 24 november 2016 aangifte tegen de supporters van vernieling maar deze werd geseponeerd. De politie wees verzoekers claim om de schade te betalen af.

Verzoeker klaagt er in dit verband over dat de politie de toezegging om de schade als gevolg van het vorderen van de bus te betalen, niet is nagekomen.
De politiechef stelde in het onderzoek van de ombudsman dat er feitelijk niet was ingevorderd en de politie dus niet aansprakelijk is. De ombudsman begrijpt na zijn onderzoek dat verzoeker dacht geen andere keuze te hebben dan de supporters terug te (laten) vervoeren met zijn bus. Op dat moment, in die hectiek en gelet op die mededelingen over het vorderen van de bus, mocht verzoeker ervan uitgaan dat zijn bus door de politie was gevorderd. De ombudsman kan echter niet vaststellen dat de politie toezeggingen heeft gedaan om de eventuele schade te vergoeden en komt op dit punt tot geen oordeel over de klacht.
De ombudsman vindt dat hiermee niet alles is gezegd. De ombudsman heeft daarom uit eigen beweging het onderzoek uitgebreid naar de vraag of de politie op een behoorlijke wijze is omgegaan met verzoekers claim.
Vanuit het burgerperspectief bekeken mocht verzoeker erop vertrouwen dat de politie na de vordering van zijn bus de eventuele schade zou gaan vergoeden dan wel een oplossing hiervoor zou bieden. De ombudsman vindt dat de politie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van een coulante opstelling, door zich formeel op te stellen, geen oog te hebben voor de positie waarin verzoeker zich bevindt en niet te kijken naar mogelijkheden om hem (verder) te helpen.

Vereiste van een coulante opstelling: niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman doet de politie de aanbeveling om binnen zes weken vanuit een coulante opstelling te kijken naar mogelijkheden om verzoeker te helpen met zijn schade en te komen met een passende oplossing.

Samenvatting

Vanuit het burgerperspectief bekeken mocht verzoeker erop vertrouwen dat de politie na de vordering van zijn bus de eventuele schade zou gaan vergoeden dan wel een oplossing hiervoor zou bieden. De ombudsman vindt dat de politie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van een coulante opstelling, door zich formeel op te stellen, geen oog te hebben voor de positie waarin verzoeker zich bevindt en niet te kijken naar mogelijkheden om hem (verder) te helpen.

Wat is de klacht?

Achtergrond
Verzoeker heeft een bedrijf dat bussen verhuurt. Op 18 november 2016 verhuurde hij een bus met chauffeur aan partij X. De chauffeur bracht een groep personen naar een locatie. Later die dag werd verzoeker gebeld door de politie met het verzoek om de groep personen eerder te komen ophalen dan de afgesproken tijd. Het bleek te gaan om een groep voetbalsupporters. Toen de chauffeur ter plekke arriveerde, was de situatie uit de hand gelopen vanwege het gedrag van de voetbalsupporters na verlies door hun club. De politie greep in. Verzoeker gaf zijn chauffeur de opdracht om de groep supporters niet mee terug te nemen in de bus uit angst voor vernieling van zijn bus. De politie vorderde vervolgens bij verzoeker de bus om de groep personen terug te vervoeren. Volgens verzoeker heeft de politie, althans politieambtenaar D., bij de vordering mondeling toegezegd dat de eventuele schade voor rekening van de politie zou komen. Hierop heeft verzoeker ingestemd met het terug vervoeren van de groep personen.
Na de rit werd de schade duidelijk: de voetbalsupporters hadden voor ongeveer € 6500 aan schade aangericht in de bus. Verzoeker deed op 24 november 2016 aangifte tegen de supporters van vernieling. Volgens hem beloofde politieambtenaar D., toen die bij zijn aangifte aanschoof, opnieuw dat de schade door de politie zou worden betaald. De politie wees op 6 januari 2017 verzoekers claim om de schade te betalen af.

De klacht
Verzoeker klaagt er in dit verband over dat de politie Oost-Nederland de toezegging om de schade als gevolg van het vorderen van de bus te betalen, niet is nagekomen.

Wat ging er aan het onderzoek van de ombudsman vooraf?

