2019/006 Registratie aandachtsvestiging/signalering door politie niet op orde

De eigenaar van een particulier ambulance- en brandweerbedrijf klaagt over de manier waarop de politie hem heeft bejegend en de plaatsing van een zogenaamde aandachtsvestiging/signalering op zijn persoon en de voertuigen. Dit komt volgens de eigenaar door een conflict tussen hem en het Instituut Fysieke Veiligheid over vergunningen. Na onderzoek concludeert de ombudsman dat binnen de politie niet duidelijk is om welke signalering het gaat, waarom de politie deze koos en of aan de eisen voor deze signalering is voldaan. Verder is de schijn van partijdigheid gewekt. De ombudsman beveelt aan de registratie van signaleringen op orde te brengen.

Instantie: politie-eenheid Den Haag

Klacht:

een aandachtsvestiging/signalering op verzoekers persoon en voertuigen geplaatst

Oordeel: gegrond

Instantie: politie-eenheid Den Haag

Klacht:

als gevolg van de eerste klacht, verzoeker in de periode vanaf omstreeks maart/april 2016 een aantal maanden onheus bejegend door hem vaak staande te houden en te controleren

Oordeel: gegrond

Verzoeker is eigenaar van een particulier ambulance- en brandweer bedrijf. Al jarenlang ligt hij overhoop met het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Kern van dit conflict is de vraag of verzoeker de juiste vergunningen heeft voor zijn bedrijf en of hij daarom het brandweeruniform en andere uiterlijke kenmerken van ambulancevervoer zoals de stripes mag gebruiken. Kortgezegd vindt het IFV dat verzoeker hier geen recht op heeft en bestrijdt verzoeker dit.
Volgens verzoeker is de politie door het IFV betrokken bij deze kwestie. Hij klaagt er over dat de politie een aandachtsvestiging/signalering op zijn persoon en voertuigen heeft geplaatst. Verder klaagt hij erover dat de politie als gevolg hiervan hem een aantal maanden onheus heeft bejegend door hem vaak staande te houden en te controleren.

De politie kan in het kader van haar politietaak een aandachtsvestiging plaatsen. Kortgezegd wordt gevraagd om iemand of iets voor een bepaalde periode in de gaten te houden. Het valt de ombudsman in zijn onderzoek op dat het bij de politie niet duidelijk is om welke type signalering het in verzoekers' situatie gaat en waarom hiervoor gekozen is. De ombudsman gaat daarom uit van de type signalering zoals door de politiechef is aangegeven, maar hij concludeert dat hierbij niet aan de vereisten is voldaan. Hij acht het plaatsen van de signalering in strijd met het vereiste van integriteit. Hij acht het verder niet behoorlijk dat de registratie van signaleringen bij de politie niet op orde is en het daarom niet duidelijk is om welke signalering het gaat en welke vereisten gepaard gaan met de signalering. Daarom ziet hij aanleiding tot het doen van een aanbeveling richting de politie.

Ten slotte concludeert de ombudsman dat de politie, gelet op de contacten tussen verzoeker en de politie, de opmerkingen richting verzoeker en het bezoek dat de politie aan verzoeker heeft afgelegd om te zeggen dat hij "in beeld is", de schijn van partijdigheid heeft gewekt en daarmee in strijd heeft gehandeld met het vereiste van onpartijdigheid.

Vereiste van integriteit: niet behoorlijk
Vereiste van onpartijdigheid: niet behoorlijk

De Nationale ombudsman doet de politie de aanbeveling om binnen de organisatie te zorgen voor adequate informatievastlegging bij het laten signaleren van een persoon/ voertuigen:
- Om welke type signalering gaat het en waarom?
- Aan welke formaliteiten moet worden voldaan en is hieraan voldaan?
- Is de registratie ervan op orde?

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt er over dat de politie eenheid Den Haag:
- een aandachtsvestiging/signalering op zijn persoon en voertuigen heeft geplaatst;
- als gevolg hiervan hem in de periode vanaf omstreeks maart/april 2016 een aantal maanden onheus heeft bejegend door hem vaak staande te houden en te controleren.

