2018/022 Gemeente Nijmegen handelt niet transparant in ontzamelingsprocedure van 664 kunstwerken

Een vrouw is het niet eens met de gang van zaken bij het ontzamelen van een kunstcollectie door museum Y. De kunstenaar was haar oom. Eigenaar van de collectie is de gemeente Nijmegen. Deze geeft het museum toestemming de collectie te schenken aan een neef van de echtgenote van de kunstenaar die de familie niet kent. De vrouw vindt de klachtbehandeling van de gemeente hierover niet voldoende. De ombudsman oordeelt dat de gemeente de ontzamelingsprocedure beter had kunnen voorbereiden en transparanter had kunnen zijn en vindt de klachten dan ook gegrond.

Instantie: Gemeente Nijmegen

Klacht:

wijze waarop de gemeente met verzoekster is omgegaan in het proces dat heeft geleid tot de schenking van aquarellen van wijlen de heer X aan de heer Y, door verzoekster niet te betrekken in dat proces.

Oordeel: gegrond

Instantie: Gemeente Nijmegen

Klacht:

wijze waarop de gemeente heeft gereageerd op verzoeksters vragen en klacht

Oordeel: gegrond

De gemeente Nijmegen is eigenaar van een groot aantal kunstwerken van kunstenaar X. Het museum Y beheert deze werken voor de gemeente op basis van een beheersovereenkomst. Omdat het museum over wil gaan tot het ontzamelen van een aanzienlijk deel van de kunstwerken, vraagt het museum de gemeente daar de noodzakelijke toestemming voor. Het museum stelt de gemeente voor de 664 kunstwerken te schenken aan een neef (het betreft een neef van de echtgenote van de kunstenaar (beiden inmiddels overleden). De neef spreekt met het museum af zorg te dragen voor verdere verdeling van de werken binnen de familie. De gemeente geeft haar toestemming.

Verzoekster is een nicht van de kunstenaar (haar vader was zijn broer en destijds tevens diens executeur-testamentair). Zij verneemt van de neef dat hij de kunstwerken geschonken heeft gekregen. Zij is het er niet mee eens dat deze neef, die zij en haar directe familie niet kennen, door de gemeente als begunstigde is aangewezen. Het blijkt dat de neef een bekende is van de directeur van het museum en ook dat hij het grootste deel van de kunstwerken, zo'n 500, voor zichzelf wil houden. Zij vraagt de gemeente, namens de vijf kinderen van wijlen haar vader, uitleg te geven over de gang van zaken: op basis waarvan is men gekomen tot de keuze van de neef als begunstigde? Is er een waardebepaling gedaan? Waarom zijn er geen voorwaarden verbonden aan de schenking? Kan de gemeente haar uitleggen op welke manier het binnen de richtlijnen voor het ontzamelen van kunstcollecties (de LAMO) heeft gewerkt? Het komt op haar over dat er sprake is geweest van een "deal" tussen het museum, gemeente en de neef, nu de neef een bekende is van het museum.

De gemeente laat verzoekster weten dat zij zorgvuldig en binnen de regels van de LAMO heeft gehandeld. De gemeente legt echter niet uit waarom. Dit leidt tot een klachtprocedure bij de gemeente. Hierna wordt er iets meer duidelijk, maar verzoekster voelt zich niet serieus genomen en dient een klacht in bij de Nationale ombudsman. Gedurende het onderzoek blijkt dat de gemeente geheel af is gegaan op het advies en expertise van het museum als het gaat om de keuze voor de begunstigde (de neef) en de waardebepaling van de kunstwerken. De gemeente mag zich laten leiden door die expertise, maar de gemeente is als eigenaar eindverantwoordelijk voor het ontzamelingsproces, en dient erop toe te zien dat het proces juist wordt gevolgd. Er is weinig tot niets gedocumenteerd over het proces. Het is de gemeente en het museum bekend dat er nog bloedverwanten van de kunstenaar in leven zijn, maar het museum gaf aan dat het ondoenlijk was die allemaal te betrekken.

