2018/004 LBIO moet alimentatieplichtigen beter informeren over gevolgen opschorting

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)

Klacht:

na het overnemen van de alimentatie-inning op 2 juni 2015 met terugwerkende kracht opslagkosten over de periode vanaf 1 juli 2013 in rekening  gebracht, ondanks de met verzoekers ex-partner over die periode gemaakte betalingsafspraken over de verschuldigde alimentatie.

Oordeel: gegrond

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen schrijft de heer Bakker1 in augustus 2013 dat zij van zijn ex-partner het verzoek hebben ontvangen om de alimentatie-inning over te nemen, omdat sprake zou zijn van een betalingsachterstand. Op verzoek van de heer Bakker schort het LBIO de behandeling van het overnameverzoek op. De behandeling wordt opgeschort totdat de rechtbank de hoogte van de alimentatieplicht opnieuw heeft beoordeeld.

Als het LBIO de alimentatie-inning na bijna twee jaar alsnog overneemt, brengt het daarbij opslagkosten in rekening over de gehele alimentatie-achterstand vanaf 2013. Het gaat inmiddels om een bedrag van ruim € 3.500. En dat terwijl de heer Bakker de hele tijd bezig is geweest om overeenstemming over de alimentatie te bereiken. Ook heeft de rechtbank buiten zijn schuld om lang over de zaak gedaan. De heer Bakker is hierdoor behoorlijk van slag. Dit had hij totaal niet zien aankomen. Hij dient een klacht in bij de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman stelt vast dat het LBIO in deze situatie opslagkosten in rekening mocht brengen, maar dat het LBIO hierover vooraf onvoldoende duidelijk is geweest. Het LBIO heeft bij de opschorting zelf en bij de beëindiging daarvan geen uitleg gegeven over wat dit voor de opslagkosten betekent. De heer Bakker heeft daardoor niet weloverwogen kunnen beslissen of hij de alimentatieachterstand in afwachting van de rechtbankuitspraak toch rechtstreeks aan zijn ex-partner wilde betalen, om zo opslagkosten te voorkomen.

De Nationale ombudsman acht de klacht gegrond vanwege schending van het behoorlijkheidsvereiste van goede informatieverstrekking. De Nationale ombudsman beveelt aan dat het LBIO alimentatieplichtigen voortaan beter informeert over de gevolgen van opschorting.

Notes

[←1]

Gefingeerde naam.

Leeswijzer

De Nationale ombudsman ontving een klacht van de heer Bakker1over opslagkosten die door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) in rekening zijn gebracht.

Om deze klacht goed te begrijpen zullen wij in dit rapport eerst wat achtergrondinformatie geven. Wij zullen eerst uitleggen wat de rol van het LBIO in het algemeen is. Vervolgens lichten wij toe wat opslagkosten zijn en waar die toe dienen. Tot slot gaan we in op wat er met deze kosten gebeurt wanneer het LBIO de behandeling van een zaak opschort of stopzet.

Vervolgens bespreken we de klacht van de heer Bakker. We bekijken eerst wat er aan zijn klacht bij de Nationale ombudsman voorafging. Vervolgens lichten wij toe waarnaar wij onderzoek hebben gedaan en hoe dat onderzoek is verlopen.

Tot slot lichten wij in ons oordeel toe waarom de Nationale ombudsman vindt dat het LBIO opslagkosten in rekening mocht brengen over de gehele alimentatieachterstand, maar het de heer Bakker daar voorafgaand aan de opschorting onvoldoende over heeft geïnformeerd

Achtergrond

Wat is de rol van het LBIO?
Wanneer een echtpaar gaat scheiden, kan de rechtbank bepalen dat één van beide personen alimentatie moet betalen voor het levensonderhoud van de ex-partner en/of kinderen. Als de persoon die alimentatie moet betalen (betalingsplichtige) dat vervolgens niet doet, kan degene die recht heeft om die alimentatie te ontvangen (ontvangstgerechtigde) het LBIO vragen de alimentatie-inning over te nemen. Het LBIO beoordeelt of aannemelijk is dat er in de zes maanden voorafgaand aan het overnameverzoek een alimentatieachterstand is. Indien dat het geval is, stelt het LBIO de alimentatieplichtige eenmaal in de gelegenheid deze achterstand rechtstreeks aan de ontvangstgerechtigde te betalen. Gebeurt dat niet, dan vordert het LBIO betaling van deze achterstand en neemt het de alimentatie-inning voor minimaal de volgende zes maanden over. Wanneer de betalingsplichtige de alimentatie(achterstand) niet aan het LBIO voldoet, kan het LBIO een deurwaarder inschakelen, die beslag kan leggen. Ook kan het LBIO in dat geval de inning langer overnemen.

Wat zijn opslagkosten en waar dienen die toe?
Als het LBIO de alimentatie-inning overneemt, maakt het LBIO daarvoor kosten. In artikel 1:408, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geregeld dat de alimentatieplichtige (een deel van) deze kosten moet betalen. In het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties en partneralimentaties is dit nader uitgewerkt. De kosten zijn expliciet niet bedoeld als boete, maar ter dekking van de kosten die het LBIO moet maken.2Uiteraard kan de dreiging van opslag wel stimulerend werken om alsnog de alimentatieachterstand te voldoen.

Opslagkosten worden in rekening gebracht over de alimentatieachterstand én over de alimentatiebetalingen tijdens de periode waarin de alimentatie-inning via het LBIO loopt. De opslag bedraagt 15% over de alimentatieachterstand en de alimentatiebetalingen, met steeds een minimum van € 19,-. Betaalt de alimentatieplichtige tijdens de periode waarin de alimentatie-inning via het LBIO loopt toch rechtstreeks aan de ontvangstgerechtigde, dan moet hij nog steeds opslagkosten aan het LBIO betalen.

De opslag wordt berekend over de door de rechter vastgestelde alimentatieplicht, of indien daarvan sprake is over de tussen partijen officieel vastgelegde wijziging daarvan. Als de alimentatieplicht wijzigt, moet de opslag opnieuw worden berekend.