Aanleiding

Achtergrond
Verzoeker is eigenaar van een particulier ambulance- en brandweer bedrijf. Al jarenlang ligt hij overhoop met het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV). Het IFV ondersteunt veiligheidsregio's bij het versterken van de brandweerzorg en de aanpak op het terrein van de rampenbestrijding. Het IFV heeft ook de taak om het intellectuele eigendomsrecht van de overheid (o.a. op de brandweerhuisstijlen en de striping1 van voorrangsvoertuigen) te handhaven.
Kern van het conflict tussen verzoeker en het IFV is de vraag of verzoeker de juiste vergunningen heeft voor zijn bedrijf en of hij daarom het brandweeruniform en andere uiterlijke kenmerken van ambulancevervoer zoals de stripes mag gebruiken. Kortgezegd vindt het IVF dat verzoeker hier geen recht op heeft en bestrijdt verzoeker dat.
Volgens verzoeker is de politie Den Haag op enig moment door het IFV betrokken bij deze kwestie. In 2016 hield de politie hem vanaf omstreeks maart gedurende een periode van twee á drie maanden diverse keren staande. Hierbij maakten de betrokken politieambtenaren volgens verzoeker insinuerende opmerkingen tegen hem als "oh, jij bent die persoon, jij mag niet op de ambulance rijden, waar heb je dat brandweerpak vandaan etc." of woorden van die strekking.

Wat was de oorspronkelijke klacht bij de politie?
Verzoeker diende bij de politie klachten in over twee specifieke controles van 3 en 17 april 2016 en over het op frequente basis controleren van zijn persoon door de politie.

Klachtbehandeling bij de politie: de beslissing van de politiechef
De politiechef achtte verzoekers klachten ongegrond.
Volgens de politiechef was verzoekers rijgedrag op 3 en 17 april 2016 voor de betrokken politieambtenaren reden om hem staande te houden en gebruikten zij daarbij de aan hen toegekende bevoegdheden. Volgens de politiechef was er geen sprake van een persoonlijk op verzoeker gerichte actie.
Verzoekers klacht dat de politie hem frequent en onterecht heeft gecontroleerd, achtte de politiechef ook ongegrond. Volgens de politiechef vestigde het roekeloze rijgedrag van verzoeker en het oneigenlijk gebruik van de ambulance en het brandweeruniform de aandacht op hem en rechtvaardigde het optreden van de politie. Hierbij is niet gebleken dat verzoeker bij het aanspreken onfatsoenlijk en onprofessioneel is behandeld.

De politiechef baseerde zich bij zijn beslissing op het advies van de klachtencommissie. Dit advies vermeldt onder meer dat de politieambtenaren die verzoeker op 3 en 17 april 2016 hadden gecontroleerd, verzoeker niet kenden en voor verschillende teams werkten. Pas na de staande houding zagen zij meerdere registraties in het politiesysteem over verzoeker en zijn ambulance.
Verder is het de commissie duidelijk geworden dat de politie vanwege het rijgedrag van verzoeker en het oneigenlijk gebruik van de ambulance en het brandweeruniform een landelijke signalering/ aandachtsvestiging had opgemaakt.
Opvallend vindt de commissie verder dat verzoeker sinds 2014 slechts vier bekeuringen heeft gekregen. Volgens de commissie had de politie zich coulant opgesteld naar verzoeker toe vanwege zijn bijzondere dienstverlening, door terughoudend te zijn met het uitschrijven van bekeuringen en het eventueel inhouden van verzoekers rijbewijs.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?
Verzoeker is het niet eens met de reactie van de politiechef. Uit de interne klachtbehandeling bij de politie is hem duidelijk geworden dat er een landelijke signalering/ aandachtsvestiging op zijn persoon stond. Volgens hem is deze geplaatst in overleg met het IFV. Als gevolg hiervan is hij zo vaak door de politie gecontroleerd en staande gehouden. Hij heeft zich tegen die agenten niet altijd vriendelijk opgesteld omdat hij boos was dat hij zo vaak werd gecontroleerd. Hoewel hij de opmerkingen over zijn rijgedrag op sommige punten terecht vindt, omdat hij als ambulancerijder een bepaalde rijstijl heeft ontwikkeld, vindt hij de signalering en als gevolg hiervan vele controles onterecht. Hij vraagt de ombudsman daarom een onderzoek te doen.

Bevindingen

Hoe reageerde de politie Den Haag?
Tijdens het onderzoek van de ombudsman gaf de politiechef aan dat hij de klacht nog steeds ongegrond vindt. Desgevraagd informeerde hij de ombudsman als volgt over het plaatsen van een aandachtsvestiging/ signalering2.

Over de wet- en regelgeving
De politiechef liet weten dat de Politiewet 2012 en de ambtsinstructie de basis zijn voor het vastleggen van een landelijke aandachtsvestiging op een voertuig in de Basisvoorziening Handhaving Politie (BHV). Er wordt dan een registratie aangemaakt. In de toelichting daarbij wordt de reden vermeld en de te nemen actie. Indien een voertuig in BVH is ingevoerd en door een politiemedewerker wordt bevraagd, dan wordt de aandachtsvestiging getoond. In principe kan elke politiemedewerker die is geautoriseerd voor BVH een dergelijke aandachtsvestiging plaatsen in het systeem, aldus de politiechef.
In het landelijk opsporingssysteem voor de politie, marechaussee en de douane (OPS) kunnen alleen aandachtsvestigingen op personen worden ingezet, bijvoorbeeld in verband met hun vermissing of verzoek tot aanhouding, aldus de politiechef.