Afhandeling door de politie van verzoek om schadevergoeding
Sinds het gebeuren is verzoeker bezig om de schade vergoed te krijgen. Hij heeft verschillende keren de politie verzocht de schade te vergoeden. De politie wees zijn claim telkens af en gaf hierbij verschillende redenen op. Allereerst wees de politie zijn claim af omdat de politie niet onrechtmatig had gehandeld; de bus was gevorderd om de algemene orde te kunnen handhaven. Om dreigend gevaar en escalatie te voorkomen had de politie de bus, waarmee de supporters ook op de heenweg waren vervoerd, gevorderd om hen terug te vervoeren. De schade was veroorzaakt door de huurders van de bus. Volgens de politie vond de chauffeur het daarnaast niet nodig om de bus door de politie te laten bewaken.
Vervolgens stelde de politie dat de chauffeur destijds na overleg met alle partijen had besloten zelf te gaan rijden met de bus. Hij had het aanbod van de politie, om een chauffeur van de politie de bus te laten rijden, afgeslagen. Het vorderen van de bus was daarom volgens de politie niet uitgevoerd.
Tenslotte vond de politie dat de toezegging, die volgens verzoeker door de politie was gedaan om eventuele schade te vergoeden, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het politieoptreden.

Partij X.
De politie verwees verzoeker naar partij X. voor een civiele procedure. Partij X. wees volgens verzoeker de aansprakelijkheid af omdat de politie de bus had gevorderd en had toegezegd om de schade te vergoeden.

Aangifte van vernieling
Op 24 november 2016 deed verzoeker aangifte van vernieling tegen de betreffende groep supporters, waarmee hij zich als partij in het strafproces zou kunnen voegen om zijn schade te verhalen. Deze aangifte werd geseponeerd omdat er geen dader bekend was.

Het verzoek van de ombudsman aan de politie
Verzoeker vroeg de ombudsman om behandeling van de klacht dat de politie de toezegging om de schade te betalen niet was nagekomen.
Hierop verzocht de ombudsman de politie om na te gaan of bij de vordering van de bus een toezegging was gedaan om de mogelijke schade te vergoeden en zo ja, om deze na te komen. Verder heeft de ombudsman de politie verzocht om de vraag, wie nu uiteindelijk aansprakelijk is voor het betalen van de schade, niet slechts bij verzoeker neer te leggen. De politie liet weten dat de zaak niet als klacht maar als schadeclaim was opgepakt en dat de aansprakelijkheid was afgewezen. Hierbij was ook aan verzoeker meegedeeld dat de politie géén toezeggingen had gedaan, zowel niet voorafgaand aan de vordering als tijdens de aangifte van verzoeker. De politiechef liet weten bij zijn standpunt te blijven en wees aansprakelijkheid af.

Wat was aanleiding voor het onderzoek van de Nationale ombudsman?

De zaak is door de politie beoordeeld als een schadeclaim en niet als een klacht over het politieoptreden. Bij de behandeling van een klacht gaat het over een wezenlijk andere vraag dan de vraag of de politie juridisch aansprakelijk is. In dit onderzoek gaat het naast de klacht van verzoeker dat de politie een toezegging niet nakomt, ook om de vraag in welke mate de politie oog heeft voor wat burgers van haar kunnen vragen en verwachten bij een vordering (van een voertuig) en niet om de vraag wie juridisch aansprakelijk is.

Bevindingen

Toelichting van verzoeker
Verzoeker stelt dat de chauffeur en hij niet wisten dat het om een groep voetbalsupporters ging. Zijn bedrijf vervoert namelijk geen voetbalsupporters. Vanwege de ter plekke uit de hand gelopen situatie had de chauffeur hem gebeld. Verzoeker gaf hem toen de opdracht om de supporters niet mee terug te nemen uit angst voor vernielingen aan de bus. De chauffeur vertelde hem dat de politie de bus had gevorderd om de supporters mee terug te nemen. Vervolgens kreeg hij politieambtenaar D. aan de lijn. Verzoeker vertelde politieambtenaar D. dat hij weigerde de supporters mee terug te (laten) vervoeren vanwege de angst voor vernielingen. Verzoeker stelt dat politieagent D. hem toen de toezegging deed dat de politie eventuele schade zou vergoeden. Verzoeker zei toen tegen politieambtenaar D. dat de politie verantwoordelijk is voor alle schade, waarop deze tegen hem zei "ja, dat zijn wij". Daarom ging verzoeker akkoord en gaf hij zijn toestemming aan de chauffeur om de personen te vervoeren. Volgens verzoeker gebeurde dit terwijl de telefoon op de speaker stond en meerdere mensen bij hem thuis (vanwege de verjaardag van zijn vrouw) deze toezegging hadden gehoord.

