2017/149 Discrete informatie, transparantie bij adoptie

Vrouw heeft toestemming van de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden om een kind uit buitenland te adopteren, maar die wordt ingetrokken na een negatief advies van de Raad voor Kinderbescherming. De vrouw wordt pas in de bezwaarprocedure op de hoogte gesteld van de risicofactoren die de Raad heeft aangegeven. De Nationale ombudsman vindt dat de Raad de vrouw eerder en duidelijker openheid van zaken had moeten geven. Hij heeft er met instemming kennis van genomen dat de verantwoordelijk minister zowel de cliënten als de Raad op gelijke wijze schriftelijk zal informeren over de redenen van het verzoek om aanvullend onderzoek.

Instantie: Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem

Klacht:

wijze waarop de Raad voor Kinderbescherming is omgegaan met de informatie die de Raad via de CA van de NAS had ontvangen

Oordeel: gegrond

Een moeder wilde een tweede kind adopteren, maar kreeg ernstige zorgen over de geestelijke gezondheid van het kindje en heeft besloten het kindje niet te gaan halen. Ze heeft zich teruggetrokken uit die adoptieprocedure.

Van deze misgelopen adoptie heeft de desbetreffende vergunninghouder interlandelijke adoptie (de Nederlandse Adoptie Stichting) melding gedaan bij de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden. Deze heeft vervolgens aan de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om de geschiktheid van de moeder aanvullend te onderzoeken.

De vrouw klaagt erover dat ze niet tijdig en expliciet door de Raad op de hoogte is gebracht van de zorgen die de Nederlandse Adoptie Stichting heeft geuit aan de Centrale Autoriteit. Ze heeft het gevoel dat er bewust informatie voor haar is achtergehouden en dat de Raad niet transparant naar haar is geweest, waardoor ze niet de kans heeft gehad om de zorgen van de NAS in het raadsonderzoek te weerleggen.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de Raad richting de vrouw eerder en duidelijker openheid van zaken had moeten geven. Nu de door de NAS benoemde mogelijke risicofactoren niet tijdens het raadsonderzoek bij de vrouw bekend zijn geworden, is de Nationale ombudsman van oordeel dat de Raad niet voldoende transparant is geweest

De klacht is gegrond. De Raad heeft gehandeld in strijd met het vereiste van transparantie.

In het algemeen

Adoptie

Om een buitenlands kind in een gezin in Nederland op te nemen heeft de aspirant adoptieouder een beginseltoestemming nodig van de minister voor rechtsbescherming (voorheen; de minister van Veiligheid en Justitie)1. De Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (voorheen: het Ministerie van Veiligheid en Justitie) (CA) vraagt hiervoor aan de Raad voor de Kinderbescherming om te onderzoeken of de aspirant adoptieouder(s) geschikt is om een kind te adopteren. Na een positief advies van de Raad verleent de minister in de regel een beginseltoestemming. Vervolgens komt er vaak een adoptie tot stand via een vergunninghouder interlandelijke adoptie. De vergunninghouder zoekt dan de meest geschikte ouder(s) voor een kind dat voor adoptie in aanmerking komt en bemiddelt tussen aspirant adoptieouder(s) en de buitenlandse autoriteiten en instanties. Deze fase kan geruime tijd duren.

Als in die tijd de situatie van de aspirant adoptieouder(s) wijzigt, kan dat reden zijn om aanvullend de geschiktheid van de aspirant adoptieouder(s) te (laten) onderzoeken. Ook indien de aspirant adoptieouder zich terugtrekt uit de lopende adoptieprocedure, maar nog wel een kind wil adopteren, wordt de geschiktheid van de aspirant adoptiefouder(s) aanvullend onderzocht. In het geval van terugtrekking doet de vergunninghouder van dit life-event melding bij de CA. De CA vraagt dan opnieuw aan de Raad om advies (over de geschiktheid van de aspirant adoptieouder). In zijn aanvullende onderzoek gaat de Raad na of de gegevens in het eerder uitgebrachte advies nog kloppen en wordt onderzocht of de actuele omstandigheden risicofactoren naar voren brengen die tot verandering van het advies zouden moeten leiden. Indien de Raad negatief adviseert, kan de minister besluiten de beginseltoestemming in te trekken.

