2017/142 Politie Den Haag houdt tandtechnicus aan en voert hem geboeid af naar politiebureau ten overstaan van zijn omgeving

Een tandtechnicus en tandarts delen een gebouw. Ze hebben een problematische relatie en de tandarts belt de politie Den Haag omdat hij zou zijn mishandeld door de tandtechnicus. De politie loopt het laboratorium van de tandtechnicus binnen die net bezig is met een angstige patiënt. De politie sommeert de tandtechnicus direct uit zijn behandelkamer te komen, houdt hem aan, gebruikt een nekklem en fysiek geweld en neemt hem mee naar het bureau. Een dag later seponeert de officier van justitie de aangifte van de tandarts. De Nationale ombudsman vindt dat de politie de tandtechnicus niet direct met geweld had moeten aanhouden, boeien en ten overstaan van de omgeving af te voeren naar het politiebureau.

Instantie: Politie eenheid Den Haag

Klacht:

twee politieambtenaren hebben disproportioneel gehandeld

Oordeel: gegrond

Verzoeker had al langere tijd een conflict met X. In dat kader was de politie er meerdere keren bij betrokken geweest. Naar aanleiding van een nieuwe melding van X dat er een mishandeling had plaatsgevonden, werden twee politieambtenaren naar het kantoorpand gestuurd waarin verzoeker en X iedere hun eigen bedrijf hebben. Van X hoorden de politieambtenaren dat hij al langere tijd ene conflict had met verzoeker en dat deze hem had mishandeld. X toonde een verkleuring op zijn arm en zei dat hij pijn had. Hierna gingen de politieambtenaren naar verzoekers bedrijf en vroegen aan een medewerker of zij met verzoeker konden spreken. De medewerker klopte op de deur van verzoekers behandelkamer met de mededeling dat er politie stond en of verzoeker uit zijn behandelkamer wilde komen. Verzoeker liet weten dat hij met een drietal minuten klaar zou zijn met zijn intakegesprek met een nieuwe patiënt. Verzoeker kreeg onmiddellijk in reactie hierop te horen dat hij direct moest komen en dat de politie hem anders uit zijn behandelkamer zou halen. Verzoeker kwam direct uit de behandelkamer.

Verzoeker klaagde erover dat twee politieambtenaren van de eenheid Den Haag disproportioneel hadden gehandeld door hem, niet in staat te stellen om een gesprek met een nieuwe patiënt af te laten ronden; direct aan te houden en niet eerst zijn kant van het verhaal te laten vertellen; niet in de hal bij zijn praktijkruimte mee te delen waarom hij werd aangehouden; met fysiek geweld aan te houden; te boeien, en, ten overstaan van patiënten en de buurtbewoners geboeid af te voeren. Omdat het één gebeurtenis betrof, werden alle hierboven uitgesplitste klachtonderdelen als één klacht onderzocht.

De Nationale ombudsman was van oordeel dat voorinformatie over een conflict tussen twee personen ook dient te worden meegewogen bij de beslissing of één van de partijen direct dient te worden aangehouden of op een ander moment na uitnodiging op het politiebureau, kan worden gehoord.
Het letsel van X, was verder niet dermate ernstig dat dit geen uitstel van een aanhouding zou kunnen rechtvaardigen. Verder waren zowel verzoeker als X na de confrontatie weer rustig verder gegaan met hun werkzaamheden van die dag. Verzoeker had op geen enkele manier van de politieambtenaren de kans gekregen om zijn kant van het verhaal te vertellen.
De Nationale ombudsman was van oordeel dat de houding en het gedrag van de beide politieambtenaren onnodig escalerend hadden gewerkt. In plaats daarvan had de politie in dit geval voor een minder belastende en de-escalerende werkwijze kunnen kiezen. Omdat dat niet was gedaan, was de Nationale ombudsman van oordeel dat de politie had gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

Aanleiding

Verzoeker heeft een tandtechnisch laboratorium dat in een kantoorpand is gevestigd. In dezelfde gang waaraan zijn praktijk grenst, bevindt zich een tandartspraktijk van tandarts X. Met X heeft verzoeker al langere tijd een problematische relatie. In dat kader is de politie al meerdere keren in reactie op meldingen bij verzoeker en X langs geweest.

Naar aanleiding van een melding van X op 7 december 2015 dat er een mishandeling had plaatsgevonden, werden politieambtenaren W. en L. naar het kantoorpand gestuurd waarin verzoeker en X hun bedrijf hebben.

In eerste instantie spraken de politieambtenaren V., een medewerker van verzoeker, aan. Deze maakte duidelijk dat zij de politie niet hadden gebeld waarna de politieambtenaren naar buiten gingen.

