2017/112 Sepotcode 01 of sepotcode 02, een wezenlijk verschil van groot belang

Een strafzaak tegen twee politieambtenaren is geëindigd met sepotcode 02: onvoldoende bewijs. Het OM Amsterdam weigert de code aan te passen in 01: ten onrechte als verdachte aangemerkt. De ombudsman vindt dat er geen sprake is van een persoonsverwisseling waarvoor code 01 van toepassing is. Er is wel sprake van een redelijk vermoeden van schuld en daarom is de klacht niet gegrond

Instantie: Officier van justitie, arrondissementsparket Amsterdam

Klacht:

seponeren van strafzaken door hoofdofficier van justitie Amsterdam met sepotcode 02 (geen wettig bewijs) in plaats van de sepotcode 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt)

Oordeel: niet gegrond

Verzoekers, twee politieambtenaren, gingen op pad om een openstaande boete te innen. Zij hadden uit voorzorg een machtiging tot binnentreden meegenomen omdat bij het bewuste adres al eerder tevergeefs was aangebeld terwijl er waarschijnlijk wel iemand in huis was. Dat bleek ook die dag het geval. Verzoekers vroegen daarop om ondersteuning en met twee collega's vielen zij de woning binnen en hielden een naar het balkon van de buren gevluchte man aan. Een van de politieambtenaren maakte die avond een proces verbaal van bevindingen (pvb) op van alle gebeurtenissen. Daarin beschreef hij onder meer onder welke omstandigheden hij in een half open lade een vuurwapen had zien liggen. De twee collega's die ondersteuning hadden geboden, trokken de in het pvb beschreven omstandigheden in twijfel en kaartten dit aan. Er werd besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Na verhoor van alle betrokkenen werd de zaak geseponeerd met sepotcode 02.

Verzoekers klagen erover dat de officier van justitie werkzaam bij het arrondissementsparket Amsterdam de tegen hen ingestelde strafzaken heeft geseponeerd met sepotcode 02 (geen wettig bewijs) in plaats van de sepotcode 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt).

Het gaat in deze zaak om de vraag of het paspoort van de verdachte man nou wel of niet in het open gedeelte van de kast had gelegen en of een lade in die kast waarin het vuurwapen lag al dan niet had opengestaan. De ondersteunende collega's waren heel stellig in hun verklaring dat de verdachte man het paspoort in zijn broekzak had gehad en dat het paspoort dan ook niet in het open gedeelte van de kast kon hebben gelegen. Op grond van die verklaringen was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld en konden verzoekers als verdachte worden aangemerkt.

Verder is ten gevolge van het opsporingsonderzoek niet voldoende aannemelijk geworden dat verzoekers onschuldig zijn, omdat de verklaringen van de collega's dat het paspoort van de man in diens broekzak had gezeten in het opsporingsonderzoek overeind zijn gebleven.

Redelijkheidsvereiste: Het OM heeft in redelijkheid het verzoek om wijziging van de sepotcode van 02 naar 01 kunnen afwijzen. De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam is niet gegrond.

Aanleiding

Verzoekers, X en Y, zijn politieambtenaren. Zij werden ervan verdacht een proces-verbaal niet naar waarheid te hebben opgemaakt. Een ingezet strafrechtelijk traject mondde uit in de beslissing om hen niet te vervolgen wegens onvoldoende bewijs: sepot-code 02. Verzoekers hebben het Openbaar Ministerie verzocht om deze code te wijzigen in code 01, ten onrechte als verdachte aangemerkt. De hoofdofficier van justitie te Amsterdam heeft dit verzoek afgewezen.

Verzoekers hebben hun klacht vervolgens aan de Nationale ombudsman voorgelegd.

Verzoekers klagen erover dat de officier van justitie werkzaam bij het arrondissementsparket Amsterdam de tegen hen ingestelde strafzaken heeft geseponeerd met sepotcode 02 (geen wettig bewijs) in plaats van de sepotcode 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt).