De gemeente is als eigenaar van de kunstwerken eindverantwoordelijk voor een zo objectief mogelijke ontzamelingsprocedure. De omstandigheid dat de gemeente eigendom schenkt aan een bekende van de beheerder van dat eigendom maakt dat de gemeente zich er van bewust dient te zijn dat zij moet kunnen verantwoorden waarom juist aan die bekende wordt geschonken. Er dient (extra) moeite te worden gedaan om de schijn van bevoordeling te voorkomen. Ook was het de gemeente bekend dat er meerdere nazaten waren van de kunstenaar. De Nationale ombudsman vindt dat deze omstandigheden voor de gemeente aanleiding hadden moeten zijn om het museum daar, voorafgaand aan haar goedkeuring over de schenking, nadere vragen over te stellen. De gemeente had bijvoorbeeld kunnen vragen of en waarom het niet mogelijk was om iemand binnen het directe familieverband te betrekken bij het proces.

De gemeente heeft hiermee in strijd gehandeld met het vereiste van goede voorbereiding.

Daarnaast heeft de gemeente in strijd met het vereiste van transparantie gehandeld nu blijkt dat het proces van ontzameling niet gedocumenteerd is en de gemeente verzoeksters eerder gestelde vragen daarover niet adequaat heeft beantwoord. De Nationale ombudsman vindt de klachten van verzoekster gegrond.

Wat is de klacht?

Verzoekster klaagt over de wijze waarop de gemeente met haar is omgegaan in het proces dat heeft geleid tot de schenking van aquarellen van wijlen de heer X aan de heer Y. Zij klaagt er in dat verband over dat de gemeente haar niet heeft betrokken in dat proces. Ook klaagt zij over de wijze waarop de gemeente heeft gereageerd op haar vragen en klacht daarover.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Inleiding

De gemeente Nijmegen is eigenaar van een groot aantal kunstwerken (995), gemaakt door een kunstenaar, de heer X. De kunstenaar is inmiddels overleden. In een beheersovereenkomst van 22 juni 2010 is geregeld dat het Museum Het Valkhof-Kam te Nijmegen (hierna: het museum) de kunstcollectie van de kunstenaar voor de gemeente in beheer heeft.

Op 3 april 2015 vraagt het museum de gemeente om toestemming om een deel van de kunstcollectie te ontzamelen (af te stoten). Gelet op de omvang van de collectie wil het museum deze terugbrengen naar 56 werken. Het museum moet voor de ontzameling toestemming vragen van de gemeente omdat dit zo in de beheersovereenkomst is bepaald. Het museum vertelt de gemeente dat het de af te stoten kunstwerken (tekeningen en aquarellen) aan de familie van de kunstenaar wil aanbieden. Het museum heeft daarover gesproken met een neef van de (ook inmiddels overleden) echtgenote van de kunstenaar. De neef heeft aangegeven deze werken graag terug te ontvangen. In de brief van 16 april 2015 laat de gemeente het museum weten dat zij de gevraagde toestemming van ontzameling verleent. De gemeente geeft aan dat voor nadere informatie en afspraken over de verdere afwikkeling van de ontzameling, de beleidsadviseur cultuur het aanspreekpunt is. Op 29 april 2015 worden de te ontzamelen kunstwerken via een schenkingsovereenkomst door de gemeente geschonken aan de neef van de kunstenaar. Het gaat uiteindelijk om 664 aquarellen.

De neef schrijft op 20 september 2015 de overige familieleden van de kunstenaar een brief waarin hij vertelt dat hij de gemeente de tekeningen en aquarellen aan hem heeft geschonken en dat hij iedereen uitnodigt voor een bijeenkomst op 25 oktober 2015 gedurende welke ieder familielid één of twee werken mee naar huis mag nemen.

Waar gaat het conflict tussen verzoekster en gemeente over?