Van X hoorden de politieambtenaren W. en L. dat verzoeker hem had mishandeld. X toonde een verkleuring op zijn arm en zei dat hij pijn had. X gaf aan dat hij tegen verzoeker aangifte wilde doen van mishandeling.

Na ongeveer tien minuten liepen de politieambtenaren weer terug naar het tandtechnisch laboratorium van verzoeker. Daar aangekomen spraken ze V. nogmaals aan. Verzoeker was op dat moment in zijn behandelkamer bezig met een intake gesprek met een nieuwe patiënte met angst voor de tandarts. V. klopte op de deur van verzoekers behandelkamer met de mededeling dat er politie stond en of verzoeker uit zijn behandelkamer wilde komen. Verzoeker liet weten dat hij met een drietal minuten klaar zou zijn (met zijn intakegesprek). Verzoeker kreeg onmiddellijk in reactie hierop te horen dat hij direct moest komen en dat de politie hem anders uit zijn behandelkamer zou halen. Verzoeker kwam direct uit de behandelkamer en zag twee politieambtenaren die er nogal boos en geïrriteerd uitzagen. Verzoeker werd verzocht om mee te gaan naar de gang. Verzoeker vroeg, gelet op zijn privacy, of ze in de kantine van zijn laboratorium konden praten maar dit stonden de politieambtenaren niet toe.

Verzoeker liep daarop mee naar de gang van het gebouw en deed de voordeur van het laboratorium achter zich dicht en bleef bij deze deur staan. De politieambtenaren deelden verzoeker daarop op mee dat hij mee moest naar het politiebureau. Verzoeker wilde weten waarom dat moest omdat er nog patiënten in zijn wachtkamer zaten. Hij kreeg niet te horen waarom hij mee moest. Volgens verzoeker was de reactie van de politieambtenaren daarop: "u werkt dus niet mee". Verzoeker pakte de deurknop vast van de voordeur van zijn laboratorium, maakte deze open en vroeg zijn medewerkers (V.) en (VV.) even naar de gang te komen.
Verzoeker werd vervolgens door de politieambtenaren met gebruik van een nekklem en fysiek geweld naar de grond gewerkt en geboeid. Hierna werd hij buiten over straat afgevoerd naar een politieauto die verderop op een ventweg stond geparkeerd.
Een dag later, (8 december 2015) besloot de officier van justitie om de aangifte van mishandeling die X tegen verzoeker had gedaan, wegens het ontbreken aan wettig en overtuigend bewijs te seponeren.
Naar aanleiding van de hiervoor beschreven gebeurtenissen diende verzoeker een klacht in bij de politie eenheid Den Haag. De politieklachtencommissie stelde tijdens de interne klachtbehandeling vast dat er sprake was van twee zeer verschillende lezingen. Er waren onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen die een van beide lezingen zouden kunnen ondersteunen. Op basis hiervan kon de politieklachtencommissie, zonder te speculeren hoe het anders had gekund of gemoeten, niet tot een redelijk objectief en weloverwogen advies voor een oordeel komen. Om die reden onthield de politiechef zich van het geven van een oordeel over de klachten.

Wat is de klacht?

Omdat verzoeker zich niet met het oordeel van de politiechef kon verenigen, verzocht hij op 20 april 2017 de Nationale ombudsman om een onderzoek in te stellen.

Verzoeker klaagt erover dat twee politieambtenaren van de eenheid Den Haag op 7 december 2015 disproportioneel hebben gehandeld door hem:
1. niet in staat te stellen om een gesprek met een nieuwe patiënt af te laten ronden;
2. direct aan te houden en niet eerst zijn kant van het verhaal te laten vertellen;
3. niet in de hal bij zijn praktijkruimte mee te delen waarom hij werd aangehouden;
4. hardhandig naar de grond te brengen,
5. te boeien, en,
6. ten overstaan van patiënten en de buurtbewoners geboeid af te voeren.

Omdat het één gebeurtenis betreft, worden alle hierboven uitgesplitste klachtonderdelen als één klacht onderzocht.

Bevindingen

1. Relaas van verzoeker

Verzoeker gaf aan dat wanneer de politie in reactie op meldingen van X bij verzoeker langskwam, hij telkens met de politieambtenaren in de kantinekamer ging zitten die zich in zijn laboratorium bevindt. Verzoeker kon dan onder het genot van een kop koffie altijd zijn kant van het verhaal vertellen waarna de politie weer vertrok.

