2017/148 Openbaar Ministerie te Limburg weigert rechterlijke uitspraak bij faillissement uit te voeren

moet het Openbaar Ministerie (OM) het in beslag genomen geldbedrag naar de curator overmaken. Het OM weigert dit. De curator klaagt hierover bij de Nationale ombudsman. Ook klaagt hij over de trage wijze van reageren van het OM op zijn verzoeken om teruggave om zo het faillissement af te ronden. De Nationale ombudsman vraagt het OM en de minister om zo snel mogelijk in overleg te gaan met de curator om tot een oplossing te komen.

Instantie: Openbaar Ministier te Limburg

Klacht:

geen uitvoering gegeven aan de beschikking van de rechtbank Limburg van 23 september 2014.

Oordeel: gegrond

Instantie: Openbaar Ministier te Limburg en College van procureurs-generaal

Klacht:

trage wijze van reageren op verzoeken om teruggave waardoor verzoeker als curator het faillissement niet kon afronden

Oordeel: gegrond

Een curator in het faillissement van de besloten vennootschap W. klaagt er bij de Nationale ombudsman over dat het Openbaar Ministerie (OM) geen uitvoering geeft aan een beschikking van de rechtbank. In 2006 werd de vennootschap failliet verklaard. Al vanaf 2003 liep er een strafrechtelijk onderzoek naar deze vennootschap en diens bestuurders ter zake van een vermoeden van fiscale fraude. In dat kader had het OM executoriaal derdenbeslag gelegd op de gelden van W. Het ging om een bedrag van 650.000, - Euro. De curator informeerde sinds 2006 regelmatig bij de zaaksofficier naar de voortgang in de strafzaak. De zaaksofficier liet steeds weten dat het onderzoek moeizaam verliep omdat de zaak complex was en er in en van buiten Nederland ook rechtshulpverzoeken liepen.

In 2014 informeerde de curator opnieuw telefonisch en toen bleek dat al eerder besloten was geen rechtsvervolging in te stellen. Omdat het de taak is van de curator het faillissement voortvarend af te wikkelen verzocht hij het OM het beslag over de tegoeden van de vennootschap op te heffen en het geld ten behoeve van de boedel aan zijn rekening als curator over te maken. Het OM weigerde dit.

Eerst werd gezegd dat onduidelijk was waar het geld was gebleven, later verklaarde het OM dat het bedrag al in 2005 was verrekend met openstaande vorderingen van de fiscus.

De curator diende daarop beklag in bij de rechtbank en verzocht het beslag op te heffen. De officier voerde schriftelijk verweer en verzocht om uitstel t. Het uitgebreide verzoekschrift van de curator werd vervolgens op de zitting in aanwezigheid van de officier behandeld. De officier refereerde zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank wees in een beschikking van 23 september 2014 het verzoek van de curator toe en beval het OM het beslag op te heffen en het geld over te maken aan de curator.

De curator wilde het faillissement afwikkelen en verzocht het OM om uitvoering van de beschikking. Het OM weigerde dit en liet weten dat het geld al in 2005 verrekend was met de fiscus. De curator vroeg het OM om met hem in overleg te treden hoe dit verder afgewikkeld moest worden. Het OM beloofde een reactie te geven maar toen begin 2017 nog steeds geen inhoudelijke reactie was gekomen en evenmin een gesprek legde hij twee klachten voor aan de ombudsman. De eerste betrof de weigering de beschikking van de rechtbank uit te voeren, de tweede betrof de klacht dat het OM zo traag reageerde op verzoek om informatie en overleg. De ombudsman verklaarde de eerste klacht gegrond wegens strijd met het vereiste van voortvarendheid, de tweede klacht wegens strijd met het vereiste van betrouwbaarheid. De ombudsman deed de aanbeveling aan het OM en de verantwoordelijke minister van Justitie en Veiligheid om zo snel mogelijk in overleg te treden met de curator.

Wat is de klacht?

Verzoeker, curator in het faillissement van de besloten vennootschap W., klaagt erover dat het Openbaar Ministerie te Limburg geen uitvoering geeft
aan de beschikking van de rechtbank Limburg van 23 september 2014. In deze beschikking heeft de rechtbank de teruggave van een geldbedrag van
€ 605.000, - aan de curator gelast.

