2017/133 Politie Den Haag houdt man ten onrechte aan door fout in politiesysteem

Een man is nietsvermoedend op straat bezig met zijn auto. Hij wordt vervolgens met geweld aangehouden, maar staat door een fout ten onrechte gesignaleerd in het politiesysteem. De man klaagt erover dat de politie op straat niet naar hem luisterde en dat hij te makkelijk is meegenomen. De Nationale ombudsman vindt dat de politie zijn rijbewijs zorgvuldig had moeten controleren. Zo was het verschil in de gegevens duidelijk geworden. In plaats van het toepassen van geweld had de politie de man beter kunnen kalmeren.

Instantie: Politie eenheid Den Haag

Klacht:

zonder aanleiding controleren, aanhouden en daarbij geweld gebruiken

Oordeel: gegrond

De politie Den Haag hield verzoeker met geweld aan nadat hij ten onrechte stond gesignaleerd in het politiesysteem. Op het politiebureau bleek dat de signalering was vermeld bij de valse naam die een verdachte had opgegeven, in plaats van andersom: bij deze verdachte zelf.

Verzoeker klaagt er over dat de politie hem te makkelijk heeft meegenomen en op straat niet naar hem heeft geluisterd, toen hij aangaf dat dit al de zoveelste keer was. Ook had de politie zijn rijbewijs niet goed bekeken, omdat de voorletters en geboortedatum in de signalering afweken van verzoekers gegevens.

De Nationale ombudsman stelt voorop dat verzoeker hoe dan ook niet had mogen worden aangehouden. De aanhouding was het gevolg van een combinatie van onjuiste gegevens in het systeem en het optreden op straat. Het kan niet de politieambtenaren worden verweten dat er een fout in het systeem stond. Zij hadden echter wel verzoekers rijbewijs zorgvuldig moeten controleren, want dan had het verschil in de gegevens opgevallen moeten zijn. Ook hadden zij moeten luisteren toen verzoeker aangaf dat dit al de zoveelste keer was. Bovendien hadden zij verzoeker moeten kalmeren in plaats van geweld toepassen.

Behoorlijkheidsvereiste: professionaliteit.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt over het optreden van politieambtenaren van de regionale politie eenheid Den Haag op 7 november 2015. Hij klaagt er in dit verband over dat er geen aanleiding was om hem te controleren, hem aan te houden en daarbij geweld te gebruiken.

Het politiesysteem

De politie kan gegevens nazoeken in haar geautomatiseerde systeem: het Bedrijfsprocessensysteem. Dat kan ook via de computer in een politieauto, zoals in deze zaak is gebeurd. In dit systeem kan worden gezocht op kenteken, adres, postcode, BSN nummer etc. Bij intoetsen van het kenteken, is een overzicht te zien van de registers waarin dit kenteken voorkomt, zoals bijvoorbeeld de BRP (Basisregistratie Personen, voorheen GBA), de RDW (Rijksdienst voor het Wegverkeer), APK, verzekeringen en Bluespot. In Bluespot kan worden doorgeklikt op de tenaamgestelde. Dan zoekt het systeem via de (lange) Kenosleutel1: de eerste vier letters van de achternaam, de eerste letter van de voornaam en de geboortedatum, en zijn de OPS (opsporingsregister) treffers te zien. Via zoeken op RDW en vervolgens op tenaamgestelde komen niet de treffers in het OPS tevoorschijn. Bij intoetsen van het BSN nummer zoekt het systeem alleen op dat nummer en niet via de Kenosleutel.

Wat is er gebeurd?

De aanhouding op straat

Verzoeker was op 7 november 2015 voor zijn woning bezig met zijn auto. Hij plakte folie op de achterruit. Twee politieambtenaren (de heer K. en mevrouw W.) surveilleerden in de wijk en reden langs verzoeker. Zij controleerden het kenteken van verzoekers auto in het politiesysteem in hun auto. Zij zagen in dit systeem dat de eigenaar van de auto (de tenaamgestelde) gesignaleerd stond in het opsporingsregister wegens strafbare feiten en dat hij op bevel van de officier van justitie buiten heterdaad mocht worden aangehouden. K. liep daarop naar verzoeker toe en vroeg hem of hij de eigenaar was van de auto. Verzoeker bevestigde dit en gaf zijn rijbewijs aan K. K. controleerde het rijbewijs en deelde vervolgens aan verzoeker mee dat hij was aangehouden. Verzoeker wilde niet mee naar het politiebureau. K. waarschuwde verzoeker dat hij moest meewerken omdat K. anders geweld zou gaan gebruiken. Daarna gebruikte K. tweemaal pepperspray tegen verzoeker. Toen dat geen effect had, legde K. bij verzoeker een hoofdklem aan en bracht verzoeker naar de grond. Vervolgens namen K. en W. verzoeker geboeid mee naar het bureau.