Feiten

Verzoekers X en Y gingen op 27 september 2014 op pad om bij mevrouw A een openstaande geldboete te innen. Zij hadden uit voorzorg een machtiging tot binnentreden meegenomen, omdat bij het bewuste adres al eerder tevergeefs was aangebeld terwijl er waarschijnlijk wel iemand in huis was. Dat bleek ook die dag het geval. Verzoekers vroegen daarop om ondersteuning en met twee collega's, O en P, vielen zij de woning binnen. De persoon in kwestie was gevlucht naar het balkon van de buren. Daar troffen O en P een man aan en namen hem mee naar de woning. Daar zetten zij hem op de bank. Terwijl verzoeker X bij de man op de bank bleef zitten, gingen de andere drie in de woning op zoek naar de vrouw voor wie ze eigenlijk waren gekomen. Verzoeker Y had tijdens het zoeken een vuurwapen zien liggen. Hij zocht daarop contact met de hulpofficier van justitie. Dit alles speelde zich af in zo'n vijf minuten. Daarna werd de woning verder doorzocht en de twee collega's O en P brachten de man over naar het politiebureau.

Verzoeker Y maakte dezelfde dag een proces-verbaal van bevindingen (pvb) op, dat mede werd ondertekend door X. Zij beschreven daarin onder meer dat X de aangehouden man om een legitimatiebewijs had gevraagd, dat de man daarop een knikje had gemaakt naar een ladekast, dat X daar een paspoort had zien liggen en had opgepakt en dat hij dat even later aan Y had gegeven, nadat deze de kamer was binnengekomen. Zij beschreven dat X desgevraagd aan Y had verteld waar hij het paspoort had aangetroffen, dat Y naar de kast was gelopen en in een half openstaande lade een vuurwapen had zien liggen.

O en P die assistentie hadden verleend, hebben hun twijfels geuit over de gang van zaken rond het aantreffen van het vuurwapen en het paspoort zoals dit in het pvb was vastgelegd. Daarop is de zaak gaan rollen en bij het cluster Veiligheid Integriteit en Klachten (het VIK) terechtgekomen. In het door het VIK op 18 december 2014 opgemaakte proces-verbaal is opgetekend dat de O en P vrijwel direct bij aankomst op het politiebureau bij de dienstdoende hulpofficier van justitie hun twijfels hebben geuit over (de wijze van) het aantreffen van het vuurwapen. Eén van hen heeft hem ook daags daarna weer laten weten, dat hij na het lezen van het betreffende pvb sterke twijfels had over de correctheid van de inhoud ervan. De hoofdinspecteur/wijkchef heeft telefonisch met hen gesproken, waarna melding is gedaan van het mogelijk vals opmaken van een pvb. Op 1 oktober 2014 heeft het VIK het voorlopige dossier voorgelegd aan de parketsecretaris Specialistische Maatwerkzaken. Deze heeft op donderdag 2 oktober 2014 besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten. Op 8 oktober 2014 is gestart met het horen van O en als laatste is op 12 november Y gehoord. Ook de destijds aangehouden man is via diens raadsman door de Vreemdelingenpolitie ontboden voor verhoor. Toen op 18 december 2014 nog geen contact met de man was geweest, is het dossier voor beoordeling voorgelegd aan het Openbaar Ministerie (OM). Vervolgens is de strafzaak tegen verzoekers geseponeerd met sepotcode 02 (onvoldoende bewijs).

Visie verzoekers

Verzoekers voelen zich in hun goede naam aangetast. Zij hebben naar eer en geweten het pvb opgesteld. Huns inziens was er naar objectieve maatstaven gemeten geen enkele aanleiding om hen als verdachten aan te merken. Zij zijn van mening dat er geen sprake is geweest van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Het staat collega's vrij om te melden dat huns inziens de feiten anders liggen, maar verzoekers vragen zich wel af waarom O en P zelf geen pvb hebben opgemaakt en waarom hen niet de opdracht daartoe is gegeven. Uit de verklaringen blijkt dat O en P niet verklaren op basis van wat zij hebben gezien, maar dat zij slechts gevoelens, twijfels en veronderstellingen hebben geuit, waardoor verzoekers in een kwaad daglicht worden gesteld. Ook is de belangrijkste getuige, de aangehouden man, niet gehoord over deze kwestie. De hantering van sepotcode 02 kan een negatieve invloed hebben op hun carrière, zeker wanneer zij in de toekomst in aanmerking wensen te komen voor een vertrouwensfunctie waarvoor een verklaring van geen bezwaar is vereist.