Verzoekster is een bloedverwante nicht (met dezelfde achternaam) van de kunstenaar. De kunstenaar was een broer van haar vader. Zij verneemt via haar broer dat de gemeente de kunstwerken heeft geschonken aan de neef. Zij neemt contact op met de gemeente door in meerdere brieven haar ongenoegen te uiten over de schenking. Ze voert daarbij aan dat haar vader een broer van de kunstenaar was. Bij het overlijden van de kunstenaar was haar vader executeur-testamentair. Verzoekster zegt met kracht afstand te nemen van de schenkingsovereenkomst tussen de gemeente en de aangetrouwde neef. Ze schrijft de brief namens alle vijf kinderen van wijlen haar vader. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een "deal" tussen de gemeente en de aangetrouwde neef. Het hoofd van het museum en de beleidsadviseur van de gemeente zijn volgens haar bekenden van de neef. Dat is volgens haar de reden dat de kunstwerken zijn geschonken aan de neef. Dit klemt volgens haar omdat de aquarellen van substantiële waarde zijn en de schenking is geschied zonder verdere voorwaarden. Daarnaast is gebleken dat de neef de meeste werken (ongeveer 500) van de schenking in zijn bezit wil houden. Verzoekster en haar directe familie hadden tot dit moment nooit gehoord van de aangetrouwde neef, die zich nu ineens opwerpt als familievertegenwoordiger. Verzoekster wil daarom een formele reactie van de gemeente met uitleg over deze gang van zaken. Daarbij verwijst zij naar de Leidraad Afstoten Museale Objecten (Hierna: LAMO). Zij wil weten waarom deze richtlijnen door de gemeente niet zijn nageleefd. Zo is haar bijvoorbeeld geen collectieplan van het museum of inventarisatie en waardebepaling van de af te stoten aquarellen bekend, terwijl de LAMO dit wel voorschrijft. Ook vraagt zij waarom de gemeente geen voorwaarden heeft gesteld aan de schenking aan de neef. In de LAMO staat dat in geval van ontzameling door schenking voorwaarden moeten worden gesteld. De gemeente reageert op haar brieven en stelt dat zij wél zorgvuldig heeft gehandeld. De gemeente geeft aanvankelijk geen antwoord op verzoeksters verzoek om een onderbouwing van haar handelen. Verzoekster dient een klacht in over de gang van zaken. In de klachtafhandelingbrief vertelt de gemeente meer over de band tussen de museum directeur en de neef (zij kenden elkaar zakelijk). De beleidsadviseur van de gemeente kende de neef niet. Over de waarde van de aquarellen stelt de gemeente dat er sprake is van geringe cultuurhistorische waarde. Daarom is er geen waardebepaling toegepast. Zij stelt dat de LAMO niet is overschreden. De LAMO geeft richtlijnen ter overweging en stelt geen verplichtingen, aldus de gemeente.

De LAMO

De museumbranche is collectief verantwoordelijk voor een zorgvuldige omgang met het erfgoed dat zij voor en namens de samenleving beheert. Rondom afstoten bestonden in het verleden veel misverstanden. De normen liepen sterk uiteen en sommige collecties groeiden tot onbeheersbare proporties. In 1999 lanceerde het toenmalige Instituut Collectie Nederland daarom de Leidraad Afstoten Museale Objecten (LAMO) en droeg die over aan de Museumvereniging. De leidraad is breed geaccepteerd als professionele norm bij het selecteren en afstoten van objecten uit museale collecties. Dat geldt niet alleen voor musea, maar ook voor veel eigenaren van museale collecties, zoals de overheid.

Voor zover hier van belang stelt de LAMO dat de eigenaar van de kunstwerken toestemming moet geven voor afstoting. Het museum beschikt over de inhoudelijke kennis en deskundigheid met betrekking tot de collectie. Het museum beslist daarom welk deel van de collectie in aanmerking komt voor afstoting. Selecteren en afstoten moet zorgvuldig gebeuren en uitsluitend op inhoudelijke gronden. De eigenaar dient er op toe te zien dat de juiste procedure wordt gevolgd. Formeel behoudt de eigenaar altijd de eindverantwoordelijkheid. De LAMO geeft aan welke stappen worden genomen tijdens het ontzamelingsproces. In ieder geval is van belang dat een ontzamelingsproject goed gedocumenteerd is. Dat is ook van belang voor de verantwoording achteraf.

Wat zegt de gemeente?

Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman geeft de gemeente aan dat zij eindverantwoordelijk is voor het proces van de ontzameling, maar dat zij voor de waardebepaling én de keuze voor de begunstigde van de schenking kon en mocht vertrouwen op de expertise van het museum. Het museum wilde een groot deel van de collectie afstoten om te komen tot een bescheiden en representatief aantal werken van de kunstenaar. Over de waardebepaling gaf de gemeente aan dat een zoektocht op internet uitwijst dat de kunstenaar niet een levendige rol speelt in de wereld van galerieën, kunsthandels en veilingen, ook niet op veilingen zoals Marktplaats en Catawiki. Het gaat om werk dat weinig in de belangstelling staat en het museum kon op basis daarvan zelf conclusies trekken over de geringe financiële waarde van het werken. Het is de gemeente bekend dat er meerdere erfgenamen van de kunstenaar bestaan, maar het was ondoenlijk die allemaal aan te schrijven. De neef had toegezegd de rest van de familie te informeren en ervoor te zorgen een verdere verdeling van de werken in goede banen te leiden. Gelet hierop en omdat er sprake was van een omvangrijk aantal af te stoten aquarellen, heeft de gemeente geen voorwaarden gesteld aan de schenking.