Op vrijdag 4 december 2015 ging een patiënte van verzoeker per abuis in de wachtkamer van tandarts X zitten. Hoewel deze patiënte niet was ingeschreven in de praktijk van X, ging X toch zelf de röntgenfoto's (hierna: foto's) van haar gebit maken. Na het bemerken van de vergissing van de patiënte informeerde verzoeker op 7 december 2015 bij de tandartspraktijk van X of hij de foto's kon krijgen. In de praktijk van X kreeg verzoeker eerst van de assistente te horen dat de foto's waren gewist. Nadat verzoeker de assistente voorhield dat dat onrechtmatig was en de patiënte een klacht zou kunnen indienen, bleek dat de foto's toch niet waren gewist. De tandartsassistente deed de toezegging de foto's via de e-mail naar verzoeker te sturen. Nadat de betreffende foto's na iets langer dan een uur wachten nog niet naar verzoeker waren gemaild, ging verzoeker nogmaals naar de wachtruimte van X. Daar informeerde hij bij de tandartsassistente waar de foto's bleven. Verzoeker kreeg vervolgens van de tandartsassistente te horen dat X had bepaald dat de foto's niet naar verzoeker mochten worden gestuurd. Verzoeker bleef in de wachtkamer staan met de deurklink in zijn rechterhand. De tandartsassistente riep tandarts X erbij die volgens verzoeker vloekend en tierend op hem afkwam. X gaf aan dat hij wilde dat verzoeker diens praktijk zou verlaten. X zei dat hij, ondanks een eerdere toezegging door diens tandartsassistente, de foto's niet aan verzoeker zou geven. Volgens verzoeker pakte X hem vervolgens bij zijn rechterarm vast, waarop verzoeker X bij diens arm vastpakte om zichzelf uit de greep van X los te maken. Hierna deed verzoeker de deur dicht en liep hij terug naar zijn eigen praktijk.

Ongeveer een half uur later kwamen politieambtenaren W. en L. bij verzoekers laboratorium. Zij kregen van medewerker V. te horen dat zij de politie niet hadden gebeld. Volgens V. verlieten de beide politieambtenaren daarna het kantoorgebouw.
Na ongeveer tien minuten kwamen de politieambtenaren weer terug bij V. Nadat ze V. hadden aangesproken en verzoeker hadden meegedeeld dat hij direct uit de behandelkamer moest komen en anders daaruit zou worden gehaald, kwam verzoeker in de hal. De beide politieambtenaren zagen er volgens verzoeker nogal boos en geïrriteerd uit. Verzoeker werd verzocht om mee te gaan naar de gang. Verzoeker vroeg, gelet op zijn privacy, of ze in de kantine van zijn laboratorium konden praten maar dit stonden de politieambtenaren niet toe. Verzoeker liep daarop mee naar de gang van het gebouw en deed de voordeur van het laboratorium achter zich dicht en bleef staan. Verzoeker kreeg niet te horen waarom hij mee moest naar het politiebureau en opende weer de voordeur van zijn laboratorium om zijn medewerkers V. en VV. erbij te roepen.
Verzoeker werd na het openen van de voordeur van zijn laboratorium opeens door een politieambtenaar in een wurggreep genomen. Volgens verzoeker werkte hij niet tegen. Door de nekklem kon hij nauwelijks adem halen en praten. Hij werd hardhandig tegen de grond gewerkt. Verzoeker hoorde zijn werknemer VV. tegen de mannelijke politieambtenaar L. zeggen dat verzoeker net een hartinfarct had gehad en in het ziekenhuis was geopereerd. De politieambtenaar antwoordde daarop dat iedereen dat wel kon zeggen, aldus verzoeker.

Vervolgens werd verzoeker geboeid waarbij de handboeien te strak werden omgedaan. Hierna werd zijn keel losgelaten. Verzoeker vroeg direct of de handboeien losser konden omdat ze te strak zaten. Dit werd niet gedaan. De handboeien zaten zo strak dat er striemen waren te zien. Verzoeker had in de periode na de aanhouding last van zijn pols waardoor hij zijn werkzaamheden moeilijker kon uitvoeren. Volgens verzoeker is door het te strak omdoen van de handboeien waarschijnlijk een zenuw geraakt, waardoor hij tot op de dag van vandaag nog steeds last heeft van zijn hand. Verzoeker overlegde een viertal verslagen van een medisch specialist die in 2016 bij verzoeker neurologisch onderzoek had uitgevoerd. Uit deze verslagen kan worden opgemaakt dat verzoeker last heeft van zenuwschade aan zijn beide handen. Volgens de neuroloog is er geen therapie mogelijk om het zenuwletsel te repareren. Dit kan spontaan gebeuren maar ook maanden of jaren kosten. Volgens verzoeker staat op basis van de medische informatie inmiddels vast dat bij zijn beide handen schade is aan de zenuwen.