Daarnaast kan op grond van Artikel 36 Besluit SIS II (zie Achtergrond, onder 1.) een aandachtsvestiging op onder meer personen en/of voertuigen worden geplaatst in het Schengen Informatie Systeem II (NL-SIS-II). Het doel is om informatie te verkrijgen over personen of zaken in belang van een opsporingsonderzoek dan wel om gevaar voor de openbare veiligheid te voorkomen. De signalering wordt zichtbaar in de Schengenlanden die gebruik maken van SIS-II. In de tekst kan men lezen of de controle van het voertuig en/of inzittende(n) opvallend of onopvallend dient plaats te vinden en wat de reden en de opvolging van de aandachtsvestiging is. Deze signalering vindt plaats met toestemming van dan wel in opdracht van een officier van Justitie.
De politiechef stuurde interne stukken mee met informatie over de uitvoering van dit artikel. Vanwege het gerechtvaardigde beroep op vertrouwelijkheid, heeft de ombudsman van deze informatie kennisgenomen en voor zover relevant meegenomen in zijn beoordeling.

Over verzoekers situatie
In de situatie van verzoeker is er volgens de politiechef geen sprake geweest van een OPS aandachtsvestiging omdat er geen sprake was van signalering op een persoon maar op een voertuig. Verzoekers situatie betrof een signalering in NL-SIS-II. De signaleringen waren bedoeld om aandacht te vragen voor het rijgedrag van de bestuurder van deze voertuigen. De politiechef liet weten dat de stukken over de signaleringen er niet meer zijn. Als een signalering eenmaal komt te vervallen, dan is dit niet meer terug te halen uit de systemen.
Op verzoekers ambulance stond volgens de politiechef een NL-SIS-II signalering "onopvallende controle" geplaatst. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor verzoekers brandweerauto. Op 13 juni 2016 werd voor verzoekers ambulance en brandweerauto bij de RDW een verzoek tot keuring gedaan. De politie vertelde verzoeker toen dat beide voertuigen pas na goedkeuring van RDW op de openbare weg gebruikt mochten worden. Aangezien deze voertuigen sinds 13 juni 2016 niet meer op de openbare weg kwamen, was een aandachtsvestiging/signalering niet meer nodig. De signalering voor onopvallende controle werd op of omstreeks 10 maart 2016 geplaatst en op 12 september 2016 verwijderd, aldus de politiechef.

Over afspraken/contacten met het IFV
De politiechef deelde mee dat de politie aan het IFV had meegedeeld, dat zij zich als politie uitsluitend zou bezig houden met het rijgedrag van verzoeker, de eventuele verkeersovertredingen en de WOK meldingen op zijn voertuigen. De politie trad niet handhavend op ten aanzien van het wel of niet aanwezig zijn van stripes en/of optische en/of geluidssignalen op de voertuigen en het dragen van een brandweeruniform.
Over de laatstgenoemde kwesties was met het IFV afgesproken en in de signalering opgenomen, dat de politie bij rijdend aantreffen van de ambulance of de brandweerauto, indien nodig eerst contact zou opnemen met het IFV voor advies op dat gebied. De bedoeling van deze afspraak was om te voorkomen, dat politieambtenaren de ambulance en of de brandweerauto bij rijdend aantreffen in beslag zouden nemen.
Volgens de politiechef was er vanaf begin 2016 tussen de politie en het IFV regelmatig overleg geweest over de meldingen met betrekking tot het rijden van verzoeker in een ambulance en brandweervoertuig. Het IFV bood zich aan om als deskundige ondersteuning te verlenen en om daar waar nodig toelichting te geven.

Aanvullende informatie over de signalering/ vervolg
De ombudsman vroeg de politie vervolgens om (schriftelijke) informatie te verstrekken waaruit de toestemming dan wel opdracht van de officier van justitie blijkt voor het plaatsen van de NL-SIS-II signalering. De politie verstrekte deze informatie niet. De bij de signalering betrokken medewerker liet weten dat de signalering in verzoekers' situatie een OPS aandachtsvestiging betreft, die de politie zonder toestemming van een officier van justitie kon plaatsen. Er is niet meer te herleiden of en zo ja door wie hier de opdracht voor was gegeven. Er waren geen stukken voorhanden. In principe kan een aandachtsvestiging zonder expliciete toestemming in het OPS worden gezet, aldus de politie.