Wat gebeurt er met opslagkosten bij opschorting of stopzetten?
Soms heeft het LBIO een verzoek tot overname van de alimentatie-inning in behandeling, of de alimentatie-inning al overgenomen, maar is er toch een reden om de behandeling (tijdelijk) stop te zetten. Bijvoorbeeld omdat de ontvangstgerechtigde en alimentatieplichtige er samen uit proberen te komen door middel van mediation, of omdat er een rechtszaak over de hoogte van de alimentatie loopt. In dat soort gevallen kunnen de ontvangstgerechtigde en alimentatieplichtige het LBIO vragen om de behandeling op te schorten of stop te zetten. De ontvangstgerechtigde en alimentatieplichtige moeten dat dan wel allebei willen.

Opschorting
Het opschorten van de behandeling betekent dat het LBIO de zaak tijdelijk stopzet. Het LBIO staat dus als het ware in pauzestand. Als de ontvangstgerechtigde en alimentatieplichtige met elkaar tot een regeling weten te komen die tot de conclusie leidt dat er achteraf bezien nooit een achterstand heeft bestaan, óf de rechter de alimentatieplicht lager vaststelt en aan die plicht voldaan is, sluit het LBIO de zaak alsnog. In dat geval worden geen opslagkosten in rekening gebracht.

Komen de ontvangstgerechtigde en alimentatieplichtige niet met elkaar tot een regeling, dan zal het LBIO de zaak weer oppakken. Dat wil zeggen dat het op basis van de dan bestaande informatie beoordeelt of aannemelijk is dat er een alimentatieachterstand is. Het gaat dan om de vraag of er een alimentatieachterstand is over de periode vanaf
zes maanden voor het oorspronkelijke overnameverzoek. Als dat zo is, berekent het LBIO vervolgens wat de totale achterstand is.

Als er lang is opgeschort, kan dat betekenen dat er over een lange periode een achterstand wordt geconstateerd. Over dit hele achterstandsbedrag worden opslagkosten in rekening gebracht. Daarnaast worden, zoals hiervoor uitgelegd, opslagkosten in rekening gebracht over de alimentatiebetalingen tijdens de periode waarin de alimentatie–inning via het LBIO loopt.

De alimentatieplichtige loopt dus een flink risico bij opschorting. Als hij met de ontvangstgerechtigde tot een regeling weet te komen die tot de conclusie leidt dat er achteraf bezien nooit een achterstand heeft bestaan, óf de rechter de alimentatieplicht lager vaststelt en aan die plicht voldaan is, vervalt de bemoeienis van het LBIO. Lukt dat echter niet, dan moet de alimentatieplichtige over de gehele achterstand – die tijdens de opschorting dus oploopt – opslagkosten betalen.

Schematische weergave opschorting3

Schematische weergave opschorting

Stopzetting
Het stopzetten van de behandeling betekent dat het LBIO het dossier dat over een specifiek overnameverzoek gaat, sluit. Als de ontvangstgerechtigde later opnieuw contact met het LBIO opneemt, omdat hij er met de alimentatieplichtige niet uitkomt, is er sprake van een nieuw overnameverzoek. Het LBIO kan dan alleen beoordelen of er een achterstand bestaat over de zes maanden voorafgaand aan dát overnameverzoek. Over die achterstand worden opslagkosten in rekening gebracht. Daarnaast worden opslagkosten in rekening gebracht over de alimentatiebetalingen tijdens de periode waarin de alimentatie-inning via het LBIO loopt.

Bij stopzetting zullen de opslagkosten over het algemeen dus lager uitvallen. De ontvangstgerechtigde loopt echter wel het risico dat een deel van de achterstallige alimentatie niet kan worden geïnd.

Schematische weergave stopzetting4

Schematische weergave stopzetting

De klacht van de heer Bakker

Wat ging er aan de klacht bij de Nationale ombudsman vooraf?5

Achtergrond
In 2012 is de heer Bakker gescheiden van zijn ex-partner, met wie hij twee kinderen heeft. De rechtbank heeft op 31 juli 2012 bepaald dat de heer Bakker per maand € 575,- aan partneralimentatie en € 1.185,- aan kinderalimentatie moest betalen.

Vanwege persoonlijke omstandigheden begint de heer Bakker vanaf juli 2013 minder alimentatie te betalen. Zijn ex-partner neemt daarom op 31 juli 2013 contact op met het LBIO, en vraagt de alimentatie-inning over te nemen.

Behandeling overnameverzoek alimentatie-inning
Het LBIO stuurt de heer Bakker op 21 augustus 2013 een brief waarin staat dat het een overnameverzoek heeft ontvangen van zijn ex-partner. In de brief biedt het LBIO de heer Bakker de gelegenheid om de alimentatieachterstand rechtstreeks aan zijn ex-partner te betalen. In dat geval zal het LBIO zich verder niet in deze kwestie mengen. In de brief legt het LBIO uit dat als de alimentatie-inning wordt overgenomen opslagkosten in rekening zullen worden gebracht. Bij de brief zit een overzicht van de alimentatieachterstand. Daarbij zijn nog geen opslagkosten berekend. Bij de brief zit een informatieblad over de rol en werkwijze van het LBIO. Daarin worden de opslagkosten en de manier waarop deze worden berekend genoemd.

Op 23 augustus 2013 laat de heer Bakker het LBIO weten dat hij van plan is bij de rechtbank een procedure te beginnen voor verlaging van de alimentatieplicht. Op 11 september 2013 laat hij dit opnieuw weten, en vraagt hij het LBIO de behandeling op te schorten.

Hoewel de ex-partner in eerste instantie niet instemt met de opschorting, laat het LBIO op 25 oktober 2013 weten dat zij alsnog heeft ingestemd, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.6 Het LBIO vraagt de rechtbankuitspraak onmiddellijk na ontvangst toe te sturen. Het merkt daarbij op dat als de rechtbank tot nihilstelling van de alimentatie besluit, het dossier bij het LBIO wordt gesloten. Besluit de rechtbank tot verlaging of verhoging van de bijdrage, of blijft deze gelijk, dan zal het LBIO de alimentatie-inning overnemen. Het LBIO legt in deze brief niet uit dat in dat geval opslagkosten in rekening zullen worden gebracht.

Wat gebeurt er na de opschorting?
De heer Bakker en zijn ex-partner willen graag met elkaar tot afspraken over de alimentatie komen. Zij beginnen daarom aan mediation. In de tussentijd wordt de procedure bij de rechtbank aangehouden. Op 15 mei 2014 informeert de ex-partner het LBIO hierover. Volgens de heer Bakker wordt afgesproken dat hij zolang de mediation duurt € 700,- per maand aan alimentatie zal betalen.