Visie minister van veiligheid en Justitie

De minister acht de klacht ongegrond:Verzoekers zijn beiden verdachten geweest in een strafzaak. Op grond van getuigenverklaringen van collega’s van verzoekers is een onderzoek tegen hen gestart ter zake van artikel 225 Wetboek van Strafrecht (zie Achtergrond). Er bestonden twijfels over de correctheid van de inhoud van het door verzoekers opgestelde pvb. Dit pvb was door hen opgemaakt nadat zij, in bezit van een arrestatiebevel, een woning waren binnengetreden. Dit gebeurde in de week dat er extra aandacht werd besteed aan het onderwerp executie, waarin werd geprobeerd gesignaleerde personen aan te houden. De waarnemingen van de getuigen met betrekking tot de vondst van een paspoort en een vuurwapen komen niet overeen met de weergave in het proces-verbaal. Het onderzoek heeft onvoldoende bewijs opgeleverd voor een succesvolle vervolging. Het onderzoek heeft anderzijds ook geen informatie opgeleverd waaruit onomstotelijk blijkt dat de beide verzoekers onschuldig zijn. Om deze reden is door de officier van justitie overgegaan tot het seponeren van de zaak met code 02. Omdat de verdachten politieagenten zijn, is besloten geen registratie op te nemen van dit sepot in het justitieel documentatieregister. Dit omdat de officier van justitie rekening heeft willen houden met de consequenties van een dergelijke registratie voor (toekomstige) vertrouwensfuncties.

Indien een persoon solliciteert naar een vertrouwensfunctie en aangeeft dat hij of zij met politie/justitie in aanraking is geweest, dan zal hiernaar verder onderzoek worden gedaan. Het betekent niet dat er per definitie belemmering is om voor een dergelijke functie in aanmerking te komen. Een dergelijke melding (bent u met politie of justitie in aanraking geweest) zal eveneens dienen te worden gedaan in het geval van een sepotcode 01.

reactie verzoekers

Verzoekers menen dat de minister ten aanzien van de vertrouwensfuncties en het niet registeren in het justitieel documentatieregister een onjuist standpunt inneemt. Zodra verzoekers solliciteren op een vertrouwensfunctie moet een zogeheten staat van inlichtingen ingevuld worden. Daarbij is een vraag of de sollicitant eerder in aanraking is geweest met politie en / of justitie.

Informatie uit het strafdossier

processen-verbaal van verhoor

Van verdachten/ verzoekers X en Y op 10 en 11 november 2014

Van getuigen O en P op 8 en 14 oktober 2014

Betreffende het laatje

X verklaarde onder meer dat Y, nadat hij hem op de kast had gewezen, samen met O en P naar de kast was gelopen. X had niet gezien wat er gebeurde, omdat men voor de kast stond. X wist niet of de lade open of dicht was toen hij het paspoort had gepakt; dat was hem niet opgevallen.

Y verklaarde onder meer dat hij, nadat X hem aangewezen had waar hij het paspoort had aangetroffen, daar een stapeltje brieven had zien liggen en dat zijn oog daarbij op een lade was gevallen die zo'n 5 tot 10 cm openstond. Y had half zichtbaar iets zien liggen wat hem leek op de kolf van een vuurwapen. Daarop had hij de lade geheel geopend en zag een vuurwapen liggen, een Walther 999, gelijk aan het dienstwapen van de politie. Een collega had vlak bij hem gestaan op het moment dat Y het vuurwapen vond.

Collega O verklaarde onder meer dat toen Y "shit vuurwapen" had gezegd, hij en P in de (open) keuken waren, naar de woonkamer en de kast waren gelopen en het vuurwapen in de lade hadden zien liggen. Hij was eerder langs de kast gelopen, maar of de lade al openstond wist hij niet.

Collega P verklaarde onder meer dat ze in de woonkamer was en had gezien datY de lade openschoof. Zij wist niet of de lade dicht was geweest of al enigszins open had gestaan. Zij had daar twijfels over,zij kon niet zeggen waarom zij twijfels had, het was een gevoel. Zij had het idee dat Y de hele tijd al wilde zoeken.

