2017/037 Politie Midden-Nederland betreedt terecht woning zonder toestemming van de afwezige bewoner

Een man krijgt een heupoperatie. Na een maand revalideren keert hij terug naar huis. Bij thuiskomst ziet hij dat de voordeur is vernield met een mededeling van de politie dat hij de sleutels van het nieuwe slot op het politiebureau kan afhalen. De politie laat weten dat buren eerder hun zorgen over zijn afwezigheid hebben geuit. In de woning ligt de vloer vol met afval en glassplinters. De man klaagt bij de Nationale ombudsman dat de politie onrechtmatig zijn woning heeft betreden. De ombudsman vindt dat er voor de politie voldoende feiten en omstandigheden waren om deze beslissing te nemen. De klacht is niet gegrond.

Instantie: Politiechef regionale eenheid Midden-Nederland

Klacht:

op 9 oktober 2014 onrechtmatig verzoekers woning betreden

Oordeel: niet gegrond

Verzoeker werd vanwege een heupoperatie opgenomen in een ziekenhuis waarna hij aansluitend ging revalideren. Na een periode van een maand keerde hij terug naar zijn huurwoning. Bij aankomst zag verzoeker dat de voordeur van zijn woning was vernield. Bij de voordeur hing een mededeling van de politie dat hij de sleutels van het nieuwe slot op het politiebureau kon komen afhalen. Op het politiebureau kreeg verzoeker te horen dat buren eerder bij de politie hun zorgen hadden geuit over zijn afwezigheid. Nadat verzoeker met de nieuwe sleutels die hij op het politiebureau had gekregen thuis de deur opende, zag hij dat de vloeren van zijn woning onder het afval en de glassplinters lagen. Naar aanleiding van de hiervoor beschreven gebeurtenissen diende verzoeker een klacht in bij de politie eenheid Midden-Nederland.

Verzoeker klaagde erover dat de politie onrechtmatig zijn woning had betreden.

De Nationale ombudsman was van oordeel de politieambtenaren voldoende informatie hadden verzameld op basis waarvan de hulpofficier van justitie een afgewogen beslissing zou kunnen nemen. Het samenstel van de door hen gevonden feiten en omstandigheden leverde naar het oordeel van de Nationale ombudsman voldoende plusjes op om een inbreuk op het huisrecht van verzoeker te kunnen rechtvaardigen.

Alles overziend was de Nationale ombudsman, gesteld dat er wel aan de vormvoorschriften van de Awbi zou zijn voldaan, van oordeel dat de betrokken politieambtenaren niet hadden gehandeld in strijd met het vereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd, in dit geval het huisrecht.

Aanleiding

Op zondag 7 september 2014 werd verzoeker vanwege een heupoperatie in Nieuwegein opgenomen in een ziekenhuis. Na aansluitend een periode te hebben doorgebracht in een revalidatiecentrum keerde hij op maandag 13 oktober 2014 terug naar zijn huurwoning. Bij aankomst zag verzoeker dat de voordeur van zijn woning was vernield. Bij de voordeur hing een mededeling van de politie dat hij de sleutels van het nieuwe slot op het politiebureau kon komen afhalen. Op het politiebureau kreeg verzoeker te horen dat buren eerder bij de politie hun zorgen hadden geuit over zijn afwezigheid. Nadat verzoeker met de nieuwe sleutels die hij op het politiebureau had gekregen thuis de deur opende, zag hij dat de vloeren van zijn woning onder het afval en de glassplinters lagen.

Naar aanleiding van de hiervoor beschreven gebeurtenissen, diende verzoeker op
17 oktober 2014 een klacht in bij de politie eenheid Midden-Nederland.

Verzoeker klaagde er onder meer bij de politiechef over dat de politie zijn woning onrechtmatig had betreden. De politiechef achtte verzoekers klacht niet gegrond.

Onderzoek Nationale ombudsman

Omdat verzoeker zich niet met het oordeel van de politiechef kon verenigen, verzocht hij de Nationale ombudsman de zaak te onderzoeken. De ombudsman stelde een onderzoek in en formuleerde de klacht als volgt:

Verzoeker klaagt erover dat politieambtenaren van de eenheid Midden-Nederland op
9 oktober 2014 onrechtmatig zijn woning hebben betreden.