Als de mediation niet succesvol blijkt, laat de ex-partner het LBIO op 3 april 2015 weten dat zij niet langer akkoord kan gaan met de opschorting. Op 24 april 2015 stuurt het LBIO de heer Bakker daarover een brief. Het LBIO schrijft ook in die brief dat de ex-partner ontkent dat er tijdens mediation afspraken zijn gemaakt over de alimentatie. Het LBIO stelt hem in de gelegenheid om de alimentatieachterstand alsnog binnen veertien dagen rechtstreeks aan de ex-partner te betalen. Het LBIO legt in deze brief niet uit dat als de heer Bakker dit niet doet, het opslagkosten in rekening zal brengen.

Overname alimentatie-inning
De heer Bakker maakt geen gebruik van de mogelijkheid om de alimentatieachterstand rechtstreeks te voldoen. Op 2 juni 2015 neemt het LBIO de alimentatie-inning daarom over. Het informeert de heer Bakker hierover telefonisch en per brief. In deze brief laat het LBIO weten dat de alimentatieachterstand over de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2015 € 20.386,64 bedraagt, en daar € 3.058,02 aan opslagkosten bij komen.

Op 18 juni 2015 hoort de heer Bakker van de Belastingdienst dat het LBIO beslag heeft gelegd op zijn teruggave inkomstenbelasting. Dat betekent dat hij zijn maandelijkse teruggave inkomstenbelasting niet krijgt, omdat die aan het LBIO wordt afgedragen.

Verlaging alimentatieplicht door rechtbank
Uiteindelijk beslist de rechtbank op 21 juni 2016 over de hoogte van de alimentatieplicht. De rechtbank bepaalt dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2014 moet worden verlaagd. De partneralimentatie wordt niet verlaagd. Ook met deze lagere alimentatieplicht is nog steeds sprake van een alimentatieachterstand.

Op 3 juli 2016 stuurt de heer Bakker het LBIO een kopie van de beschikking van de rechtbank. Hij vraagt het LBIO het beslag op te heffen, zodat hij weer bij zijn geld kan en de nieuw vastgestelde alimentatieplicht rechtstreeks aan zijn ex-partner kan voldoen. In reactie daarop doet het LBIO bij e-mail van 5 augustus 2016 een voorstel tot betalingsregeling. In dat voorstel noemt het LBIO ook de opslagkosten, die het heeft herberekend aan de hand van de rechtbankuitspraak. Met dit bericht wordt het de heer Bakker pas duidelijk dat opslagkosten over de hele alimentatieachterstand in rekening worden gebracht, en deze kosten tijdens de opschorting dus zijn blijven doorlopen.

Discussie beslag en opslagkosten
Op 10 augustus 2016 vraagt de heer Bakker het LBIO nogmaals het beslag op te heffen, zodat hij zes maanden lang de alimentatieplicht aan het LBIO kan voldoen. Daarna zal hij weer rechtstreeks aan zijn ex-partner alimentatie betalen. Daarnaast doet hij een voorstel voor het voldoen van zijn alimentatieachterstand. Met dit voorstel zal in september 2017 alle achterstallige alimentatie betaald zijn.

De heer Bakker laat ook weten dat hij vindt dat hij geen opslagkosten verschuldigd is, nu er recent een nieuwe rechtbankuitspraak is. Hij is dan ook verontwaardigd dat hij over de gehele periode vanaf 2013 opslagkosten moet betalen. Het gaat inmiddels om een bedrag van ruim € 3.500. En dat terwijl hij de hele tijd bezig is geweest om overeenstemming over de alimentatie te bereiken. Ook heeft de rechtbank buiten zijn schuld om lang over de zaak gedaan.

Op 25 augustus 2016 laat het LBIO de heer Bakker weten niet akkoord te kunnen gaan met zijn voorstel. Er is sprake van een betalingsachterstand. De nieuwe rechtbankuitspraak verandert dat niet. De opslagkosten zijn wettelijk vastgelegd en zijn een gevolg van de overname van de alimentatie-inning. Hier kan het LBIO niks aan veranderen.

Er ontstaat een discussie tussen de heer Bakker en het LBIO over de opslagkosten. Uiteindelijk stelt het LBIO zich op het standpunt dat het de heer Bakker voldoende over de opslagkosten heeft geïnformeerd. In de eerste brief van het LBIO van 21 augustus 2013 is de heer Bakker in het informatieblad gewezen op deze opslagkosten, zo schrijft het LBIO. Ook wijst het LBIO op de brief van 2 juni 2015, waarin staat dat de alimentatie-inning is overgenomen en dus opslagkosten in rekening worden gebracht.

Klachtbehandeling door het LBIO
Op 6 maart 2017 dient de heer Bakker, onder verwijzing naar zijn eerdere e-mails, een klacht in bij het LBIO. Hij klaagt onder andere over het in rekening brengen van opslagkosten vanaf 2013. Hij stelt steeds naar eer en geweten zijn alimentatieplicht te hebben voldaan. Daarnaast merkt hij op het vreemd te vinden dat de rechtbank zijn maximale draagkracht heeft berekend en zijn alimentatieplicht op basis daarvan heeft vastgesteld, en het LBIO daar vervolgens opslagkosten bovenop doet. Hoe kan dit nu toch? De heer Bakker is helemaal van slag.

Op 5 april 2017 reageert het LBIO op de klacht. Het laat weten dat hoewel de rechtbank de alimentatie heeft verlaagd, dat geen reden is om geen opslagkosten in rekening te brengen. Wél heeft het LBIO op basis van de nieuw vastgestelde alimentatieplicht de alimentatieachterstand opnieuw berekend, en de hoogte van de opslagkosten aangepast aan de herberekende alimentatieachterstand.

Het LBIO vindt dat het duidelijk heeft uitgelegd waarom het wel degelijk wettelijke opslagkosten in rekening kan brengen. Omdat de heer Bakker het niet eens is met het oordeel van het LBIO, neemt hij contact op met de Nationale ombudsman.

Wat is de klacht bij de Nationale ombudsman?

De heer Bakker klaagt erover dat het LBIO hem na het overnemen van de alimentatie-inning op 2 juni 2015 met terugwerkende kracht opslagkosten over de periode vanaf 1 juli 2013 in rekening heeft gebracht, ondanks de met zijn ex-partner over die periode gemaakte betalingsafspraken over de verschuldigde alimentatie.