De klacht over het niet betrekken van verzoekster

De Nationale ombudsman toetst de klacht over het niet betrekken van verzoekster bij het proces dat heeft geleid tot schenking van de aquarellen aan het vereiste van goede voorbereiding. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid alle informatie verzamelt die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen.

De gemeente is als eigenaar van de kunstcollectie eindverantwoordelijk voor de zorgvuldigheid van het schenkingsproces. Dit is zo in de LAMO bepaald. De gemeente heeft in dit geval eigendom geschonken aan een bekende van de beheerder van dat eigendom. In zo'n geval dient de gemeente zich er van bewust te zijn dat zij moet kunnen verantwoorden waarom zij aan die bekende schenkt. Er dient (extra) moeite te worden gedaan om de schijn van bevoordeling te voorkomen. De omstandigheid dat het gaat om een bekende van de beheerder, en de omstandigheid dat het de gemeente bekend was dat er meerdere nazaten van de kunstenaar waren, hadden voor de gemeente aanleiding moeten zijn om het museum daar nader over te bevragen. Zo had bijvoorbeeld de vraag gesteld kunnen worden om (ook) een aanspreekpunt binnen de bloedverwanten te benaderen. De enkele stelling achteraf dat het ondoenlijk was (alle) andere nazaten ook te benaderen, doet daar niet aan af. Dit staat los van de inhoudelijke afweging die het museum vervolgens in reactie op die vraag zou hebben gemaakt. Dat betekent dat de Nationale ombudsman niet kan vaststellen of verzoekster degene was die betrokken had moeten worden. Dit laat echter onverlet dat de gemeente, als eigenaar, een zo objectief mogelijke en achteraf te verantwoorden schenkingsprocedure moet waarborgen. Nu de gemeente zonder meer haar goedkeuring over de schenking heeft gegeven, heeft zij gehandeld in strijd met het vereiste van goede voorbereiding. Verzoeksters klacht op dit punt is dan ook gegrond.

De klacht over het reageren op verzoeksters vragen

De klacht over de wijze waarop de gemeente heeft gereageerd op verzoeksters vragen en op haar klacht toetst de Nationale ombudsman aan het vereiste van transparantie. Dat vereiste houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet. Het handelen van de overheid moet toetsbaar zijn en vragen daarover van burgers dienen te worden beantwoord.

Verzoekster vroeg in oktober 2015 duidelijkheid over de gang van zaken. Het is voor verzoekster belangrijk om te vernemen welke afwegingen de gemeente heeft gemaakt in haar handelen en op basis waarvan, en dat dit voor haar valt te staven aan de hand van stukken ten aanzien van bijvoorbeeld de waardebepaling van de aquarellen en gespreksverslagen.

Tot aan interne klachtbehandeling geeft de gemeente geen gemotiveerd antwoord op de vragen over de door haar genomen stappen in het ontzamelingsproces. Zo geeft de gemeente geen onderbouwde uitleg over het handelen conform de LAMO en de door verzoekster gestelde "deal" met de neef. De gemeente laat verzoekster daarna weten dat haar brieven zullen worden behandeld tijdens een besluitronde van een politieke avond en dat de raad wordt geadviseerd beantwoording van haar brief over te laten aan het college van B&W. Later schrijft de gemeente dat de raad wordt geadviseerd de brief ter kennisgeving aan te nemen. Deze brieven geven evenmin antwoord op de vragen van verzoekster.

Daarna geeft de gemeente in een brief van 4 januari 2016 enkel de hoofdboodschap dat men diepgaand van mening verschilt en dat briefwisseling niet tot een bevredigende oplossing leidt. Er worden ook daarna geen onderbouwde antwoorden gegeven op verzoeksters vragen. Pas in de klachtafdoening van 12 juli 2016 vertelt de gemeente meer over relatie tussen de neef en de museum directeur. Ook wordt de gemeente iets concreter over de waardebepaling, namelijk dat dit niet heeft plaatsgevonden omdat sprake was van geringe cultuurhistorische waarde. De aanhoudende vragen over de motivering van die stelling beantwoordt de gemeente eerst in de loop van dit onderzoek. Dan blijkt dat daar geen stukken aan ten grondslag liggen en ook voor het overige het proces niet gedocumenteerd is, afgezien van het verzoek om toestemming tot ontzameling en de schenkings- en beheersovereenkomst.

