2017/094 DUO stelt vrouw ten onrechte niet vrij van naturalisatietoets

Vrouw wil zich laten naturaliseren tot Nederlander. Zij wordt via de gemeente bij een cursusinstelling geplaatst. Die blijkt naderhand het Blik op Werk-keurmerk te missen. Zij volgt 600 uur onderwijs, maar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) weigert een ontheffing te geven. De ombudsman vindt dat de overheid bereid moet zijn om in voorkomende gevallen af te wijken van algemeen beleid of voorschriften als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen. Haar probleem is buiten haar schuld is ontstaan en is het gevolg van beleid van de overheid. De Nationale ombudsman verzoekt de minister van SZW en de staatssecretaris van V&J om alsnog met verzoekster naar een oplossing te zoeken.

Instantie: Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Klacht:

geen positief advies afgegeven voor ontheffing van de naturalisatietoets vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen

Oordeel: gegrond

Verzoekster wil graag in aanmerking komen voor naturalisatie. Zij heeft daarvoor echter een positief advies nodig van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) voor ontheffing van de naturalisatietoets vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen. De DUO adviseert echter negatief, omdat verzoekster niet aan de voorwaarde voldoet dat zij ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het Blik op Werk-keurmerk. De instelling waarbij zij een alfabetiseringscursus heeft gevolgd blijkt namelijk het Blik op Werk-keurmerk te missen.

Verzoekster klaagt erover dat zij buiten haar schuld om in de positie is gekomen dat haar grote drempels worden opgeworpen om te kunnen naturaliseren. Ten tijde van het volgen van de alfabetiseringscursus wist zij niets van het Blik op Werk-keurmerk af. Bovendien was zij door de gemeente bij de betreffende cursusinstelling geplaatst. Zij vindt het niet terecht dat de overheid de gemaakte cursusuren niet mee laat tellen.

De ombudsman vindt dat de overheid bereid moet zijn om in voorkomende gevallen af te wijken van algemeen beleid of voorschriften als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen. Er moet ruimte zijn voor maatwerk. De DUO en de IND, noch de verantwoordelijke ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SWZ) en Veiligheid en Justitie (V&J), doen verzoekster een handreiking. Dit terwijl haar probleem buiten haar schuld is ontstaan en een gevolg is van beleid van de overheid. Daarmee handelen zij in strijd met het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman verzoekt de minister van SZW en de staatssecretaris van V&J om alsnog met verzoekster naar een oplossing te zoeken voor de ontstane situatie, bijvoorbeeld door te bepalen dat de gemaakte cursusuren toch meetellen of door de kosten te dragen voor een door verzoekster af te leggen alfabetiseringscursus.


Klacht

Verzoekster is in het kader van haar inburgering door de gemeente Tilburg geplaatst bij een cursusinstelling, waar zij een alfabetiseringscursus heeft gevolgd. Na verloop van tijd heeft het College van burgemeester en wethouders haar ontheven van haar inburgeringsplicht, omdat zij ondanks voldoende inspanningen niet in staat werd geacht het inburgeringsexamen te halen. Nu wil verzoekster graag in aanmerking komen voor naturalisatie.

Verzoekster klaagt erover dat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geen positief advies afgeeft voor ontheffing van de naturalisatietoets vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen. DUO geeft geen positief advies af, omdat de cursusinstelling waar zij haar alfabetiseringscursus heeft gevolgd geen Blik op Werk-keurmerk heeft. Verzoekster vindt het niet fair dat dit haar wordt tegengeworpen en stelt dat haar een onredelijk hoge drempel wordt opgeworpen om voor naturalisatie in aanmerking te kunnen komen.