Naar aanleiding van deze klacht start de Nationale ombudsman een onderzoek. In het kader van dat onderzoek laat het LBIO desgevraagd weten dat betalingsplichtigen bij de eerste brief die zij van het LBIO ontvangen altijd worden gewezen op het feit dat zij opslagkosten moeten betalen over de alimentatieachterstand, en na overname van de alimentatie-inning over de maandelijks te betalen alimentatie. Daarbij worden zij altijd in de gelegenheid gesteld om de achterstand rechtstreeks aan de ontvangstgerechtigde te betalen, om daarmee overname van de alimentatie-inning en bijkomende opslagkosten te voorkomen.

In reactie op het standpunt van het LBIO schrijft de heer Bakker:

'Hoe kan ik volledig begrepen hebben wat het LBIO in de brief van 21 augustus 2013 heeft geschreven en wat de consequenties daarvan zouden zijn? Had ik op dat moment, 21 augustus 2013, al kunnen overzien dat er een uitspraak zou komen in juni 2016 en dat ik dan had moeten weten dat opslagkosten zouden worden doorbelast over die periode? Het is een algemene tekst over de mogelijkheden van opslagkosten. […] Op basis van het schrijven van het LBIO van 25 oktober 2013 had ik niet kunnen weten dat er op dat moment maandelijks extra kosten bij zouden komen. […]. Ik ben niet steeds voldoende duidelijk gewezen op de bijkomende opslagkosten, zeker niet met terugwerkende kracht over een periode van vier jaar.'

Tot slot wijst de heer Bakker er nogmaals op dat hij het tegenstrijdig vindt dat de rechtbank bij het bepalen van zijn alimentatieplicht rekening houdt met zijn maximale draagkracht, en het LBIO daar vervolgens nog eens opslagkosten bovenop in rekening brengt. Hij vindt dat ofwel de rechtbank dit had moeten meenemen bij het bepalen van zijn alimentatieplicht, ofwel het LBIO zich moet neerleggen bij de uitspraak van de rechtbank. Het feit dat de rechtbank de alimentatieplicht verlaagt, is volgens de heer Bakker reden om ook de opslagkosten te matigen.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

De Nationale ombudsman toetst deze klacht aan het behoorlijkheidsvereiste van goede informatieverstrekking. Dit houdt in dat de overheid de burger gevraagd en ongevraagd alle informatie geeft over handelingen en besluiten die de belangen van de burger kunnen raken. Zij is daarbij servicegericht en stelt zich actief op om informatie die van belang is tijdig en op eigen initiatief te geven.

Oordeel

De Nationale ombudsman komt tot de conclusie dat het LBIO opslagkosten in rekening mocht brengen over de gehele alimentatieachterstand, maar het de heer Bakker daar onvoldoende over heeft geïnformeerd voorafgaand aan, en bij het beëindigen van, de opschorting.

Waarom mocht het LBIO de opslagkosten in rekening brengen?
De Nationale ombudsman stelt voorop dat opslagkosten worden berekend over de alimentatieachterstand en over de alimentatiebetalingen tijdens de periode waarin alimentatie-inning via het LBIO loopt.7 Opslagkosten worden dus niet over een tijdvak berekend, maar over de alimentatie die een alimentatieplichtige (nog) moet betalen.

De opslagkosten waar de heer Bakker over klaagt, zijn dus niet doorgelopen terwijl de behandeling opgeschort was, of met terugwerkende kracht in rekening gebracht. Het is de áchterstand van de heer Bakker die is opgelopen tijdens de periode waarin de behandeling bij het LBIO was opgeschort. Dat die achterstand is opgelopen, is niet aan het LBIO te wijten. Dat de opslagkosten daarmee ook zijn opgelopen, is wettelijk zo geregeld. De wetgever heeft namelijk bepaald dat de hoogte van de opslagkosten 15% van de verschuldigde alimentatie is. Dat betekent ook dat een grotere alimentatieachterstand een hoger bedrag aan opslagkosten met zich meebrengt, ondanks dat het LBIO misschien wel dezelfde werkzaamheden moet verrichten als bij een kleinere achterstand.

De Nationale ombudsman stelt vast dat toen de rechtbank de alimentatieplicht verlaagde, het LBIO de alimentatieachterstand opnieuw heeft berekend, en daarbij ook de opslagkosten opnieuw heeft vastgesteld. Met de volgens de heer Bakker tussen hem en zijn ex-partner gemaakte alimentatieafspraken tijdens mediation hoefde het LBIO hierbij geen rekening te houden. De rechtbank had de alimentatieplicht over die periode immers opnieuw vastgesteld. Het LBIO moest van die door de rechtbank vastgestelde alimentatieplicht uitgaan.

Dat het totale bedrag aan alimentatieplicht én opslagkosten hoger werd dan het bedrag dat de heer Bakker volgens de rechtbank aan alimentatie kon betalen, hoefde voor het LBIO geen reden te vormen om af te zien van het innen van de opslagkosten. De opslagkosten maken geen onderdeel uit van de alimentatie. Het door de rechtbank berekende maximale bedrag aan alimentatie is daar dus niet relevant voor. Wel moest het LBIO rekening houden met de zogenaamde beslagvrije voet: het bedrag waarop geen beslag mag worden gelegd. Uit het onderzoek door de Nationale ombudsman is niet naar voren gekomen dat het LBIO daar geen rekening mee zou hebben gehouden.

Hoe is het LBIO tekortgeschoten in de informatieverstrekking?
Het LBIO mocht er niet van uitgaan dat de heer Bakker op basis van de algemene informatie over opslagkosten bij de eerste brief, in augustus 2013, begreep wat opschorting in zijn geval voor de opslagkosten zou betekenen. De eerste brief van het LBIO is een zeer uitgebreide brief met een informatieblad. Totaal gaat het om zo'n tien pagina's. Daarin wordt overigens geen uitleg gegeven over opschorting met instemming van de ontvangstgerechtigde. Wel wordt in de brief uitgelegd dat één van de gevolgen van overname van de alimentatie-inning is dat opslagkosten moeten worden betaald.