De minister heeft in oktober 2014 besloten de beginseltoestemming voor verzoekster in te trekken.

Wat is er gebeurd?

Verzoekster is een alleenstaande moeder die jaren geleden een kind heeft geadopteerd. Zij wilde graag nog een kind adopteren en had hiervoor al ruim vier jaar een beginseltoestemming van de minister van Veiligheid en Justitie.

In november 2013 heeft verzoekster via bemiddeling van de vergunninghouder Nederlandse Adoptie Stichting (NAS) in het buitenland getekend voor adoptie van een kindje. Eind januari 2014 kreeg verzoekster echter ernstige zorgen over de geestelijke gezondheid van het kindje en heeft ze besloten het kindje niet te gaan ophalen uit het buitenland; ze heeft zich teruggetrokken uit die adoptieprocedure. Dit terugtrekken (misgelopen adoptie) is door de NAS aangemerkt als een life-event. Life-events zijn feiten en/of omstandigheden die tot wijziging van de adoptiemogelijkheden kunnen leiden.

De NAS heeft de CA bij brief van 3 maart 2014 over dit life-event geïnformeerd en daarbij mogelijke risicofactoren gesignaleerd en beschreven omtrent voortzetting van de adoptieprocedure door verzoekster. Deze factoren hebben betrekking op de competenties van verzoekster. De NAS heeft verzocht om die factoren in het onderzoek door de Raad te laten meewegen.

Vervolgens heeft de CA de Raad bij brief van 11 maart 2014 verzocht om een nader advies over de geschiktheid van verzoekster voor een tweede adoptiekind. De beginseltoestemming was nog geldig, maar door dit life-event had de CA de Raad gevraagd de impact van het life-event op verzoekster te onderzoeken. In die brief aan de Raad heeft de CA ook gevraagd om de door de NAS genoemde mogelijke risicofactoren in zijn onderzoek te betrekken. Mochten deze factoren aanwezig zijn, dan zou het gezin van verzoekster mogelijk geen goede plek voor een extra adoptiekind zijn.

Diezelfde dag heeft de CA verzoekster bij brief over het verzoek aan de Raad geïnformeerd. De CA schreef verzoekster dat het op 3 maart 2014 het formele bericht van de NAS had gekregen dat verzoekster afzag van de adoptie van het aan haar "gematchte" kind. Voorts berichtte de CA verzoekster dat het in verband hiermee de Raad had verzocht aan haar te adviseren of verzoekster ondanks de gebeurtenissen in staat zou zijn om de adoptieprocedure voort te zetten. (Bij de brief van 11 maart 2014 was niet een kopie van de brief van de NAS van 3 maart 2014.)

Begin april heeft de CA met de NAS contact over het onderzoek door de Raad. De NAS benadrukte per e-mail van 4 april 2014 dat zij in de brief mogelijke risicofactoren had benoemd die naar haar oordeel meegewogen dienden te worden in het onderzoek. De NAS wilde daarover nader uitweiden indien de vertrouwelijkheid van de door haar benoemde risicofactoren zou worden gerespecteerd. De NAS begreep dat de vertrouwelijkheid niet kon worden gewaarborgd en daarom heeft de NAS de risicofactoren slechts kort benoemd. De NAS schreef onder meer "Het is aan de Raad om een oordeel te vormen over de geschiktheid om een adoptieprocedure verder in te gaan en het is aan de CA om te besluiten ten aanzien van de beginseltoestemming. De NAS vertrouwt erop dat de door de NAS aangedragen risicofactoren worden meegenomen in het besluit van de CA.(…) Wij hebben met onze melding o.i. de Raad, via de CA, al vast enige richting aangegeven."

