2018/009 Toekenning sepotcode

Jurist begint voor zichzelf en neemt veertien cliënten mee van zijn vorige werkgever. De werkgever vraagt de man de dossiers terug te geven, maar die heeft hij niet. De werkgever doet aangifte van verduistering. De jurist klaagt dat het OM de zaak heeft geseponeerd met code 02 (onvoldoende bewijs) in plaats van code 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt. De Nationale ombudsman vindt dat het OM zeer onnauwkeurig heeft gehandeld, maar dat het OM de jurist terecht als verdachte heeft aangemerkt.

Instantie: Openbaar Ministerie

Klacht:

strafzaak tegen verzoeker geseponeerd met sepotcode 02 (onvoldoende bewijs) in plaats van sepotcode 01 (ten onrechte aangemerkt als verdachte)

Oordeel: niet gegrond

Verzoeker werd door zijn voormalige werkgever beschuldigd van het verduisteren van dossiers toen hij nog werkzaam was voor het betreffende kantoor. De werkgever deed hiervan aangifte bij de politie. Verzoeker werd als verdachte gehoord en hoorde vervolgens drie jaar lang niets. Toen verzoeker ging informeren bij het Openbaar Ministerie of zijn zaak nog een vervolg zou krijgen, kreeg hij te horen dat de zaak twee maanden nadat hij was verhoord als verdachte was geseponeerd. Verzoeker had hier nooit bericht over ontvangen. Verzoeker vond dit niet juist. Ook kon hij zich niet vinden in de sepotcode 02, onvoldoende bewijs. Hij verzocht het Openbaar Ministerie dan ook de code te wijzigen in 01, onterecht als verdachte aangemerkt. Het Openbaar Ministerie weigerde dit.

De ombudsman oordeelde dat er geen reden was om de sepotcode te wijzigen naar 01. Gelet op de inhoud van het dossier was verzoeker terecht als verdachte aangemerkt en waren er geen andere feiten of omstandigheden naar voren gekomen waardoor voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker onschuldig is aan verduistering. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

Wel was de ombudsman van mening dat de gang van zaken rond het meedelen van de sepotbeslissing zeer onnauwkeurig is geweest. De sepotbeslissing bevatte een verkeerde pleegperiode en het adres van verzoeker ontbrak op de brief. Hierdoor heeft verzoeker pas drie jaar na dato te horen gekregen dat de zaak tegen hem was geseponeerd. Ook de wijze waarop de klacht over de sepotgrond in de zomer van 2017 is behandeld is niet overeenkomstig het klachtrecht nu er geen hoor en wederhoor was toegepast.

Redelijkheidsvereiste, behoorlijk.

Aanleiding

Verzoeker was van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2013 in dienst van werkgever F. Omdat zijn arbeidscontract afliep besloot verzoeker op enig moment voor zichzelf te beginnen. Hij benaderde in de laatste weken van zijn arbeidscontract bij werkgever F. reeds bestaande klanten en vroeg of hij na het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst hen als zelfstandige mocht blijven bijstaan. Hiertoe moest de klant een machtiging ondertekenen. In totaal stapten dertien klanten naar verzoeker over. Eind december 2013 kreeg de werkgever van verzoeker hier lucht van. Deze was niet blij met de gang van zaken. Er volgden gesprekken met verzoeker, welke onder meer moesten leiden tot het teruggeven van dertien dossiers van klanten die verzoeker volgens de werkgever had meegenomen. Op 6 februari 2014 deed werkgever F. aangifte bij de politie van onder meer verduistering in dienstbetrekking van deze bewuste dertien dossiers. Verzoeker werd op 13 maart 2014 als verdachte gehoord. Vervolgens hoorde verzoeker lange tijds niets van de politie. In maart 2017 schreef verzoeker het Openbaar Ministerie Midden-Nederland met de vraag wat er met de zaak was gebeurd. Uit de reactie van het Openbaar Ministerie bleek vervolgens dat de zaak op 5 mei 2014 al was geseponeerd met als code 02, onvoldoende bewijs. Dit bericht had verzoeker echter nooit bereikt, omdat op het sepotbericht de adressering ontbrak. Verzoeker kon zich niet in het sepotbesluit vinden en verzocht het Openbaar Ministerie de code te wijzigen in 01, ten onrechte als verdachte aangemerkt. Daarnaast merkte hij op dat de pleegdatum in het sepotbericht onjuist was.