Overige informatie uit het onderzoek

Over het rijgedrag van verzoeker
Uit de aan de ombudsman verstrekte informatie, bestaande uit diverse processen-verbaal, mutaties, de interne rapportage van de klachtbehandelaar en de reactie van de politiechef (zie Achtergrond, onder 4.), blijken de volgende contacten tussen verzoeker en de politie.
De politie heeft op 1 maart 2016, 30 maart 2016, 3 april 2016 en 17 april 2016 verzoeker opgemerkt dan wel gecontroleerd vanwege zijn opvallende en/of gevaarlijke rijgedrag. Dit bestond uit onder meer te hard rijden, door rood rijden en geen richting aangeven. Na een melding over verzoekers rijgedrag op 1 maart 2016 trof de politie verzoekers ambulance leeg aan. De politie nam contact op met het IFV omdat er bij haar onduidelijkheid bestond over verzoekers ambulance. Het IFV legde de situatie uit over het gebruik van de ambulance en brandweer door verzoeker vroeg de politie om het IFV op de hoogte te houden als zij verzoeker zou aantreffen omdat hij de (verkeers)regels overtrad. Na dit contact werd door de politie een aandachtsvestiging in het Landelijk opsporingsregister geplaatst om aandacht te vragen voor de kwestie met het IFV, voor verzoekers rijgedrag en voor zijn voertuigen omdat die niet aan de eisen zouden voldoen.
Ook op 30 maart 2016 nam de politie contact op met het IFV nadat zij had geconstateerd dat verzoekers ambulance te hard reed. De betreffende mutatie vermeldt dat het zaak is om "geen jacht te maken op de bestuurder, maar wel de voertuigen te controleren en de persoon bij aantreffen".
Bij de staande houding van verzoeker op 3 april 2016 was betrokken politieambtenaar V. gebleken dat het kenteken van verzoekers ambulance meerdere keren voor kwam in het bedrijfsprocessensysteem vanwege gevaarlijk rijgedrag. Bij deze controle vroeg betrokken politieambtenaar V. verzoeker waarom hij een brandweerbroek droeg, omdat hij dat een bijzondere combinatie vond met de ambulance. Hierop ontstond tussen verzoeker en de betrokken politieambtenaar een discussie waarbij verzoeker hem liet weten dat de politie zijn bedrijf kapot wilde maken (of woorden van die strekking) en dat hij dat zat was.
Op 7 april 2016 bezocht politieambtenaar A. verzoeker in zijn bedrijfspand om het gesprek aan te gaan over het rijden met zijn ambulance. Hierbij had hij verzoeker "in de oren geknoopt dat hij in beeld is bij de politie en dat wanneer hij hard en onvoorzichtig/gevaarlijk rijdt hij wel met de politie te maken krijgt en hem dan zal bekeuren". De politiechef legde de ombudsman uit dat de betrokken agent verzoeker had bezocht omdat verzoeker diverse keren bekeurd was voor verkeersovertredingen. Hij wilde het gesprek met hem aan gaan om hem te waarschuwen dat hij elke keer bekeurd zou worden, indien hij hard en onvoorzichtig rijdt.
De mutatie van 8 april 2016 vermeldt dat voor verzoekers ambulance in het opsporingsregister een aandachtsvestiging was geplaatst wat concreet inhield "dat er sprake moest zijn van vervoer van en naar buitenland/vliegveld en dat de rit aangemeld moest zijn".
Bij de controle van verzoeker op 17 april 2016 had betrokken politieambtenaar H. het kenteken en de ambulance van een eerdere aandachtsvestiging op een briefingsite herkend. Hij lichtte aan de ombudsman toe dat tijdens de betreffende briefing werd vermeld dat op verzoekers ambulance een aandachtsvestiging in het (N)SIS systeem stond in verband met het rijgedrag van verzoeker en dat van controles melding moest worden gemaakt bij het IFV en bij het team.

Hoe reageerde verzoeker op de informatie van de politie?

De reactie van de politiechef bevestigt bij verzoeker zijn indruk dat de politie hem op verzoek van IFV op een onjuiste manier en met onnodig machtsvertoon heeft behandeld. Het is voor hem duidelijk dat het IFV de politie gevraagd heeft haar op de hoogte te houden en informatie over hem te geven en dat de politie dit heeft gedaan, met als doel om hem en zijn bedrijf kapot te maken. Daarnaast is volgens hem duidelijk dat de politie hem onterecht in de systemen heeft gezet, hem zonder overleg met de officier van justitie heeft laten signaleren en zich met de inhoudelijke discussie over de striping heeft bemoeid. Hij heeft geen strafbare feiten gepleegd en vraagt zich af wat de signalering rechtvaardigt.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Achter de klachten over de politie die de Nationale ombudsman in deze zaak heeft onderzocht, ligt een langdurend conflict tussen verzoeker en het IFV met name over het gebruik van de huisstijl en de striping voor zijn particuliere bedrijf. Uiteindelijk is het de civiele rechter die hierover een uitspraak kan doen. Het is niet de rol van de Nationale ombudsman om hier een standpunt over in te nemen of hiervoor een oplossing te bieden. De ombudsman beoordeelt alleen de klachten over de rol van de politie.