Verzoeker werd in zijn witte werkjas en met werkhandschoenen nog aan, een paar honderd meter over straat naar een verderop geparkeerde politieauto afgevoerd. Hij schaamde zich voor de buurt omdat hij vanuit zijn beleving als een zware crimineel werd afgevoerd. Vervolgens reed de politieauto volgens verzoeker met gierende banden weg en reed daarbij door rode verkeerslichten naar het politiebureau.
Op het politiebureau werden de handboeien afgedaan en zag verzoeker dat zijn linker pols aardig aan het bloeden was. Na een half uur kreeg hij een pleister. Na zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie voelde verzoeker pijn op zijn borst. Niet veel later kwam de GGD om een hartfilmpje te maken. Verzoeker kreeg te horen dat het filmpje er niet best uit zag. Later heeft verzoeker aangifte gedaan tegen X. Deze aangifte werd niet in behandeling genomen.

Volgens verzoeker had X een valse aangifte tegen hem gedaan en waren de betrokken politieambtenaren niet bekend met de achtergrond van de situatie (langer durend conflict met X). Naar de mening van verzoeker hadden de politieambtenaren vooraf, de context en de achtergrond van de situatie moeten checken.
De raadsman van verzoeker voert aan dat het vastpakken door verzoeker van de onderarm van de tandarts X weliswaar onder de term 'mishandeling' valt maar gezien (de geringe ernst van) het letsel is het de vraag of dit een dergelijk politieoptreden rechtvaardigt. Behoudens het weglopen, wordt geen ander gedrag van verzoeker beschreven wat het geweldgebruik tegen hem zou kunnen rechtvaardigen. Dit wordt volgens de raadsman door de getuigen V. en VV. bevestigd. Verzoeker is voor de ogen van zijn medewerkers en patiënten geheel onnodig en zeer gewelddadig aangehouden en geboeid. Volgens de raadsman van verzoeker hebben de politieambtenaren aangegeven dat zij verzoeker meerdere malen hebben gevraagd om mee te werken. Verzoeker zou hierop zijn weggelopen en de worsteling zijn begonnen. Zelfs indien verzoeker was weggelopen dan hadden de politieambtenaren niet mogen overgaan tot het hanteren van de nekklem. Er is volgens de raadsman immers niet gebleken dat verzoeker hard is weggerend en/of zich wilde onttrekken aan zijn aanhouding. Er was daarom ook geen reden om verzoeker te boeien.

Verzoeker betwist de juistheid van de verklaringen van de beide politieambtenaren. Volgens hem houden de politieambtenaren elkaar de hand boven het hoofd en hebben ze hun verklaringen op elkaar afgestemd. Wat verzoeker het ergste vindt, is dat de verhalen zijn verdraaid, passages zijn weggelaten en het zijn eigen schuld zou zijn dat hij zo is opgepakt.

2. Getuigen van het politieoptreden

V. en VV., medewerkers van verzoeker, hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen, hun verklaring op papier gezet. De eerste verklaring hebben zij op 8 december 2015
(één dag na het incident) op papier vastgelegd. Vervolgens hebben zij drie maanden later op 4 maart 2016 een tweede aanvullende verklaring op schrift gesteld. In deze verklaringen bevestigen zij verzoekers verhaal voor wat betreft de gebeurtenissen in het pand.

De politieambtenaren kwamen eerst vragen aan V. of zij hadden gebeld. Dat was niet het geval waarna de politieambtenaren weer weg gingen. Omstreeks 14:45 uur kwamen zij volgens V. behoorlijk opgefokt terug met de vraag of zij verzoeker konden spreken. V. stond hen te woord. Omdat verzoeker op dat moment een intakegesprek had met een patiënte, werd de politieambtenaren gevraagd of zij vijf minuten konden wachten en daarna het gesprek met verzoeker in de kantine van het laboratorium te voeren. Volgens VV. is zeker geen 20 minuten gezegd want de patiënt had een afspraak om 14:30 uur en er staat 15 minuten voor een gesprek. De volgende patiënt zat al te wachten in de wachtkamer. De politieambtenaren gaven aan dat zij niet gingen wachten en dat verzoeker direct moest komen anders dan zou verzoeker door hen uit de praktijkruimte worden gehaald.

Nadat verzoeker nog geen minuut met de politie in de gang was, vroeg hij of V. en zijn collega VV. er even bij mochten komen. Voordat zij bij de voordeur van het laboratorium waren aangekomen, was verzoeker al door één van de politieambtenaren met een nekklem vastgegrepen en naar de grond gedrukt. Volgens VV. kreeg verzoeker niet de kans om weg te lopen omdat de beide politieambtenaren hem al vasthielden. Verzoeker deed alleen maar de deur open om VV. en V. erbij te roepen.