Bevindingen

Situatie verzoekster
Verzoekster heeft de Somalische nationaliteit. Ze heeft asiel aangevraagd in Nederland en haar werd een tijdelijke verblijfsvergunning op die grond verleend. Op haar rustte de verplichting om in te burgeren. Ze heeft vanaf 1 augustus 2011 in het kader van haar inburgering Nederlandse les gevolgd. Ze heeft deelgenomen aan een alfabetiseringstraject bij het ROC Tilburg vanaf 12 december 2012. Bij deze cursusinstelling was zij door de gemeente Tilburg geplaatst. Verzoekster heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij meer dan 600 uren cursus gevolgd heeft bij deze instelling. Per 16 december 2013 beëindigde de gemeente Tilburg haar inburgeringsverplichting, omdat het ondanks voldoende inspanningen voor haar niet mogelijk bleek om het vereiste niveau te behalen (artikel 31 Wet inburgering (oud) en artikel 5.5 Besluit Inburgering (oud); zie Achtergrond, onder 1 en 2). Gedurende de tijd dat zij Nederlandse les volgde was er helaas geen sprake van vooruitgang.

Verzoekster heeft nadien een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen. Zij wilde vervolgens graag de Nederlandse nationaliteit verwerven door middel van naturalisatie (artikel 8 Rijkswet op het Nederlanderschap; zie Achtergrond, onder 3). Om te kunnen naturaliseren is het in beginsel een vereiste om het inburgeringsexamen (de 'naturalisatietoets') te hebben gehaald, tenzij er daarvoor ontheffing wordt verleend (Artikel 4 sub b Besluit Naturalisatietoets, zie Achtergrond onder 4). Voor ontheffing om niet-medische redenen kan men zich wenden tot de DUO. De DUO kan een positief advies uitbrengen waaruit blijkt dat ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van de betrokkene verwacht kan worden dat hij/zij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Verzoekster heeft een dergelijk advies bij de DUO aangevraagd, omdat zij ten tijde van haar inburgering ondanks haar inspanningen naar het oordeel van de gemeente Tilburg niet in staat was het vereiste niveau te halen.

Bij brief van 3 december 2014 heeft verzoekster vernomen dat de DUO negatief adviseert, omdat zij niet aan de eisen voor een ontheffing voldoet. Als
reden wordt gegeven dat de cursusinstelling waaraan verzoekster de alfabetiseringscursus heeft gevolgd niet het vereiste Blik op Werk (BOW)-keurmerk heeft. Zij voldoet hierdoor niet aan de voorwaarden voor ontheffing op niet-medische gronden. Verzoekster wist ten tijde van het volgen van de cursus niets van (het belang van) dit keurmerk. De gemeente Tilburg zag in het ontbreken van dit keurmerk destijds kennelijk ook geen aanleiding om inburgeringsplichtigen bij een andere cursusinstelling onder te brengen. Op dat moment was nog niet duidelijk dat het BOW-keurmerk van belang zou worden in het kader van naturalisatieprocedures.

Op 11 februari 2016 heeft verzoekster bij de DUO een klacht ingediend over het negatief advies van de DUO. Deze klacht is niet in behandeling genomen in verband met de jaartermijn, zo schreef de DUO haar bij brief van 10 maart 2016 (artikel 9:8 sub b Algemene Bestuurswet; zie Achtergrond, onder 5). Op 21 maart 2016 heeft verzoeksters belangenbehartiger zich vervolgens tot de Nationale ombudsman gewend met het verzoek om een onderzoek in te stellen.

Standpunt verzoekster
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar een onredelijk hoge drempel voor naturalisatie wordt opgeworpen, nu het niet aan haar schuld te wijten is dat zij een alfabetiseringscursus heeft gevolgd bij een instelling die achteraf gezien het juiste keurmerk mist, maar waar zij via de gemeente geplaatst is. Zij stelt zich op het standpunt dat zij hiervan niet de dupe mag zijn. De vaststelling van de gemeente Tilburg dat zij ontheven werd van haar inburgeringsplicht vanwege het niet kunnen halen van het vereiste niveau, zou volgens verzoekster moeten doorwerken in de naturalisatieprocedure. Zij vindt dat de DUO haar geleverde inspanningen moet erkennen, nu die door de gemeente destijds ook zijn erkend en de gemeente op dat moment de verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van de Wet inburgering.