De CA reageerde naar de NAS onder meer: "Het is inderdaad aan de Raad om nu een oordeel te nemen over de geschiktheid van mevrouw (…). De Raad gaf echter aan dat het niet mogelijk is om tijdens het onderzoek niet de door jullie genoemde riscofactoren te benoemen en zal daarin transparant willen zijn richting aao (No; verzoekster). Mijn vraag aan jullie is dus nog wel of jullie je ervan bewust zijn dat - los van het inzagerecht - de Raad met mevrouw zal bespreken welke risicofactoren er door jullie zijn gesignaleerd. De Raad geeft aan die risicofactoren anders niet te kunnen onderzoeken."

De NAS reageerde onder meer met: "De NAS neemt hiermee de verantwoordelijkheid voor de benoeming en signalering van de "mogelijke" risicofactoren. Daarbij vertrouwt de NAS erop dat integer zal worden omgegaan met de signalering".

Per e-mail heeft de CA de Raad geschreven: "Alhoewel ik kan begrijpen dat de raadsonderzoeker sommige punten zal moeten benoemen vertrouw ik erop dat de informatie van de NAS zo discreet als mogelijk wordt gebruikt."

In verband met één van de mogelijke risicofactoren heeft de Raad de school van het (adoptie)kind om meer informatie gevraagd. De school was positief.

Eind april 2014 heeft de raadsonderzoeker in het kader van het onderzoek een gesprek met verzoekster.

De Raad heeft vervolgens in een multidisciplinair overleg geconcludeerd dat er sprake was van risicofactoren bij verzoekster. Om die reden was verzoekster volgens de Raad niet langer geschikt om een buitenlands kind op te nemen in haar gezin. Zodoende heeft de Raad op 22 mei 2014 een negatief advies uitgebracht.

De CA vond echter dat de Raad in zijn advies niet voldoende had onderbouwd waarom verzoekster niet langer geschikt was voor een tweede adoptiekind. De CA benadrukte de Raad dat de zorgpunten uit de brief van de NAS van 3 maart 2014 "mogelijke" risicofactoren waren en dat de Raad die kon zien als achtergrondinformatie. Uit het advies bleek volgens de CA niet op welke wijze de Raad de door de NAS genoemde factoren had meegenomen in zijn onderzoek en was het onduidelijk welke contacten de Raad met verzoekster had gehad. De CA vroeg de Raad bij brief van 13 juni 2014 onder meer nader te motiveren waarom de leeftijd van verzoekster en de naderende puberteit van haar (adoptie)kind nu een risico zouden vormen. Ook gaf de CA de Raad in overweging om opnieuw met verzoekster in gesprek te gaan.

Naar aanleiding van het verzoek van de CA heeft de raadsonderzoeker een gesprek met verzoekster gehad op 9 juli 2014. Kort voorafgaand aan dat gesprek zond de raadsonderzoeker verzoekster een e-mail over de informatie van de NAS die zij gebruikt had in het aanvullende concept-advies. De tekst bevatte een groot deel van de brief van 3 maart 2014, met uitzondering van de mogelijke risicofactoren. De Raad gaf aan dat de risicofactoren met verzoekster waren besproken.

De Raad heeft vervolgens opnieuw een negatief advies uitgebracht op 20 augustus 2014.

Onder het kopje onderzoeksvragen heeft de raadsonderzoeker de door de NAS benoemde risicofactoren opgesomd. Daarbij stond vermeld dat die risicofactoren met verzoekster zijn besproken in het eerste gesprek en in het tweede gesprek. De Raad gaf aan dat verzoekster ook, net als bij het eerste concept-advies, inzage heeft gehad in het tweede concept-advies.

Op basis van het tweede advies van de Raad heeft de CA de beoordeling gemaakt om de beginseltoestemming in te trekken.

Wat was de oorspronkelijke klacht?