Tevens klaagt verzoeker over de trage wijze van reageren van het Openbaar Ministerie Limburg en het College van procureurs-generaal op zijn verzoeken om teruggave waardoor hij als curator het faillissement niet kan afronden. In feite heeft hij nooit een inhoudelijke reactie ontvangen op zijn verzoek om advies over de afdoening van zijn schadeclaim.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

Strafrechtelijk onderzoek naar de besloten vennootschap W.
Bij vonnis van 4 oktober 2006 verklaarde de rechtbank Limburg (toen nog rechtbank Maastricht geheten) de besloten vennootschap W. in staat van faillissement met aanstelling van verzoeker tot curator. Het verzoek tot faillietverklaring was gedaan door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en het College Zorgverzekeringen (thans Zorginstituut Nederland) omdat de besloten vennootschap W. niet langer
aan zijn werkgeversverplichtingen kon voldoen.

Op het moment van faillietverklaring liep er al (vanaf 2003) een strafrechtelijk onderzoek naar (onder meer) deze besloten vennootschap (en diens bestuurders) ter zake van een vermoeden van fiscale fraude. In het kader van dit onderzoek legde het Openbaar Ministerie op 20 november 2003 executoriaal derdenbeslag op een bedrag van
€ 605.000, - van de besloten vennootschap W. In 2006 heeft de officier van justitie een kennisgeving van verdere vervolging gedaan.
Verzoeker informeert in zijn hoedanigheid van curator om de zoveel tijd bij het Openbaar Ministerie naar het verloop van het strafrechtelijke onderzoek. Zolang het onderzoek loopt en het beslag er ligt kan hij nog geen stappen zetten ter afwikkeling van het faillissement van de besloten vennootschap W. Hij verneemt steeds van de zaaksofficier dat de zaak gecompliceerd is omdat er meerdere verdachten zijn zowel in Nederland als daarbuiten. Ook lopen er diverse rechtshulpverzoeken in en van andere landen waardoor het onderzoek moeizaam vordert.

Sepot voor de besloten vennootschap W.
Als verzoeker begin 2014 opnieuw telefonisch contact heeft met de zaaksofficier verneemt hij terloops dat de strafzaak tegen de besloten vennootschap W. maar ook tegen alle andere verdachten in deze zaak is geseponeerd. Verzoeker vraagt daarop schriftelijk aan de zaaksofficier om een bevestiging en om teruggave van het in beslag genomen geld. Op 28 april 2014 bevestigt de zaaksofficier hem schriftelijk dat de strafzaak door het Openbaar Ministerie is geseponeerd. Dit is gebeurd wegens onregelmatigheden in het onderzoek. Verzoeker schrijft daarop de zaaksofficier nogmaals aan met het verzoek zo spoedig mogelijk het in beslag genomen geld over te maken aan de boedel. Daarop komt als reactie van het OM aan verzoeker de vraag in welke hoedanigheid hij dit vraagt. En hoe het door hem genoemde bedrag is vastgesteld.

Verzoek opheffing beslag en teruggave geld
Verzoeker dient daarop op 29 april 2014 bij de Rechtbank Limburg een klaagschrift op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering in (zie Achtergrond, onder 1.), strekkende tot opheffing van de onder de besloten vennootschap W. gelegde beslagen en tot teruggave aan de curator van het bedrag van € 605.000, -. Dit klaagschrift is uitvoerig gemotiveerd en voorzien van diverse producties waaronder meerdere brieven van de Belastingdienst aan de besloten vennootschap W. De behandelende officier van justitie van het functioneel parket Den Bosch stuurt op 22 juli 2014 een brief naar de rechtbank. In deze brief wijst hij de rechtbank op de brieven van de Belastingdienst van 10 januari 2006 en van 7 februari 2006, waarin de Belastingdienst uiteenzet welke aanslagen zijn verrekend met de van het Openbaar Ministerie ontvangen bedragen.
De rechtbank geeft op 23 september 2014 een beschikking op het klaagschrift. Uit deze beschikking blijkt dat de inhoudelijke behandeling op 9 september 2014 heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de officier van justitie en verzoeker als curator bijgestaan door zijn advocaat. De officier van justitie heeft zich, hoewel hij dus de rechtbank eerst op 22 juli 2014 heeft geïnformeerd zich vervolgens ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave aan de boedel van het gevraagde bedrag. De rechtbank overweegt dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de teruggave. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie geen rechtsmiddel ingesteld zodat de beschikking onherroepelijk is worden.