Over de aandachtsvestiging/signalering

Waaraan toetst de ombudsman?
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid integer handelt en een bevoegdheid alleen gebruikt voor het doel waarvoor deze is gegeven.

Verzoeker klaagt er over dat de politie een aandachtsvestiging/signalering op zijn persoon en voertuigen heeft geplaatst. Hij meent dat dit in opdracht is gebeurd van het IFV en dat dit onterecht is gebeurd. De ombudsman overweegt als volgt.

De politie kan in het kader van haar politietaak een aandachtsvestiging plaatsen. Kortgezegd wordt gevraagd om iemand of iets voor een bepaalde periode in de gaten te houden. Over verzoekers situatie heeft de ombudsman verschillende informatie gezien, zowel over het soort signalering/aandachtsvestiging als over de reden ervan. Het valt de ombudsman op dat het bij de politie niet duidelijk is om welke type signalering het gaat en waarom hiervoor gekozen is.
Zo laat de politiechef in zijn reactie aan de ombudsman weten dat het in verzoekers' situatie een signalering in NL-SIS-II betrof, bedoeld om aandacht te vragen voor het rijgedrag van verzoeker. Meer specifiek ging het volgens hem om een signalering "onopvallende controle" op verzoekers voertuigen. Het advies van de commissie en een aantal mutaties vermelden dat het gaat om een landelijke signalering/aandachtsvestiging op de voertuigen en een enkele mutatie vermeldt dat het gaat om een aandachtsvestiging in OPS. Verzoekers' rijgedrag is hierbij met name als reden genoemd maar ook zijn er verschillende passages te lezen waarin aandacht is (gevraagd) voor de kwestie tussen verzoeker en het IFV. De mutatie van 20 april 2016 vermeldt dat verzoekers voertuig (N)SIS gesignaleerd staat; de betreffende politieambtenaar bevestigde aan de ombudsman dat het om een aandachtsvestiging in het (N)SIS systeem ging.

Los van de vraag om welk type signalering het gaat, staat voor de ombudsman vast dat een melding over verzoekers rijgedrag in zijn ambulance en de inhoud van het contact dat de politie daarop had met het IFV, heeft geleid tot het plaatsen van een signalering. Op basis van het standpunt en de informatie van de politiechef gaat de ombudsman ervan uit dat de politie een signalering in (N)SIS op verzoeker dan wel zijn voertuigen heeft geplaatst. Gelet op de relevante artikelen van het Besluit SIS II (zie Achtergrond onder 1. en 2.) concludeert de ombudsman dat er geen grond was om verzoeker in (N)SIS op te nemen. De door de politie genoemde redenen, zoals het rijgedrag van verzoeker vallen niet onder de categorieën voor een dergelijke signalering.
Verder moet de officier van justitie de opdracht dan wel toestemming geven voor het plaatsen van een SIS-signalering. Het staat vast dat dit niet is gebeurd. De ombudsman acht het plaatsen van deze (N)SIS signalering op verzoeker en/of zijn voertuigen dan ook in strijd met het vereiste van integriteit. Daarnaast acht de ombudsman het niet behoorlijk dat de registratie van signaleringen bij de politie niet op orde is en het daarom niet duidelijk is of het om een BHV, OPS of (N)SIS signalering gaat met de bijbehorende eisen. De ombudsman ziet daarom aanleiding tot het doen van een aanbeveling (zie Aanbeveling)

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Over de bejegening

Waaraan toetst de ombudsman?
Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid zich onpartijdig opstelt en zonder vooroordelen handelt. De overheid wekt bij de burger het vertrouwen dat zij onpartijdig en onbevooroordeeld te werk gaat. De Nationale ombudsman vindt het belangrijk dat hierbij ook de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid dient te worden voorkomen.