Ten overstaan van drie patiënten die in de wachtkamer zaten, werd verzoeker geboeid. Volgens V. vonden deze patiënten het excessieve geweld van de politie overdreven. Door de handelwijze van de politieambtenaren is de situatie volledig geëscaleerd terwijl dit volgens VV. helemaal niet nodig was geweest. VV. begrijpt niet waarom de politieambtenaren zo geïrriteerd en gestrest waren geweest. Als zij rustig en kalm hadden gehandeld dan was het allemaal niet uit de hand gelopen.

3. Relaas van de betrokken politieambtenaren

Politieambtenaren W. en L. ontvingen op maandag 7 december 2015 omstreeks 14:15 uur van de centrale meldkamer de melding, dat er een handgemeen had plaatsgevonden bij een tandartspraktijk.
Nadat ze eerst bij een medewerker van verzoeker waren geweest die volgens hen lachend had verteld dat hij niet wist waarvoor zij kwamen, liepen ze naar de praktijkruimte van X. Tandarts X vertelde hen dat er al een tijd onenigheid was tussen hem en verzoeker. Volgens X kwam verzoeker verhaal halen in zijn praktijk. Verzoeker wilde dat X een foto van een patiënt zou meegeven. Omdat X aan het werk was en verzoeker niet in zijn praktijk wilde hebben, was X naar de deur gelopen en had hij verzoeker gevraagd om weg te gaan. Volgens X zou verzoeker hem met kracht bij zijn linker onderarm hebben vastgepakt en met kracht een draaiende beweging hebben gemaakt. W. zag een roodkleurige plek op de onderarm van X. X gaf aan pijn te hebben en aangifte te willen doen tegen verzoeker. Volgens X waren er in zijn praktijk diverse patiënten en zijn assistente die het voorval hadden gezien en daarover een getuigenverklaring wilden afleggen. Een patiënt die het had zien gebeuren, was ernstig geschrokken. Tijdens het gesprek dat verzoeker op 1 februari 2016 in het kader van de interne klachtbehandeling met politieambtenaren L. en W. had, verklaarde L. dat een getuige zou hebben gezegd dat verzoeker 'rake klappen' zou hebben uitgedeeld. Tegenover de politieklachtencommissie verklaarden W. en L. dat X 'beschadigde plekken' had op zijn arm. De assistente van X bevestigde het verhaal van X. Hierna liepen W. en L. naar het tandtechnisch laboratorium van verzoeker.

Volgens W. en L. was er sprake van een heterdaadsituatie, waren getuigen angstig en verbleven zowel de dader als het slachtoffer in hetzelfde gebouw. Zij konden het naar hun mening niet maken om de verdachte (verzoeker) in het gebouw achter te laten en later terug te komen of om verzoeker uit te nodigen op het politiebureau. Het risico dat beide partijen elkaar weer op zouden zoeken, was volgens de beide politieambtenaren zeer wel aanwezig. Op grond van deze redenen besloten zij om verzoeker aan te houden. Vervolgens liepen de beide politieambtenaren naar de praktijk van verzoeker.

Omstreeks 14:35 uur vroegen de politieambtenaren aan V. of hij wist waar verzoeker was. V deelde aan hen mee dat verzoeker in zijn praktijkruimte met een patiënt bezig was. W. en L. vroegen meerdere keren aan V. of zij verzoeker konden spreken en of hij verzoeker uit zijn spreekkamer wilde halen. Uiteindelijk zeiden ze tegen V: "of u haalt hem of wij halen hem." Zij zagen dat verzoeker uit zijn praktijk kwam en tegen de politieambtenaren zei: "jullie komen zeker voor de overburen?". De politieambtenaren beaamden dat omdat er een conflict zou zijn geweest. Volgens L. had verzoeker bij het aanspreken aangegeven dat zij maar 20 minuten moesten wachten.

Op het moment waarop verzoeker buiten kwam, hielden W. en L. hem aan voor mishandeling. Volgens W. hebben zij duidelijk aangegeven dat verzoeker werd aangehouden ter zake van mishandeling. Verzoeker reageerde daarop met: "Hier heb ik geen zin in, ik heb een patiënt, jullie wachten maar." Verzoeker liet aan hen weten dat hij niet met hen zou meegaan. De politieambtenaren waarschuwden verzoeker dat zij, indien hij niet zou meewerken, geweld konden gebruiken. Volgens W. hebben zij drie keer tegen verzoeker gezegd/aan hem gevraagd om mee te werken.