Op 3 juli 2017 ontving verzoeker een reactie van de hoofdofficier van justitie van het parket Midden-Nederland (hierna: hoofdofficier). De hoofdofficier zag geen aanleiding om de code van 02 te wijzigen naar 01. Wel werd erkend dat de pleegdatum in het sepotbericht inderdaad onjuist was, nu de datum van aangifte was genoemd. Tot verbazing van verzoeker zag hij dat het parket naar aanleiding van zijn verzoek tot wijziging contact had opgenomen met de aangever (zijn voormalige werkgever F.). Informatie die van de aangever was verkregen werd ook meegenomen in de beslissing van de hoofdofficier. Verzoeker was echter niet gevraagd om op de nieuw verkregen informatie te reageren, hetgeen verzoeker in het kader van hoor en wederhoor wel had verwacht. Verzoeker kon zich niet vinden in de gang van zaken en de beslissing van de hoofdofficier en wendde zich tot de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman besloot de klacht van verzoeker in onderzoek te nemen.

Klacht

Verzoeker klaagt erover dat de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland de strafzaak tegen hem heeft geseponeerd met sepotcode 02 (onvoldoende bewijs) in plaats van sepotcode 01 (ten onrechte aangemerkt als verdachte).


Bevindingen

Uit het ontvangen strafdossier blijkt, voor zover relevant, het volgende:

Proces-verbaal van aangifte

Op 6 februari 2014 heeft werkgever F. aangifte tegen verzoeker gedaan van verduistering, oplichting en oneerlijke mededinging. In deze aangifte staat onder meer dat verzoeker op 1 maart 2012 werd aangenomen als jurist om opgelopen achterstanden weg te werken. De arbeidsovereenkomst was voor bepaalde tijd aangegaan en eindigde op 31 december 2013. Verzoeker had uit hoofde van zijn functie toegang tot alle dossiers waar hij aan werkte. Op 24 december 2013 werd bekend dat verzoeker één van de klanten van werkgever F. per e-mail had benaderd. Verzoeker schreef daarin dat zijn contract per 31 december 2013 eindigde en dat hij voor zichzelf begon. Hij verzocht deze klant een machtiging te tekenen waardoor verzoeker de belangen van de klant zou gaan behartigen in een procedure. Dit zou hij kosteloos doen, maar de eventuele proceskostenvergoeding zou naar hem gaan. In een andere mail zou verzoeker een andere klant hebben gemeld dat hij in overleg was met zijn werkgever F. om klanten naar zijn eigen praktijk over te laten stappen. Dit overleg had echter nooit plaatsgevonden, aldus de aangever. Uit onderzoek was gebleken dat verzoeker 45 klanten had benaderd met de vraag om hem te machtigen zodat hij hun belangen kon blijven behartigen. Uiteindelijk ondertekenden dertien klanten de machtiging. Van deze dertien klanten bleken de dossiers niet meer op kantoor aanwezig te zijn. Aangever gaat er van uit dat verzoeker deze dossiers onrechtmatig heeft meegenomen. Verzoeker had geen toestemming van de aangever (werkgever F. ) om deze dossiers mee te nemen.

Op 31 december 2013 is met verzoeker gesproken en afgesproken dat hij de dossiers die hij onder zich had voor 23:00 uur die avond zou inleveren. Verzoeker heeft hieraan niet voldaan waarop hem uitstel werd verleend tot 2 januari 2014, 9:00 uur. Verzoeker heeft ook aan deze termijn geen gehoor gegeven. Aangever geeft voorts in de aangifte aan dat verzoeker de betreffende dertien dossiers op een later moment bij aangever heeft opgevraagd. Aangever heeft deze dertien dossier niet, omdat verzoeker ze zelf heeft, aldus aangever.

Bij de aangifte is een aantal kopieën van stukken overgelegd, waaronder:

- brief die verzoeker stuurde aan klanten over ophanden zijnde vertrek met daarin de keus de zaak over te laten nemen en een machtiging te ondertekenen;

- mail van verzoeker aan klant met verzoek tot machtiging, d.d. 16 december 2013;

- mailwisseling tussen werkgever F. en verzoeker over aanleveren informatie, periode
31-12-2013 tot en met 2-1-2014.