Bevindingen

Wat was er volgens de politie gebeurd?
Volgens de politie was op dinsdag 9 oktober 2014 om 14:21 uur telefonisch de melding binnengekomen dat: "Oudere bewoner sinds afgelopen maandag niet meer is gezien. Brievenbus vol en er wordt niet opengedaan." De melder gaf om 14:24 aan dat hij niet zeker was van het huisnummer (van de oudere bewoner). Om 15:51 werd gesproken over een afdichting voor de voordeur.

In een mutatierapport van de politie staat de volgende informatie.

"Melding van bewoners en ondernemers C. laan. Zouden bewoner Van der W. (verzoeker) al enkele dagen niet meer gezien hebben en maakte zich zorgen. Ter plaatse verschillende personen gesproken. Gaven aan dat ze hem iedere dag zagen en altijd wel groeten of een gesprekje aangingen met betrokkene Van der W. Maar sinds maandag hadden ze Van der W. niet meer gezien. Maakten zich zorgen. Dikke pakken folders zichtbaar door de brievenbus. Telefoonnummers gebeld waarop BK (verzoeker) bereikbaar zou moeten zijn. Geen contact. Bekenden van BE (verzoeker) gaven aan dat hij geen contact meer heeft met familie. Wisten ook niet wie familie was en hoe die te bereiken was. Voertuig Van der W. aangetroffen. Hierop contact opgenomen met OVD-P A. verhaal uitgelegd en zij ging akkoord met binnentreden. Eenmaal in de woning was bewoner Van der W. nergens te bekennen. Deur “hersteld” door bedrijf via meldkamer. Brief op de deur geplakt waarop staat dat bewoner nieuwe sleutels kan afhalen op bureau Paardenveld."

Interne klachtbehandeling
Tijdens de interne klachtbehandeling heeft de verzekeraar van de politie besloten om aan de verhuurder de schade aan de voordeur van verzoekers woning te vergoeden. Daarnaast heeft de politie uit een aantal bevindingen van het klachtonderzoek lering getrokken voor toekomstige gevallen. Het gaat dan om het zorgvuldiger vastleggen van de melding, het noteren van de namen van de personen die door de politieambtenaren zijn aangesproken, het opruimen van de scherven in de woning, het achterlaten van de woning en het beter zoeken naar een mogelijk hulpbehoevende persoon in de woning. Tijdens de hoorzitting van de politieklachtencommissie gaf de betrokken hulpofficier aan dat er na het binnentreden in verzoekers woning geen verslag van binnentreden is opgesteld voor verzoeker. Volgens de hulpofficier was dit niet gedaan omdat het volgens haar niet gebruikelijk is bij een actie op grond van artikel 3 Politiewet 2012.

Reactie van de hoofdofficier
De hoofdofficier gaf in zijn advies aan de politiechef aan dat de politieambtenaren gebruik hadden gemaakt van een bevoegdheid die is gelegen in artikel 3 Politiewet. Indien bij het uitoefenen van een politietaak een woning moet worden betreden dan zijn de politieambtenaren volgens de hoofdofficier daarnaast ook aan andere wettelijke kaders (artikel 7, tweede lid Politiewet en artikel 2, derde lid Algemene wet op het binnentreden(Awbi)) gebonden. Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner en zonder schriftelijke machtiging is volgens de hoofdofficier slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. De politie kan deze bevoegdheid alleen gebruiken indien er sprake is van nood, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid Awbi. Uit de beschikbare informatie was de hoofdofficier niet gebleken van een andere indicatie dan de melding - waarin wordt aangegeven dat het een “oudere” bewoner betreft - waaruit zou blijken dat de bewoner van de woning onmiddellijk hulpbehoevend was en zich in de woning zou begeven.