Verklaring van de chauffeur
De door verzoeker verstrekte verklaring van de chauffeur vermeldt het volgende, voor zover relevant. Toen de chauffeur zijn baas – verzoeker - had gesproken over de situatie, gaf die hem de opdracht te vertrekken zonder de supporters. Op dat moment blokkeerde een ME (Mobiele Eenheid) busje zijn weg. Vervolgens sprak een politieambtenaar hem aan en vroeg hem om het nummer van zijn baas. Nadat de politieambtenaar (N.o.: politieambtenaar D.) zijn baas had gesproken, begreep hij dat de politie wilde dat hij zou blijven, terwijl zijn baas erop stond dat hij zou vertrekken. Vervolgens werd zijn bus door ME-busjes van voren en achteren klemgezet. Politieambtenaar D. vertelde hem dat de bus in opdracht van de politiechef was gevorderd. Politieambtenaar D. zei tegen hem dat hij moest gaan rijden, wat hij weigerde. Toen belde politieambtenaar D. opnieuw zijn baas om te zeggen dat als de chauffeur niet zou rijden, er dan iemand van de politie zou gaan rijden met de bus. Zijn baas smeekte hem hierop om wel te gaan rijden omdat de schade die de bus zou oplopen, als iemand zonder verstand ervan ermee zou gaan rijden (het betreft een vijftien meter lange dubbeldekker), niet te overzien was. Vervolgens liet de politie de supporters instappen die meteen vernielingen aanbrachten. De politie bleef buiten de bus staan.
De chauffeur ontkent dat hij aanwezigheid van de politie in de bus geweigerd heeft. De politie was er niet over uit wie mee zou gaan in de bus. Onder dreiging van enkele supporters en het feit dat de ME aangaf dat hij moest vertrekken, was hij toen weggereden. De politie vertelde hem om de ME-busjes te volgen en gaf ook aan dat de politie de boel zou bewaken. Gedurende de rit voelde hij zich bedreigd door de supporters. Nadat de bus was gearriveerd en de supporters waren uitgestapt, controleerde hij de bus waarbij hij enorme vernielingen aantrof.

Verklaring van getuigen
Uit drie door verzoeker aangedragen getuigenverklaringen is op te maken dat zij de bewuste avond bij verzoeker thuis waren vanwege de verjaardag van zijn vrouw. Zij verklaren dat zij, vanwege de telefoon die op speaker stond, hebben gehoord dat politieambtenaar D. tot twee maal toe de toezegging deed om de eventuele schade te betalen.

Standpunt van de politiechef
De ombudsman vroeg de politiechef te reageren op de klacht. Verder stelde hij de politiechef onder meer de volgende vragen:
- Wat is de grondslag voor de vordering van de politie van voertuigen? Wat is in deze situatie de grondslag geweest voor de vordering van de bus?
- Wat wordt in dergelijke gevallen van de burger verwacht? Wat gebeurt er als de burger niet mee werkt?
- Wie is verantwoordelijk voor de afhandeling van de schade die ten tijde van of als gevolg van de vordering wordt veroorzaakt?
- Kan de politie bij het vorderen van een voertuig de bestuurder de opdracht geven te rijden en zo ja, op grond waarvan? Wat betekent dit voor de aansprakelijkheid?

De politiechef informeerde de ombudsman als volgt.

Handhaving openbare orde
Eén van de taken van de politie is de handhaving van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester. Op basis van artikel 3 van de Politiewet (zie Achtergrond, onder 1.) is de politie bevoegd om bevelen en aanwijzingen te geven om de openbare orde te beschermen. Hieronder valt ook het geven van een aanwijzing/vordering aan een chauffeur van een bus om de personen die hij naar een bepaalde plaats heeft vervoerd, weer terug te vervoeren naar een bepaalde bestemming. Ook mag de politie dan een voertuig vorderen en een bestuurder van een voertuig opdracht geven te rijden.