Doordat verzoekster langdurig geen antwoord op vragen krijgt van de gemeente, voelde zij zich in toenemende mate niet serieus genomen.

De gemeente heeft hiermee gehandeld in strijd met het vereiste van transparantie.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt gegrond.

Conclusie

De klachten over de onderzochte gedragingen van de gemeente Nijmegen zijn gegrond.

De Nationale ombudsman,
 

Reinier van Zutphen

Bevindingen

Inleiding

De gemeente Nijmegen is eigenaar van een groot aantal kunstwerken (995), gemaakt door kunstenaar X. De kunstenaar is inmiddels overleden. Via een beheersovereenkomst van 22 juni 2010 is geregeld dat het Museum Het Valkhof Kam te Nijmegen (hierna; het museum) de kunstcollectie van kunstenaar X voor de gemeente in beheer heeft.

Op 3 april 2015 vraagt het museum de gemeente om toestemming om een deel van de kunstcollectie te ontzamelen (af te stoten). Gelet op de omvang van de collectie wil het museum deze terugbrengen naar 56 werken. Het museum moet voor de ontzameling toestemming vragen van de gemeente omdat dit zo in de beheersovereenkomst is bepaald. Het museum vertelt de gemeente dat het de af te stoten kunstwerken (tekeningen en aquarellen) aan de familie van de kunstenaar wil aanbieden en dat tijdens een gesprek over de mogelijkheid daarvoor, een neef van de familie heeft aangegeven deze werken graag terug te ontvangen. Het betreft een neef van de (ook inmiddels overleden) echtgenote van de kunstenaar.

De gemeente laat het museum bij brief van 16 april 2015 weten dat zij de gevraagde toestemming van ontzameling verleent. De gemeente geeft aan dat voor nadere informatie en afspraken over de verdere afwikkeling van de ontzameling, de beleidsadviseur cultuur het aanspreekpunt is.

Op 29 april 2015 worden de te ontzamelen kunstwerken via een schenkingsovereenkomst door de gemeente geschonken aan de neef van de echtgenote van de kunstenaar. Het gaat uiteindelijk om 664 aquarellen.

De neef schrijft op 20 september 2015 de overige familieleden van de kunstenaar een brief waarin hij vertelt dat de gemeente de tekeningen en aquarellen aan hem heeft geschonken en dat hij iedereen uitnodigt voor een beenkomst op 25 oktober 2015 gedurende welke ieder familielid één of twee werken mee naar huis mag nemen.

Vragen verzoekster aan de gemeente

Verzoekster is een bloedverwante nicht van de kunstenaar. Haar vader was een broer van de kunstenaar. Zij verneemt via haar broer dat de gemeente de kunstwerken heeft geschonken aan de aangetrouwde neef. In reactie daarop schrijft zij op 14 oktober 2015 brieven aan de gemeente waarin zij haar ongenoegen uit over de schenking. Zij voert daarbij aan dat haar vader een broer van de kunstenaar was. Destijds, bij het overlijden van de kunstenaar, was haar vader executeur-testamentair. Daarbij zegt zij dat zij met kracht afstand neemt van de schenkingsovereenkomst tussen de gemeente en de aangetrouwde neef. Zij schrijft deze brief namens alle vijf kinderen van wijlen haar vader. Volgens verzoekster is sprake van een "deal" tussen de gemeente en de neef: het hoofd van het museum en de beleidsadviseur van de gemeente zijn bekenden van de neef. Dat is volgens haar de reden dat de kunstwerken aan die neef zijn geschonken. Dit klemt volgens haar omdat de aquarellen van substantiële waarde zijn en dat de neef de meeste werken in zijn bezit wil houden. Verzoekster en haar directe familie hadden tot dit moment nooit gehoord van de aangetrouwde neef, die zich nu ineens opwerpt als familievertegenwoordiger. Heeft de gemeente wel de achtergronden van de neef onderzocht? Verzoekster wil daarom een formele reactie van de gemeente over deze gang van zaken. Daarbij verwijst zij onder meer naar de Leidraad Afstoten Museale Objecten (Hierna:LAMO), zij wil weten waarom deze richtlijnen door de gemeente niet zijn nageleefd.

Op 16 en 26 oktober 2015 verzoekt zij de gemeente dringend om een reactie op haar brief en om de uitvoering van de schenkingsovereenkomst op te schorten.