Later in het politiebureau

In het politiebureau bleek dat verzoeker ten onrechte was aangehouden, omdat de signalering in het opsporingsregister onjuist was. De signalering stond op naam van een man die verzoekers achternaam als alias gebruikte. Verzoekers voorletters en geboortedatum weken af van de voorletters en de geboortedatum in de signalering. Toen de politie verzoekers Burgerservicenummer (BSN) intoetste, kwam de signalering niet naar voren. De politie bood aan verzoeker excuses aan.

Klachtbehandeling bij de politie

Verzoeker belde op 11 november 2015 met de politie, omdat hij zich gediscrimineerd voelde. Hij wilde eerst aangifte doen van discriminatie en heeft daarover tweemaal een gesprek gevoerd met de politie. Hij zag af van het doen van aangifte. Wel diende hij op 8 januari 2016 een klacht in over de bejegening. Verzoeker vond dat K. op straat niet naar hem had geluisterd en ook niet goed had gekeken naar de voorletters en geboortedatum, omdat die afweken van zijn gegevens.

De politiechef verklaarde op 6 september 2016 op basis van het advies van de klachtencommissie de klacht niet gegrond. De klachtencommissie gaf over de reden van de controle aan dat de politie extra aandacht gaf aan voertuigen in de wijk vanwege voertuigcriminaliteit, en op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet ook zonder verdenking iemand identiteitsbewijs kan controleren. De klachtencommissie was over de aanhouding en het geweld van mening dat van de politie mag worden verwacht dat zij haar (digitale) administratieve organisatie zo heeft ingericht dat dit goed functioneert en dat de burger en de politieambtenaren ervan uit mogen gaan dat het systeem klopt. Op het politiebureau bleek dat onjuiste informatie uit het systeem naar voren was gekomen als gevolg van de manier waarop de politieambtenaren het politiesysteem hadden geraadpleegd. De klachtencommissie vond dat het zorgvuldiger was geweest als ook het BSN nummer op verzoekers rijbewijs was geraadpleegd, maar dat verzoeker zich constructiever had moeten opstellen. Hij had zelf veroorzaakt dat het voor de politieambtenaren niet meer goed mogelijk was om zijn gegevens nader te controleren, doordat hij zich tegen de aanhouding verzette. Door zijn verzet was het onvermijdelijk om enige dwang te gebruiken.

Verzoeker was het niet eens met de beslissing van de politiechef en richtte zich tot de Nationale ombudsman.


Onderzoek Nationale ombudsman

Standpunt verzoeker

Verzoeker verklaarde tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman dat hij niets wist van auto's in de straat die waren gestolen of vernield. Het was hem niet duidelijk wat de reden voor de controle was geweest. Volgens hem had de politie geen aanleiding om hem te controleren en was hij gecontroleerd vanwege zijn huidskleur.

Verzoeker had tegen K. gezegd dat het heel vaak gebeurde dat de politie hem aanzag voor een verkeerde persoon. Hij had gezegd dat het elke keer hetzelfde was en dat hij het niet was. Hij had K. meteen gevraagd om te controleren of de politie wel de juiste persoon had, maar K. had daar geen antwoord op gegeven. Verzoeker was rustig gebleven. Hij vond dat K. hem niet met respect had behandeld, omdat K. meteen aan zijn mouw trok. Ook als K. hem wel met respect had behandeld, vond hij dat K. zijn persoonsgegevens nogmaals had moeten nakijken. De politie wilde op straat niet naar hem luisteren vanwege zijn huidskleur en zijn voorkomen. Als hij een blanke man was geweest was dit volgens hem niet gebeurd.

Verzoeker ontkende dat hij K. een duw had gegeven, zoals K. had beweerd. Hij had zich losgetrokken en hij was verder gegaan met zijn werk aan zijn auto. Hij was het er niet mee eens dat hij eerst moest worden aangehouden en dat pas op het bureau kon worden uitgezocht dat hij niet de verdachte was. Hij begreep niet hoe de politie zich zo kon vergissen, omdat de persoon die stond gesignaleerd weliswaar wel dezelfde achternaam had, maar andere voorletters en ook 20 jaar jonger was. De politie had op het politiebureau tegen hem gezegd dat hij had moeten vragen om zijn BSN nummer na te gaan, maar hij had meteen op straat al gevraagd om zijn gegevens te controleren en daar had de politie niet naar geluisterd.

Lezing betrokken politieambtenaar K.