Uitvoering beschikking rechtbank
Ondanks herhaalde verzoeken van verzoeker daartoe weigert het Openbaar Ministerie om gevolg te geven aan de beschikking van de rechtbank. Op 26 maart 2015 laat de zaaksofficier per brief aan verzoeker weten dat de gelden al zijn teruggegeven aan de besloten vennootschap door verrekening met de belastingdienst in 2005, dus nog voor het faillissement was uitgesproken. Naar aanleiding van deze weigering dient verzoeker in zijn hoedanigheid van curator op 19 juni 2015 een "verzoek om advies over de afdoening van een schadeclaim" conform de Aanwijzing Inbeslagneming (Onder VIII) in bij het College van procureurs-generaal (hierna: "het College") in (zie Achtergrond, onder 2.). Als een reactie uitblijft, stuurt verzoeker op 6 augustus 2015 het College een rappel.
Hierna belt verzoeker zowel 7 als op 13 augustus 2015 met een medewerker van de afdeling bestuurlijke en juridische zaken van het College om duidelijkheid te verkrijgen. Hij krijgt de toezegging dat er spoedig een reactie komt.

Op 17 augustus 2015 ontvangt verzoeker inderdaad een brief van het College waarin hem wordt meegedeeld dat ondanks de gedane beloftes, het verzoek om advies nog in behandeling is. Het College heeft aanvullende vragen gesteld aan het Functioneel Parket en zal na ontvangst van de antwoorden verzoeker nader berichten. Verzoeker uit in een brief van 18 augustus 2015 zijn onvrede over deze gang van zaken aan het College.

Er komt geen reactie op deze brief. Op 27 augustus 2015 belt verzoeker nogmaals naar het College. Ditmaal doet een medewerker van het College de toezegging dat men zijn uiterste best zal doen om op 2 september 2015 inhoudelijk te reageren op het verzoek om advies. Echter ook deze belofte komt het College niet na.
Op 3 september 2015 schrijft verzoeker het College nogmaals aan. Respons blijft - ondanks herhaaldelijk telefonisch rappelleren opnieuw – maandenlang - uit.

Op 16 februari 2016 neemt verzoeker nogmaals contact op met het College. Hem wordt beloofd dat hij op 17 februari 2016 wordt teruggebeld. Ook deze belofte wordt niet nagekomen. Op 23 februari 2016 schrijft verzoeker het College opnieuw een brief met het dringende verzoek een besluit te nemen op zijn verzoek.

Visie landsadvocaat
Medio maart 2016 draagt het College de zaak over aan de landsadvocaat. De reactie van de landsadvocaat komt twee maanden later in de vorm van een brief gedateerd 24 mei 2016. In deze brief geeft de landsadvocaat dezelfde argumenten die schriftelijk bij de rechtbank al door het Openbaar Ministerie naar voren zijn gebracht. De landsadvocaat brengt opnieuw naar voren dat het bedrag van € 605.000, - al zou zijn terugbetaald althans verrekend. In oktober 2005 zouden er door het Openbaar Ministerie al bedragen zijn overgemaakt aan de Belastingdienst, zodat deze daaruit openstaande aanslagen kon voldoen van de vennootschappen en natuurlijke personen die naar aanleiding van het bij verzoeker bekende Belgische rechtshulpverzoek in beeld waren gekomen. Hierover zou overleg zijn gevoerd met betrokken partijen. De landsadvocaat verwijst naar jurisprudentie1 waaruit naar zijn mening kan worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie door afgifte van gelden aan de "Ontvanger ter voldoening van vorderingen van deze op de beslagene wordt gekweten ter zake van zijn verplichting tot teruggave aan de beslagene". Verderop in de brief wordt dit standpunt door de landsadvocaat genuanceerd doordat alleen voor een bepaald bedrag de overboeking inderdaad heeft geleid tot afboeking op aanslagen van de besloten vennootschap W.

Op het moment van de beklagzitting in 2014 was daarom het beslag al geëindigd, aldus de landsadvocaat. Dit had voor de rechtbank aanleiding moeten zijn het klaagschrift van verzoeker niet ontvankelijk te verklaren. De landsadvocaat leidt uit de stukken af dat de rechtbank op moment van de behandeling niet voldoende was geïnformeerd.
Verder erkent de landsadvocaat dat de last tot teruggave onherroepelijk is geworden. De Koninklijke weg was geweest als de officier van justitie in cassatie was gegaan. Daar is het niet van gekomen omdat de zaaksofficier pas kennis kreeg van de beschikking toen de termijn van cassatie al was verstreken, aldus de landsadvocaat.