Betreffende het paspoort

X verklaarde onder meer dat hij, toen hij met de man op de bank zat, de man om zijn paspoort had gevraagd. De man had geknikt richting kast. X was naar de kast gelopen en had het paspoort zien liggen op een stapeltje blauwe belastingenveloppen. Er waren volgens X geen collega's in de woonkamer. X had het paspoort gepakt en was teruggelopen naar de bank. Na een paar minuten waren de andere drie teruggekomen. Y had gevraagd of 'er iets van een ID was'. X had verteld dat hij het paspoort had en waar hij het had gevonden. X had daarbij op de kast gewezen en de pas aan Y gegeven.

Y verklaarde onder meer dat nadat hij X had gevraagd of hij een legitimatiebewijs van de man had, X had aangegeven dat hij een paspoort had. De precieze bewoording wist Y niet meer.

Collega O verklaarde onder meerdat de pas in de linker broekzak van de man had gezeten. Hij wist niet wat hij ermee had gedaan, maar hij dacht dat hij de pas aan één van de collega's had gegeven, hij dacht aan de jongere collega. Hij wist niet wat de route van de pas was geweest. Hij wist in ieder geval wel dat de pas niet in de kast had gelegen.

Collega P verklaarde onder meer dat zij O had horen zeggen dat de man een paspoort in zijn broekzak had. Volgens haar was de pas 100 % zeker niet uit laatje gekomen. Zij had X ook niet om een paspoort horen vragen.

proces-verbaal van bevindingen

X verklaarde onder meer dat hij laat die avond het pvb globaal had gelezen en getekend. Hij had het daarna niet meer gelezen. Op het pv van aanhouding was zijn naam niet vermeld, omdat hij er niet bij was geweest op het balkon. Het had hem verbaasd dat na afloop geen bespreking had plaatsgevonden van elkaars bevindingen. Het had hem verbaasd dat iedereen snel naar huis wilde en dan achteraf was gaan roepen dat het niet klopte. Het zou volgens X ook mooi zijn geweest als de collega's zelf iets op papier hadden gezet.

Y verklaarde onder meer dat hijhet pvb ’s avonds had opgemaakt. De collega’s had hij niet meer gesproken. Wel had hij aan de recherche meegegeven dat de collega's O en P ook nog hun bevindingen op papier zouden zetten. In het kader van een volledig beeld had hij dit wel verwacht. Hij had geen contact meer met hen gehad en wist niet dat er een dubbel gevoel ontstaan was bij hen of onduidelijkheden. Ook had hij geen moment het gevoel gehad dat hiervan sprake was. Y had al die tijd gedacht dat het ging om iets dat weg was, dat er bijvoorbeeld een kilo drugs gestolen was. Hij had nooit gedacht dat het zou gaan om het aantreffen van het vuurwapen.

Collega O verklaarde onder meer dat hij al eerder het gevoel had dat Y wilde zoeken, dat Y meer interesse had gehad voor deze persoon dan voor degene voor wie hij was gekomen. Daarbij was een andere collega al eerder op dat adres geweest, toen was het onderverhuurd aan Poolse mensen. De kans was dus ook nu groot dat de gesignaleerde niet thuis aangetroffen zou worden.

Collega P verklaarde onder meer dat zij net als collega 1 over de rechtmatigheid van het aantreffen van het pistool meteen al het gevoel had: klopt dit wel of klopt dit niet? In het pv staat dat (Y) het laatje verder had opengetrokken omdat hij de kolf zag. P wist niet of het laatje daarvoor al een paar centimeter had opengestaan.

Informatie van het VIK

Gevraagd waarom niet is gekozen voor een intern onderzoek liet het VIK het volgende weten:

"Het gelaste strafrechtelijke onderzoek gaat altijd voor op een intern onderzoek. Als er na het afsluiten van het strafrechtelijke onderzoek vragen onbeantwoord zijn die intern gesteld moeten worden, wordt er na de beslissing van het OM alsnog een intern onderzoek gestart. In dit geval heeft de eenheidsleiding van de politie Amsterdam, na afsluiten van het strafrechtelijke onderzoek een gesprek gevoerd met de betrokkenen. Er was geen reden voor een separaat intern onderzoek omdat voor hen er geen vragen onbeantwoord waren. Voor een eventuele disciplinaire maatregel hoefde ook geen intern onderzoek gestart te worden. De politiegegevens in het strafrechtelijke dossier mogen intern gebruikt worden."

beoordeling

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit brengt met zich mee dat de overheid bij haar handelen de relevante feiten verzamelt en kijkt naar alle omstandigheden. De verzamelde gegevens worden betrokken bij de belangen die op een zorgvuldige wijze tegen elkaar worden afgewogen.

