2017/122 UWV moet ontvanger WIA-uitkering persoonlijk waarschuwen bij te hoge nabetaling door fout in betaalsysteem

Een man ontvangt een nabetaling van zijn WIA-uitkering en omdat onvoldoende loonheffing wordt ingehouden, moet hij deze terugbetalen.. Het betaalsysteem van het UWV houdt geen rekening met loonheffing bij nabetaling. Dat kan niet handmatig worden gecorrigeerd. De ombudsman vindt dat medewerkers van het UWV de berekening zorgvuldig moeten toetsen. Bij grote verschillen moeten zij de uitkeringsontvanger persoonlijk waarschuwen voor fiscale gevolgen.

Instantie: UWV (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen)

Klacht:

onvoldoende loonheffing ingehouden op de nabetaling

Oordeel: gegrond

De heer Maas had recht op een bruto nabetaling van ruim € 24.000 aan WIA-recht. Er werd door het UWV weinig loonheffing ingehouden op dit bedrag. Uit onderzoek van de Nationale ombudsman bleek dat het betaalsysteem van het UWV, van waaruit de nabetaling was verricht, geen rekening hield met eerder uitbetaalde uitkeringen aan de heer Maas. Hierdoor werd er door het UWV op de nabetaling te weinig loonheffing ingehouden. Het bleek dat de wijze waarop het betaalsysteem was ingericht de oorzaak was van de onjuiste inhouding loonheffing.

Het vereiste van goede organisatie houdt in dat de overheid ervoor zorgt dat haar organisatie en haar administratie de dienstverlening aan de burger ten goede komt. Zij werkt secuur en vermijdt slordigheden. Eventuele fouten worden zo snel mogelijk hersteld. De Nationale ombudsman oordeelde in dit rapport dat er sprake is van strijd met dit vereiste omdat het betaalsysteem van het UWV zo is ingericht dat het niet in staat is het juiste bedrag aan loonheffing in te houden op de nabetaling van de heer Maas. De klacht van de heer Maas vond de Nationale ombudsman terecht.

  1. Inleiding

Wat is de klacht?

De heer Maas1 kreeg met terugwerkende kracht een WIA-uitkering toegekend en had hierdoor recht op een bruto nabetaling van € 24.113. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betaalde in februari 2015 het bedrag uit, maar de heer Maas was het niet eens met de hoogte van het netto bedrag dat hij uiteindelijk ontving.

De heer Maas klaagt erover dat het UWV onvoldoende loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling van februari 2015.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

De heer Maas ontving reeds enkele jaren een WW-uitkering van het UWV. Hij meldde zich op een gegeven moment ziek, waarna zijn WW-uitkering werd omgezet in een ZW-uitkering. In 2014 werd hij door een verzekeringsarts van het UWV gekeurd om te kijken of hij recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WIA. Het UWV stelde vast dat hij inderdaad recht had op die uitkering. De heer Maas was het echter niet eens met de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat door de verzekeringsarts was vastgesteld. Hij vond dat hij volledig arbeidsongeschikt was. Na het volgen van een bezwaarprocedure werd hij door het UWV in het gelijk gesteld. Hierdoor had hij recht op een nabetaling van zijn WIA-recht over de periode van september 2012 tot februari 2015. Het bruto bedrag van de nabetaling over die periode bedroeg € 24.113.2

Op dit bedrag moest het UWV, als inhoudingsplichtige, nog loonheffing inhouden.3 In februari 2015 betaalde het UWV een netto bedrag van € 20.785 aan de heer Maas uit. Al met al een groot bedrag. Van deze nabetaling kreeg de heer Maas geen schriftelijke specificatie van het UWV. Het UWV had verzuimd de specificatie naar de heer Maas te sturen.

Wat was de oorspronkelijke klacht?

In 2016 ontving de heer Maas van de Belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2015 van ruim € 5.000. Hij was hierdoor verrast en was van mening dat de aanslag veroorzaakt werd door het UWV dat te weinig loonheffing zou hebben ingehouden op de bedragen die het in 2015 aan hem had uitbetaald (waaronder de nabetaling van februari 2015).4 De heer Maas diende een klacht in bij het UWV.

Welke reactie komt er op de klacht?