De politieambtenaren zagen dat verzoeker weg wilde lopen. Volgens L. draaide hij zijn rug naar hen toe. Volgens W. liep verzoeker weg. L. zei tegen verzoeker dat hij moest blijven staan en dat hij was aangehouden voor mishandeling. Verzoeker stond in de deuropening en zei: "ik ga niet mee". Politieambtenaar L. zei tegen verzoeker dat hij geweld zou gebruiken indien verzoeker niet mee zou gaan.

Verzoeker zei daarop dat hij dat dan maar moest doen. Zij pakten verzoeker bij zijn arm en trokken hem de hal in. Volgens W. hebben zij aan verzoeker uitgelegd dat het onderzoek verder zou gaan aan het politiebureau. Volgens W. luisterde verzoeker niet en uitte hij beledigingen richting haar en L. en schold hen uit. Volgens W. gaven zij herhaaldelijk aan dat het niet op deze wijze zou hoeven als verzoeker gewoon meewerkte. Volgens W. antwoordde verzoeker hierop in woord en gebaar dat hij niet mee zou gaan. L. pakte verzoeker bij zijn linkerarm en W. pakte verzoeker bij zijn rechterarm en trokken verzoeker uit zijn praktijk weg. Volgens de politieambtenaren bood verzoeker passief verzet tegen zijn aanhouding. Verzoeker brak zijn verzet niet waarop zij besloten om verzoeker tegen de grond te werken. Omdat in de omgeving van hen collega's van verzoeker stonden die zich met de aanhouding bemoeiden, was het niet mogelijk om pepperspray te gebruiken. L. legde bij verzoeker een nekklem aan en werkte hem begeleid naar de vloer. Op dat moment kwamen de medewerkers van verzoeker erbij. Volgens W. en L. hebben zij tot het uiterste gewacht om geweld tegen verzoeker te gebruiken.

4. Bekendheid met voorgeschiedenis conflict

De Nationale ombudsman ontving van de politie de volgende informatie uit het politiesysteem. Uit mutatierapporten kan worden opgemaakt dat voor het voorval waarover verzoeker klaagt, al een conflict was tussen hem en X en de politie hiervan wetenschap had.
De politie heeft in september 2011 geprobeerd om in het conflict te bemiddelen. Naar aanleiding van verzoek van X had de politie contact opgenomen met verzoeker die een heel ander verhaal vertelde dan X.
Op 30 april 2015 deed X de melding dat verzoeker helemaal over de rooie zou zijn en zou dreigen om de praktijk van X te vernielen. Na een gesprek met de melder X ging de politie eenheid naar verzoeker om zijn kant van het verhaal te horen. Volgens de politie moest het conflict over een compressor die teveel lawaai zou maken, civielrechtelijk worden opgelost. Desondanks kwam X later op de avond op het politiebureau en wilde aangifte doen tegen verzoeker.
Op 13 juli 2015 wilde X tegen verzoeker aangifte doen van vernieling van een alarmsysteem. Deze aangifte werd opgenomen. Verzoeker gaf op een later moment in reactie op de aangifte aan dat de politie destijds was langsgekomen en dat zij hadden gezegd dat er geen aangifte kon worden gedaan. Verzoeker verklaarde tijdens het verhoor dat hij het alarm had verwijderd maar dit niet in eigendom toebehoorde aan X maar van een bedrijf. De politie nam contact op met dit bedrijf. Het bedrijf was niet benadeeld en wilde geen aangifte doen tegen verzoeker.
Op 4 september 2015 deed verzoeker tegen X aangifte van smaad/laster. X had eerder tegen verzoeker aangifte van vernieling gedaan en die aangifte ingebracht in een arbitrage zaak. De politie stelde zich aldoor op het standpunt dat het conflict civielrechtelijk moest worden opgelost en niet strafrechtelijk. De officier van justitie verzocht de politie om de advocaat van X te verzoeken de door X tegen verzoeker gedane aangiften uit de arbitrage te halen. Verzoekers aangifte van smaad/laster werd geseponeerd.

Op 1 februari 2016 vond tussen de politie en een officier van justitie overleg plaats m.b.t. de tegenaangifte van verzoeker van mishandeling door X. X was, ondanks dat hij twee maal op het politiebureau was ontboden, niet verschenen. Op verzoekers rechterarm was volgens de politie een blauwe plek waargenomen. De officier van justitie besloot dat de tegenaangifte van verzoeker niet hoefde te worden opgepakt. Dit gezien het verleden tussen verzoeker en X waarbij over en weer steeds aangiften om niets worden gedaan en deze allemaal waren geseponeerd. Daarnaast betrof de aangifte om een blauwe plek naar het oordeel van de officier van justitie niet serieus een mishandeling (door X) maar pestgedrag. De aangifte van X van mishandeling was al op 8 december 2015 (N.B. één dag na het incident waarop verzoekers klacht betrekking heeft) door de officier van justitie geseponeerd op basis van het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Afspraak op locatie

Aan de toenmalige wijkagent H. in wiens werkgebied verzoekers praktijk is gevestigd, is door een medewerker van de Nationale ombudsman gevraagd of er destijds in het politieprocessensysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH) een 'afspraak op locatie'1 was opgenomen. Volgens H. is haar uit het bedrijfsprocessen systeem van de politie niet gebleken dat er een afspraak op locatie was gemaakt in de periode vóór 7 december 2015. Wel blijkt volgens H. dat er meerdere meldingen zijn geweest waar verschillende politiesurveillance eenheden bij zijn geweest.