De heer Bakker vroeg het LBIO om de behandeling op te schorten, omdat hij bezig was met het opstarten van een juridische procedure. Het LBIO legde terecht uit dat opschorting alleen mogelijk is met instemming van de ontvangstgerechtigde, in dit geval de ex-partner. Uiteindelijk gaf zij die instemming in oktober 2013, en informeerde het LBIO de heer Bakker hierover met een brief.8 In die brief staat dat wordt opgeschort totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan over de alimentatieplicht. In die brief staat ook dat als de rechtbank de alimentatieplicht op nihil stelt en er geen alimentatieachterstand meer is, het LBIO de zaak sluit. En dat indien de rechtbank bepaalt dat de alimentatieplicht gelijk blijft, of deze verlaagt of verhoogt, het LBIO de inning overneemt.

De Nationale ombudsman concludeert dat het LBIO met de informatie in de brief waarin het laat weten de behandeling te zullen opschorten, niet heeft voldaan aan het behoorlijkheidsvereiste van goede informatieverstrekking. In die brief staat namelijk niet duidelijk uitgelegd over welke periode het LBIO de alimentatieachterstand beoordeelt als het de behandeling na opschorting hervat, en wat dat voor de opslagkosten betekent. Ook staat er niet in de brief dat het LBIO de opschorting eerder kan beëindigen, indien de expartner niet langer medewerking aan opschorting wil verlenen.

Hoewel het LBIO de heer Bakker bij het beëindigen van de opschorting in april 2015 nog éénmaal in de gelegenheid heeft gesteld de alimentatie-achterstand rechtstreeks aan zijn ex-partner te voldoen, heeft het hem daarbij niet geïnformeerd dat het bij overname van de alimentatie-inning opslagkosten in rekening zal brengen. Pas bij het daadwerkelijke overnemen van die inning op 2 juni 2015 is het LBIO duidelijk. Het LBIO laat dan immers weten dat ondanks de opschorting opslagkosten over de tussen juli 2013 en juni 2015 ontstane alimentatie-achterstand in rekening zullen worden gebracht.

Wat zijn de gevolgen van deze informatieverstrekking voor de heer Bakker?
Doordat er in de brieven uit oktober 2013 en april 2015 informatie miste over de opslagkosten en het beëindigen van de opschorting, heeft de heer Bakker maar liefst twee maal geen weloverwogen keuze kunnen maken.

Het eerste keuzemoment zag op de keuze om de alimentatieachterstand alvast rechtstreeks aan zijn ex-partner te voldoen in afwachting van de mediation/rechtbank-uitspraak, óf de behandeling te laten opschorten met daarbij het risico op opslagkosten. Het tweede keuzemoment zag op de keuze om de alimentatieachterstand bij beëindiging van de opschorting rechtstreeks aan zijn ex-partner te voldoen in afwachting van de rechtbankuitspraak, óf deze niet rechtstreeks te voldoen waardoor de alimentatie-inning werd overgenomen en hij opslagkosten moest betalen.

Het LBIO kon er niet van uitgaan dat de heer Bakker op basis van de eerder door hem op 21 augustus 2013 ontvangen – algemene – brief begreep dat hij voor deze keuzes stond. Mogelijk had hij, indien hij volledig geïnformeerd was, andere keuzes gemaakt. Dat is achteraf echter niet meer vast te stellen. Duidelijk is wel dat wanneer de heer Bakker andere keuzes had gemaakt, hij een fors bedrag aan opslagkosten had kunnen voorkomen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van LBIO is gegrond, wegens schending van het behoorlijkheidsvereiste van goede informatieverstrekking.

Aanbevelingen

De heer Bakker heeft door de tekortschietende informatieverstrekking twee maal geen weloverwogen keuze kunnen maken. Daarom beveelt de Nationale ombudsman het LBIO aan om uit coulance de over de alimentatieachterstand in rekening gebrachte opslagkosten kwijt te schelden.

De Nationale ombudsman beveelt het LBIO naar aanleiding van dit onderzoek ook aan om betalingsplichtigen voortaan beter te informeren over de gevolgen van opschorting. Het is belangrijk dat zij weten over welke periode het LBIO de alimentatieachterstand beoordeelt als het de behandeling na opschorting hervat, en wat dat voor de opslagkosten betekent. Daarnaast acht de Nationale ombudsman het van belang dat het LBIO de betalingsplichtige informeert over het feit dat het LBIO de opschorting eerder kan beëindigen, indien de ex-partner niet langer medewerking aan opschorting wil verlenen. Zo kunnen alimentatieplichtigen in de toekomst een bewuste, weloverwogen, keus maken.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Bijlage I

Bijlage 1 bij rapport 2018004

Bijlage II

VERSLAG VAN BEVINDINGEN

Achtergrond
In 2012 is de heer Bakker gescheiden van zijn ex-partner, met wie hij twee kinderen heeft. De rechtbank heeft op 31 juli 2012 bepaald dat de heer Bakker per maand € 575,- aan partneralimentatie en € 1.185,- aan kinderalimentatie moest betalen.

Vanwege persoonlijke omstandigheden begint de heer Bakker vanaf juli 2013 minder alimentatie te betalen. Zijn ex-partner neemt daarom op 31 juli 2013 contact op met het LBIO, en vraagt de alimentatie-inning over te nemen.

Behandeling overnameverzoek alimentatie-inning
Het LBIO stuurt de heer Bakker op 21 augustus 2013 een brief waarin staat dat het een overnameverzoek heeft ontvangen van zijn ex-partner. In de brief biedt het LBIO de heer Bakker de gelegenheid om de alimentatieachterstand rechtstreeks aan zijn ex-partner te betalen. In dat geval zal het LBIO zich verder niet in deze kwestie mengen. In de brief legt het LBIO uit dat als de alimentatie-inning wordt overgenomen opslagkosten in rekening zullen worden gebracht. Bij de brief zit een overzicht van de alimentatieachterstand. Daarbij zijn nog geen opslagkosten berekend. Bij de brief zit een informatieblad over de rol en werkwijze van het LBIO. Daarin worden de opslagkosten en de manier waarop deze worden berekend genoemd.

Op 23 augustus laat de heer Bakker het LBIO weten dat hij van plan is bij de rechtbank een procedure te beginnen voor verlaging van de alimentatieplicht. Op 11 september 2013 laat hij dit opnieuw weten, en vraagt hij het LBIO de behandeling op te schorten. Diezelfde dag stuurt het LBIO hem een brief met daarin dezelfde informatie als in de brief van 21 augustus 2013. De heer Bakker wordt daarbij nogmaals in de gelegenheid gesteld de alimentatieachterstand rechtstreeks aan zijn ex- partner te betalen.