In reactie op de klacht liet het UWV in september 2016 aan de heer Maas weten dat de bedragen op de jaaropgaaf 2015 correct waren en dat de inhouding van de loonheffing correct was geweest. Specifiek over de bruto nabetaling van € 24.113 gaf het UWV aan dat deze nabetaling moest worden gezien als vertraagd uitbetaald loon, omdat over de periode waarop deze nabetaling betrekking had volgens het UWV niet eerder een uitkering was verstrekt. Om die reden had het UWV de reguliere loonheffingstabel toegepast waardoor er op de nabetaling weinig loonheffing was ingehouden.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

De heer Maas was niet tevreden met het antwoord van het UWV en klaagde er in december 2016 bij de Nationale ombudsman over dat het UWV wel degelijk te weinig loonheffing had ingehouden op de nabetaling van februari 2015. En dat hij hierdoor achteraf geconfronteerd werd met een belastingaanslag van ruim € 5.000. Hij vond dat het UWV deze belastingaanslag zou moeten betalen. Bovendien klaagde hij erover dat hij van deze nabetaling geen schriftelijke specificatie had ontvangen van het UWV.

  1. Bevindingen

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman vroeg zich, net als de heer Maas, af waarom het UWV op de nabetaling in februari 2015 zo weinig loonheffing had ingehouden. Normaal gesproken wordt op een nabetaling juist relatief veel loonheffing ingehouden.

In het Handboek Loonheffingen 2015 van de Belastingdienst wordt toegelicht welke loonheffingstabellen inhoudingsplichtigen moeten gebruiken bij de verschillende soorten nabetalingen.5

Vertraagd uitbetaald loon
Voor nabetalingen (ook wel: vertraagd uitbetaald loon), zoals overwerkloon, provisies of cao loonsverhogingen met terugwerkende kracht, gebruikt u de tabellen voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6). Dit is de hoofdregel.
Een uitzondering geldt voor een nabetaling die betrekking heeft op een achteraf vastgesteld tijdvakloon of een achteraf vastgestelde uitkering die u in 1 keer uitbetaalt, terwijl u de werknemer of de uitkeringsgerechtigde over de nabetalingsperiode niet eerder een tijdvakloon hebt betaald. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende situaties:
- U betaalt de werknemer geen regulier loon meer uit. Na verloop van tijd betaalt u het niet-betaalde loon toch nog uit.
- U kent een uitkeringsgerechtigde met terugwerkende kracht een pensioen toe (aanlooptermijnen).

U berekent dan de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:
1. Herleid het bedrag tot een (gemiddeld) tijdvakloon.
2. Gebruik de loonbelastingtabel die op dat moment geldt. U mag voor deze nabetalingen niet de tabel voor bijzondere beloningen gebruiken.
3. Vermenigvuldig het bedrag in de tabel met het aantal loontijdvakken waarop de betaling betrekking heeft.

In december 2015 ontving de heer Maas nog eens twee nabetalingen van zijn WIA-recht; op deze bedragen hield het UWV wel bijna 50% aan loonheffing in.6 Over die nabetalingen ontving hij wel een schriftelijke specificatie. Hierin was ook een toelichting opgenomen waarin hij werd gewezen op de (mogelijke) fiscale gevolgen van de nabetalingen. Die (standaard) toelichting van het UWV bij nabetalingen luidt als volgt:

Gevolgen van de nabetaling
De nabetaling die u krijgt, kan gevolgen hebben voor uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Het kan zijn dat u een hoger bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet betalen dan wij aan loonheffing hebben ingehouden.De nabetaling kan ook gevolgen hebben voor toeslagen van de Belastingdienst (zoals zorgtoeslag of huurtoeslag) of voor andere regelingen. De hoogte van een toeslag of het recht op een bepaalde financiële regeling hangt namelijk vaak af van de hoogte van uw jaarinkomen.
Meer informatie hierover vindt u op uwv.nl/nabetaling.