Verzoekster klaagde er bij de Raad over dat zij niet tijdig en expliciet door de Raad op de hoogte is gebracht van de mogelijke risicofactoren uit de brief van de NAS van 3 maart 2014. Die brief ging over de zorgen die de NAS had over de situatie dat verzoekster nog een kind zou adopteren. Verzoekster heeft die brief van de NAS pas in het najaar van 2014 bij de bezwaarprocedure tegen het intrekken van de beginseltoestemming onder ogen gekregen. Zij heeft daardoor tijdens het raadsonderzoek onvoldoende de kans gekregen de daarin genoemde risicofactoren te weerleggen. Verzoekster heeft het gevoel dat de Raad door die brief vooringenomen aan zijn onderzoek was begonnen. Ook meent ze dat de Raad (en de CA) bewust deze informatie voor haar hebben achtergehouden en niet transparant naar haar waren. Verzoekster heeft daarbij gewezen op e-mails tussen de Raad en de CA met de woorden "enige richting aangeven" en "zo discreet mogelijk". Toen de raadsonderzoeker bij mail van 9 juli 2014 verzoekster de gebruikte informatie van de NAS doorgaf, heeft ze naar de mening van verzoekster, geknipt uit bedoelde brief.

Welke reactie komt er op de klacht?

Naar het oordeel van de regiodirecteur is aan het vereiste van transparantie voldaan omdat de kern van bedoelde brief (de vragen van de NAS en de mogelijke risicofactoren) staan vermeld in de raadsrapportage en de raadsonderzoeker heeft gezegd dat die punten in het gesprek van begin juli 2014 met verzoekster zijn besproken.

Wel gaf de regiodirecteur aan dat hij op basis van de klacht van verzoekster mogelijkheden zag om de transparantie verder te verbeteren. Uit de informatie-uitwisseling tussen de Raad en de CA en de NAS maakte de regiodirecteur op dat de Raad juist contact met de CA en de NAS had gezocht om de informatie op een transparante manier met verzoekster te delen. De regiodirecteur is van mening dat de Raad met gepaste afstand naar de informatie van de NAS heeft gekeken en hier kritisch in is gebleven.

De klachtencommissie is ook van oordeel dat de risicofactoren met verzoekster zijn besproken en dat de raadsonderzoeker niet bevooroordeeld was. Volgens de klachtencommissie was de Raad niet verplicht de brief van de NAS aan verzoekster te overleggen omdat het een open onderzoek van de Raad was en niet een procedure tussen partijen waarbij stukken in het kader van de openbaarheid op voet van gelijkheid verplicht moesten worden overgelegd. De factoren zijn in het gesprek aan de orde gesteld en bovendien in de tweede rapportage opgenomen, aldus de klachtencommissie.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Verzoekster was ontevreden met de uitkomst. Verzoekster had er grote problemen mee dat zij de brief van de NAS niet in het begin van het onderzoek door de Raad te zien had gekregen. Voorts vroeg ze zich af wat er bedoeld werd met de opmerking dat er integer moest worden omgegaan met de signalering door de NAS.

Tevens had verzoekster bij de klachtencommissie voor interlandelijke adoptie (KVIA) een klacht ingediend over de handelwijze van de NAS en over de door de NAS beschreven mogelijke risicofactoren.

De KVIA oordeelde dat de door de NAS beschreven mogelijke risicofactoren geen enkele grond hadden en uiterst suggestief waren. De KVIA oordeelde: "Door de risicofactoren alleen al te noemen wordt de suggestie gewekt dat er daadwerkelijk iets mis zou zijn in de relatie tussen moeder en kind. Bovendien heeft de Raad naar aanleiding van deze risicofactoren contact gezocht met de school (van het kind; No) en om een verklaring gevraagd. Ondanks het feit dat de school de relatie als "goed" beoordeelde is dit voor klaagster uiterst belastend geweest."

Verzoekster heeft eerst de klachtenbehandeling bij de KVIA afgewacht, voordat ze zich tot de Nationale ombudsman wendde. Nu de KVIA had geoordeeld dat de risicofactoren suggestief waren, gaf dat voor verzoekster bevestiging dat de NAS niet de juiste voorstelling van zaken over haar situatie aan de CA had gegeven.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman heeft de klacht van verzoekster als volgt geformuleerd:

Verzoekster klaagt over de wijze waarop de Raad jegens haar is omgegaan met de informatie die de Raad via de CA van de NAS had ontvangen.