Ingevolge de Aanwijzing gebruik sepotgronden dient sepotcode 02 te worden gebruikt als sprake is van onvoldoende of niet overtuigend bewijs. Sepotgrond 02 kan pas aan de orde zijn nadat is geoordeeld dat er geen grond is voor een sepotcode 01.

Sepotcode 01 dient te worden gebruikt in die gevallen waarbij iemand onterecht als verdachte is aangemerkt, zoals in het geval van een valse aangifte of persoonsverwisseling.

Sepotcode 01 dient ook gebruikt te worden voor de gevallen waarin aanvankelijk een verdenking op - op zichzelf - goede gronden is gerezen, maar nadien het opsporingsonderzoek heeft geleid tot het resultaat dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte onschuldig is aan het feit waarop de verdenking betrekking had.

Allereerst is de vraag aan de orde of verzoekers aanvankelijk terecht als verdachte zijn aangemerkt. Het redelijk vermoeden van schuld van de politieambtenaren X en Y was gebaseerd op door getuigen-collega's O en P geuite verklaringen over hun twijfels over de correctheid van het door verzoekers opgemaakte proces-verbaal, waarin was opgetekend dat X het paspoort van de verdachte man uit een kast had gepakt. Zij waren heel stellig in hun verklaring dat de verdachte man het paspoort in zijn broekzak had gehad en dat het paspoort dan ook niet in het open gedeelte van de kast kon hebben gelegen. Op grond van de verklaringen van O en P was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld en konden verzoekers als verdachte worden aangemerkt.

De vraag is nu of het ten gevolge van het opsporingsonderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekers onschuldig zijn.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het paspoort van de verdachte man nou wel of niet in het open gedeelte van de kast had gelegen en of een lade in die kast waarin het vuurwapen lag al dan niet had opengestaan. Uit de getuigenverhoren blijkt dat in feite noch O noch P over het laatste uitsluitsel kunnen geven. O en P zijn er echter wel stellig over dat het paspoort in de broekzak van de verdachte man had gezeten. Voor het overige is er voornamelijk sprake van aannames, vermoedens en twijfels. Wat er precies is gebeurd, kunnen de collega's niet aangeven. In aanmerking genomen dat tussen de aanhouding van de verdachte man op het balkon en het aantreffen van het vuurwapen slechts zo'n vijf minuten zijn verstreken, is het op zichzelf niet verwonderlijk dat er achteraf onduidelijkheden kunnen zijn over de exacte volgorde van gebeurtenissen en wie zich op welk moment waar bevond en wat men had kunnen zien.

O en P hebben zelf geen proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, ook niet toen bij hen kennelijk twijfels waren gerezen. Dat valt te betreuren, want een proces-verbaal van bevindingen van O en P had wellicht meer duidelijkheid kunnen scheppen, met name nu de enige andere persoon die mogelijk uitsluitsel had kunnen geven over het paspoort, de verdachte, niet als getuige is gehoord. De verklaringen van O en P dat het paspoort van de man in diens broekzak had gezeten zijn echter in het opsporingsonderzoek wel overeind gebleven.

Al met al moet dan ook worden vastgesteld dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld op grond waarvan verzoekers als verdachten konden worden aangemerkt en dat opsporingsonderzoek niet heeft geleid tot het resultaat dat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekers onschuldig waren aan valsheid in geschrifte. Dit leidt tot de conclusie dat het OM in redelijkheid het verzoek om wijziging van de sepotcode van 02 naar 01 heeft kunnen afwijzen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

Reinier van Zutphen

achtergrond

Wetboek van Strafvordering.

Artikel 27, eerste lid

"Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit."

Wetboek van Strafrecht

Artikel 225, eerste lid

"Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/112