2018/016 Politie Den Haag doet te snel zorgmelding bij Veilig Thuis

Een moeder klaagt over de manier waarop de politie haar heeft benaderd. Zij heeft op een koude dag haar oudste kind in de auto met draaiende motor laten wachten terwijl zij haar jongste kind naar de crèche bracht. Hierover raakt zij in een discussie met de politie die zegt dat zij een melding gaat doen bij Veilig Thuis. De ombudsman vindt dat het direct doen van een zorgmelding onnodig heeft ingegrepen in het leven van de vrouw.

Instantie: Regionale politie-eenheid Den Haag

Klacht:

wijze waarop de politie verzoekster in maart 2015 heeft bejegend

Oordeel: geen oordeel

Instantie: Regionale politie-eenheid Den Haag

Klacht:

maken van een zorgmelding

Oordeel: gegrond

Verzoekster bracht haar jongste zoon met de auto naar de crèche. Het was koud en daarom wilde haar oudste zoon (van toen bijna zes jaar) in de auto blijven zitten. Verzoekster bracht haar jongste zoon naar de crèche en liet haar oudste zoon alleen in de auto met draaiende motor. Toen zij na een paar minuten weer naar buiten kwam, sprak de politie haar erop aan dat zij haar zoon alleen in de auto had laten zitten. Nadat er een discussie tussen verzoekster en de politie had plaatsgevonden, zei de politie dat zij een zorgmelding bij Veilig Thuis zou doen. Deze zorgmelding werd op het politiebureau ook gedaan.

Verzoekster klaagde over de wijze waarop de politie haar had bejegend en over de zorgmelding die de politie had gedaan.

De Nationale ombudsman overwoog dat buiten kijf staat dat de politie een zorgmelding mag maken als zij zich zorgen maakt over een kind. Verder overwoog de Nationale ombudsman dat het goed is dat de politie alert is op haar omgeving en dit ook tot haar taak behoort. Tegelijkertijd is zorgvuldigheid geboden, aangezien een zorgmelding de basis kan zijn voor mogelijk ingrijpende vervolgstappen. Desondanks was de Nationale ombudsman van oordeel dat het direct opmaken van een zorgmelding in dit geval niet in evenredige verhouding stond tot het door de politie beoogde doel (bewustwording bij verzoekster te creëren). Naar het oordeel van de Nationale ombudsman had de politie eerst minder ingrijpende alternatieven moeten proberen, bijvoorbeeld een gesprek tussen verzoekster en de politie op een later moment. Door niet eerst een dergelijke tussenstap te zetten, maar direct een zorgmelding te doen, had de politie onnodig ingegrepen in verzoeksters leven, aldus de Nationale ombudsman.

Evenredigheidsvereiste, niet behoorlijk.

Ten aanzien van de klacht over de bejegening, onthield de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

Aanleiding

In maart 2015 bracht verzoekster haar jongste zoon met de auto naar de crèche. Het was koud en daarom wilde haar oudste zoon (van toen bijna zes jaar) in de auto blijven zitten. Verzoekster bracht haar jongste zoon naar de crèche en liet haar oudste zoon alleen in de auto met draaiende motor. Toen zij na een paar minuten weer naar buiten kwam, spraken politieambtenaren B. en H. haar erop aan dat zij haar zoon alleen in de auto had laten zitten. Nadat er een discussie tussen verzoekster en B. en H. had plaatsgevonden, zeiden zij tegen verzoekster dat zij een zorgmelding bij Veilig Thuis zouden doen. Eenmaal op het politiebureau werd deze melding ook gedaan. Vervolgens nam Veilig Thuis contact op met verzoekster en concludeerde Veilig Thuis dat het een incident betrof.

Klacht

Verzoekster klaagt over de wijze waarop de politie haar in maart 2015 heeft bejegend en over de zorgmelding die de politie in dat verband heeft gedaan.

Bevindingen

Standpunt verzoekster

Verzoekster stelt dat haar zoontje in de auto wilde blijven zitten, omdat het ijskoud was. Zij stemde daarin toe, omdat zij haar zoontje kan vertrouwen en het een slim jongetje is. De motor draaide en de deuren zaten op slot. Verzoeksters zoontje deed op haar aangeven de autodeur op slot en later weer open. Toen verzoekster uit de crèche kwam, stond er een politieauto bij haar auto. Volgens verzoekster werd zij op een uiterst onvriendelijke manier aangesproken alsof zij de grootste crimineel van Nederland was. Verzoekster stelt dat de politie het raampje van haar auto opendraaide en op een onaardige manier aan haar vroeg: "vindt u dit normaal?". Volgens verzoekster sprak de politie haar op een zeer denigrerende en arrogante manier aan. Hierop reageerde verzoekster geïrriteerd; verzoekster zei dat zij geen enkele wet of regel had overtreden en het haar auto en haar kind was. Verzoekster gaf aan dat de politie zich beter druk kon maken over echt onveilige situaties. De politie stelde toen dat verzoekster wel eens zou zien wie er aan het kortste eind zou trekken en dat zij een melding zou maken bij Veilig Thuis.