K. verklaarde tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman dat hij en W. die dag, toen zij verzoeker aanhielden, in hun politieauto surveilleerden in een buurt waar veel inbraken in auto's plaatsvonden. Zij zagen dat verzoeker folie plakte op de ramen van een auto. Omdat er sprake kon zijn van diefstal uit een auto, wilden zij deze auto via het politiesysteem in hun auto controleren. K. had het kenteken van verzoekers auto ingetoetst. Na het intoetsen van de naam verscheen verzoekers naam met twee signaleringen. Toen K. verzoekers rijbewijs controleerde, zag hij dat verzoeker degene was op wiens naam het kenteken stond en dat dit overeenkwam met de tenaamgestelde van het voertuig in hun systeem. Verzoeker had gezegd dat hij nergens aan zou meewerken en dat hij niet meeging naar het bureau. Vervolgens trok K. aan verzoekers mouw, waarop verzoeker zijn arm wegtrok. Verzoeker verzette zich tegen zijn aanhouding door zich los te rukken, K. een duw te geven en weg te lopen. Daarop waarschuwde K. verzoeker dat hij geweld zou gebruiken als verzoeker niet meewerkte.

Na verzoekers aanhouding bleek op het politiebureau dat de signalering een persoon betrof die gebruik maakte van verzoekers naam als alias. De fout in het systeem was dat de signalering op naam van de alias stond, in plaats van andersom: de naam van degene die de valse naam had opgegeven. Op het politiebureau was niet meer te achterhalen waardoor de fout was veroorzaakt, omdat de signalering van de betreffende persoon al was opgeheven. Nadat dit aan verzoeker was meegedeeld, zei verzoeker dat dit niet de eerste keer was. Verzoeker had niet op straat tegen hem gezegd dat dit vaker was gebeurd met het verzoek of hij de gegevens wilde controleren. Als verzoeker dat wel had gevraagd, dan zou hij dat hebben gedaan door op de signaleringen door te klikken.

K. had niet op straat de persoonsgegevens in de signaleringen bekeken, omdat via het zoeken op de tenaamgestelde geen informatie van andere personen in beeld hadden mogen verschijnen. Als hij dat wel had gedaan, had hij kunnen zien dat de signalering op naam van de alias stond en dat verzoeker niet de juiste persoon was. Als hij op BSN nummer had gezocht, zou de signalering niet zijn verschenen, omdat de signalering niet was gekoppeld aan het BSN nummer, maar aan verzoekers achternaam. Daar had hij echter geen aanleiding voor gehad omdat hij er van uit ging dat het systeem juist was. K. had de koppeling van een signalering aan een alias niet eerder meegemaakt. Hij zoekt voortaan in het systeem ook altijd op BSN nummer.

Lezing betrokken politieambtenaar W.

W. verklaarde tegenover twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman dat zij en K. in de wijk reden omdat er aangiftes waren gedaan van diefstal en vernieling van auto's in die wijk. Zij zagen verzoeker in de kofferbak van een auto bezig. K. toetste in het systeem het kenteken van de auto in om te zien of de auto als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens klikte K. door op de tenaamgestelde. Toen kwamen de gegevens van verzoeker tevoorschijn met de signalering. Bij het doorklikken op naam zoekt het systeem automatisch via de Keno sleutel.

K. stapte uit en vroeg aan verzoeker of dat zijn auto was. Verzoeker antwoordde bevestigend. Daarop vroeg K. om zijn legitimatiebewijs of rijbewijs. K. zei dat de eigenaar van de auto stond gesignaleerd en dat hij was aangehouden. Daarop begon verzoeker met zijn armen te zwaaien en riep iets als: "Dit is al de zoveelste keer, ik ga niet mee. Ik sta niet gesignaleerd." Hij liep van hen weg en van de auto af. Hij was behoorlijk agressief. Als verzoeker niet direct agressief had gereageerd, zouden zij op straat hebben kunnen uitzoeken of zij inderdaad de juiste persoon voor zich hadden.

Zij hadden verzoeker zeker niet gediscrimineerd. Hij was op dat moment de enige op straat die bezig was met zijn voertuig. Het voertuig was de reden van de controle. En niet zijn huidskleur.

Bezoek aan het politiebureau

Twee medewerkers van het Bureau Nationale ombudsman brachten een bezoek aan het politiebureau om het politiesysteem in te zien. Ook kregen zij van politieambtenaren een nadere toelichting op dit systeem.