Meldkamer informatie

Op verzoek van de Nationale ombudsman werd een uitdraai (zie bijlage 2) verstrekt van het contact tussen de meldkamer en politieambtenaren W. en L. (met roepnummer 4201). Uit deze uitdraai kan voor zover van belang voor het onderzoek het volgende worden opgemaakt. Om 14:02 uur wordt de melding uitgegeven dat er een handgemeen is geweest met een collega van een tandheelkundig centrum dat in hetzelfde pand is gevestigd. Die collega is wel teruggegaan naar zijn eigen praktijk maar de melder vraagt met spoed politie ter plaatse. Om 14:32 uur gaat een noodhulpeenheid (W. en L.) naar binnen. De aangifte (van X) wordt later opgenomen. Om 14:38:21 uur is de aanhouding (van verzoeker) verricht met verzet, nu onder controle. De melding heeft in het politieprocessensysteem de meldingsclassificatie: Politie: Leefmilieu, Conflict, Conflictbemiddeling.

Beoordeling van de klacht

Het evenredigheidsvereiste houdt in dat de politie bij de afhandeling van een melding de werkwijze kiest die voor een burger het minst bezwarend is en die een zo gering mogelijke inbreuk maakt op zijn persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit. In rapport 2017/071 en 2017/056 heeft de Nationale ombudsman eerder klachten over aanhoudingen aan dit vereiste getoetst.

De Nationale ombudsman stelt op basis van de beschikbaar gestelde politie informatie het volgende vast. Voorafgaand aan 7 december 2015 bestond tussen verzoeker en tandarts X al langere tijd een conflict waarbij X probeerde om de politie daarin te betrekken. Tot 7 december 2015 kon verzoeker iedere keer naar aanleiding van een melding of een aangifte, zijn kant van het verhaal aan de politie vertellen. Pas daarna maakte de politie of de officier van justitie de afweging welk vervolg aan de melding/aangifte van X zou worden gegeven. Verder bleek dat de aangiften en meldingen van X verband hielden met een civielrechtelijk probleem. Iedere keer bleek, ná de toelichting door verzoeker en eventueel nader politieonderzoek, dat de feiten die door X werden aangedragen anders waren, niet als strafbaar feit konden worden gekwalificeerd of minder heftig waren dan aanvankelijk door X aan de politie was gepresenteerd.

De politieambtenaren W. en L. hebben tijdens de interne klachtbehandeling verklaard dat op het adres van de melding al langere tijd wat speelde. Zij hadden van X begrepen dat er al een tijdje onenigheid was tussen hem en verzoeker.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat dergelijke voorinformatie over een conflict tussen twee personen ook dient te worden meegewogen bij de beslissing of één van de partijen direct dient te worden aangehouden of op een ander moment na uitnodiging op het politiebureau, kan worden gehoord.

De betrokken politieambtenaren W. en L. wogen in hun beslissing of zij verzoeker wel of niet zouden aanhouden, de volgende omstandigheden mee. Het betrof een heterdaadsituatie, er waren angstige getuigen en zowel de dader als het slachtoffer waren in hetzelfde gebouw aanwezig met het risico dat zij elkaar weer op zouden zoeken. Zij kwamen op basis hiervan tot de conclusie dat zij verzoeker moesten aanhouden. Zij hebben ten onrechte niet meegewogen dat er al een tijdje onenigheid was tussen X en verzoeker, terwijl zij daar via X wel van op de hoogte waren.