Op 17 september 2013 vraagt ook de advocaat van de heer Bakker om de behandeling op te schorten. Hij heeft namelijk een verzoekschrift aan de rechtbank gestuurd. Op 26 september 2013 laat het LBIO weten het verzoek tot opschorting aan de ex-partner te hebben voorgelegd. Alleen als zij instemt, kan het LBIO opschorten.

Op 15 oktober 2013 laat het LBIO de heer Bakker weten dat zijn ex-partner geen toestemming geeft voor opschorting. Het LBIO stelt hem nogmaals in de gelegenheid de alimentatieachterstand rechtstreeks aan zijn ex-partner te voldoen. Indien hij dat niet doet, zal het de alimentatie-inning overnemen. In de brief wordt niets gezegd over opslagkosten.

Op 18 oktober 2013 vraagt de advocaat van de heer Bakker opnieuw om opschorting. Op 25 oktober 2013 laat het LBIO weten dat de ex-partner alsnog heeft ingestemd met opschorting, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Het LBIO vraagt de rechtbankuitspraak onmiddellijk na ontvangst toe te sturen. Het merkt daarbij op dat als de rechtbank tot nihilstelling van de alimentatie besluit, het dossier bij het LBIO wordt gesloten. Besluit de rechtbank tot verlaging of verhoging van de bijdrage, of blijft deze gelijk, dan zal het LBIO de alimentatie-inning overnemen. Het LBIO legt in deze brief niet uit dat in dat geval opslagkosten in rekening zullen worden gebracht.

Wat gebeurt er na de opschorting?
De heer Bakker en zijn ex-partner willen graag met elkaar tot afspraken over de alimentatie te komen. Zij beginnen daarom aan mediation. In de tussentijd wordt de procedure bij de rechtbank aangehouden. Op 15 mei 2014 informeert de ex-partner het LBIO hierover. Volgens de heer Bakker wordt afgesproken dat hij zolang de mediation duurt € 700,- per maand aan alimentatie zal betalen.

Op 2 maart 2015 meldt de ex-partner aan het LBIO dat de heer Bakker en zij in de mediation niet tot afspraken hebben kunnen komen. Het LBIO vraagt de heer Bakker naar aanleiding hiervan op 5 maart 2015 of hij de rechtszaak doorzet. Als hij dat doet zal het LBIO de ex-partner vragen om akkoord te gaan met verdere opschorting van de behandeling. Als zij echter niet zal instemmen, zal het LBIO verdergaan met de behandeling. Het LBIO maakt in deze brief geen melding van het feit dat in dat geval opslagkosten in rekening zullen worden gebracht. Ook staan in het achterstandsoverzicht bij deze brief geen opslagkosten vermeld.

Op 9 maart 2015 laat de heer Bakker weten de rechtszaak inderdaad voort te zetten. Ook merkt hij op dat hij met de ex-partner heeft afgesproken dat hij zolang de mediation duurde € 700,- aan alimentatie per maand zou betalen.

Op 3 april 2015 laat de ex-partner het LBIO weten dat zij niet langer akkoord kan gaan met de opschorting. Op 24 april 2015 stuurt het LBIO de heer Bakker hierover een brief. Het LBIO schrijft ook in die brief dat de ex-partner ontkent dat er tijdens mediation afspraken zijn gemaakt over de alimentatie. Het LBIO stelt hem in de gelegenheid om de alimentatieachterstand alsnog binnen veertien dagen rechtstreeks aan de ex-partner te betalen. Het LBIO legt in deze brief niet uit dat als de heer Bakker dit niet doet, het opslagkosten in rekening zal brengen.

Overname alimentatie-inning
De heer Bakker maakt geen gebruik van de mogelijkheid om de alimentatieachterstand rechtstreeks te voldoen. Op 2 juni 2015 neemt het LBIO de alimentatie-inning daarom over. Het informeert de heer Bakker hierover telefonisch en per brief. In deze brief laat het LBIO weten dat de alimentatieachterstand over de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2015 € 20.386,64 bedraagt, en daar € 3.058,02 aan opslagkosten bij komen. Ook merkt het LBIO op dat ook als rechtstreeks aan de ex-partner wordt betaald, opslagkosten moeten worden betaald.

In een e-mail van 5 juni 2015 vraagt de advocaat van de heer Bakker aan het LBIO om de alimentatie-inning op te schorten. Hij wijst erop dat de procedure bij de rechtbank nog altijd loopt.
Op 9 juni 2015 laat het LBIO weten dat de ex-partner geen toestemming geeft voor opschorting van de alimentatie-inning. Het LBIO kan en mag niet zelfstandig besluiten tot opschorting en zal dus de inning moeten voortzetten.

Op 18 juni 2015 hoort de heer Bakker van de Belastingdienst dat het LBIO beslag heeft gelegd op zijn teruggave inkomstenbelasting. Dat betekent dat hij zijn maandelijkse teruggave inkomstenbelasting niet krijgt, krijgt, omdat die aan het LBIO wordt afgedragen.

Verlaging alimentatieplicht door rechtbank
Op 15 juli 2015 vraagt de heer Bakker de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen. Op 3 september 2015 wijst de rechtbank dit verzoek af.

Uiteindelijk beslist de rechtbank op 21 juni 2016 over de hoogte van de alimentatieplicht. De rechtbank bepaalt dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2014 moet worden verlaagd. De partneralimentatie wordt niet verlaagd. Ook met deze lagere alimentatieplicht is nog steeds sprake van een alimentatieachterstand.

Op 3 juli 2016 stuurt de heer Bakker het LBIO een kopie van de beschikking van de rechtbank. Hij vraagt het LBIO het beslag op te heffen, zodat hij weer bij zijn geld kan en de nieuw vastgestelde alimentatieplicht rechtstreeks aan zijn ex-partner kan voldoen. In reactie daarop doet het LBIO bij email van 5 augustus 2016 een voorstel tot betalingsregeling. In dat voorstel noemt het LBIO ook de opslagkosten, die het heeft herberekend aan de hand van de rechtbankuitspraak. Met dit bericht wordt het de heer Bakker pas duidelijk dat opslagkosten over de hele alimentatieachterstand in rekening worden gebracht, en deze kosten tijdens de opschorting dus zijn blijven doorlopen.