Verzoeker klaagt erover dat de politie hem onheus heeft bejegend nu zij hem als gevolg van de aandachtsvestiging/signalering een aantal maanden regelmatig staande heeft gehouden en gecontroleerd. Hij vindt dat de politie zich hiermee partijdig in de kwestie tussen hem en het IFV heeft opgesteld.
Zoals hierboven vastgesteld, staat voor de ombudsman vast dat een melding over verzoekers rijgedrag in zijn ambulance en de inhoud van het contact dat de politie daarop had met het IFV, heeft geleid tot het plaatsen van een signalering. Vast staat ook dat sindsdien tussen de politie en het IFV regelmatig contact is geweest over (de situatie met) verzoeker en dat zij afspraken hebben gemaakt om elkaar te informeren over verzoekers (rij)gedrag. Deze afspraak bevreemdt de ombudsman, nu het IFV over de vergunningen en rechtmatig gebruik van de stripes en brandweeruniform gaat en de politie hierin zoals zij zelf ook aangeeft geen handhavende rol heeft. De ombudsman is ervan overtuigd geraakt dat niet slechts verzoekers rijgedrag maar ook de kwestie tussen het IFV en verzoeker meespeelde bij de signalering en dat er als gevolg hiervan extra aandacht bij de politie was voor verzoeker dan wel zijn voertuigen.
Wat betreft het aantal keren dat verzoeker stelt als gevolg van die signalering te zijn staande gehouden, constateert de ombudsman op basis van de hem verstrekte informatie dat verzoeker minstens twee keer door de politie is staande gehouden vanwege zijn gevaarlijk rijgedrag. Vaker en regelmatig zoals verzoeker beweerd, heeft de ombudsman niet kunnen afleiden. Daar tegenover staat dat de ombudsman ook niets heeft gezien van de vele registraties van gevaarlijk rijgedrag waar de politie naar verwijst en van de vele bekeuringen die verzoeker zou hebben gehad. De ombudsman heeft op basis van de mutaties/ registraties wel vastgesteld dat de signalering de extra aandacht op verzoeker en zijn voertuigen vestigde. Hij acht het daarom aannemelijk dat er tussen de politie en verzoeker diverse keren contacten zijn geweest en dat hierbij ook de kwestie tussen het IFV en verzoeker ter sprake is gekomen.

Wat betreft de opmerkingen die volgens verzoeker jegens hem zijn gemaakt door de betreffende politieambtenaren, blijkt uit één mutatie dat de betreffende politieambtenaar hem gevraagd heeft naar zijn brandweeruniform. Een andere mutatie vermeldt dat de verbalisant zag dat verzoeker een uniform droeg met op de mouwen het embleem van de brandweer. Vast staat dat verzoeker zich bij die contacten tussen hem en de politie zelf ook niet onbetuigd heeft gelaten en de discussie aanging. Hij was het zat dat hij in de gaten werd gehouden en het gevoel had dat de politie in opdracht van het IFV hem zo vaak controleerde. Hoewel de ombudsman niet precies kan vaststellen of en zo ja welke opmerkingen door politieambtenaren bij de controles zijn geplaatst, kan de ombudsman zich voorstellen dat de aandachtsvestiging/signalering op verzoeker dan wel zijn voertuigen een bepaalde houding van de betrokken politieambtenaren ten opzichte van verzoeker als gevolg heeft gehad. Zo heeft de ombudsman in een mutatie gelezen om "geen jacht te maken op verzoeker" wat juist een averechts effect kan hebben.
In verband hiermee vraagt de ombudsman zich ook af welk effect de politie wilde bereiken met het bezoek dat de politie op 7 april 2016 aan verzoeker aflegde om hem te vertellen dat hij in beeld was bij de politie en hem te waarschuwen voor zijn rijgedrag en de vele bekeuringen. Volgens de klachtencommissie waren er sinds 2014 slechts vier bekeuringen. De ombudsman telt zelf drie registraties over verzoekers rijgedrag voor de datum van het bezoek. Hij zet dan ook zijn vraagtekens bij dit persoonlijke bezoek aan verzoeker. Immers het is eerder uitzondering dan regel dat de politie bezoeken aflegt om mensen te waarschuwen voor hun rijgedrag. De ombudsman is ervan overtuigd geraakt dat de kwestie tussen verzoeker en het IFV heeft meegespeeld om verzoeker te bezoeken en te laten merken dat hij "in beeld was".

Alles overziend begrijpt de Nationale ombudsman dat de politie bij verzoeker de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over het plaatsen van de aandachtsvestiging/signalering door de politie Den Haag is gegrond wegens strijd met het vereiste van integriteit.
De klacht over de onheuse bejegening is gegrond wegens strijd met het vereiste van onpartijdigheid.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman doet de politiechef van de eenheid Den Haag de aanbeveling om binnen de organisatie te zorgen voor adequate informatievastlegging bij het laten signaleren van een persoon/ voertuigen:
- Om welke type signalering gaat het en waarom?
- Aan welke formaliteiten moet worden voldaan en is hieraan voldaan?
- Is de registratie ervan op orde?