De Nationale ombudsman heeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie, als verantwoordelijke bewindspersoon, gevraagd om op de klacht te reageren. Ook heeft hij aanvullende vragen gesteld over de transparantie.

Hoe reageerde de Minister van Veiligheid en JUstitie?

De minister heeft de achtergrond van deze zaak geschetst. Voorts gaf hij aan dat nadat het verzoek tot onderzoek door de Raad was ontvangen, het de Raad duidelijk werd dat de NAS de mogelijke risicofactoren niet had gecommuniceerd met verzoekster. Vervolgens heeft de Raad hierover contact opgenomen met de CA. De Raad heeft aan de CA laten weten dat het niet mogelijk was om genoemde risicofactoren te onderzoeken als deze niet zouden worden besproken met verzoekster. De CA liet volgens de Raad daarover weten begrip te hebben voor het feit dat de punten benoemd moesten worden en liet dit verder aan de Raad over. De CA gaf volgens de Raad verder aan dat zij erop vertrouwde dat de informatie van de NAS zo discreet als mogelijk werd gebruikt. Er waren volgens de minister destijds tussen de CA en de Raad verder geen concrete afspraken gemaakt over het wel of niet verstrekken van de brief aan verzoekster.

Desgevraagd gaf de minister aan dat de Raad over informatiedeling een eigen afweging maakt. De Raad heeft gemeend bij de CA naar haar visie te vragen en die mee te nemen in zijn advies. Om die reden is er via de e-mail contact geweest tussen de Raad en de CA. In deze mailwisseling gaf de CA onder andere aan dat zij erop vertrouwde dat de informatie van de NAS zo discreet als mogelijk werd gebruikt. De Raad heeft dit geïnterpreteerd als ware dat de brief niet verstuurd mocht worden naar verzoekster en de Raad was van mening dat hij tot het verstrekken van de brief juridisch ook niet verplicht was. Alhoewel de Raad zodoende niet de ruimte heeft gevoeld om bedoelde brief van de NAS expliciet aan verzoeker te overleggen, heeft hij wel de noodzaak gevoeld om de inhoud van die brief met verzoekster op een andere manier te delen. Daarom had de Raad ervoor gekozen de inhoud met verzoekster te delen in de gesprekken die tijdens het onderzoek met haar zijn gevoerd. Daarnaast heeft de Raad de door de NAS genoemde zorgpunten in de tweede rapportage opgenomen. Zodoende heeft verzoekster bij het lezen van het (tweede) concept-advies de punten kunnen inzien.

De minister is van mening dat de Raad verzoekster voldoende transparant heeft geïnformeerd. Transparantie hoeft naar zijn mening niet daadwerkelijke verstrekking van een document te betekenen. Ook informeren over de inhoud van dat document kan volgens hem als voldoende transparant worden aangemerkt. Verzoekster is volgens de minister tijdig, namelijk ten tijde van het onderzoek, geïnformeerd over de door de NAS genoemde zorgpunten.

De minister merkte in zijn reactie aan de Nationale ombudsman ten overvloede op: "dat er inmiddels een optimalisatie heeft plaatsgevonden ten aanzien van informatiedeling bij life-events. Dit betekent dat de CA zowel cliënten als de Raad op gelijke wijze schriftelijk informeert over de redenen van het verzoek om aanvullend onderzoek en eventuele aanvullende informatie die aan dat verzoek ten grondslag ligt."

Ten slotte deelde de minister mee dat de Raad uiteindelijk op andere punten dan de door de NAS genoemde punten heeft geconcludeerd dat verzoekster niet langer geschikt kon worden bevonden om een tweede adoptiekind op te nemen.

Hoe reageerde verzoekster?