De reden dat er over het algemeen op een nabetaling relatief veel loonheffing wordt ingehouden is de volgende. Als een nabetaling betrekking heeft op voorgaande jaren dan kan het zijn dat iemand in één keer een heel groot bedrag uitbetaald krijgt. Dat grote bedrag, dat betrekking heeft op voorgaande jaren, telt bij het doen van belastingaangifte mee voor het jaar waarin de nabetaling ontvangen is. In het geval van de heer Maas dus het jaar 2015. Het kan dan gebeuren dat iemand over dat jaar een forse belastingaanslag ontvangt, omdat hij dat jaar een veel hoger inkomen heeft ontvangen dan hij normaal gesproken zou krijgen. Die verhoging wordt veroorzaakt door de nabetaling. Als het UWV op de nabetaling de tabel voor bijzondere beloningen toepast, wordt er relatief veel loonheffing ingehouden en is de kans kleiner dat iemand over dat jaar nog loonheffing moet nabetalen aan de Belastingdienst. De bedoeling van de tabel voor bijzondere beloningen is te voorkomen dat mensen ten onrechte een te hoge netto nabetaling krijgen en dat zij, veelal onverwacht, achteraf een forse belastingaanslag ontvangen over het jaar waarin ze de nabetaling hebben ontvangen.7

De ombudsman zag aanleiding om het UWV vragen te stellen over de gang van zaken rondom de nabetaling van februari 2015.

Hoe reageerde UWV?

De Nationale ombudsman vroeg het UWV waarom het op de nabetaling van februari 2015 niet de loonheffingstabel voor bijzondere beloningen had toegepast, maar de reguliere (groene) loonheffingstabel. De heer Maas had toch immers in de periode waarop de nabetaling betrekking had al een uitkering van het UWV ontvangen; weliswaar geen WIA-uitkering, maar wel een WW- en ZW-uitkering. Ook verzocht de ombudsman het UWV om de heer Maas alsnog een specificatie van deze nabetaling toe te sturen; zoals het UWV wel had gedaan bij de nabetalingen van december 2015.

Het UWV liet de Nationale ombudsman weten dat de heer Maas in de periode van september 2012 tot februari 2015, waarop de nabetaling van februari 2015 betrekking had, inderdaad al een uitkering ontvangen had, maar dat dit geen WIA-uitkering was. Het WIA-betaalsysteem van het UWV gaat er in dat geval van uit dat niet eerder een uitkering is uitbetaald. Bij het bepalen van de in te houden loonheffing ziet het WIA-betaalsysteem de nabetaling als een eerste betaling van de uitkering, waarop de reguliere loonheffingstabel moet worden toegepast en niet de tabel voor bijzondere beloningen. Hierdoor wordt er dus relatief weinig loonheffing ingehouden. Het UWV stelde dat de inhouding van de loonheffing gelet op de situatie van de heer Maas juist was geweest. Het UWV liet tot slot weten dat het inmiddels, begin februari 2017, aan de heer Maas een specificatie van de nabetaling van februari 2015 had toegestuurd.

Aanvullende vragen Nationale ombudsman

De Nationale ombudsman wees het UWV erop dat het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst nergens voorschrijft dat het voor het toepassen van de tabel voor bijzondere beloningen noodzakelijk is dat in de periode waarop de nabetaling betrekking heeft dezelfde uitkering moet zijn uitbetaald. Had het UWV dan toch niet te weinig loonheffing ingehouden op de nabetaling van februari 2015? En lag dit niet aan de inrichting van het WIA-betaalsysteem die in het geval van de heer Maas een juiste inhouding van de loonheffing in de weg heeft gestaan?

Het UWV beaamde, na verder intern onderzoek, dat de inrichting van de betaalsystemen inderdaad de oorzaak ervan was dat op de WIA-nabetaling, die de heer Maas in februari 2015 uitbetaald kreeg, niet de tabel voor bijzondere beloningen was toegepast. Er was dus inderdaad onvoldoende loonheffing ingehouden.8

Het WIA-betaalsysteem hield, ten onrechte, geen rekening met de eerder verstrekte uitkeringen uit andere betaalsystemen (WW en ZW). Dit zag het UWV als een tekortkoming in het WIA-betaalsysteem van het UWV. Het UWV zegde toe nader onderzoek te doen naar de wenselijkheid en mogelijkheid het betaalsysteem hierop aan te passen. Of dit op korte termijn mogelijk zou zijn, achtte het UWV niet waarschijnlijk gelet op de ontwikkelingen binnen UWV om tot één betaalsysteem te komen. Het is namelijk de bedoeling dat vanaf 1 januari 2018 de uitkeringen ZW, WAO,WIA, Wajong vanuit één betaalsysteem betaald gaan worden. Vanaf 1 januari 2020 zou daar, volgens de planning, de WW aan moeten worden toegevoegd.9

Nu een structurele oplossing voor vergelijkbare situaties als die van de heer Maas pas lijkt te komen met de invoering van één betaalsysteem, vroeg de ombudsman het UWV hoe het tot die tijd denkt om te gaan met situaties zoals die van de heer Maas.