Volgens verzoekster was de melding bij Veilig Thuis disproportioneel en was sprake van machtsmisbruik. Veilig Thuis is er voor kinderen die worden mishandeld of verwaarloosd. Verzoekster stelt dat haar zoontje geen enkel moment een gevaar is geweest voor zichzelf of iemand anders. Verzoekster is van mening dat de politie alleen maar een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan, omdat zij niet gediend was van verzoeksters repliek. Als verzoekster normaal was aangesproken door de politie, had zij ook anders gereageerd en was het helemaal niet zover gekomen. Verzoekster stelt dat zij het goed vindt dat de politie surveilleert en haar aanspreekt, maar dat zij door niemand op een dergelijke toon wenst te worden aangesproken. Verder heeft verzoekster aangegeven dat een melding bij Veilig Thuis ingrijpend is; er wordt namelijk een kopie gestuurd naar de Jeugdgezondheidszorg. Volgens verzoekster doe je niet zomaar een melding bij Veilig Thuis en is dit de opmaat voor meer. Verzoekster stelt dat Veilig Thuis haar heeft geadviseerd om een klacht tegen de politie in te dienen, omdat volgens Veilig Thuis ook sprake was van machtsmisbruik. Volgens verzoekster was het gedrag van politieambtenaren B. en H. geen incident, omdat zij zich in een later contact (in het kader van de interne klachtbehandeling door de politie) zonder reden op een onbehoorlijke manier naar haar toe hebben gedragen.

Informatie verstrekt door politieambtenaren B. en H. aan de ombudsman

Tijdens het onderzoek hebben de betrokken politieambtenaren B. en H. tegenover medewerkers van de Nationale ombudsman het volgende verklaard. H. heeft gesteld dat zij een zorgmelding doet als zij zich zorgen maakt om een kind. Volgens B. schrikken mensen vaak van het woord zorgmelding, maar is het niet heel spannend. Het is alleen om de hulpverlening te starten als dat nodig is, meer niet. Als er gevaar is voor een kind of een belemmering in de opvoeding van een kind, dan is de politie volgens B. verplicht om een zorgmelding te doen als de politie zich zorgen maakt. De consequenties die een zorgmelding heeft, hangt volgens B. af van het onderzoek van Veilig Thuis. Als het een eerste melding is, dan volgt vaak een gesprek. Het hangt ook af van de ernst van de melding. Het kan zijn dat het met één of twee gesprekken klaar is. Als er meerdere meldingen zijn dan kan er worden gewerkt naar een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing, maar daar is volgens B. veel voor nodig.

In dit geval reden B. en H. surveillance en zagen verzoeksters auto op het parkeerterrein staan. De motor draaide en daardoor viel de auto B. op. Hij en H. wisten op dat moment niet waar verzoekster was. Volgens B. was de auto niet op slot, omdat de motor dan niet kan draaien. Na een paar minuten kwam verzoekster aangelopen. B. en H. wilden een normaal gesprek met haar voeren en haar wijzen op de mogelijke gevaren. Doordat de auto open was, had de auto makkelijk gestolen kunnen worden en doordat de motor draaide had de auto aan het rollen kunnen komen. Toen verzoekster terugkwam, deed H. het raam van de politieauto naar beneden, zei goeiemorgen en legde uit wat zij en B. hadden geconstateerd. Verzoekster zei zoiets als: "dat maak ik zelf wel uit". Volgens H. stapte verzoekster vervolgens in haar auto en liep H. naar haar toe en vroeg zij aan verzoekster of zij in gesprek konden. Hierop gaf verzoekster aan dat zij geen tijd had. H. gaf opnieuw aan wat zij had gezien en dat zij dit geen goede situatie voor een kind vond. Verzoekster zei dat het haar auto en haar kind was en dat zij bepaalde. B. en H. gaven toen aan dat het niet verstandig was om een kind alleen in de auto te laten als de motor draait en de deuren open zijn. Dit kan gevaar voor het kind opleveren. H. zei dat zij zich zorgen maakte en dat zij met verzoekster in gesprek wilde en als dat niet kon, zij een melding bij Veilig Thuis zou doen zodat die instantie met verzoekster in gesprek zou kunnen gaan.