Verzoekers' situatie
De politie had in verzoekers' situatie aanwijzingen dat de groep supporters de openbare orde zou gaan verstoren en wilde dit voorkomen. De politie mocht op grond van artikel 2.26e APV Verwijderingsplicht voetbalsupporters (zie Achtergrond, onder 2.). de voetbalsupporters dwingen om de gemeente te verlaten. De politie deelde verzoeker toen mee de bus te zullen vorderen om de openbare orde te handhaven. De politie wilde deze vordering uitvoeren door politie in de bus en/of aan het stuur te zetten. Verzoeker wilde dit niet en werkte aan deze vordering niet mee. Het vorderen van de bus is volgens de politiechef feitelijk dan ook niet uitgevoerd.
Uit het proces-verbaal van bevindingen (zie Achtergrond, onder 3.) en de verklaring van politieambtenaar D. (zie Verklaring van politieambtenaar D.) is volgens de politiechef gebleken dat verzoeker/de chauffeur na overleg tussen alle partijen besloot zelf te gaan rijden met de bus. Een chauffeur van de politie en aanwezigheid van politie in de bus wezen zij af. De chauffeur vertrok zelf met de bus en de supporters, onder begeleiding van de politie buiten de bus. De oorspronkelijke vordering is dus niet uitgevoerd, aldus de politiechef. Verzoeker/de chauffeur handelden vrijwillig, dan wel werkten mee aan het verzoek van de politie om de supporters met de bus te vervoeren. Dit verzoek was gedaan om de openbare orde te handhaven. Zo'n verzoek is volgens de politiechef rechtmatig en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gebruik van politiebevoegdheden om deze supporters per bus buiten de gemeentegrenzen te krijgen is een praktisch en proportioneel middel ter handhaving van de openbare orde.

Bevelen en aanwijzingen
Van een burger wordt medewerking aan een bevel/vordering/aanwijzing verwacht, aldus de politiechef. Wanneer een burger geen gehoor geeft aan een (eerste) verzoek van de politie, kan de politie binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit het verzoek kracht bij zetten. Ook kan wegens overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (zie Achtergrond, onder 4.) aanhouding volgen. Wanneer een verzoek op grond van artikel 3 Politiewet om iets te doen om de openbare orde te handhaven wordt geweigerd, is er sprake van het belemmeren, beletten of verijdelen van een ambtshandeling. Wanneer verzoeker/de chauffeur geen gevolg had gegeven aan de vordering, had hij zich volgens de politiechef schuldig gemaakt aan het niet opvolgen van een ambtelijk bevel, strafbaar gesteld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht.

Aansprakelijkheid
Ten aanzien van de aansprakelijkheid stelt de politiechef voorop dat zonder daadwerkelijke vordering van de bus door de politie, zoals in verzoekers situatie, geen sprake is van aansprakelijkheid van de politie. Bovendien sloeg verzoeker het aanbod van de politie om mee te rijden aan boord van de bus af en koos ervoor om de bus door de eigen chauffeur te laten besturen. Eén en ander had met aanwezigheid van politie aan boord van de bus heel anders kunnen verlopen. De gang van zaken omtrent het vorderen en het juridisch kader daarbij is volgens de politiechef van ondergeschikt belang, nu de supporters de schade hebben veroorzaakt en daarom aansprakelijk zijn. Verzoeker had met de huurder X. een overeenkomst gesloten, met alle juridische consequenties van dien. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partij X. en verzoeker blijkt volgens de politiechef dat verzoeker die avond voordat de bus terugreed om de personen op te halen, contact had gezocht met partij X. en dat deze toezegde (eventuele) schade aan verzoeker te vergoeden. Het is de politiechef niet gebleken welke pogingen verzoeker feitelijk en daadwerkelijk heeft ondernomen richting partij X. om de schade vergoed te krijgen. De politiechef liet verder weten dat het vergoeden van enige schade door de politie in deze situatie een ongewenste en te ruimhartige uitleg zou zijn van het beginsel van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid oog heeft voor claims die redelijkerwijs gehonoreerd moeten worden en dat zij de burger niet belast met onnodige en ingewikkelde bewijsproblemen en procedures.