In de mail van 31-12-2013 van werkgever F. aan verzoeker staat het volgende:

"Daarnaast zijn wij in het gesprek het volgende overeengekomen. (…) en dat jij alle dossiers die je nog onder je hebt voor vandaag 23.00 uur bij mij inlevert…(…)".

Proces-verbaal verhoor verdachte

Verdachte verklaarde op 13 maart 2014 - samengevat - dat hij werkzaam was geweest voor werkgever F. en dat hij in deze hoedanigheid beschikking had over dossiers. Deze dossiers had hij ook buiten zijn werkomgeving tot zijn beschikking. Verdachte gaf aan dat hij voor zichzelf is begonnen, en dat ongeveer veertien leden/cliënten een machtiging hebben ondertekend waardoor verdachte deze dossiers kon blijven behandelen. Wat betreft de dertien dossiers die volgens de aangifte missen, verklaarde verdachte dat hij deze dossiers fysiek niet onder zich had en naar zijn weten zich gewoon nog bevinden bij werkgever F. Bij zijn vertrek waren de dossiers er nog allemaal, aldus verdachte. Verdachte verklaarde wel de zaken, behorende bij deze dossiers, te behandelen, maar dus niet in bezit te zijn van de fysieke dossiers. Hij gaf aan dat de dossiers eigendom waren van zijn cliënten. Verdachte gaf aan dat wat betreft de inhoud van de mail van
31 december 2013, waarin staat dat overeen zou zijn gekomen dat hij de dossiers terug zou geven, hij dit voor het eerst hoorde en dat dit niet juist was.

Standpunt verzoeker:

Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman voorop dat hij nimmer dossiers heeft meegenomen. In verweer op het verwijt dat hem wordt gemaakt, merkt hij op dat hij in de dossiers die hij zou hebben meegenomen een machtiging had verkregen van de klanten, zodat van opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen, waar artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht over spreekt (zie Achtergrond, onder I.), geen sprake kan zijn. Immers, de stukken werden meegenomen voor de rechtmatige eigenaar. Door de ondertekende machtiging waren de dossiers niet voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar, aldus verzoeker. Hij heeft voorts naar voren gebracht dat de dossiers van de klanten niet in eigendom toebehoren aan werkgever F. Dit omdat de klanten zelf eigenaar zijn van de (digitale) stukken en deze op geen enkel moment rechtsgeldig aan werkgever F. hebben overgedragen. Verzoeker stelt zich dan ook op het standpunt dat werkgever F. geen aangifte kon doen van verduistering. Voorts wijst verzoeker erop dat in de arbeidsovereenkomst die hij had gesloten met werkgever F, geen eigendomsvoorbehoud is overeengekomen. Ook heeft verzóeker bijstand aan de klanten verleend tijdens zijn dienstverband, en niet zijn werkgever. De vaak zeer persoonlijke en vertrouwelijke stukken zijn aan hem als gemachtigde verstrekt, en niet aan werkgever F., aldus verzoeker. Ook heeft werkgever F., nadat klanten gevraagd hadden of zij hun dossier mochten ontvangen, dossiers opgestuurd naar zijn klanten. Dit zou niet mogelijk zijn als verzoeker de dossiers mee had genomen. Tenslotte is verzoeker van mening dat de aangifte niet verder in onderzoek mocht worden genomen, omdat de betrokken politieambtenaren op enigerlei wijze waren verbonden aan werkgever F.

Ook merkt verzoeker nog op dat het vreemd is dat het Openbaar Ministerie naar aanleiding van zijn klacht contact heeft opgenomen met werkgever F. en verkregen informatie heeft gebruikt bij de beslissing op zijn klacht zonder dat hij hier op heeft mogen reageren. Verder vindt verzoeker het onbegrijpelijk dat op het aanvankelijke sepotbericht, dat al twee maanden na zijn verhoor was verstuurd, de adressering ontbrak en de genoemde datum onjuist was.