Bij brief van 3 november 2015 laat de gemeente verzoekster weten van mening te zijn zorgvuldig en in de geest van de LAMO te hebben gehandeld. De gemeente herziet de schenkingsovereenkomst dan ook niet en zegt uitdrukkelijk afstand te nemen van de bewering van verzoekster dat er sprake zou zijn geweest van een "deal": de beleidsadviseur en de neef hadden elkaar tot de feitelijke overdracht van de kunstwerken nooit eerder ontmoet.

Verzoekster stuurt een brief terug aan de gemeente op 24 november 2015. Hierin schrijft zij dat zij en een groot deel van de familie van de kunstenaar zich niet serieus genomen voelt. Dit omdat de gemeente niet verder toelicht waarom in de geest van de LAMO zou zijn gehandeld. Ook had de museumdirecteur haar bevestigd dat de beleidsadviseur en de neef elkaar kenden.

Volgens verzoekster is niet conform de LAMO gehandeld. Er is geen waardeschatting van de kunstwerken bekend gemaakt. Ook is er geen onderzoek gedaan naar de achtergrond en oogmerken van de neef. Zij dringt er bij de gemeente op aan haar brief spoedig te beantwoorden.

Op 25 november 2015 laat de gemeente haar weten dat haar brief wordt behandeld Tijdens de besluitronde van de politieke avond van 16 december 2016. Verzoekster laat hierop weten dat zij een klacht zal indienen over de kwestie bij de Nationale ombudsman. De gemeente laat haar weten dat de raad wordt geadviseerd beantwoording van haar brief over te laten aan het college van 6&W. De gemeente meldt verzoekster op
8 december 2015 dat haar brief inmiddels is geplaatst op de agenda van de raadsvergadering van 13 januari 2016. Het advies aan de raad is om de brief ter kennisgeving aan te nemen. Daarna schrijft de gemeente verzoekster op 4 januari 2016 een brief, als antwoord op haar brief van 24 november 2015. Hierin staat dat de gemeente en verzoekster diepgaand van mening verschillen over de gevolgde procedure van ontzameling: de gemeente heeft formeel juridisch volkomen juist gehandeld, terwijl verzoekster mening blijft dat dit niet zo is. De gemeente zegt dat verdere briefwisseling hierover niet zinvol is. Omdat verzoekster vindt dat zij nog geen inhoudelijke antwoorden van de gemeente heeft ontvangen op haar eerder gestelde vragen, vraagt zij de gemeente op 12 januari 2016 hier nogmaals om. Zij stelt hierbij dat de brief van de gemeente van 4 januari 2016 niet gezien kan worden als een formele reactie van het college van B&W. Zij wil graag duidelijkheid over de stand van zaken en welke reactie zij nog van de gemeente kan verwachten en wanneer.

Klacht verzoekster bij de gemeente

Op 24 februari 2016 dient verzoekster bij de gemeente een klacht in over de gang van zaken. Deze klacht wordt op 30 mei 2016 behandeld tijdens een hoorzitting. Op 12 juli 2016 verklaart de gemeente verzoeksters klacht op alle punten ongegrond. Voor zover hier van belang, komt daaruit het volgende naar voren. De gemeente geeft aan dat de neef een zakelijke relatie is van de directeur van het museum en dat bekend was dat hij behoort tot de grote groep erven van de kunstenaar. De gemeente is niet verplicht een uitputtend onderzoek te doen naar familieverhoudingen. Ook is zij volgens de LAMO niet verplicht voorwaarden te verbinden aan de schenking. De neef had mondeling toegezegd de familie aan te schrijven om tot een verdere verdeling te komen. Dat heeft hij ook gedaan. De gemeente stelt niet verantwoordelijk te zijn voor de verdere communicatie tussen de neef en de rest van de familie. Ten aanzien van de waardebepaling geeft de gemeente aan dat, omdat de aquarellen geringe cultuurhistorische waarde hebben, geen (verdere) waardebepaling is toegepast. Daarnaast is de gemeente van oordeel dat er geen sprake is van "vriendjespolitiek" en dat is voldaan aan de voorwaarden zoals in de LAMO gesteld. Dat er volgens verzoekster sprake zou zijn van onverschilligheid, ondeskundigheid, een gebrek aan politieke, bestuurlijke en ambtelijke sensitiviteit en een gebrekkig gevoel voor urgentie deelt de gemeente niet.