Executie van de beschikking levert naar het oordeel van de landsadvocaat misbruik van recht op, enerzijds omdat deze beschikking berust op een juridische dan wel feitelijke misslag, anderzijds omdat de besloten vennootschap W. in redelijkheid geacht moet worden geen gebruik meer te mogen maken van zijn recht op uitwinning van de beschikking omdat door overboeking aan de belastingdienst en de afboeking op aanslagen haar schulden zijn verminderd.
Tot slot wordt uit coulance aan verzoeker als curator een bedrag aangeboden voor de extra werkzaamheden die hij boven de reguliere in deze zaak heeft verricht.

Visie verzoeker
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de gronden waarop wordt besloten om niet tot teruggave over te gaan zowel juridisch als feitelijk onjuist zijn. In de procedure bij de rechtbank is inhoudelijk op al deze argumenten gereageerd. De rechtbank was op de hoogte van de betaling in 2005 aan de Belastingdienst en heeft ondanks dit verrekenings verweer, besloten tot teruggave van de € 605.000, -. Dit heeft verzoeker in zijn brief van 23 september 2016 aan de landsadvocaat opnieuw kenbaar gemaakt. Zo wijst verzoeker de landsadvocaat er op dat een vordering ex artikel 19 lid 5 Invorderingswet (Zie Achtergrond, onder 3.) in dit geval ontbrak en dat de verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad daarom onjuist was. Deze beschikking van 23 september 2014 is onherroepelijk en daarom dient de Staat deze na te komen, aldus verzoeker.

Verzoek om onderzoek Nationale ombudsman
Als verzoeker van de landsadvocaat geen reactie krijgt op zijn brief van 23 september 2016 belt hij eind december 2016 de landsadvocaat met het verzoek om in conclaaf te gaan met alle betrokken partijen, teneinde zo tot een oplossing te komen.
De landsadvocaat belooft hem daarop halverwege januari 2017 te reageren. Echter, ondanks herhaald rappelleren krijgt verzoeker - wederom - geen respons van de landsadvocaat.

Hierop wendt verzoeker zich op 21 februari 2017 tot de Nationale ombudsman.
Verzoeker benadrukt in zijn verzoekschrift kort samengevat het maatschappelijk belang van de trias politica. De historie heeft al uitgewezen dat een doorbreken van de scheiding der machten gepaard gaat met willekeur en zelfs dictatoriale onderdrukking. Juist om deze reden dient er respect te zijn voor de rechtstaat, de scheiding der machten en dus ook voor rechterlijke uitspraken. De uitvoerende macht en de politiek dienen deze te respecteren. Van dit respect is bij Openbaar Ministerie geen sprake, aldus verzoeker. Deze doorbreekt de scheiding der machten en 'speelt voor eigen rechter'. Daarbij lijkt het het Openbaar Ministerie niet te interesseren dat het hiermee een van de fundamenten van de rechtstaat, zijnde de trias politica, naast zich neerlegt. Vooral gezien de bovengenoemde huidige maatschappelijke ontwikkelingen is dit onacceptabel en dient precedentwerking te worden voorkomen.

Reactie van het Openbaar Ministerie op het verslag van bevindingen

Bij brief van 15 september 2017 reageerde het College van procureurs-generaal op de bevindingen van de Nationale ombudsman. De inhoud van deze brief wordt hier kort samengevat weergegeven.
Allereerst liet het Openbaar Ministerie weten het te betreuren dat deze zaak van verzoeker langer is blijven liggen dan wenselijk is en dat de klacht daarom op dit punt gegrond is. Het Openbaar Ministerie wees daarbij op de brief van de landsadvocaat van 26 mei 2016 waarin ook al was erkend dat verzoeker te lang had moeten wachten. Om die reden was hem als curator een bedrag van 5000,- Euro aangeboden voor de extra werkzaamheden, of indien dit bedrag te laag was is hem gevraagd om met een gespecificeerde opgave van de extra werkzaamheden te komen.