Daarnaast heeft verzoekster aangegeven geen kans te zien om alsnog een aanvullende alfabetiseringscursus te gaan volgen bij een andere cursusinstelling. In de eerste plaats omdat zij meent dat al voldoende duidelijk is dat een nieuwe cursus er niet toe zal leiden dat zij het inburgeringsexamen kan halen. In de tweede plaats omdat ze hierdoor veel kosten zou moeten maken. Omdat ze niet inburgeringsplichtig meer is, zou ze ook niet in aanmerking komen voor een lening van de DUO om de cursus te bekostigen.

Vooronderzoek Nationale ombudsman
Ondanks de overschrijding van de jaartermijn, zag de Nationale ombudsman reden om de klacht in behandeling te nemen, op grond van het kennelijke belang van de zaak voor verzoekster en het principiële karakter ervan. De Nationale ombudsman heeft schriftelijke vragen gesteld aan zowel de DUO als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarnaast hebben onderzoekers van het bureau Nationale ombudsman in persoon gesproken met medewerkers van de DUO, de IND en het Ministerie van Veiligheid en Justitie (V&J).

Standpunt DUO
Uit de beantwoording van de vragen en het gesprek met medewerkers van de DUO is naar voren gekomen dat de DUO geen mogelijkheid ziet om af te wijken van de dwingende eisen die gesteld zijn aan het advies voor ontheffing in verband met aantoonbaar geleverde inspanningen. Verzoekster voldoet niet aan de eisen die gesteld zijn in artikel 6 derde lid van de Regeling naturalisatietoets Nederland, in elk geval omdat zij de cursus niet heeft gevolgd bij een instelling met een BOW-keurmerk (zie Achtergrond, onder 6). De DUO voert daarnaast aan dat verzoekster destijds, tot 1 juli 2013, nadat zij door de gemeente Tilburg is ontheven van haar inburgeringsplicht, bij het ROC Amsterdam een haalbaarheidsonderzoek had kunnen afleggen waarmee zij objectief had kunnen doen vaststellen of zij voldoende leerbaar is of niet. Indien daaruit naar voren was gekomen dat zij niet voldoende leerbaar is, dan had zij nu voor ontheffing in aanmerking kunnen komen. Zij heeft die toets toen echter niet afgelegd.

De DUO stelt zich verder op het standpunt dat verzoekster destijds geprofiteerd heeft van de beslissing van het college van Tilburg om haar te ontheffen van haar inburgeringsplicht. Die ontheffing staat echter los van de eisen die gelden voor naturalisatie en werkt dus niet door in de naturalisatieprocedure. Dat was ook destijds al het geval. Daarvoor is gekozen, betoogt de DUO, omdat gemeenten over beleidsvrijheid beschikten voor wat betreft de wijze van beoordeling en de toe te passen criteria met betrekking tot verzoeken tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen. Daardoor was de ontheffing van de inburgeringsplicht door een gemeente geen voldoende objectieve indicatie om aan te nemen dat een betrokkene niet voldoende leerbaar is.

Standpunt IND en Ministerie van V&J
De IND heeft aangegeven verzoekster geen positieve beslissing op een toekomstige naturalisatieaanvraag in het vooruitzicht te kunnen stellen, tenzij zij alsnog een positief advies van de DUO zou krijgen dan wel alsnog met succes het inburgeringsexamen af zou leggen. De IND geeft aan evenals de DUO geen ruimte te hebben om in een individueel geval buiten de geldende wettelijke kaders te treden. Medewerkers van het Ministerie van V&J hebben zich in gesprek met de ombudsman achter het standpunt van de IND geschaard dat de huidige wetgeving geen ruimte laat voor positieve advisering door de DUO dan wel een positieve beslissing op een naturalisatieaanvraag door de IND, onder de gegeven omstandigheden.

Standpunt minister van SZW
In reactie op het verslag van bevindingen heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) laten weten dat hij het standpunt van DUO, het Ministerie van V&J en de IND volledig onderschrijft. De minister ziet derhalve geen ruimte om af te wijken van deze standpunten of anderszins maatregelen te nemen die tegemoet komen aan de klacht.

Beoordeling

De Nationale ombudsman vindt dat het perspectief van de burger geborgd moet worden in alles wat de overheid doet. Het is daarbij een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid bereid is om in voorkomende gevallen af te wijken van algemeen beleid of voorschriften als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen.