Voordat de zorgmelding werd opgemaakt, overlegde B. op het politiebureau met het Jeugdpreventieteam. De medewerker van dat team zei ook: maak maar een zorgmelding op. B. stelt dat hij echt niet onbeschoft naar verzoekster is geweest. B. en H. stellen dat zij niet hebben gezegd: "u zult wel eens zien wie er aan het kortste eind trekt en wij zullen een melding bij Veilig Thuis maken".

Het enige dat B. en H. wilden, was verzoekster wijzen op de gevaren. B. en H. wilden het in eerste instantie met een gesprek afdoen. Als iemand tijdens het gesprek zegt: "sorry dit was niet handig", dan had B. het misschien wel vastgelegd in de politiesystemen, maar dan had hij waarschijnlijk geen zorgmelding opgemaakt. In dit geval kwam de boodschap niet over en dan weet je niet of verzoekster dit vaker zal doen met alle risico's van dien. Met de zorgmelding wilden H. en B. bewustwording van het gevaar bereiken voor de veiligheid van het kind. B. en H. hebben aangegeven dat zij handelden in het belang van het kind. B. verwachtte dat in dit geval door het Jeugdpreventieteam een of twee gesprekken zouden worden gevoerd en het daarmee klaar zou zijn. Desgevraagd heeft B. gesteld dat het niet gebruikelijk is dat er contact is met de wijkagent in dit soort gevallen. Hij stelt dat het mogelijk is om een voorval met een kind te bespreken met de wijkagent, maar omdat het om een kind gaat zal de wijkagent dan ook vaak zeggen dat er een zorgmelding moet worden gemaakt. Het is mogelijk om de wijkagent in een geval als dit in gesprek te laten gaan met de ouder, maar Veilig Thuis en/of het Jeugdpreventieteam gaat ook in gesprek met de ouder en zij zijn gespecialiseerd op dit gebied en kunnen een goede inschatting maken.

Standpunt politiechef

In reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman heeft de politiechef laten weten dat er onderscheid dient te worden gemaakt tussen:
- signalen van huiselijk geweld;
- signalen van kindermishandeling;
- signalen met betrekking tot overige zorgen over kinderen.
Bij een vermoeden van deze situaties stuurt de politie altijd een melding aan Veilig Thuis. Politiemensen zijn geen zorgprofessionals en het behoort niet tot de taak en competenties van de politie om de ernst van zorgsignalen te onderzoeken en te beoordelen. De beoordeling van zorgsignalen dient plaats te vinden door een zorgprofessional. Een politieambtenaar kan op basis van feiten en omstandigheden en/of ervaring en/of vermoedens overgaan tot het doen van een zorgmelding, zodra sprake is van zorgwekkende signalen rondom kinderen. Een politieambtenaar heeft hierbij een hoge mate van taakautonomie. Er dient sprake te zijn van een professionele en onderbouwde afweging om wel of geen zorgmelding op te maken.

De politiechef is van mening dat verzoekster totaal niet inzag welke risico's haar kind had gelopen door haar gedrag en dat baarde de oprechte zorg van B. en H. Zij hebben de afweging gemaakt dat alternatieven voor een zorgmelding minder passend zouden zijn. De politiechef vindt dat B. en H. verzoekster terecht aanspraken op haar handelen. De kans dat het kind een handeling zou kunnen verrichten waarbij hij zichzelf en/of het overige verkeer in gevaar zou kunnen brengen, was namelijk niet denkbeeldig. Het aanspreken van verzoekster valt binnen de taakuitvoering van de politie. Een zorgmelding opmaken is maatwerk en voor een belangrijk deel ingegeven door de professionele inschatting van de politieambtenaar. De politiechef acht de klacht niet gegrond.

Werkinstructie

Tijdens het onderzoek heeft de Nationale ombudsman de politie gevraagd om een kopie te verstrekken van de werkinstructie over zorgmeldingen die gold ten tijde van het voorval waarover verzoekster klaagt. De politiechef heeft laten weten dat uit het archief niet is gebleken of toen een specifieke werkinstructie geldig was over dit onderwerp. In de werkinstructie die sinds februari 2017 geldt, is vermeld dat de politie geen onderzoek doet naar de zorgsignalen. De politie signaleert en verwijst de zorgen door.

Beoordeling

Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de overheid een middel kiest om haar doel te bereiken dat niet onnodig ingrijpt in het leven van de burger en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel. Gekozen dient te worden voor het minst bezwarende middel om het beoogde doel te bereiken.