Verzoekster stelde dat in de twee gesprekken die zij met de raadonderzoeker heeft gehad en in de e-mail van 9 juli 2014 de bewuste mogelijke risicofactoren niet als zodanig aan de orde waren gekomen. Aangezien zij deze in het tweede advies over het hoofd had gezien, raakte zij pas in de bezwaarprocedure tegen het intrekken van de beginsteltoestemming, van de mogelijke risicofactoren op de hoogte.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Vanuit de kernwaarde van open en duidelijk overheidsoptreden, toetst de Nationale ombudsman het handelen van de Raad aan het behoorlijkheidsvereiste van transparantie. Het vereiste houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet. Dit brengt mee dat de overheid tijdig duidelijke informatie aan de burger verstrekt.

De vraag ligt voor of de Raad open en voorspelbaar is geweest over de informatie die hij ter beschikking had bij het behandelen van het verzoek van de CA om onderzoek en advies naar de geschiktheid van verzoekster als (aspirant) adoptiemoeder.

Uit het e-mailverkeer tussen de Raad en de CA blijkt dat de transparantie van de mogelijke risicofactoren een issue was voor de Raad. De Raad zat met de vraag hoe verzoekster te informeren over de zorgen van de NAS over verzoekster; opgesomd als mogelijke risicofactoren.

Vaststaat dat de bewuste brief van 3 maart 2014 van de NAS niet in kopie aan verzoekster is toegezonden, noch door de Raad noch door de CA. Over wat de raadsonderzoeker in het gesprek met verzoekster in juli 2014 exact aan verzoekster heeft verteld, lopen de meningen uiteen.

Tevens staat vast dat de e-mail die de raadsonderzoeker vlak voor dat gesprek aan verzoekster toestuurde, geen opsomming geeft van de risicofactoren. En voorts staat vast dat de Raad bij het eerste advies geen openheid van zaken heeft gegeven. De Nationale ombudsman leidt dit af uit het verzoek van de CA aan de Raad om een nader onderzoek te doen waaruit moest blijken op welke wijze de Raad de door de NAS genoemde risicofactoren had meegenomen in zijn onderzoek en wat de conclusie van de Raad daarover was.

Ten slotte staat vast dat het tweede advies van de Raad wel een opsomming gaf van de risicofactoren, nu daar letterlijk onder de onderzoeksvragen de risicofactoren zijn opgenomen. De risicofactoren zijn echter niet opgesomd onder het kopje "Beschikbare informatie uit verzoek van de NAS aan de CA", maar onder "Onderzoeksvragen". Verzoekster heeft de opsomming bij de inzage over het hoofd gezien omdat ze dacht dat dat deel van het rapport gelijk was aan de eerste rapportage van mei 2014.

De minister stelt zich op het standpunt dat de Raad niet verplicht was om een kopie van de brief van 3 maart 2014 aan verzoekster te geven, maar dat de Raad het wel belangrijk vond om de inhoud van de brief met verzoekster te delen.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de Raad richting verzoekster eerder en duidelijker openheid van zaken had moeten geven. Indien de bewuste brief van de NAS meteen gedeeld was met verzoekster had de raadsonderzoeker in de gesprekken met verzoekster niet voor het hierboven geschetste dilemma gestaan en volledig transparant over de zorgen van de NAS met verzoekster kunnen praten. Nu dit niet is gebeurd, is de raadsonderzoeker omzichtig met de haar ter beschikking gestelde gegevens omgegaan en is het voor verzoekster tijdens het onderzoek van de Raad niet duidelijk geworden dat de NAS melding had gedaan van mogelijke risicofactoren. De Nationale ombudsman is op grond van het voorgaande van oordeel dat de Raad niet tijdig voldoende transparant is geweest over de door de NAS genoemde zorgpunten. De onderzochte gedraging is dan ook niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem is gegrond, wegens strijd met het vereiste van transparantie

Instemming

De Nationale ombudsman nam met instemming kennis van de hierboven genoemde toezegging van de minister dat de CA zowel cliënten als de Raad op gelijke wijze schriftelijk zal informeren over de redenen van het verzoek om aanvullend onderzoek en eventuele aanvullende informatie die aan dat verzoek ten grondslag ligt.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Achtergrond/bijlagen

Uit: Kwaliteitskader vergunninghouders interlandelijke adoptie 2008

Rol van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming verzorgt het gezinsonderzoek.

Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirantadoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands adoptiekind. In het onderzoek wordt vastgesteld welke beschermende en welke risicofactoren voor een adoptiekind in het gezin aanwezig zijn, hoe zich deze tot elkaar verhouden en welke uiteindelijk de doorslag geven om de minister van Justitie positief of negatief te adviseren over het verzoek om een beginseltoestemming te verlenen. In het gezinsrapport worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Daarnaast dient ten behoeve van het matchingsproces het rapport een helder beeld te geven van de mogelijkheden die aspirantadoptiefouders hebben om een special need kind, een sibling en/of ouder kind op te voeden en te verzorgen in die gevallen dat aspirant-adoptiefouders tijdens het onderzoek aangeven daartoe bereid te zijn. Tot slot geeft het rapport een heldere schets van het gezin en zijn netwerk.

Uit: Protocol Afstand, Screening, Adoptie en Afstammingsvragen (ASAA) 2013

3. Screening

3.1 Opneming buitenlands kind ter adoptie

3.1.2. Taak van de Raad

De Raad onderzoekt in opdracht van de Centrale Autoriteit van het Ministerie van Veiligheid en Justitie of de meerderjarige(n) die een buitenlands adoptiekind in het gezin wil(len) opnemen (de zogenaamde aspirant-adoptiefouder(s) en eventueel zijn of haar partner geschikt zijn voor het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie. De Raad brengt op basis van dit gezinsonderzoek een rapport met advies uit aan de Minister van Veiligheid en Justitie.

Het gezinsonderzoek van de Raad is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (huwelijkse) partner voor de verzorging en opvoeding van één of meerdere buitenlandse adoptiekinderen. In het onderzoek wordt vastgesteld welke beschermende factoren en welke risicofactoren voor een adoptiekind (al of niet met een speciale zorgbehoefte) in het gezin aanwezig zijn, hoe deze zich tot elkaar verhouden en welke uiteindelijk de doorslag geven om de Minister van Veiligheid en Justitie positief of negatief te adviseren over het verzoek om een beginseltoestemming te verlenen.

Bij de afweging van genoemde beschermende factoren en risicofactoren staat het belang van het op te nemen, weliswaar nog onbekende, kind centraal.

(…)

3.1.7

Overige onderzoeken

Bij een onderzoek voor een verlenging beginseltoestemming (BT) of een nader onderzoek in verband met gewijzigde bereidheid over een op te nemen kind of een feitelijke wijziging in de gezinssituatie, gaat de Raad na of alle gegevens in het eerder uitgebrachte gezinsrapport nog kloppen en wordt onderzocht of de actuele omstandigheden risicofactoren naar voren brengen die tot contra-indicaties leiden voor het eerder uitgebracht advies. Dit kan betekenen dat aanvragers opnieuw een medische verklaring dienen te overleggen. De Raad vraagt opnieuw informatie uit het Justitiële Documentatieregister op.

Opneming tweede en volgend kind

Bij een verzoek om opneming van een tweede en volgend kind onderzoekt de Raad naast de beschermende factoren en risicofactoren voor het eventuele toekomstige kind, tevens hoe de opneming van een eerder opgenomen adoptiekind is verlopen en hoe het adoptiekind in het gezin, ook ten aanzien van de reeds aanwezige kinderen, is ingegroeid. Tevens onderzoekt de Raad wat de opneming van een tweede of volgend kind voor het gezin en de daarin reeds aanwezige kinderen zal betekenen.

Notes

[←1]

De minister van Veiligheid en Justitie was tijdens het onderzoek de bevoegde bewindspersoon en wordt in dit rapport (en in bovenstaand schema) als zodanig of verkort als minister aangeduid.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/149