Verder gaf het Openbaar Ministerie aan dat het verslag van bevindingen een aantal feitelijke onjuistheden zou bevatten of uit zou gaan van een aantal onjuiste veronderstellingen. Daarnaast lijken de bevindingen voorbij te gaan aan de inhoudelijke argumenten die door de Landsadvocaat in zijn brief van 26 mei 2016 naar voren zijn gebracht, aldus het Openbaar Ministerie

De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van deze reactie het verslag van bevindingen op een aantal punten aangepast. Op andere punten zag hij geen aanleiding tot aanpassing zoals ten aanzien van het volgende:

In de reactie wordt melding gemaakt van een brief van de landsadvocaat van 17 februari 2017 aan verzoeker. Deze brief was de Nationale ombudsman niet eerder bekend. De Nationale ombudsman heeft nu kennis genomen van deze brief maar ziet geen aanknopingspunten om het verslag van bevindingen naar aanleiding van deze brief verder aan te passen. De brief bevat met name een nadere onderbouwing van de stelling dat de rechter bij het nemen van zijn beschikking op 23 september 2014 onvoldoende op de hoogte zou zijn geweest van de feiten.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

BEOORDELING

Ten aanzien van het niet opvolgen van de rechterlijke uitspraak

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid binnen het wettelijk kader en eerlijk en oprecht handelt, doet wat zij zegt en gevolg geeft aan rechterlijke uitspraken. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie uitspraken van rechters respecteert en de plicht heeft de rechterlijke uitspraken uit te voeren.

Op grond van het onderzoek stelt de ombudsman het volgende vast. Verzoeker wenst in zijn hoedanigheid van curator het faillissement van de besloten vennootschap W. af te wikkelen. Zodra hem in 2014 bekend werd dat het Openbaar Ministerie had besloten de zaak tegen de besloten vennootschap W. en de bestuurders te seponeren, heeft hij het Openbaar Ministerie verzocht het geld waarop beslag was gelegd in het kader van de strafzaak aan hem over te maken. Dit deed hij in zijn hoedanigheid van curator en met de bedoeling het faillissement dat al vanaf 2006 liep, af te wikkelen. Toen daar niet op werd gereageerd, heeft hij een gemotiveerd klaagschrift ingediend bij de rechtbank Limburg teneinde het inbeslaggenomen geldbedrag via een rechterlijk vonnis terug te krijgen ten behoeve van de boedel.
De zaaksofficier heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nadat hij de rechtbank per brief had geïnformeerd over de gedane verrekeningen via de Belastingdienst. Zonder een inhoudelijk oordeel over de zaak te willen vellen, merkt de ombudsman op dat het onduidelijk is op grond van welke titel de verrekening in 2005 via de Belastingdienst heeft plaatsgevonden. Daarnaast lijkt het duidelijk dat dit geld slechts gedeeltelijk is aangewend ten behoeve van het inlossen van schulden van de besloten vennootschap W. Dit heeft de landsadvocaat ook in zijn brief van 26 mei 2016 aan verzoeker laten weten. Eveneens wordt in deze brief toegegeven dat de Koninklijke weg in dit dossier was geweest dat de officier van justitie cassatie had ingesteld bij de Hoge Raad. Dit is volgens de landsadvocaat niet gebeurd omdat de zaaksofficier pas kennis kreeg van het vonnis na het verstrijken van de termijn van cassatieberoep.

De Nationale ombudsman concludeert dan ook dat de beschikking van 23 september 2014 onherroepelijk is geworden. De rechter gelastte de teruggave van het bedrag van € 605.000, - aan de curator. De Nationale ombudsman acht het dan ook onjuist dat het Openbaar Ministerie de beslissing van de rechter naast zich neerlegt en ook niet reageert op verzoeken om in overleg te treden. Door zo te handelen heeft het Openbare Ministerie gehandeld in strijd met het vereiste van betrouwbaarheid. De Nationale ombudsman ziet in de weigering van het Openbaar Ministerie om in overleg te treden aanleiding tot het doen van een aanbeveling.

De klacht over de onderzochte gedraging van Openbaar Ministerie te Limburg is op dit punt gegrond.

Met betrekking tot de trage wijze van reageren op verzoek

Het vereiste van voortvarendheid houdt in dat de overheid zo snel en slagvaardig als mogelijk handelt. Dit betekent onder meer dat het Openbaar Ministerie inhoudelijk reageert op telefonische en schriftelijke verzoeken. In geval van complexe verzoeken dient zij aan te geven op welke termijn de belanghebbende een antwoord kan verwachten. Zeker waar het een door de rechtbank aangewezen curator betreft die belast is met het regelen van een failliete boedel is het van groot belang dat er snel duidelijkheid komt.