Standpunt minister van Veiligheid en Justitie

De minister van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) heeft laten weten de klacht van verzoeker ongegrond te achten. Hij motiveerde dit door te stellen dat er een redelijk vermoeden van schuld was in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (zie Achtergrond, onder II.), waardoor verzoeker als verdachte kon worden aangemerkt. Er was aangifte gedaan door werkgever F., welke aangifte werd ondersteund door overgelegde e-mailberichten. Ook heeft verzoeker tijdens het verhoor verklaard dat een aantal cliënten naar hem was overgestapt en dat verzoeker dossiers onder zich had, ook buiten de werkomgeving. Nu de werkgever F. verklaarde dat dertien dossiers niet meer op kantoor aanwezig waren en dertien cliënten naar hem waren overgestapt is de minister van mening dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

Ook achteraf, na het door de politie verrichte onderzoek, is er volgens de minister geen sprake van dat de verdenking moet komen te vervallen. De argumenten van verzoeker dat er van verduistering geen sprake kan zijn nu er tussen hem en werkgever F. geen eigendomsvoorbehoud is overeengekomen en dat verzoeker tijdens het dienstverband en niet werkgever F. bijstand verleende, gaan niet op. Beide argumenten zijn niet bepalend voor de vraag of er sprake kan zijn van verduistering, aldus de minister. Ook de ontkenning van verzoeker en het feit dat hij naar eigen zeggen na het beëindigen van het dienstverband de desbetreffende dossiers of een aantal van die dossier heeft opgevraagd bij werkgever F. nemen de verdenking niet weg. Dit gold evenmin voor het feit dat werkgever F. bepaalde cliënten nadien hun dossier heeft toegestuurd. Navraag bij werkgever F. leerde immers dat verzoeker, na tussenkomst van een advocaat, dossiers aan werkgever F. had teruggestuurd. Dat werkgever F. in een later stadium over dossiers kon beschikken, wil dan ook niet zeggen dat er geen sprake was van verduistering.

Wat betreft het verkrijgen van informatie bij de aangever tijdens de klachtbehandeling door het parket Midden-Nederland merkt de minister nog het volgende op. Uit de aangifte bleek niet of het om fysieke of digitale dossiers ging. Verzoeker had verklaard dat werkgever F. dossiers op enig moment – nadat een cliënt hierom had gevraagd - zelf aan de betreffende cliënten had verstuurd. Als het inderdaad zou gaan om fysieke dossiers dan zouden er gelet op deze verklaring vraagtekens gesteld kunnen worden bij de juistheid van de aangifte, aldus de minister. Informatie hierover kon dan ook cruciaal zijn voor de beoordeling van de vraag of sepotcode 01 moest worden toegerekend. Daarom is besloten om contact op te nemen met aangever. De minister liet weten dat het achteraf gezien beter was geweest om verzoeker op de antwoorden van aangever te laten reageren.

Beoordeling

Vooraf

Voordat de ombudsman toekomt aan de toets welke sepotgrond in deze zaak van toepassing is, verdient de wijze waarop de aanvankelijke sepotbeslissing aan verzoeker is meegedeeld, of beter gezegd, niet is meegedeeld aandacht. De sepotbeslissing bevatte een verkeerde pleegperiode en het adres van verzoeker ontbrak op de brief. Hierdoor heeft verzoeker pas drie jaar na dato, nadat hij zelf is gaan informeren naar de stand van zaken, te horen gekregen dat de zaak tegen hem was geseponeerd. De ombudsman acht deze gang van zaken zeer onnauwkeurig. Ook de wijze waarop de klacht over de sepotgrond in de zomer van 2017 is behandeld is niet overeenkomstig het klachtrecht. Nadat het Openbaar Ministerie informatie bij de aangever had verkregen, had deze in het kader van hoor en wederhoor aan verzoeker voorgelegd moeten worden. Dit is niet gebeurd en daarmee onjuist. Uit de reactie van de minister blijkt dat hij dit inmiddels ook inziet.

Sepotcode

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit brengt met zich mee dat de overheid bij haar handelen de relevante feiten verzamelt en kijkt naar alle omstandigheden. De verzamelde gegevens worden betrokken bij de belangen die op een zorgvuldige wijze tegen elkaar worden afgewogen.