Deze extra informatie is volgens de hoofdofficier kennelijk ook niet verkregen van omwonenden die naar aanleiding van de melding door de betrokken politieambtenaren zijn bevraagd. Bovendien stelt verzoeker dat direct omwonenden wel degelijk op de hoogte waren van zijn afwezigheid. Uit de beschikbare informatie valt niet op te maken of die personen zijn bevraagd door de betrokken politieambtenaren. De hoofdofficier merkte daartoe op dat uit zijn beschikbare informatie blijkt dat de onderliggende informatie deels onjuist dan wel onvolledig is verwerkt.

In het politierapport dat naar aanleiding van verzoekers klacht was opgemaakt, werd onder andere benoemd, het niet zorgvuldig vastleggen van de binnengekomen melding en het niet vastleggen van de namen van personen die zijn bevraagd door de betrokken politieambtenaren. Het niet zorgvuldig vastleggen van deze informatie maakt een beslissing tot binnentreden en daarmee de beoordeling achteraf of deze al dan niet rechtmatig heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van de hoofdofficier, vrijwel onmogelijk. De hoofdofficier merkte ten overvloede op dat uit het politierapport wel was gebleken dat de klachtbehandelaar verschillende punten –waaronder hiervoor genoemd – reeds als leermoment had meegenomen.

Samenvattend kwam de hoofdofficier tot de conclusie dat hem niet was gebleken van een schriftelijke machtiging van de hulpofficier en dat het binnentreden van de politie enkel mogelijk was indien sprake was van een noodsituatie. Uit de beschikbare informatie was de hoofdofficier onvoldoende gebleken dat er sprake was van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond binnentreden in verzoekers woning moest plaatsvinden. De hoofdofficier was daarom van oordeel dat het binnentreden onrechtmatig had plaatsgevonden. Hij verzocht de politiechef om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren.
In reactie op het verslag van bevindingen liet de nieuwe hoofdofficier van het parket Midden-Nederland aan de Nationale ombudsman weten, zich achter het standpunt van haar voorganger te scharen.

De klachtencommissie
De klachtencommissie van de politie eenheid Midden-Nederland adviseerde de politiechef om verzoekers klacht met betrekking tot de rechtmatigheid van het betreden van zijn woning, niet gegrond te verklaren omdat een aantal omstandigheden het binnentreden zou rechtvaardigen. De politiechef nam dit advies over.

Lezing van verzoeker
Volgens verzoeker komt hij, in tegenstelling tot wat de politie informatie suggereert, niet iedere dag buiten de deur maar wekelijks alleen op dinsdag om boodschappen te doen. Groeten en gesprekjes aangaan met bewoners doet hij niet. Volgens verzoeker geeft de politie geen antwoord op zijn vraag wie de 'bekenden' zijn met wie zij contact hebben gehad.
Verzoeker vindt het opmerkelijk dat de melding op 9 oktober 2014 bij de meldkamer binnenkomt terwijl hij al op 7 september 2014 was opgenomen in het ziekenhuis. De melder beweert verzoeker pas drie dagen niet te hebben gezien.
Verzoeker geeft aan dat er in het proces-verbaal wordt gesproken over melding van bewoners en ondernemers C. laan terwijl het (klacht)onderzoek volgens hem echter uitwees dat er slechts sprake was van één melder.
Volgens verzoeker schrijft het sectorhoofd dat de politie op 9 oktober 2014 nog heeft geprobeerd om via zijn mobiele telefoonnummer met hem in contact te komen maar dat zij daarbij geen gehoor kregen. Verzoeker geeft aan dat hij helemaal géén mobiel telefoonnummer heeft. Volgens verzoeker is zijn broer een tot tweemaal per week bij hem thuis geweest om de post uit te zoeken en te ordenen. Van buiten gezien, is het volgens verzoeker niet mogelijk om op de mat binnen post te zien liggen. Een brievenbus is niet aanwezig. Er is alleen een briefopening met klep, aldus verzoeker.
Volgens verzoeker had de politie te weinig onderzoek gedaan. De politie had onder andere bij de naaste bewoners op C. laan 209 bis naar de reden van zijn afwezigheid kunnen informeren. Volgens verzoeker wisten die overal van en waren zij er getuige van geweest dat hij werd afgevoerd met een ambulance.