Toezeggingen
Volgens de politiechef heeft politieambtenaar D. geen toezegging gedaan dat eventuele schade door de politie zou worden vergoed. Politieambtenaar D. heeft volgens hem wel verteld dat bij eventuele schade een onderzoek zou volgen naar de vraag wie verantwoordelijk is voor de schade. Politieambtenaar D. wees verzoeker ook juist op het doen van aangifte en had hem uitgelegd dat de politie aan de hand daarvan kan uitzoeken wie verantwoordelijk is voor de schade en wie daarvoor strafrechtelijk aangepakt kan worden. Dit zou haaks staan op een toezegging van hem dat de politie de schade zou vergoeden, aldus de politiechef. Hoewel verzoekers' getuigen anders verklaren heeft de politiechef geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van politieambtenaar D.

Verklaring van politieambtenaar D.
Politieambtenaar D. verklaarde aan de ombudsman als volgt en voor zover relevant.
Op enig moment kreeg de politie informatie dat de chauffeur van de bus waarmee de supporters waren vervoerd per direct wilde vertrekken en de supporters niet mee terug wilde vervoeren. Politieambtenaar D. kreeg van de officier van dienst de opdracht om contact op te nemen met de eigenaar van de bus en de bus te vorderen. Hij nam contact op met verzoeker en vertelde hem dat hij zijn verantwoordelijkheid moest nemen om de supporters weer mee terug te nemen en dat de politie de mogelijkheid heeft tot vorderen. Hierop zei verzoeker dat hij zou overleggen met zijn chauffeur. Toen verzoeker hem weer belde (of andersom) zei hij dat zijn chauffeur de supporters niet zou terugrijden. Politieambtenaar D. zei hierop dat hij de opdracht had om dan zijn bus te vorderen. Verzoeker zei toen dat zijn chauffeur niet wilde rijden. Hierop deelde politieambtenaar D. hem mee dat hij de keuze had om de bus door zijn chauffeur te laten rijden onder ME-begeleiding of de ME de bus te laten rijden. Verzoeker vroeg hem wat er zou gebeuren met de eventuele schade aan de bus. Politieambtenaar D. vertelde hem dat de politie dan zou onderzoeken wie verantwoordelijk is voor de schade. Hij ontkent uitdrukkelijk dat hij de toezegging heeft gedaan dat de politie de eventueel schade zou vergoeden.
Later die dag informeerde verzoeker hem dat de supporters schade aan de bus hadden veroorzaakt. Hierop maakte hij een afspraak voor verzoeker om aangifte te komen doen. Als hij gezegd zou hebben dat de politie verantwoordelijk is voor de schade, dan was er geen aangifte nodig, aldus politieambtenaar D.
Op de dag van de aangifte, liep hij nog langs om verzoeker de hand te schudden. Hij had verzoeker uitgelegd dat de politie aan de hand van de aangifte zou bekijken wie verantwoordelijk is voor de schade en wie kon worden opgepakt voor strafrechtelijke vervolging.

Verklaring politieambtenaar L.
Politieambtenaar L. nam de aangifte van verzoeker op 24 november 2016 op. De ombudsman heeft hem tijdens het onderzoek gehoord, maar dit leverde geen bijzonderheden op. Van de inhoud van het gesprek tussen verzoeker en politieambtenaar D. tijdens/na de aangifte herinnert hij zich niets.

Hoe reageerde verzoeker?

Verzoeker vindt dat de politie zich tegenspreekt door de eerst te zeggen dat er gevorderd is en dan weer te zeggen dat er feitelijk niet gevorderd is. Toen zijn chauffeur weigerde te rijden, gaf de politie aan zelf een chauffeur achter het stuur te zetten. De politie deelde hierbij mee dat als hij zelf niet zou rijden, hij tegen de vordering van de politie in zou gaan wat een strafbaar feit zou zijn. Hierop smeekt hij zijn chauffeur om toch wel te gaan rijden. Indien de politie van mening is dat hij heeft meegewerkt aan een verzoek van de politie, dan is dit enkel gebeurd onder dreigement van strafrechtelijke vervolging en door het vorderen van de bus.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Waaraan toetst de ombudsman?
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid binnen het wettelijk kader en eerlijk en oprecht handelt, doet wat zij zegt en gevolg geeft aan rechterlijke uitspraken. Dit vereiste houdt ook in dat de overheid gedane toezeggingen nakomt.

Verzoeker klaagt erover dat de politie de toezegging om eventuele schade als gevolg van de vordering van zijn bus, niet is nagekomen.