In deze casus gaat het om een voor de betrokken burger erg belangrijke beslissing. Door naturalisatie kan verzoekster de rechten en plichten krijgen om als volwaardig burger mee te draaien in onze maatschappij. De Nationale ombudsman vindt dat de overheid, bij het toepassing van de wet- en regelgeving rond naturalisatie, oog moet houden voor het perspectief van de betrokken burger. Dat brengt mee dat er ruimte moet zijn voor maatwerk indien de situatie daarom vraagt.

De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoekster, buiten haar schuld om, in een lastige positie terecht is gekomen. Ze heeft in de inburgeringsfase gedaan wat er van haar verwacht mocht worden door een alfabetiseringscursus te volgen bij de cursusinstelling die de gemeente Tilburg voor haar geselecteerd had. Na verloop van tijd is ze door de gemeente ontheven van haar inburgeringsplicht. De ombudsman vindt het van belang op te merken dat deze ontheffing pas werd verleend per 16 december 2013. Hierdoor had zij, anders dan de DUO stelt, niet de mogelijkheid om bij het ROC Amsterdam een haalbaarheidsonderzoek af te leggen met het oog op een toekomstige naturalisatieprocedure. Die mogelijkheid bestond immers maar tot 1 juli 2013.

Nu zij op grond van haar verblijfsduur in aanmerking zou kunnen komen voor naturalisatie, blijkt dat de ruim 600 cursusuren die zij gevolgd heeft niet meetellen, omdat de instelling niet BOW-gecertificeerd was. Verzoekster heeft nooit van het ontbreken van dit keurmerk afgeweten, noch van het belang ervan. Voor verzoekster is dit een hard gelag, zeker omdat dit betekent dat er voor haar nu een hoge drempel wordt opgeworpen om te kunnen naturaliseren. Zij zou immers het vereiste aantal van 600 cursusuren vanaf nul moeten opbouwen door alsnog een cursus te volgen bij een andere instelling, terwijl zij de cursus zelf zou moeten bekostigen en daarvoor ook geen lening van de DUO kan aanvragen omdat zij niet inburgeringsplichtig is.

De Nationale ombudsman onderschrijft dat de ontheffing voor wat betreft de inburgering niet doorwerkt in de naturalisatieprocedure. Echter, de cursusuren die iemand tijdens de inburgering gevolgd heeft tellen normaal gesproken wél mee bij het beoordelen van een aanvraag voor ontheffing voor de naturalisatietoets op niet-medische gronden. Het is de kern van de zaak dat die uren nu niet meetellen, omdat de cursusinstelling niet BOW-gecertificeerd was.

Omdat de gemaakte cursusuren niet tellen voldoet verzoekster niet aan de vereisten voor naturalisatie die de huidige wetgeving stelt. De DUO volgt de wet door geen positief advies voor ontheffing uit te brengen en de IND volgt de wet door te stellen dat er geen positieve beslissing op een naturalisatieaanvraag zal volgen, tenzij verzoekster alsnog een positief advies van de DUO zou krijgen dan wel alsnog met succes het inburgeringsexamen af zou leggen. De DUO, de IND en de minister van SZW zien allen geen ruimte om buiten deze wettelijke kaders te treden.

De Nationale ombudsman acht verzoekers klacht gegrond, voor zover deze de strekking heeft dat de minister van SZW en de staatssecretaris van V&J, door verzoekster in deze positie geen handreiking te bieden, handelen in strijd met het vereiste van maatwerk. De ombudsman vindt dat in het bijzondere geval van verzoekster van de minister en de staatssecretaris mag worden verwacht dat zij haar tegemoet komen om haar probleem op te lossen, nu dat probleem buiten haar schuld is ontstaan en een gevolg is van beleid van de overheid.

De gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te Den Haag is gegrond wegens schending van het vereiste van maatwerk.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman verzoekt de minister van SZW en de staatssecretaris van V&J om alsnog met verzoekster naar een oplossing te zoeken voor de ontstane situatie, bijvoorbeeld door te bepalen dat de gemaakte cursusuren toch meetellen of door de kosten te dragen voor een door verzoekster af te leggen alfabetiseringscursus.