Het UWV zegde toe dat de bevindingen in de zaak van de heer Maas (dat de verkeerde loonheffingstabel op de nabetaling is toegepast) zal leiden tot een aanpassing van het systeem dat de basis zal gaan vormen voor het uniforme betaalsysteem vanaf 2018. Om ervoor te zorgen dat in de toekomst in vergelijkbare zaken als die van de heer Maas automatisch de juiste loonheffingstabel (in dit geval dus de tabel voor bijzondere beloningen) wordt toegepast.

Op de vraag of er nog andere maatregelen genomen kunnen worden totdat het uniforme betaalsysteem is ingevoerd (in 2018 met een uitloop naar 2020), liet het UWV het volgende weten. Een aanpassing van het huidige systeem is te kostbaar. En het aanpassen van de werkinstructie voor de medewerkers zal de problematiek niet oplossen. De medewerker van het UWV heeft namelijk niet de mogelijkheid om in het huidige systeem in dit soort situaties alsnog de tabel voor bijzondere beloningen toe te passen. Deze systemen zijn in hoge mate geautomatiseerd en bieden weinig 'correctiemogelijkheden' voor de UWV-medewerker. Het systeem bepaalt zelf aan de hand van een aantal regels of de reguliere loonheffingstabel of de tabel voor bijzondere beloningen van toepassing is. Wel wordt al enkele jaren binnen het UWV de workshop 'Bewustwording fiscale aspecten' aan medewerkers gegeven, zo gaf het UWV aan. Verder liet het UWV weten dat er sinds juni 2017 door de divisie Uitkeren Arbeidsongeschiktheidswetten wordt samengewerkt met de Belastingdienst als er sprake is van nabetalingen van meer dan € 5.000. Bij een dergelijke nabetaling worden de gegevens van de uitkeringsgerechtigde, nadat hij hiervoor toestemming heeft gegeven, door het UWV aan de Belastingdienst doorgegeven. De Belastingdienst benadert de uitkeringsgerechtigde dan om de mogelijke negatieve gevolgen van de nabetaling (rondom toeslagen en inkomstenbelasting) te bespreken.

De enige structurele oplossing voor dit probleem is het toekomstige uniforme betaalsysteem van waaruit alle uitkeringen betaald gaan worden. Het UWV benadrukte nog dat een situatie, zoals bij de nabetaling van de heer Maas zelden voor komt. Om die reden ziet het UWV geen aanleiding om andere maatregelen te nemen dan ervoor te zorgen dat in het toekomstige betaalsysteem dit probleem zich niet meer voor doet.

  1. Beoordeling

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het vereiste van goede organisatie houdt in dat de overheid ervoor zorgt dat haar organisatie en haar administratie de dienstverlening aan de burger ten goede komt. Zij werkt secuur en vermijdt slordigheden. Eventuele fouten worden zo snel mogelijk hersteld. In dit rapport gaat het om de vraag of het UWV zijn systemen zo heeft ingericht dat het in staat is het juiste bedrag aan loonheffing in te houden op een WIA-nabetaling.

Het UWV verricht als inhoudingsplichtige een voorheffing van de loonbelasting op de uit te betalen uitkeringen. Het bedrag aan loonheffing wordt door het UWV bij benadering ingehouden op de uitkering. Het is uiteindelijk de Belastingdienst die het exacte bedrag bepaalt dat iemand aan loonbelasting moet betalen. Het is echter de wel bedoeling dat het UWV die voorheffing zo exact mogelijk verricht, zodat de burger niet achteraf geconfronteerd wordt met een grote belastingaanslag (of een grote teruggaaf omdat er teveel loonheffing is ingehouden).

De Nationale ombudsman heeft er begrip voor dat een instantie als het UWV het betaalproces in hoge mate automatiseert. Als hierdoor echter de mogelijkheid ontbreekt om als inhoudingsplichtige (bij benadering) het juiste bedrag aan loonheffing in te houden op een WIA-nabetaling omdat het betaalsysteem geen rekening houdt met andere uitkeringen en er voor medewerkers geen mogelijkheden zijn om handmatig te corrigeren, dan concludeert de Nationale ombudsman dat het UWV op dit punt niet voldoet aan het vereiste van goede organisatie.