Aanvullende informatie van de politie
In het kader van het vooronderzoek heeft de Nationale ombudsman de politie eenheid Midden-Nederland een aantal vragen gesteld. In reactie daarop liet een medewerker van deze eenheid het volgende weten.

De betrokken politiemedewerkers hebben destijds door de brievenbus van verzoeker gekeken en daadwerkelijk post zien liggen. De melder heeft de politie destijds attent gemaakt op de aanwezigheid van verzoekers auto in de straat.
Na het gesprek met de melder hebben de politiemedewerkers verder nog gesproken met een fietsenmaker. Deze heeft zijn zaak enkele panden verderop. De fietsenmaker bevestigde ook dat hij verzoeker al een paar dagen niet had gezien.
De politiemedewerkers hebben aan deze fietsenmaker een spaak gevraagd en vervolgens daarmee geprobeerd de voordeur van verzoekers woning via de brievenbus te openen. Dit ter voorkoming van het aanbrengen van onnodige schade. Klachtonderzoek heeft verder uitgewezen dat de politieambtenaren niet bij de directe buren van verzoeker hebben aangebeld. De betrokken politieambtenaren dachten voldoende informatie te hebben om een en ander telefonisch kort te sluiten met een hulpofficier van justitie. Zij hebben een hulpofficier van justitie gebeld en aan haar doorgegeven dat:

a. Er een melding was binnen gekomen over het feit dat verzoeker (een oudere alleenwonende man op leeftijd) al een aantal dagen niet zou zijn gezien;
b. De melder zich zorgen maakte. Normaal zag hij verzoeker bijna iedere dag voorbij lopen;
c. Het voertuig van verzoeker op de C. laan geparkeerd stond;
d. Er een hoeveelheid post lag op de mat achter de voordeur, en
e. Er naar verzoeker was gebeld via een door de Meldkamer verstrekt telefoonnummer en dat daar niet op werd gereageerd.

Al deze “plusjes” vormden voor de hulpofficier van justitie voldoende aanleiding om in het belang van verzoeker en in het kader van de hulpverlening aan de betrokken politiemedewerkers mondeling toestemming (machtiging) te verlenen om de woning te betreden.
Volgens de hulpofficier werd de machtiging mondeling verleend en is er geen verslag van binnentreden gemaakt omdat bij binnentreden in het kader van de hulpverlening, de regels van de Awbi niet worden gehanteerd.

In diverse gesprekken met verzoeker is geprobeerd om hem duidelijk te maken dat de politie niet op de hoogte was van het feit dat hij ruim zes weken in een verpleeghuis had gelegen en door de brandweer uit zijn woning was gehaald. Dat had volgens verzoeker bij de politie bekend moeten zijn geweest. Dat is volgens de medewerker van de politie niet het geval omdat er bij de opname en het uit huis halen door de brandweer, geen politie ter plaatse is geweest. Verder had verzoeker de medewerkers van de meldkamer verweten dat zij geen contact met de brandweer of de ambulancedienst hadden opgenomen. Dan zou alles snel duidelijk zijn geweest. Verzoeker ging er ook vanuit dat de medewerkers van de meldkamer op de schermen van de brandweer en ambulancedienst konden kijken. Dat is echter niet het geval. Tijdens het gesprek is ook benadrukt dat de politie bij dergelijke meldingen niet al te veel tijd verloren wil laten gaan voordat zij een woning gaan betreden.

Oordeel over het binnentreden

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grond- en mensenrechten van burgers, zoals het huisrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, worden gerespecteerd. Dit betekent dat een overheidsinstantie niet zonder toestemming van de bewoner, een woning mag binnengaan en de persoonlijke levenssfeer mag aantasten, met uitzondering van bij de wet bepaalde gevallen.

Artikel 12, eerste lid van de Grondwet bepaalt dat binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen is geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen (zie Achtergrond, onder 1). In artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden (zie Achtergrond, onder 3) worden de vormvereisten verder uitgewerkt.

Op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 (zie Achtergrond, onder 2) heeft de politie onder meer tot taak hulp te verlenen aan hen die deze behoeven. De Nationale ombudsman merkt nadrukkelijk op dat dit artikel op zichzelf, geen wettelijke basis biedt om een woning te betreden.