Ingevolge de ten tijde van de sepotbeslissing geldende Aanwijzing gebruik sepotgronden (zie Achtergrond, onder II) (hierna: de Aanwijzing) diende sepotcode 01 gebruikt te worden in die gevallen waarbij iemand achteraf ten onrechte als verdachte wordt aangemerkt, zoals in het geval van een valse aangifte of persoonsverwisseling. Ook dient sepotcode 01 gebruikt te worden voor die gevallen waarin aanvankelijk een verdenking op – op zichzelf – goede gronden is gerezen, maar nadien het opsporingsonderzoek heeft geleid tot het resultaat dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte onschuldig is aan het feit waarop de verdenking betrekking had.

Terecht als verdachte aangemerkt

Allereerst is de vraag aan de orde of verzoeker aanvankelijk terecht als verdachte is aangemerkt. In artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering is vastgelegd dat iemand slechts als verdachte kan worden aangemerkt indien het vermoeden van schuld steunt op specifieke feiten of omstandigheden van het geval, en dit vermoeden bovendien naar objectieve maatstaven gemeten redelijk is (zie Achtergrond, onder III). Dit redelijk vermoeden rechtvaardigt het instellen van een strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkene.

Het redelijk vermoeden van schuld is in deze zaak gebaseerd op de aangifte en de daarbij overgelegde stukken. Dat aangever helemaal geen aangifte kon doen van verduistering zoals verzoeker stelt omdat aangever geen eigenaar van de dossiers was, dan wel dat - nu er kennelijk ondertekende machtigingen waren - de dossiers niet voor wederrechtelijkheid toe-eigening vatbaar waren zoals verzoeker eveneens stelt, kan de Nationale ombudsman niet volgen. Ook de argumenten van verzoeker dat er geen eigendomsvoorbehoud is overeengekomen en dat hijzelf tijdens het dienstverband en niet werkgever F. bijstand verleende zijn niet bepalend voor de vraag of er sprake kan zijn van verduistering.

De Nationale ombudsman acht de inhoud van de aangifte, die op specifieke punten wordt ondersteund door de overgelegde stukken voldoende om van een redelijk vermoeden van schuld te kunnen spreken voor wat betreft het strafbare feit verduistering. Verzoeker is dan ook aanvankelijk terecht als verdachte aangemerkt.

Verdenking achteraf

Op grond van de in mei 2014 geldende tekst van de Aanwijzing dient beoordeeld te worden of in de loop van het onderzoek feiten aan het licht zijn gekomen waardoor voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker onschuldig was aan verduistering van de bewuste dossiers. Nadat verzoeker is verhoord zijn er verder geen onderzoekshandelingen verricht. Verzoeker heeft ontkend dat hij de dossiers mee heeft genomen. Gelet op de inhoud van het dossier is de ombudsman van mening dat daarin geen andere – naast de ontkenning – feiten of omstandigheden uit naar voren zijn gekomen waardoor voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker onschuldig is aan verduistering. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Openbaar Ministerie te Midden-Nederland, welke wordt toegerekend aan de minister van Justitie en Veiligheid, is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond

I. Wetboek van Strafrecht

Artikel 321

"Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Artikel 322

"Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

II. Aanwijzing 2009 A016g d.d. 4 december 2012, geldend van1 januari 2013 tot 01-09-2014

01 ten onrechte als verdachte vermeld

iemand wordt achteraf ten onrechte als verdachte aangemerkt als gevolg van persoonsverwisseling, bij administratieve fouten van politie of parket (verkeerde inboeking) of wanneer op een andere wijze later blijkt dat de betreffende persoon ten onrechte als verdacht is aangemerkt, bijvoorbeeld na valse aangifte. Deze sepotgrond dient (ook) gebruikt te worden voor die gevallen waarin aanvankelijk een verdenking op – op zichzelf – goede gronden is gerezen, maar nadien het opsporingsonderzoek heeft geleid tot het resultaat dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte onschuldig is aan het feit waarop de verdenking betrekking had.

02 onvoldoende bewijs

hieronder valt onvoldoende of niet overtuigend bewijs (als de sepotbeslissing geheel en al gedragen kan worden door sepotgrond 07, dan komt grond 02 niet meer voor toepassing in aanmerking).

III. Wetboek van Strafrecht

Artikel 27 lid 1

"Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/009