Binnen drie maanden verwacht de ombudsman hierover een terugkoppeling.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond

1. Artikel 36 van het Besluit SIS II
"1. Gegevens over personen of voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en containers worden met inachtneming van het nationale recht van de signalerende lidstaat, hetzij ter fine van onopvallende, hetzij ter fine van gerichte controles overeenkomstig het bepaalde in artikel 37, lid 4, opgenomen.
2. Een dergelijke signalering is toegestaan met het oog op de vervolging van strafbare feiten en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid, indien:
a) er duidelijke aanwijzingen zijn dat een persoon een ernstig misdrijf beraamt of pleegt, zoals de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ vermelde strafbare feiten, of
b)een algemene beoordeling van een persoon, vooral op grond van de door hem gepleegde strafbare feiten, doet verwachten dat hij ernstige misdrijven, zoals de in artikel 2, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ vermelde strafbare feiten, zal blijven plegen.
3. Voorts is signalering, voor zover dat krachtens het nationale recht is toegestaan, op verzoek van de voor de veiligheid van de staat bevoegde diensten mogelijk, indien er concrete aanwijzingen voor bestaan dat de in artikel 37, lid 1, genoemde gegevens met het oog op de voorkoming van een ernstige, van de desbetreffende persoon uitgaande bedreiging, dan wel van andere ernstige gevaren voor de interne of externe veiligheid van de staat noodzakelijk zijn. De lidstaat die op grond van dit lid de signalering verricht, stelt de overige lidstaten daarvan op de hoogte. Elke lidstaat bepaalt aan welke autoriteiten deze informatie wordt toegezonden.
4. Voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en containers kunnen worden gesignaleerd indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat zij in verband staan met een ernstig misdrijf zoals bedoeld in lid 2 of een ernstige bedreiging zoals bedoeld in lid 3."

2. Artikel 2 lid 2 van Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 2002/584 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten
"Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:
- deelneming aan een criminele organisatie,
- terrorisme,
- mensenhandel,
- seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,
- illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
- illegale handel in wapens, munitie en explosieven,
- corruptie,
- fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,
- witwassen van opbrengsten van misdrijven,
- vervalsing met inbegrip van namaak van de euro,
- informaticacriminaliteit,
- milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en boomsoorten,
- hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,
- moord en doodslag, zware mishandeling,
- illegale handel in menselijke organen en weefsels,
- ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,
- racisme en vreemdelingenhaat,
- georganiseerde of gewapende diefstal,
- illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,
- oplichting,
- racketeering en afpersing,
- namaak van producten en productpiraterij,
- vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,
- vervalsing van betaalmiddelen,
- illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,
- illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen,
- handel in gestolen voertuigen,
- verkrachting,
- opzettelijke brandstichting,
- misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,
- kaping van vliegtuigen/schepen,
- sabotage."