De ombudsman concludeert eerst als volgt over de vordering van de bus.
De politie stelt dat de bus feitelijk niet is gevorderd omdat verzoeker de chauffeur heeft laten rijden en niet iemand van de politie. Hiermee zou hij (vrijwillig) meegewerkt hebben aan een verzoek van de politie. Gelet op de verklaringen van verzoeker, de chauffeur en politieambtenaar D. staat voor de ombudsman vast dat verzoeker het verzoek van de politie om de supporters mee terug te vervoeren, minstens één keer had geweigerd. Verder vindt de ombudsman het aannemelijk dat politieambtenaar D. tegen verzoeker heeft gezegd dat hij namens de politie of in opdracht van de politiechef de bus vorderde. De ombudsman is ervan overtuigd geraakt dat, toen verzoeker aangaf dat zijn chauffeur niet wilde rijden, politieambtenaar D. hem toen duidelijk maakte dat hij de volgende keuze had: ofwel de chauffeur laten rijden, ofwel iemand van de politie. De ombudsman begrijpt dat verzoeker dacht geen andere keuze te hebben dan de supporters terug te (laten) vervoeren met zijn bus. Dat er volgens de politiechef (achteraf) feitelijk niet gevorderd is vanwege de beslissing van verzoeker om zijn chauffeur de bus te laten rijden, maakt dit niet anders. Immers was verzoeker eerst meegedeeld dat de bus was gevorderd en vervolgens werd hem de keuze over de chauffeur gegeven. Op dat moment, in die hectiek en gelet op die mededelingen over het vorderen van de bus, mocht verzoeker ervan uitgaan dat zijn bus door de politie was gevorderd en voelde hij geen andere keuze dan om hieraan mee te werken.
Voor de ombudsman staat verder vast dat verzoeker zijn zorgen over eventuele schade aan zijn bus had geuit bij politieambtenaar D. en dat hij wilde dat de politie die zou vergoeden. De verklaringen van verzoeker en van zijn getuigen en de verklaring van politieambtenaar D. over de door verzoeker gestelde toezegging hierover staan tegen over elkaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden waardoor de ombudsman meer waarde toekent aan één van deze verklaringen. De ombudsman kan niet vaststellen dat politieambtenaar D. toezeggingen heeft gedaan ,, om de eventuele schade te vergoeden, zowel niet voorafgaand aan de vordering als bij het doen van de aangifte. Dit betekent dat de ombudsman op dit punt tot geen oordeel over de klacht komt.

Conclusie

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel ten aanzien van de klacht over het niet nakomen van de toezegging door de politie eenheid Oost-Nederland.

Onderzoek uit eigen beweging

De ombudsman vindt dat hiermee niet alles is gezegd. Want het feit dat verzoeker ervan uit mocht gaan dat zijn bus gevorderd was, brengt met zich mee dat hij er ook van mocht uitgaan dat de politie zich bij eventuele schade coulant opstelt en zoekt naar een passende oplossing voor de nadelige gevolgen van die vordering. De ombudsman heeft daarom uit eigen beweging het onderzoek uitgebreid naar de volgende onderzoeksvraag:
Is de politie op een behoorlijke wijze omgegaan met de claim van verzoeker voor de schade die hij heeft overgehouden aan de vordering van zijn bus?

Waaraan toetst de ombudsman?
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid zich coulant opstelt als zij fouten heeft gemaakt. Zij heeft oog voor claims die redelijkerwijs gehonoreerd moeten worden en belast de burger niet met onnodige en ingewikkelde bewijsproblemen en procedures.

De ombudsman vindt het belangrijk dat de overheid bij de behandeling van claims niet alleen naar de juridische kant van de claim kijkt, maar ook naar de behoorlijkheid: hoe kan de overheid op een behoorlijke wijze omgaan met schadeclaims? In de Schadevergoedingswijzer heeft de ombudsman regels voor de overheid opgenomen over hoe om te gaan met schadeclaims (zie Achtergrond, onder 5.).
Behoorlijk omgaan met verzoeken om schadevergoeding houdt onder meer in dat de overheid werkt vanuit een coulante opstelling, waarbij wordt gezocht naar mogelijkheden om tot een passende oplossing te komen, ook in gevallen waarin daarvoor een directe juridische basis ontbreekt.