Bij de persoonsgegevens van de gezochte persoon die verzoekers achternaam als alias had opgegeven, was de signalering en het alias nu verdwenen. In het systeem staat nog wel bij de naam van deze persoon, als aparte vermelding, dat hij verzoekers achternaam als valse naam had opgegeven, met daarbij andere voorletters en een andere geboortedatum dan van verzoeker. Tijdens verzoekers aanhouding stond deze persoon al niet meer gesignaleerd. De signalering was echter op verzoekers achternaam blijven staan.

De politieambtenaren toonden hoe in het systeem kan worden gezocht. Het zoeken op naam levert meerdere treffers op, omdat het systeem via de Kenosleutel zoekt. Op basis van de gegevens uit het politiesysteem konden de politieambtenaren niet verklaren waarom destijds op straat het verschil niet was opgevallen tussen verzoekers voorletters en geboortedatum met de gegevens van de alias. Via de Kenosleutel zou het geboortejaar namelijk te zien moeten zijn. Dat (tijdens de klachtbehandeling door de politie) met de fout in het systeem werd bedoeld dat de signalering ten onrechte bij het alias was vermeld in plaats van bij de gezochte persoon, verklaarde nog niet dat zij bij verzoeker uitkwamen, vanwege de andere voorletters en de andere geboortedatum van het alias. Het leek er op dat wellicht toch alleen op achternaam was gezocht.

Standpunt politiechef

De politiechef bleef in zijn standpunt van 7 augustus 2017 bij de beslissing op de klacht die hij op basis van het advies van de klachtencommissie had genomen. De politie voegde hier aan toe dat verzoeker ten onrechte was meegenomen naar het bureau door de manier waarop in het systeem was gezocht. Dit was een leermoment voor de politie.

Beoordeling

Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid en gepast optreden verwachten. Dit vereiste brengt mee dat de politie bij haar optreden de nodige communicatievaardigheden inzet, onder meer om te proberen om escalatie te voorkomen of te beperken.

Twee politieambtenaren hebben verzoeker aangehouden omdat zij dachten dat verzoeker in het opsporingsregister stond gesignaleerd om op bevel van de officier van justitie buiten heterdaad te worden aangehouden. Op het politiebureau bleek dat verzoeker niet de gesignaleerde persoon was.

Voorop staat dat verzoeker hoe dan ook niet had mogen worden aangehouden. Deze aanhouding is het gevolg geweest van een fout in het systeem in combinatie met het handelen van de betrokken ambtenaren K. en W.

K. en W. hadden voldoende reden om verzoekers auto in het politiesysteem te controleren, vanwege de verhoogde aandacht voor gestolen of vernielde auto's in verzoekers wijk. Zij konden immers menen dat verzoekers auto was gestolen of vernield, omdat verzoeker folie op de ruit plakte. Daarop zagen zij de onjuiste signalering in het politiesysteem en wilden zij weten of verzoeker degene was die stond gesignaleerd om te worden aangehouden. Zij konden niet weten dat het systeem waar zij op vertrouwden fout was. Daarom kan de onjuiste signalering weliswaar niet aan K. en W. worden verweten, maar wel aan de politieorganisatie.

Dit neemt echter niet weg dat als K. en W. goed hadden gekeken, het verschil met verzoekers rijbewijs en de gegevens van de gesignaleerde persoon, opgevallen had moeten zijn. Dan zou op dat moment zijn gebleken dat verzoeker niet de gezochte persoon was.

Verder hadden K. en W. aan het begin van het gesprek duidelijk aan verzoeker moeten uitleggen wat de reden was om hem staande te houden en waarom zij verzoekers rijbewijs wilden controleren. Daarna hadden K. en W. verzoekers gegevens (nogmaals) moeten controleren toen verzoeker aangaf dat dit al de zoveelste keer was en dat hij niet meeging, omdat hij niet gesignaleerd stond. Voor het geval zij niet begrepen dat verzoeker hiermee bedoelde dat sprake moest zijn van een vergissing, hadden zij moeten doorvragen. Het is onjuist dat zij niet het gesprek met verzoeker zijn aangegaan voordat de situatie escaleerde.

Vervolgens hadden zij moeten proberen om verzoeker te kalmeren, in plaats van hem bij zijn mouw te pakken. Hiermee hadden zij kunnen voorkomen dat de situatie zodanig uit de hand liep dat fors geweld moest worden toegepast. Dit geweld was het gevolg van de onterechte aanhouding en daarom onjuist.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Den Haag, is gegrond, wegens strijd met het vereiste van professionaliteit.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Via de lange Kenosleutel zoekt het systeem op de eerste vier letters van de achternaam, de voorletters en de hele geboortedatum. Het verschil met de korte Kenosleutel is dat het systeem dan zoekt op de laatste twee cijfers van het geboortejaar en niet op de hele geboortedatum

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/133