Uit zowel dit onderzoek als uit het onderzoek van 201610 komt naar voren dat de verschillende betaalsystemen van het UWV op bepaalde punten geen inzicht in elkaars uitkeringshistorie bieden. In het geval van de heer Maas ontnam het UWV zichzelf hiermee de mogelijkheid om zijn rol als inhoudingsplichtige voldoende adequaat uit te voeren. Een burger moet er op kunnen vertrouwen dat de systemen van het UWV hem een goede dienstverlening garanderen; in dit geval dus een (bij benadering) juiste inhouding van de loonheffing op de WIA-nabetaling van februari 2015.

In de zaak van de heer Maas concludeert de Nationale ombudsman dat hij terecht heeft geklaagd dat het UWV onvoldoende loonheffing heeft ingehouden op zijn nabetaling van februari 2015. Het UWV had op die nabetaling de tabel voor bijzondere beloningen moeten toepassen. De systemen zijn voor het UWV leidend geweest en deze sluiten in geval van de heer Maas niet aan op de van toepassing zijnde fiscale regels. Een structurele oplossing lijkt er aan te komen als het UWV vanaf 2018 (en voor wat betreft de WW vanaf 2020) alle uitkeringen vanuit één systeem gaat betalen. Bij toepassing van de loonheffing zal het UWV vanaf dat moment met alle uitkeringen, die iemand ontvangt of heeft ontvangen, 'rekening houden'. Tot die tijd, 2018 met een uitloop naar 2020, is er voor vergelijkbare situaties als die van de heer Maas nog geen oplossing.

De Nationale ombudsman vindt dat het UWV tot de invoering van het uniforme betaalsysteem er alles aan moet doen om situaties als die van de heer Maas, ook al komen ze volgens het UWV nauwelijks voor, te voorkomen. Het moet niet het probleem van de burger zijn dat een betaalsysteem van het UWV niet de mogelijkheid biedt om in bepaalde gevallen de juiste loonheffingstabel toe te passen.

De medewerkers van het UWV zullen alert moeten zijn als er sprake is van een (grote) WIA-nabetaling. Zij moeten de alertheid hebben om, met name bij grote nabetalingen, een check te doen of de ingehouden loonheffing in verhouding staat tot het bruto bedrag van de nabetaling. En indien er geen handmatige correctie mogelijk is, dan mag op zijn minst worden verwacht dat de uitkeringsgerechtigde die de nabetaling gaat krijgen, er persoonlijk op gewezen wordt dat er in verhouding weinig loonheffing is ingehouden en dat dit tot fiscale gevolgen kan leiden. Dan kan hij zich daar in ieder geval op voorbereiden. De algemene toelichting in de brief waarin de nabetaling wordt aangekondigd, volstaat in dit soort uitzonderlijke gevallen niet. De medewerker van het UWV zou dan de betrokken uitkeringsgerechtigde in een persoonlijk contact moeten informeren.

  1. Conclusie en Aanbevelingen

De Nationale ombudsman concludeert dat het UWV gelet op de huidige inrichting van zijn betaalsystemen er in de zaak van de heer Maas niet voor heeft kunnen zorgen dat het juiste bedrag aan loonheffing is ingehouden op de WIA-nabetaling van februari 2015. De klacht van de heer Maas over het UWV is gegrond.

Het lijkt er op dat na invoering van het toekomstige uniforme betaalsysteem in 2018, met een uitloop naar 2020, een vergelijkbare situatie als die van de heer Maas zich niet meer zal kunnen voordoen. Voor de periode totdat het uniforme betaalsysteem is ingevoerd, heeft de Nationale ombudsman het UWV gedurende het onderzoek twee aanbevelingen gedaan. Het UWV heeft in reactie hierop laten weten te zullen onderzoeken in hoeverre het deze aanbevelingen kan overnemen. Het gaat om de volgende twee aanbevelingen:

  • Zorg ervoor dat medewerkers bij een (grote) WIA-nabetaling waarop naar verhouding weinig loonheffing wordt ingehouden de mogelijkheid krijgen alsnog handmatig te corrigeren.
  • Indien handmatig corrigeren in het systeem niet mogelijk is, zorg er dan voor dat de medewerker de betrokken burger persoonlijk informeert over mogelijke fiscale gevolgen van de nabetaling.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

  1. Relevante wet- en regelgeving

Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 1

Onder de naam 'loonbelasting' wordt van werknemers of hun inhoudingsplichtige, van artiesten, van beroepssporters, van buitenlandse gezelschappen en van bij of krachtens deze wet aan te wijzen andere personen een directe belasting geheven.