Discussie beslag en opslagkosten
Op 10 augustus 2016 vraagt de heer Bakker het LBIO nogmaals het beslag op te heffen, zodat hij zes maanden lang de alimentatieplicht aan het LBIO kan voldoen. Daarna zal hij weer rechtstreeks aan zijn ex-partner alimentatie betalen. Daarnaast doet hij een voorstel voor het voldoen van zijn alimentatieachterstand. Met dit voorstel zal in september 2017 alle achterstallige alimentatie betaald zijn.

De heer Bakker laat ook weten dat hij vindt dat hij geen opslagkosten verschuldigd is, nu er recent een nieuwe rechtbankuitspraak is. Hij is dan ook verontwaardigd dat hij over de gehele periode vanaf 2013 opslagkosten moet betalen. Het gaat inmiddels om een bedrag van ruim € 3.500,-. En dat terwijl hij de hele tijd bezig is geweest om overeenstemming over de alimentatie te bereiken. Ook heeft de rechtbank buiten zijn schuld om lang over de zaak gedaan.

Op 25 augustus 2016 laat het LBIO de heer Bakker weten niet akkoord te kunnen gaan met zijn voorstel. Er is sprake van een betalingsachterstand. De nieuwe rechtbankuitspraak verandert dat niet. De opslagkosten zijn wettelijk vastgelegd en zijn een gevolg van de overname van de alimentatieinning. Hier kan het LBIO niks aan veranderen.
In de daarop volgende periode hebben de heer Bakker en zijn advocaat, overigens zonder succes, contact met het LBIO over het opheffen van het beslag. Op 1 november 2016 schrijft de advocaat dat hij vindt dat alleen opslagkosten in rekening kunnen worden gebracht over de periode na de rechtbankuitspraak. Hij stelt dat de heer Bakker op zijn minst nog een eerste kans tot rechtstreekse betaling aan zijn ex-partner of tot een betalingsregeling zonder opslagkosten geboden had moeten worden.

Op 30 november 2016 schrijft de advocaat dat hij in artikel 1:408 van het BW niets ziet staan over het doorlopen van de opslagkosten tijdens opschorting. Hij wijst erop dat de heer Bakker tijdens de opschorting wel alimentatie heeft betaald. Volgens hem is het ook daarom niet redelijk om opslagkosten over die periode in rekening te brengen. De advocaat wijst nogmaals op de tussen de heer Bakker en zijn ex-partner gemaakte afspraken over alimentatie tijdens de mediation, en stelt deze te kunnen onderbouwen.

Op 1 december 2016 stuurt het LBIO de heer Bakker een overzicht van de alimentatieachterstand inclusief opslagkosten. Daarbij licht het toe dat wanneer de inning gedurende een bepaalde periode opgeschort is geweest, dit niet betekent dat de opslagkosten in die periode niet doorlopen. Op grond van artikel 1:408 BW worden opslagkosten na overname van de inning maandelijks verschuldigd en stoppen deze pas wanneer de overname van de inning wordt beëindigd.

Bij brief van 23 december 2016 schrijft het LBIO dat de opslagkosten maandelijks verschuldigd zijn geworden, ook gedurende de periode van opschorting en wanneer er ondanks de overname van de inning door het LBIO toch nog rechtstreeks betaald wordt/is. Het LBIO verwijst naar het Besluit kostenopslag inning kinderalimentatie. De opslag geldt ook ten aanzien van de alimentatieachterstand. In dit geval is de inning op 2 juni 2015 overgenomen. De opslagkosten zijn berekend over de achterstand die er tot op dat moment daadwerkelijk was. Vervolgens zijn de opslagkosten maandelijks verschuldigd geworden over het gehele maandelijkse alimentatiebedrag. Pas nadat de heer Bakker op 24 april 2015 de kans kreeg om de alimentatieachterstand alsnog rechtstreeks aan zijn ex-partner te betalen, is de inning op 2 juni 2015 overgenomen en heeft het LBIO opslagkosten in rekening gebracht. In de eerste brief van het LBIO van 21 augustus 2013 is de heer Bakker in het informatieblad gewezen op deze opslagkosten, zo schrijft het LBIO. Ook wijst het LBIO op de brief van 2 juni 2015, waarin staat dat de alimentatie-inning is overgenomen en dus opslagkosten in rekening worden gebracht. Het LBIO vindt dat het de heer Bakker met deze brieven voldoende over de opslagkosten heeft geïnformeerd.

Klachtbehandeling door het LBIO
Op 6 maart 2017 dient de heer Bakker, onder verwijzing naar zijn eerdere e-mails, een klacht in bij het LBIO. Hij klaagt onder andere over het in rekening brengen van opslagkosten vanaf 2013. Hij stelt steeds naar eer en geweten zijn alimentatieplicht te hebben voldaan. Daarnaast merkt hij op het vreemd te vinden dat de rechtbank zijn maximale draagkracht heeft berekend en zijn alimentatieplicht op basis daarvan heeft vastgesteld, en het LBIO daar vervolgens opslagkosten bovenop doet.

Op 5 april 2017 reageert het LBIO op de klacht. Het laat weten dat hoewel de rechtbank de alimentatie heeft verlaagd, dat geen reden is om geen opslagkosten in rekening te brengen. Wél heeft het LBIO op basis van de nieuw vastgestelde alimentatieplicht de alimentatieachterstand opnieuw berekend, en de hoogte van de opslagkosten aangepast aan de herberekende alimentatieachterstand.

Het LBIO vindt dat het duidelijk heeft uitgelegd waarom het wel degelijk wettelijke opslagkosten in rekening kan brengen. Omdat de heer Bakker het niet eens is met het oordeel van het LBIO, neemt hij contact op met de Nationale ombudsman.

WAT IS DE KLACHT BIJ DE NATIONALE OMBUDSMAN?

De heer Bakker klaagt erover dat het LBIO hem na het overnemen van de alimentatieinning op 2 juni 2015 met terugwerkende kracht opslagkosten over de periode vanaf 1 juli 2013 in rekening heeft gebracht, ondanks de met zijn ex-partner over die periode gemaakte betalingsafspraken over de verschuldigde alimentatie.

Naar aanleiding van deze klacht start de Nationale ombudsman een onderzoek en stelt in dat kader vragen aan het LBIO.