Verzoeksters klacht bij de Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman stelt op 10 mei 2017 onderzoek in naar de klacht en legt deze ter reactie voor aan de gemeente. De klachtformulering luidt:

Verzoekster klaagt over de wijze waarop de gemeente met haar is omgegaan in het proces dat heeft geleid tot de schenking van aquarellen van wijlen de heer X aan de
heer Y. Zij klaagt er in dat verband over dat de gemeente haar niet heeft betrokken in dat proces. Ook klaagt zij over de wijze waarop de gemeente heeft gereageerd op haar vragen en klacht daarover.

Standpunt gemeente

De gemeente laat in reactie hierop weten dat het museum de gemeente het advies had gegeven om de kunstwerken aan de neef te schenken en dat de gemeente daarbij de expertise en netwerken van het museum volledig vertrouwt. De voormalig directeur van het museum kende de neef vanuit een andere kwestie en wist op die manier van de relatie van de neef ten opzichte van de kunstenaar. Daarnaast laat de gemeente weten dat de afstoting van de kunstwerken vielen onder het regime van de LAMO 2006. In de LAMO 2006 staan geen verplichtende voorwaarden; er staat dat men bij het ontzamelen van kunstwerken bepaalde aspecten in overweging kan nemen. Als het gaat om schenking van kunstobjecten dan kan volgens de LAMO aan de volgende personen worden gedacht: de maker van het kunstwerk, of zijn erven. Aangezien de neef een erfgenaam is en nergens in de LAMO is bepaald dat men eerst alle erven zou moeten benaderen of dat een bepaalde familietak de voorkeur zou moeten krijgen, is volgens de gemeente gehandeld volgens de LAMO 2006.

Daarnaast stelt de LAMO 2006 dat moet worden overwogen of men aan de schenking voorwaarden verbindt. De gemeente heeft in dit geval bewust gekozen voor de afwezigheid van voorwaarden omdat die niet te controleren zijn, nu het gaat om een schenking van vele honderden objecten van een matige kwaliteit met een zeer geringe cultuurhistorische en economische waarde. Met de neef was afgesproken dat hij een bijeenkomst met de familie zou organiseren, dat hij een studie zou verrichten naar het oeuvre van de kunstenaar en zorg zou dragen voor verdeling van alle werk onder de familieleden, wat de neef ook heeft gedaan. Over de gevoerde communicatie tussen de gemeente en verzoekster zegt de gemeente dat die goed is verlopen. De gemeente baseert zich hierbij op het proces van communicatie tussen haar en verzoekster vanaf het moment dat verzoekster een klacht indiende bij de gemeente.

Standpunt verzoekster

Verzoekster reageert vervolgens op dit standpunt van de gemeente. Zij geeft – voor zover hier van belang - aan dat de gemeente ten onrechte niet de nieuwe LAMO 2016 (ten tijde van het ontzamelen in deze kwestie in ontwikkeling) heeft gebruikt afhandelingskader. Zij wijst onder andere op de afwezigheid van bijvoorbeeld een beschrijving van het selectieproces en -criteria, de afwezigheid van de vaststelling van de waarde van de kunstwerken. Daarnaast is zij ervan overtuigd dat sprake is van een vooraf gesloten deal, gelet op het korte tijdsbestek (drie weken) waarbinnen de schenking werd geformaliseerd. Voor haar is daarbij van belang dat de neef tot de “koude kant” van de kunstenaar behoort en dat hij een bekende is van het museum en van de gemeente. Vóór de schenkingsovereenkomst was de neef een onbekende voor verzoekster en haar naaste familie, aan wie nu een groot aantal kunstwerken, waarvan de waarde niet bekend is, is geschonken. Daarnaast is gebleken dat de neef de meeste werken (ongeveer 500) van de schenking in zijn bezit wil houden. Over de wijze waarop de gemeente met haar heeft gecommuniceerd stelt zij dat de gemeente niet aangeeft op basis waarvan de gemeente vindt dat die communicatie goed was verlopen.

Zij vindt dat de gemeente gedurende het hele proces onvoldoende verantwoording heeft afgelegd over haar handelwijze.

Aanvullend standpunt gemeente

De Nationale ombudsman heeft de gemeente gevraagd of zij, als eigenaar van de kunstwerken, een verantwoordelijkheid of zorgplicht heeft ervaren om met het museum te overleggen over de voorwaarden waarop de schenking zou plaatsvinden. Ook vroeg hij of daarbij bijvoorbeeld aandacht is besteed aan de bepaling van de cultuurhistorische waarden van de werken. Gevraagd is ook of de omstandigheid dat de executeur- testamentair van de kunstenaar diens broer (die nazaten heeft) was, is betrokken bij het overleg met het museum over het voorstel om de neef als begunstigde aan te wijzen.