Uit het onderzoek blijkt dat verzoeker nadat de rechtbank op 23 september 2014 een beschikking heeft afgegeven over de teruggave van het in beslag genomen geld aan de curator vele malen contact heeft gezocht met het Openbaar Ministerie teneinde de teruggave te bevorderen. Het heeft meer dan een jaar geduurd - en een groot aantal brieven en telefoongesprekken - voordat überhaupt een inhoudelijke reactie is ontvangen van het College. Het verzoek is bovendien doorverwezen naar de landsadvocaat en niet zelf door het College, het adviesorgaan in deze, in behandeling genomen. Tot op heden is aldus nog steeds geen advies gegeven naar aanleiding van het verzoek van verzoeker van 19 juni 2015. De hele gang van zaken levert een ontluisterend beeld op van een telkens weer te kort schietend Openbaar Ministerie (en het door het Openbaar Ministerie ingeschakelde landsadvocaat) dat toezeggingen niet nakomt, inadequaat informeert en geheel voorbij gaat aan de belangen die een curator in een faillissement hoort te dienen. De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat het vereiste van voortvarendheid meermaals is geschonden. Dit klemt des te meer nu verzoeker in zijn hoedanigheid van curator handelt en op grond van deze wettelijke taak vanuit het algemeen belang de opdracht heeft het faillissement zo spoedig mogelijk af te ronden en daarin nu wordt belemmerd.

De klacht over de onderzochte gedraging van Openbaar Ministerie te Limburg is ook op dit punt gegrond.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft de minister van Justitie en Veiligheid ernstig in overweging om zo spoedig mogelijk alsnog in te gaan op het verzoek van verzoeker van eind 2016 om in conclaaf te gaan met alle partijen, teneinde tot een oplossing te komen ter zake van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Limburg van
23 september 2014.

De Nationale ombudsman

Reinier van Zutphen

1. Wetboek van Strafvordering

  1. Artikel 552a

De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125o, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing…"

2. Aanwijzing inbeslagneming (Artikel 94)

Iedere belanghebbende kan zich met een klacht of schadeclaim rechtstreeks wenden tot de voor het beslag verantwoordelijke instantie. Dit zijn de opsporingsinstantie (vaak: de regiopolitie), de bewaarder (vaak: de Dienst Domeinen Roerende Zaken) of het OM. De belanghebbende kan terecht bij:

1.(…)

2.(…)

3. het OM wanneer de klacht of claim voortvloeit uit handelen van het OM.

Het uitgangspunt is dat de door de belanghebbende aangezochte instantie zoveel mogelijk zelfstandig de klacht of schadeclaim afdoet en dat doorverwijzing naar een andere instantie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Van een overdracht en de redenen daarvoor wordt de belanghebbende in kennis gesteld. Voordat een klacht of schadeclaim wordt doorverwezen vindt eerst telefonisch overleg plaats om te voorkomen dat de klager later opnieuw moet worden doorverwezen.

Indien sprake is van een klacht waarvoor het OM verantwoordelijk is, handelt het betrokken OM-onderdeel de klacht zelfstandig af. Dit doet het OM-onderdeel ook wanneer het OM nog niet in kennis is gesteld van de inbeslagneming (bijvoorbeeld omdat het proces-verbaal nog niet is ingezonden), maar het beslag wel is gelegd onder gezag van het OM. In dergelijke situaties verwijst het OM de belanghebbende niet door naar de opsporingsinstantie, maar wint het OM informatie in bij die instantie.

Indien de belanghebbende verzoekt om schadevergoeding bij het OM, stuurt het betrokken OM-onderdeel de schadeclaim door aan het College van procureurs-generaal met een beoordeling van de zaak (inhoudende de voor de beoordeling van de zaak relevante feiten en omstandigheden) alsmede een advies omtrent afdoening van de schadeclaim. Ook van deze overdracht wordt de belanghebbende in kennis gesteld. Het betrokken OM-onderdeel doet geen toezeggingen aan de belanghebbende over de wijze van afhandeling.

Voordat een van de ketenpartners overgaat tot uitkering van een schadevergoeding, stemt deze af met de andere ketenpartners om te voorkomen dat schade meermaals wordt vergoed.

3. Invorderingswet

Hoofdstuk III. Dwanginvordering

Artikel 19 lid 5

De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de derde volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.

Faillissementswet

Artikel 53

1.Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.

2. De vordering op de gefailleerde wordt zonodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld.

3.De curator kan geen beroep doen op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Notes

[←1]

HR 22 juni 1982, NJ 1983,122

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/148