Ten aanzien van de bejegening staan de verklaringen van de betrokken politieambtenaren en die van verzoekster tegenover elkaar. Verzoekster stelt dat de politie haar onheus heeft bejegend en de politie ontkent dit. Wel is duidelijk dat het contact tussen verzoekster en de politie moeizaam verliep. Nu niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld hoe het gesprek tussen verzoekster en de betrokken politieambtenaren precies is verlopen, onthoudt de Nationale ombudsman zich ten aanzien van de klacht over de bejegening van een oordeel.

Ten aanzien van de klacht over de zorgmelding overweegt de Nationale ombudsman als volgt.

Artikel 3, lid 1, van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij alle besluiten die hen aangaan. Artikel 5 en artikel 18 van dit Verdrag bepalen dat ouders (of wettige voogden) primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Hierbij horen de belangen van hun kind hun eerste zorg te zijn. Als ouders niet in staat zijn kinderen een veilige omgeving te bieden, moet de overheid ingrijpen.

In dit geval stelde de politie zich zorgen te maken over verzoeksters zoon. Dat de politie een zorgmelding mag opmaken als zij zich zorgen maakt over een kind, staat buiten kijf. De vraag die de Nationale ombudsman in dit geval zal beoordelen, is of het opmaken van een zorgmelding in dit geval ook het juiste middel was om het beoogde doel te bereiken en of de zorgmelding in evenredige verhouding stond tot dat doel.

Zoals de Nationale ombudsman eerder in rapporten heeft overwogen en ook de politiechef stelt, is het doen van een zorgmelding maatwerk en wordt dit voor een belangrijk deel ingegeven door de professionele inschatting van de betrokken politieambtenaar. De signalering door de politie behoeft niet te voldoen aan voorafgaand uitgebreid feitenonderzoek. De Nationale ombudsman heeft er begrip voor dat de politie wil dat eventuele signalen snel bij de juiste instanties terechtkomen, zodat deze instanties tijdig actie kunnen ondernemen en er geen signalen en/of zorgwekkende situaties worden 'gemist'. Tegelijkertijd is zorgvuldigheid geboden, aangezien een zorgmelding de basis kan zijn voor mogelijk ingrijpende vervolgstappen. De mogelijk zorgelijke situatie dient daarom door de politie te worden verkend, zodat kan worden ingeschat of de zorgen mogelijk terecht zijn. De politie dient zich er bewust van te zijn dat een zorgmelding veel impact kan hebben op ouders; hun opvoedcapaciteiten worden immers ter discussie gesteld. Hierbij moet voorkomen worden dat de indruk ontstaat dat een zorgmelding is gedaan uit frustratie of rancune naar aanleiding van een moeilijk verlopen contact.

De betrokken politieambtenaren hebben aangegeven dat zij met de zorgmelding wilden bereiken dat verzoekster zich bewust zou worden van de mogelijke gevaren. Nu het contact tussen verzoekster en de betrokken politieambtenaren op het moment dat zij haar aanspraken moeizaam verliep, kon dit doel op dat moment blijkbaar niet worden bereikt.

Het is goed dat de politie alert is op haar omgeving en zij, indien nodig, op onderzoek uitgaat. Dit behoort ook tot haar taak. Daarnaast vindt de Nationale ombudsman het zorgvuldig dat de politie in dit geval heeft overlegd met het Jeugdpreventieteam voordat zij de zorgmelding deed. Desondanks is de Nationale ombudsman – alles overziend – van oordeel dat het direct opmaken van een zorgmelding in dit geval niet in evenredige verhouding stond tot het doel bewustwording bij verzoekster te creëren. Hierbij is meegewogen dat de politie de waargenomen situatie aanvankelijk ter plekke wilde afdoen met een gesprek en verzoeksters reactie mede bepalend was voor het opmaken van de zorgmelding. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman had de politie eerst met minder ingrijpende alternatieven moeten proberen het beoogde doel te bereiken, bijvoorbeeld met een gesprek tussen de politie en verzoekster op een later moment. Door eerst een tussenstap te zetten, had op een later moment – als de gemoederen wat waren bedaard – wellicht een rustig en goed gesprek kunnen worden gevoerd waarmee het beoogde doel had kunnen worden bereikt en was een zorgmelding niet meer nodig geweest. Door niet eerst een dergelijke tussenstap te zetten, maar direct een zorgmelding te doen, heeft de politie onnodig ingegrepen in verzoeksters leven en heeft zij het evenredigheidsvereiste geschonden.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van regionale politie-eenheid Den Haag is gegrond ten aanzien van het maken van een zorgmelding, wegens schending van het evenredigheidsvereiste.

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel ten aanzien van de klacht over de bejegening.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/016