De gemeente antwoordt dat zij bij het toestemming geven voor het afstoten van de kunstwerken, mocht vertrouwen op de deskundigheid van de door het museum gemaakte beoordeling.Ook benadrukt de gemeente dat in de LAMO geen verplichting is opgenomen om voorwaarden te verbinden aan een schenking. Daarnaast herhaalt de gemeente dat zij mocht afgaan op het oordeel van het museum, dat de af te stoten werken een geringe museale waarde hadden. Daarom is geen verdere waardebepaling gedaan. De omstandigheid dat de executeur testamentair van de destijds overleden kunstenaar zijn broer was, is voor de gemeente geen reden geweest om er op dat moment hij te betrekken; het is 30 jaar later en het zou ondoenlijk zijn geweest om alle mogelijke erfgenamen op te sporen.

De Nationale ombudsman heeft de gemeente gevraagd op basis waarvan het museum tot haar conclusie is gekomen over de waarde van de werken en of daarover iets geregistreerd dan wel terug te vinden is. In de LAMO staat aangegeven dat de waarde dient te worden bepaald binnen een waardestellend kader (zoals de zgn. Deltaplan systematiek). De gemeente schrijft dat raadpleging van internet uitwijst dat de kunstenaar geen levendige rol speelt in de wereld van galerieën, kunsthandel en veilingen en dat het gaat om werk dat weinig in de belangstelling staat. De deskundigen van het museum kunnen op basis daarvan zelf conclusies trekken over de in dit geval geringe financiële waarde van het werk.

De gemeente legde desgevraagd een kopie van de beheersovereenkomst tussen haar en het museum over. Voor zover hier van belang is daarin het volgende bepaald. Museaal beheer houdt in het binnen het kader van de statutaire doelstellingen van het museum registreren, conserveren, uitbreiden, afstoten, toezicht houden op en presenteren van collectie A (voorwerpen en de daarbij horende bescheiden behorende tot het kunstbezit van de gemeente, verspreid over het museum). Alle aanwinsten op het gebied van de oude en moderne kunst die het museum vanaf 1 januari 1999 verwerft of heeft verworven, worden of zijn aan de collectie A toegevoegd. Als onderdeel van het museaal beheer kan het museum voorstellen doen om collectieonderdelen van de collectie A in enigerlei vorm af te stoten. Het museum kan pas tot afstoting overgaan nadat toestemming is verkregen van de gemeente.

Aanvullend standpunt verzoekster

Verzoekster geeft aan dat zij in de toonzetting van de gemeente irritatie heeft ervaren over het door haar ter discussie stellen van het handelen van de gemeente in deze kwestie. Zij voelde steeds dat de gemeente haar beschouwde als tegenstander. Daarnaast geeft zij aan dat de gemeente zich ten onrechte volgend heeft opgesteld ten opzichte van het museum. Zij vindt dat de gemeente een eigen verantwoordelijkheid heeft op grond van de LAMO en de Algemene wet bestuursrecht en dat het die verantwoordelijkheid niet heeft genomen.

Ze wijst daarnaast op het ontbreken van een collectieplan, die aan de ontzameling ten grondslag had moeten liggen. Voor haar is het mede door het gebrek aan schriftelijke verslagen van gesprekken die zijn gevoerd tussen de gemeente, het museum en de neef, niet toetsbaar of de gemeente, zoals zij zelf stelt, zorgvuldig te werk is gegaan. Voor haar blijft er sprake van een vooraf besproken "deal". Ook blijft voor haar niet toetsbaar dat er sprake zou zijn van geringe (financiële) waarde. Er ontbrak een catalogus, een precieze vaststelling van het aantal werken, een inventarislijst en een waarde vaststelling. Bovendien, zo stelt zij, zou men uitgaan van een fictief bescheiden bedrag van bijvoorbeeld € 20 per werk, dan gaat het om een aanzienlijk bedrag dat de gemeente zonder voorwaarden heeft weggeschonken aan "een bekende van het museum". Verder stelt zij dat het voor de gemeente eenvoudig moet zijn geweest om één of twee naamsverwanten van de kunstenaar te benaderen om te spreken over de beoogde ontzameling.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/022