Hoewel de politieambtenaren op dat moment juridisch gezien bevoegd waren om verzoeker aan te houden, betekent dat nog niet automatisch dat de aanhouding daarmee ook behoorlijk was. In dat kader wordt getoetst aan het evenredigheidsvereiste waarbij de vraag centraal staat of er op dat moment minder bezwarende alternatieven mogelijk waren. De Nationale ombudsman stelt vast dat X niet zodanig door verzoeker fysiek was belaagd (volgens X zelfs mishandeld) dat hij als gevolg daarvan (vanwege angst, hevige pijn of letsel) zijn werkzaamheden niet meer kon voortzetten. Het letsel dat volgens W. aanvankelijk een 'roodkleurige plek' op de onderarm van X betrof en later volgens W. en L. 'beschadigde plekken' op zijn arm, was niet dermate ernstig dat dit geen uitstel van een aanhouding zou kunnen rechtvaardigen. Ook verzoeker is na de confrontatie met X weer rustig verder gegaan met zijn werkzaamheden van die dag. De Nationale ombudsman stelt in dat verband verder vast dat de officier van justitie had besloten om de aangifte van mishandeling die X tegen verzoeker had gedaan, al één dag na de aanhouding van verzoeker te seponeren vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ook de tegenaangifte die verzoeker vervolgens tegen X had gedaan, werd geseponeerd omdat het naar het oordeel van de officier van justitie niet serieus een mishandeling maar pestgedrag betrof.

De Nationale ombudsman stelt verder vast dat verzoeker op geen enkele manier de kans heeft gekregen om zijn kant van het verhaal te vertellen. De beslissing om hem aan te houden en van daaruit door te pakken, was al vóór het contact met verzoeker genomen.
Gelet op verzoekers eerdere ervaringen met de politie in relatie tot het conflict met X is het begrijpelijk dat hij op 7 december 2015 niet wist wat hem overkwam. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de houding en het gedrag van de beide politieambtenaren onnodig escalerend hebben gewerkt. In plaats daarvan had de politie in dit geval voor een minder belastende en de-escalerende werkwijze kunnen kiezen. De alternatieve benadering had eruit kunnen bestaan dat de politieambtenaren verzoeker direct hadden kunnen confronteren met het feit dat X had gemeld dat hij een half uur daarvoor door verzoeker zou zijn mishandeld. Verzoeker had vervolgens kort zijn kant van het verhaal kunnen vertellen. Na het aanhoren van het verhaal van verzoeker had de melding van X wellicht vanuit een ander perspectief kunnen worden bekeken.
Gelet op verzoekers meewerkende houding bij eerdere meldingen en zijn ervaring dat de politie na het aanhoren van zijn kant van het verhaal het geheel beter in perspectief zou kunnen plaatsen, is het zeer wel aannemelijk dat verzoeker net als alle voorafgaande keren, aan deze minder bezwarende werkwijze zou hebben meegewerkt.

Gelet op het voorgaande en de wetenschap dat verzoekers identiteit bekend was, is de Nationale ombudsman van oordeel dat de betrokken politieambtenaren hebben gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste door hem direct met gebruikmaking van fysiek geweld aan te houden, te boeien en ten overstaan van de werkomgeving af te voeren naar het politiebureau.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politie eenheid Den Haag die wordt toegerekend aan de politiechef van de regionale eenheid Den Haag is gegrond.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen


Achtergrond

1. Politiewet 2012

Artikel 7

"1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
(….)
5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn."


Bijlage

Incidenten detail
Nr Incident xxxxxx

YY, YY, YY X
Politie Organisatie: X - X
Aangenomen door Politie
Meldingsclassificaties
Politie: Leefmilieu, Conflict, Conflictbemiddeling
Brandweer: -, -, -
MKA: -, -, -
Karakteristieken
Aantal aanhoudingen 1
Aantal personen X
Betrokken Discipline: Ja
Melder X, YY, , X
Meldmoment: 7-dec-2015 14:00:48
Voertuigen
P
Roepnaam Soort Inzetrol Opdracht Verstrekt Ter plaatse
4201 Surv SurvDuo 7-dec-2015 14:04:28
Betrokken functionarissen
DTG opdracht Functiesoort
Kladblok
DTG kladblokregel Discipline Inhoud
14:01:47 P-- cfb
14:02:11 P-- is handgemeen geweest met collega van
                     tandheelkundig centrum die in t zelfde pand
                     gevestigd is
14:02:31 P-- die persoon is wel weer terug naar zn eigen 
                     praktijk maar md vraagt met spoed coll tp
14:32:17 P-- 4201 met de at naar binnen, wordt in overleg met
                     b42 de aangifte later opgenomen
14:34:21 P-- 4201 niet meer in de verbindingen
14:38:21 P-- 4201 1 at gemaakt met verzet nu onder controle
                     ri b42

Notes

[←1]

Naar aanleiding van één of meerdere eerdere incidenten kan door de politie worden besloten om voor de locatie waarop deze incidenten zich afspeelden, een 'afspraak op locatie' in de computer te zetten. Wanneer op een later moment vanaf die locatie bij de politie een nieuwe melding binnenkomt, dan verschijnt die afspraak op het computerbeeldscherm

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/142