Voor het verlenen van hulp hebben politieambtenaren op grond van artikel 7, tweede lid Politiewet 2012 toegang tot elke plaats, inclusief een woning, voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De uitoefening van deze bevoegdheid dient op grond van artikel 7, vijfde lid Politiewet 2012 bovendien in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn (zie Achtergrond, onder 2). Ook wanneer in het kader van hulpverlening een woning wordt binnengetreden, zijn de voorwaarden die in de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) worden gesteld, van toepassing. Dit betekent dat op grond van artikel 2, eerste lid Awbi een schriftelijke machtiging is vereist voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Alleen als er sprake is van een noodsituatie, waarin er direct moet worden gehandeld, kan de politie op grond van artikel 2, derde lid Awbi zonder toestemming van de bewoner en zonder schriftelijke machtiging een woning betreden.

De hoofdofficier stelde zich in zijn advies aan de politie op het standpunt dat in het geval van verzoeker een schriftelijke machtiging van de hulpofficier van justitie ontbrak. De politie had daarom naar het oordeel van de hoofdofficier alleen in het geval van een noodsituatie, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid Awbi, verzoekers woning mogen binnentreden. Nu er naar het oordeel van de hoofdofficier destijds geen sprake was van een noodsituatie had de politie, vanwege het ontbreken van een schriftelijke machtiging, de woning van verzoeker niet mogen binnentreden.
Op basis van de beschikbare feiten en omstandigheden is de Nationale ombudsman eveneens van oordeel dat er destijds geen sprake was geweest van een noodsituatie waarbij onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk was geweest. Omdat de politieambtenaren niet over een schriftelijke machtiging beschikten, was het betreden van de woning niet rechtmatig.

De Nationale ombudsman wil echter de klacht over de mondelinge beslissing van de hulpofficier van justitie om verzoekers woning te betreden, niet onbesproken laten. Hij toetst de klacht daarom los van de vraag of er was voldaan aan de voorschriften van de Awbi. De vraag die dan moet worden beantwoord, is of de hulpofficier van justitie op basis van artikel 2, eerste lid van de Awbi in redelijkheid de machtiging tot het betreden van verzoekers woning zou hebben kunnen afgeven.
De Nationale ombudsman stelt voorop dat de enkele melding dat iemand een paar dagen niet is gezien, op zichzelf onvoldoende aanleiding vormt om een machtiging af te geven. Er kunnen zich echter bijzondere feiten en omstandigheden voordoen die - naar objectieve maatstaven gemeten - de ernst van de melding zodanig kunnen versterken dat een inbreuk op het grondwettelijk vastgelegde huisrecht rechtvaardigbaar is. Die feiten en omstandigheden worden in politiejargon wel als 'plusjes'1aangeduid.

Uit de beschikbare politie informatie kan worden opgemaakt dat er direct op de melding is gereageerd. Tussen het tijdstip van de melding en het tijdstip dat er om afdichting van de voordeur wordt verzocht, zit een tijdsbestek van ongeveer anderhalf uur. Hieruit leidt de Nationale ombudsman af dat de politie binnen die tijdspanne heeft gezocht naar aanvullende informatie die als 'plusje' zou kunnen dienen.

De Nationale ombudsman stelt vast dat het onderzoek van de politieambtenaren destijds heeft opgeleverd dat een melder zich zorgen maakte omdat hij verzoeker (oudere alleenwonende man) al een paar dagen niet had gezien, de auto van verzoeker op de C. laan stond geparkeerd, er een hoeveelheid post achter de voordeur van verzoekers woning lag en zij geen telefonisch contact konden krijgen via het telefoonnummer dat door de meldkamer was verstrekt.
De Nationale ombudsman stelt verder vast dat de betrokken politieambtenaren niet bij de directe buren van verzoeker hebben aangebeld om bij hen te informeren naar de mogelijke reden van zijn afwezigheid of naar zijn huissleutel. De politieambtenaren hadden dit niet gedaan omdat zij naar hun mening voldoende informatie hadden verzameld op basis waarvan de hulpofficier van justitie een afgewogen beslissing zou kunnen nemen. Het samenstel van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden leverde naar het oordeel van de Nationale ombudsman voldoende plusjes op om een inbreuk op het huisrecht van verzoeker te kunnen rechtvaardigen.