Artikel 6 eerste lid

  1. Inhoudingsplichtige is:
  1. degene, tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan;
  2. degene, die aan een of meer personen loon uit een vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of tot een ander verstrekt;
  3. degene, die ingevolge een aanspraak die niet tot het loon behoort, aan een of meer personen uitkeringen of verstrekkingen uit een dienstbetrekking tot een ander doet.

Notes

[←1]

Gefingeerde naam.

[←2]

De heer Maas stelde tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman dat het UWV hem mondeling had meegedeeld dat het bedrag van € 24.113 een netto bedrag was en niet een bruto bedrag. Volgens hem zou het bruto bedrag van de nabetaling meer dan € 43.000 moeten zijn. Het UWV heeft aangegeven dat dit niet juist is en dat het bruto bedrag wel degelijk € 24.113 is. Deze discussie gaat buiten het onderzoek van de ombudsman om en de kwestie zal in het kader van een schadevergoedingsprocedure tussen de heer Maas en het UWV opgehelderd moeten worden. In dit rapport neemt de ombudsman als uitgangspunt dat € 24.113 het bruto bedrag van de nabetaling is.

[←3]

Het UWV is inhoudingsplichtige en moet conform de Wet op de loonbelasting 1964 (artikel 6 eerste lid) namens de uitkeringsgerechtigde over de uitkering loonheffing afdragen aan de Belastingdienst. Het UWV doet een voorheffing van de loonbelasting op de uit te betalen uitkeringen. Het bedrag aan loonheffing wordt door het UWV bij benadering ingehouden op de uitkering. Het is uiteindelijk de Belastingdienst die bij aanslag het exacte bedrag aan loonbelasting bepaalt dat iemand moet betalen.

[←4]

De vraag of de aanslag is veroorzaakt doordat het UWV te weinig loonheffing heeft ingehouden, blijft buiten dit onderzoek en moet eveneens in de schadevergoedingsprocedure van de heer Maas opgehelderd worden.

[←5]

Handboek Loonheffingen 2015 (versie januari 2015), pagina 93 - 94. De nabetaling van de heer Maas is verricht in 2015; vandaar de verwijzing naar het Handboek van 2015.

[←6]

Naar aanleiding van een andere bezwaarprocedure kreeg de heer Maas in december 2015 nog eens twee bedragen aan WIA-recht nabetaald:

  • over de periode 12 december 2014 – 31 juli 2015 een netto bedrag van € 5.102.59 netto (het bruto bedrag was € 10.630).
  • over de periode 1 augustus 2015 – 30 november 2015 een netto bedrag van € 2.568 netto (het bruto bedrag was € 5.350).
[←7]

Uiteraard zijn er situaties waarin op de nabetaling de reguliere loonheffingstabel moet worden toegepast of waarin door andere oorzaken dan de nabetaling iemand geconfronteerd wordt met een hoge belastingaanslag. Of in het geval van de heer Maas de onjuiste inhouding op de nabetaling heeft geleid tot de belastingaanslag die hij over het jaar 2015 opgelegd heeft gekregen, is een vraag die niet in het kader van dit onderzoek beantwoord wordt. Dit komt aan bod in de schadevergoedingsprocedure die de heer Maas tegen het UWV is gestart en waarvan de uitkomst bij het uitkomen van dit rapport nog niet bekend is.

[←8]

Op de bruto nabetalingen die de heer Maas in december 2015 ontving, is door het UWV wel de tabel voor bijzondere beloningen toegepast. In de periode waarop deze nabetalingen betrekking hebben is namelijk wel eerder een WIA-uitkering uitbetaald aan de heer Maas.

[←9]

Deze ontwikkelingen binnen UWV om te komen tot één betaalsysteem zijn eerder door de Nationale ombudsman beschreven in een rapport over de onjuiste toepassing van de loonheffingskorting door het UWV (rapport 2016/117 van 20 december 2016).

[←10]

Rapport 2016/117 van 20 december 2016.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/122