Zoals gezegd begrijpt de ombudsman dat verzoeker erop vertrouwde dat de politie na vordering van zijn bus de eventuele schade zou gaan vergoeden dan wel een oplossing hiervoor zou bieden. De ombudsman stelt zich op het standpunt dat de politie zich tegenover verzoeker niet coulant heeft opgesteld. De enkele doorverwijzing van de politie naar partij X. en naar het doen van een aangifte tegen de supporters acht de ombudsman niet afdoende. Waren er mogelijkheden voor de politie om verzoeker, los van de vraag wie er juridisch precies aansprakelijk is, verder te helpen? Had de politie de schade kunnen uitkeren en zelf de schade kunnen verhalen op de supporters? Had de politie destijds contact kunnen opnemen met partij X? Wat zijn de mogelijkheden voor financiële compensatie bij de politie in dit soort gevallen, waarin de politie een voertuig gevorderd heeft, dan wel een burger medewerking heeft verleend aan een verzoek om zijn voertuig af te staan, en als gevolg daarvan schade is ontstaan die niet meer te verhalen is? De ombudsman is van oordeel dat de politie verzuimd heeft deze of andere mogelijkheden na te gaan en daarmee heeft verzuimd om verzoeker te helpen met de nadelige gevolgen van de vordering van zijn bus door de politie. Door zich onnodig formeel op te stellen en geen oog te hebben voor de positie waarin verzoeker zich bevindt, vindt de ombudsman het begrijpelijk dat verzoeker zich vasthoudt in zijn standpunt dat de politie toezeggingen niet nakomt. Alles overziend concludeert de ombudsman dat de politie heeft gehandeld in strijd met het vereiste van een coulante opstelling.

De ombudsman ziet aanleiding tot het doen van een aanbeveling.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De wijze waarop de politie is omgegaan met verzoekers schadeclaim is in strijd met het vereiste van een coulante opstelling.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman doet de politie Oost-Nederland de aanbeveling om binnen zes weken vanuit een coulante opstelling te kijken naar mogelijkheden om verzoeker te helpen met zijn schade en te komen met een passende oplossing.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond/bijlagen

1. Artikel 3 Politiewet 2012
"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven."

2. Artikel 2.26e APV Verwijderingsplicht voetbalsupporters
"
Personen, die zich op de dag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.26c door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en de openbare orde verstoren dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, verplicht zijn zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen naar een in het bevel aangegeven plaats dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven."

3. Proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar D.
Dit proces-verbaal vermeldt het volgende, voor zover relevant en zakelijk weergegeven. Politieambtenaar D. kreeg het verzoek om contact op te nemen met de eigenaar van de bus in verband met het vervoer van de supporters. Tijdens dit telefonisch contact gaf de eigenaar (verzoeker) aan dat zijn chauffeur niet meer wilde rijden en per direct terug zou gaan zonder supporters. Politieambtenaar D. legde verzoeker uit dat de politie een beroep op hem deed en indien nodig, de bus zou begeleiden op de terugweg. Verzoeker ging vervolgens in overleg met de chauffeur. Gelet op de algehele sfeer, het gedrag van de supporters, het gebruik van alcohol en/of verdovende middelen en het signaal van de politie over het gedrag van deze supporters, was het niet wenselijk dat de bus zonder supporters zou vertrekken. Het was niet mogelijk om op korte termijn ander vervoer te regelen. De politie vreesde voor de openbare orde bij het ontbreken van degelijk vervoer voor deze supporters.
Toen politieambtenaar D. vervolgens te horen kreeg dat de chauffeur weg wilde gaan, kreeg hij direct de opdracht om de bus te gaan vorderen. Hierop had hij de bus bij de chauffeur gevorderd en vervolgens verzoeker gebeld om de bus ook bij hem te vorderen. Hierbij bood hij verzoeker aan om de bus te laten begeleiden door politie en indien noodzakelijk ook in de bus zelf. Nadat alle supporters begeleid door de politie in de bus waren geplaatst en er door de chauffeur werd aangegeven dat er geen politie mee de bus in hoefde is de bus vertrokken.

4. Artikel 184 Wetboek van Strafrecht
"1. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Met de in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelde ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst is belast.
3. Met een vordering of handeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een vordering of handeling van de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult, welke hem als zodanig is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering. Onder schipper wordt begrepen hij die het hoogste gezag uitoefent op een overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen installatie.
4. Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2019/007