Alles overziend is de Nationale ombudsman, gesteld dat er wel aan de vormvoorschriften van de Awbi zou zijn voldaan, van oordeel dat de betrokken politieambtenaren niet hebben gehandeld in strijd met het vereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd, in dit geval het huisrecht.

De onderzochte gedraging van de politie is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de politie eenheid Midden-Nederland die wordt aangemerkt als een gedraging van de politiechef van de regionale eenheid Midden-Nederland, is niet gegrond.

Slotbeschouwing

In deze tijd vereenzamen steeds meer ouderen. Zo nu en dan verschijnt in de media het bericht dat een oudere persoon niet in staat was geweest om zelf medische hulp in te roepen. In het ergste geval bleek iemand, zonder dat de omgeving het wist, al langere tijd te zijn overleden. Zo verscheen op 20 september 2014 het bericht dat er in Rotterdam een 65-jarige vrouw was aangetroffen die al negen maanden dood in haar huis lag2. Dit bericht maakte in de weken daarna veel discussie los over eenzame ouderen waarvan de afwezigheid niet door hun (woon)omgeving wordt opgemerkt. Dergelijke berichtgeving kan bijdragen aan een tijdelijk verhoogde alertheid van het publiek op hun (woon/werk)omgeving. Deze alertheid kan gepaard gaan met een grotere meldingsbereidheid. De politie zal daar vanuit haar hulpverlenende taak op moeten reageren. Wanneer er sprake is van een woning dan vormt het grondwettelijke huisrecht een obstakel om zo maar binnen te treden en polshoogte te nemen. In het geval van een duidelijk waarneembare noodsituatie zal er doorgaans geen discussie bestaan over de vraag of er inbreuk mag worden gemaakt op dit huisrecht. Het wordt echter moeilijker op het moment waarop de politie niet over concrete informatie beschikt dat een bewoner mogelijk hulpbehoevend is. In dat geval zal een hulpofficier van justitie op basis van aanvullend ingewonnen informatie, een afweging moeten maken tussen enerzijds het huisrecht en anderzijds de noodzaak om in het kader van hulpverlening een woning te betreden. In sommige gevallen kan een hulpofficier van justitie voor een dilemma staan.
Voor een burger kan het, bij loos alarm, achteraf moeilijk te accepteren zijn dat de politie zijn of haar woning heeft betreden. Toch heeft de Nationale ombudsman waardering voor het feit dat de politie in die gevallen het zekere voor het onzekere neemt. De wettelijk vastgelegde waarborgen en vereisten mogen hierbij echter niet uit het oog worden verloren.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Achtergrond

1. Grondwet

Artikel 12

1.Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
2.Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
3.Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.”

2. Politiewet 2012

Artikel 3

"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”

Artikel 7

"(…)
2.De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.
(…)
5.De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn."


3. Algemene wet op het binnentreden (Awbi)

Artikel 2

“1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.
2. Onze Minister van Justitie stelt het model van deze machtiging vast.
3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.”

Artikel 3

"1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn:
a. de advocaat-generaal bij het ressortsparket;
b.de officier van justitie;
c.de hulpofficier van justitie.
2. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.
3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts over, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist."

Artikel 6

"1. De machtiging is ondertekend en vermeldt:
a.de naam en de hoedanigheid van degene die de machtiging heeft gegeven;
b.de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven;
c.de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe wordt binnengetreden;
d.de dagtekening.
2. De machtiging blijft ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven. De Algemene termijnwet is niet van toepassing."

Artikel 9

"Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen."

Artikel 10 , eerste lid

"Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden."

Notes

[←1]

(N.B. Een 'plusje' is politiejargon voor informatie die kan meewegen bij de beslissing om

een bevoegdheid te kunnen gebruiken).

[←2]

http://www.ad.nl/rotterdam/vrouw-ligt-9-maanden-lang-dood-in-huis~a9fbc696/

Publicatiedatum
Rapportnummer
2017/037