HOE REAGEERT HET LBIO?

Het LBIO reageert als volgt op de door de Nationale ombudsman gestelde vragen:

Is het LBIO van mening dat het op grond van artikel 1:408, derde lid BW en artikel 1, eerste lid van het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties en partneralimentaties (met terugwerkende kracht) opslagkosten in rekening kan brengen over de periode tussen het verzoek tot overname en de positieve beslissing van het LBIO op dat verzoek, ook als die periode vele maanden of zelfs enkele jaren beslaat?
'In de aangehaalde artikelen heb ik geen belemmering kunnen ontdekken om opslagkosten over de gehele achterstand te berekenen. Ook al is er pas na bijna twee jaar sprake van een overname. Feitelijk had het LBIO de inning direct kunnen overnemen, maar heeft het de heer Bakker met instemming van de ex-partner de tijd gegeven tot aan 2 juni 2015. Daarbij heeft hij ruim de tijd gehad om via mediation zaken te regelen met zijn ex-partner. Waren zij daarbij overeengekomen de alimentatie lager vast te stellen of er op een andere manier uit te komen, dan had het LBIO de zaak zonder meer gesloten en geen kosten in rekening gebracht. Dat dit traject geen vruchten heeft afgeworpen en het LBIO van de ex-partner opdracht kreeg om de inning alsnog door te zetten, is het LBIO niet aan te rekenen. De heer Bakker heeft bovendien de gelegenheid gekregen om alsnog de achterstand te betalen voordat de inning zou worden overgenomen.'

En hoe luidt het antwoord wanneer niet (alleen) de wet- en regelgeving bepalend zijn, maar (ook) wat mag worden verwacht van een behoorlijk handelende overheidsinstantie bij verhaal van forfaitaire eigen kosten van inning?
'[…] de heer Bakker de gelegenheid heeft gekregen om er onderling met zijn ex-partner uit te komen zonder tussenkomst van het LBIO. Was dit gelukt dan waren er geen kosten in rekening gebracht, zoals verwacht mag worden van een behoorlijk handelende overheidsinstantie. Nu dat niet is gelukt is het niet onbehoorlijk om opslagkosten over de totale achterstand te berekenen. Uiteindelijk heeft ook de rechter in zijn nieuwe uitspraak bepaald dat de partneralimentatie volledig in stand blijft en de kinderalimentatie is slechts ten dele herzien. De heer Bakker was dus volgens de rechter in staat om meer te betalen dan hij de voorafgaande twee jaar deed.

Ik wijs er nog op dat de ex-partner, blijkens de uitspraak in kort geding van 3 september 2015 heeft betwist dat er tijdens het mediationtraject een lagere bijdrage zou zijn overeengekomen. Inderdaad is er sprake geweest van een verleend uitstel om zaken onderling te regelen. Maar als partijen er dan in twee jaar tijd niet uitkomen en de heer Bakker blijkt dan ook volgens de uiteindelijke uitspraak te weinig alimentatie te hebben betaald over de voorgaande periode, dan is er geen reden voor het LBIO om de opslagkosten te matigen.'

Heeft het LBIO, toen duidelijk werd dat een beslissing over overname niet zou worden genomen binnen enkele weken na de eerste aanschrijving, de heer Bakker geïnformeerd over het voornemen om bij eventuele overname opslagkosten in rekening te brengen over de volledige periode vanaf het verzoek van de ex-partner?
'Bij elke aanschrijving worden betalingsplichtigen erop gewezen dat opslagkosten verschuldigd zijn over de achterstand en na overname over de lopende maandelijkse bijdrage. Overigens worden zij altijd in de gelegenheid gesteld om te betalen om daarmee opslagkosten te voorkomen.'

Desgevraagd licht het LBIO toe dat met 'elke aanschrijving' wordt gedoeld op de eerste brief die een alimentatieplichtige van het LBIO ontvangt.

HOE REAGEERT DE HEER BAKKER?
In reactie op het standpunt van het LBIO merkt de heer Bakker op:
'Hoe kan ik volledig begrepen hebben wat het LBIO in de brief van 21 augustus 2013 heeft geschreven en wat de consequenties daarvan zouden zijn? Had ik op dat moment, 21 augustus 2013, al kunnen overzien dat er een uitspraak zou komen in juni 2016 en dat ik dan had moeten weten dat opslagkosten zouden worden doorbelast over die periode? Het is een algemene tekst over de mogelijkheden van opslagkosten. […]. Op basis van het schrijven van het LBIO van 25 oktober 2013 had ik niet kunnen weten dat er op dat moment maandelijks extra kosten bij zouden komen. […]. Ik ben niet steeds voldoende duidelijk gewezen op de bijkomende opslagkosten, zeker niet met terugwerkende kracht over een periode van vier jaar.'

Tot slot wijst de heer Bakker er nogmaals op dat hij het tegenstrijdig vindt dat de rechtbank bij het bepalen van zijn alimentatieplicht rekening houdt met zijn maximale draagkracht, en het LBIO daar vervolgens nog eens opslagkosten bovenop in rekening brengt. Hij vindt dat ofwel de rechtbank dit had moeten meenemen bij het bepalen van zijn alimentatieplicht, ofwel het LBIO zich moet neerleggen bij de uitspraak van de rechtbank. Het feit dat de rechtbank de alimentatieplicht verlaagt, is volgens de heer Bakker reden om ook de opslagkosten te matigen.

Notes

[←1]

Gefingeerde naam.

[←2]

Eventuele deurwaarderskosten vallen niet onder de opslagkosten; deze kunnen nog los in rekening worden gebracht.

[←3]

Vereenvoudigde weergave van de situatie waarin de behandeling is opgeschort vóórdat de inning is overgenomen.

[←4]

Vereenvoudigde weergave van de situatie waarin de behandeling is stopgezet vóórdat de inning is overgenomen.

[←5]

Zie voor een uitgebreide weergave van hetgeen aan de klacht bij de Nationale ombudsman voorafging het als bijlage II opgenomen verslag van bevindingen.

[←6]

De brief van 25 oktober 2013 is opgenomen als bijlage I bij dit rapport.

[←7]

Zie 'Wat zijn opslagkosten en waar dienen die toe?', op p. 2 van dit rapport.

[←8]

Zie de bijlage bij dit rapport.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2018/004