3. Artikel 3 Politiewet 2012
"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven."

4. Overzicht van de aan de ombudsman verstrekte informatie, bestaande uit diverse processen-verbaal, mutaties, de interne rapportage van de klachtbehandelaar en de reactie van de politiechef waaruit chronologisch de volgende contacten tussen verzoeker en de politie blijkt:
De mutatie van 01-3-2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat de politie verzoekers ambulance naar aanleiding van een melding van een burger over rijgedrag aantrof, maar dat er onduidelijkheid bestond over deze ambulance. Na contact met het IFV liet deze weten dat men vraagtekens zet bij het gebruik van de voertuigen door verzoeker, maar dat het IFV en de betreffende ministeries er nog niet over uit zijn wat zij met deze situatie moeten doen. Het IFV vroeg of de politie het IFV op de hoogte kon houden indien zij verzoeker aantreft op een wijze die niet is toegestaan. De mutatie vermeldt verder dat een dia op de briefing is geplaatst met aandacht hiervoor en dat een aandachtsvestiging in OPS is gezet;
•De interne rapportage van 18 april 2017 van de klachtbehandelaar vermeldt dat op of omstreeks 10 maart 2016 door de politie in het Landelijk Opsporingsregister (N.o: OPS) een aandachtsvestiging voor de ambulance en de brandweerauto van verzoeker geplaatst. In een briefing werd middels een sheet ook aandacht gevraagd voor de voertuigen, die niet aan de eisen voldeden, en voor het verkeersgedrag van verzoeker;
*De mutatie van 30-3-2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat verzoekers ambulance waarschijnlijk door rood reed en harder dan de maximaal toegestane snelheid. Er is contact opgenomen met het IFV, dat liet weten zeer geïnteresseerd te zijn in de bevindingen met betrekking tot het (verkeers)gedrag van de bestuurder. Verder vermeldt de mutatie dat het zaak is om geen jacht te maken op verzoeker, maar wel de voertuigen te controleren en de persoon bij aantreffen;
Het proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat politieambtenaar V. op 3 april 2016 zag dat een ambulance, die geen blauw licht uitstraalde en geen geluidssignalen voerde, harder reed dan de maximaal toegestane snelheid. Ook maakte de ambulance geen gebruik van richtingaanwijzers en stopte over de stopstreep. Uit navraag bleek V. dat het kenteken een ambulance betreft van een bedrijf en bleek dat het kenteken meerdere keren voor kwam in het bedrijfsprocessensysteem als gevaarlijk rijgedrag. Vanwege aanhoudend gevaarlijk rijgedrag, liet V. de ambulance stoppen en vertelde de bestuurder (N.o.: verzoeker) de reden van de staande houding. Hierop raakte hij in een discussie met de bestuurder. Die zei hem onder meer dat de politie zijn bedrijf om zeep wilde helpen. Toen de bestuurder uit de ambulance stapte, merkte V. dat hij een brandweerbroek droeg. Omdat hij dit een bijzondere combinatie vond, vroeg V. waarom hij deze kleding droeg. De bestuurder zei dat hij bij de brandweer werkzaam was en al die vragen van de politie zat was. Uiteindelijk liet politieambtenaar V. de bestuurder weten dat hij zijn rijgedrag zou melden op grond van artikel 130 Wegenverkeerswet;
De toelichting van 7 april 2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat politieambtenaar A. een bezoek heeft afgelegd aan verzoeker in zijn bedrijfspand om het gesprek aan te gaan over het rijden met zijn ambulance. Hierbij is verzoeker "in de oren geknoopt dat hij in beeld is bij de politie en dat wanneer hij hard en onvoorzichtig/gevaarlijk rijdt hij wel met de politie te maken krijgt en hem dan zal bekeuren"; de politiechef lichtte tijdens het onderzoek toe dat de betrokken agent verzoeker had bezocht in het pand waar zijn bedrijf gevestigd was, omdat verzoeker diverse keren bekeurd was voor verkeersovertredingen. Hij wilde het gesprek met hem aan gaan om hem te waarschuwen dat hij elke keer bekeurd zal worden, indien hij hard en onvoorzichtig rijdt;
De registratie van 8 april 2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - dat voor verzoekers ambulance in het opsporingsregister een aandachtsvestiging was geplaatst wat concreet inhield dat er sprake moest zijn van vervoer van en naar buitenland/vliegveld en dat de rit aangemeld moest zijn;
De mutatie van 20 april 2016 vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat politieambtenaar H. op 17 april 2016 een ambulance harder zag rijden dan de toegestane maximale snelheid. Hij herkende het kenteken en de ambulance van een eerdere aandachtsvestiging op een briefingsite. Politieambtenaar H. constateerde dat de ambulance diverse verkeersovertredingen maakte zoals het geen richting geven bij een afslag en het rijden voorbij de stopstreep. Toen de bestuurder na zijn stopteken uitstapte, herkende politieambtenaar H. deze als de op de briefingssite getoonde persoon (N.o.: verzoeker). Hij zag dat de bestuurder een uniform droeg met op de mouwen het embleem van de brandweer. In de discussie die volgde vertelde verzoeker hem dat hij heel vaak staande werd gehouden zonder reden en dat hij daar wel klaar mee was. Uiteindelijk gaf politieambtenaar H. hem een bekeuring voor het geen richting geven bij het afslaan en zijdelingse verplaatsingen.
De toelichting vermeldt ten slotte dat van deze controle zou melding worden gemaakt bij de instantie die in de briefingsheet wordt gemaakt, dat "het voertuig NSIS gesignaleerd staat en dat de contactpersoon met betrekking tot NSIS is gemaild; tijdens het onderzoek van de ombudsman lichtte politieambtenaar H. toe dat tijdens de betreffende briefing werd vermeld dat er een aandachtsvestiging in het (N)SIS systeem stond op het voertuig in verband met het rijgedrag van verzoeker. Tevens werd daarbij vermeld dat de ambulance op verschillende momenten in zijn gebied bij een casino was gesignaleerd en dat de ambulance niet voor noodhulp werkzaamheden bij een regionaal ambulance vervoerder was aangesloten. In de signaleringstekst stond verder vermeld dat van controles melding zal worden gemaakt bij het IFV en bij het team.

Notes

[←1]

Met striping wordt het gebruik van de striping op voorrangsvoertuigen van o.a. de politie, ambulance en de brandweer bedoeld. Het IFV houdt, in opdracht van de minister van Justitie en Veiligheid toezicht op de uitvoering van de striping en treedt handhavend op bij verkeerd en/of oneigenlijk gebruik (www.ifv.nl)

[←2]

De termen "aandachtsvestiging" en "signalering" worden volgens de politiechef in de politiepraktijk door elkaar gebruikt.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2019/006