 

Achtergrond/bijlagen

  1. WET INBURGERING (OUD)

Artikel 31 Wet inburgering (oud)

1 Het college legt de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, bedoelde termijn of de op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, verlengde termijn, het inburgeringsexamen heeft behaald, een bestuurlijke boete op.

2 In afwijking van het eerste lid:

a. verlengt het college de in artikel 7, eerste lid, bedoelde termijn, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet behalen van het inburgeringsexamen;

b. verlengt het college de in artikel 7, eerste lid, bedoelde termijn eenmalig met ten hoogste twee jaar en zes maanden, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt of is gevolgd voor het verstrijken van de eerder bedoelde termijn, of

c. verleent het college ontheffing van de inburgeringsplicht, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het tweede lid.

2. BESLUIT INBURGERING(OUD)

Artikel 5.5 Besluit inburgering (oud)

1 Een aanvraag tot verlening van ontheffing van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

2 In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college ambtshalve besluiten tot het verlenen van ontheffing. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.

3 Het college kan op aanvraag de termijn, genoemd in het eerste lid, buiten toepassing laten, indien toepassing daarvan naar zijn oordeel, gelet op de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.


3. RIJKSWET OP HET NEDERLANDERSCHAP

Artikel 8 Rijkswet op het Nederlanderschap

1 Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

a. die meerderjarig is;

b. tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;

c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;

d. die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en

e. die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

2 Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.

3 De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.

4 De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is.

5 De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.

6 Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

4. BESLUIT NATURALISATIETOETS

Artikel 4 Besluit naturalisatietoets

1 Het verzoek wordt niet afgewezen om de reden dat de naturalisatietoets niet is behaald, indien ten genoegen van Onze Minister is aangetoond dat:

a. de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen; of

b. het op grond van door de verzoeker geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is de naturalisatietoets te behalen.

 

5. ALGEMENE BESTUURSWET

Artikel 9:8 Algemene Bestuurswet

Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;

b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;

c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,

d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;

e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een bestuursrechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,

f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.

2 Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

3 Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

6. REGELING NATURALISATIETOETS NEDERLAND

Artikel 6 Regeling naturalisatietoets Nederland

1 Geen verplichting tot het afleggen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het besluit, heeft de verzoeker die een beschikking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overlegt waaruit blijkt dat hij op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet inburgering, is ontheven van de inburgeringsplicht wegens aantoonbaar geleverde inspanningen om aan die plicht te voldoen.

2 Geen verplichting tot het afleggen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het besluit, heeft de verzoeker die een advies van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overlegt inhoudende dat ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen van hem niet kan worden verwacht dat hij de naturalisatietoets met succes aflegt.

3 DUO geeft het in het tweede lid bedoelde advies op diens verzoek af aan de vreemdeling die:

a. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en ten minste 4 keer heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van de naturalisatietoets; of

b. ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een alfabetiseringscursus bij een instelling met het Blik op Werk Keurmerk en uit een door DUO afgenomen toets blijkt dat de vreemdeling niet het leervermogen heeft om de naturalisatietoets te halen.

4 Ter zake van de door DUO afgenomen toets, bedoeld in het derde lid, onder b, is de vreemdeling aan DUO een bedrag van € 150 verschuldigd.

5 Geen verplichting tot het afleggen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het besluit, heeft de verzoeker, die ongeletterd is in de eigen en de Nederlandse taal en die in het bezit is van een verklaring en een advies van het Regionaal Opleidingen Centrum van Amsterdam te Amsterdam, dat op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan vijf jaar, inhoudende dat niettegenstaande de aantoonbaar geleverde inspanningen om zich te alfabetiseren in de Nederlandse taal van verzoeker niet meer kan worden verwacht dat hij binnen een tijdsbestek van vijf jaar de schriftelijke vaardigheden in het Nederlands zal beheersen op het in deze Regeling gewenste niveau en die het onderdeel spreekvaardigheid van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid onderdeel d, van het Besluit inburgering met succes heeft afgelegd.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/094