2016/109 Openbaar lichaam Bonaire handelt niet oplossingsgericht bij verzoek om handhaving

Verzoekers klagen over de wijze waarop het openbaar lichaam Bonaire heeft gereageerd op een verzoek om handhaving jegens degene die zonder vergunning een derde bouwlaag bouwt. Gelet op de rol die het OLB heeft als vergunningverlener/ handhaver, meent de Nationale ombudsman dat het aan het OLB is zich in te spannen om met partijen een oplossing te vinden. Hoewel de intentie er bij het OLB wel lijkt te zijn, is van deze aanpak nog niet gebleken. De klacht is in zoverre gegrond.

Instantie: openbaar lichaam Bonaire (OLB)

Klacht:

wijze waarop het openbaar lichaam Bonaire heeft gereageerd op een verzoek om handhaving jegens degene die zonder vergunning een derde bouwlaag bouwt

Oordeel: gegrond

Verzoekers zijn bewoners/eigenaren van een appartementencomplex op Bonaire. Zij ervaren overlast van de bouwactiviteiten van een andere bewoner/eigenaar, de heer P.

Verzoekers klagen over de wijze waarop het openbaar lichaam Bonaire heeft gereageerd op een verzoek om handhaving jegens degene die zonder vergunning een derde bouwlaag bouwt, de heer P.

De Nationale ombudsman constateert dat alle partijen belang hebben bij het vinden van een uitweg uit dit conflict. De ombudsman is voorts van oordeel dat de wettelijke, juridische weg niet tot een duurzame oplossing gaat leiden in dit conflict. In tegendeel, de onderlinge verhoudingen zullen verder escaleren en de strijd zal nog jaren voortslepen. Dat is in niemands belang.

Het verloop van dit conflict over de bouw van de derde woonlaag laat zien dat er geen sprake is geweest van een oplossingsgerichte benadering. In tegendeel, er zijn veel procedures gevoerd zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid. Deze procedurele juridisch benadering door het OLB heeft geleid tot verharding van de relatie en een oplossing ligt steeds minder in het verschiet.

Verdere juridisering gaat geen oplossing brengen. Een traject met verzoekers en de heer P. om gezamenlijk de mogelijkheden te verkennen om tot een voor een ieder acceptabele oplossing te komen is de enige kansrijke mogelijkheid tot een uitweg in deze situatie. Gelet op de rol die het OLB heeft als vergunningverlener/handhaver, meent de Nationale ombudsman dat het aan het OLB is zich in te spannen om met verzoekers en de heer P. een oplossing te vinden. Hoewel de intentie er bij het OLB wel lijkt te zijn, is van deze aanpak nog niet gebleken. De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid in haar contacten met de burger escalatie probeert te voorkomen of te beperken. Een oplossingsgerichte houding is hierbij essentieel.

De Nationale ombudsman beveelt de OLB aan om het initiatief te nemen om met verzoekers en de heer P. het gesprek aan te gaan om te komen tot een oplossing met betrekking tot de (illegale) bouwlaag.

Wat is de klacht?

Verzoekers zijn bewoners/eigenaren van een appartementencomplex op Bonaire. Zij ervaren overlast van de bouwactiviteiten van een andere bewoner/eigenaar, de heer P.

Verzoekers klagen over de wijze waarop het openbaar lichaam Bonaire heeft gereageerd op een verzoek om handhaving jegens degene die zonder vergunning een derde bouwlaag bouwt, de heer P.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

In mei 1997 en december 2001 diende de heer P. aanvragen in om een bouwvergunning in ten behoeve van een naast verzoekers gelegen terrein, die het OLB op 9 december 1997 respectievelijk 8 april 2002 heeft ingewilligd. In 2007 woedde er in de woning van de heer P. een brand. Kort daarna werd hem een bouwverbod opgelegd door het OLB, waarna de bouw stopte.

In juli 2011 meldden bewoners bij het OLB dat er (weer) werd gebouwd en verzochten om een bouwstop. Een medewerker van de toenmalige Dienst Ruimtelijke Ordening en Beheer (DROB) gaf daarop aan dat was had geconstateerd dat er illegaal gebouwd was en dat de heer P. was bevolen te stoppen met bouwen. Op 31 augustus 2011 vaardigde het OLB een bouwstop af.

Op 6 september 2011 zei de secretaris van het bureau van de betrokken gedeputeerde dat het bestuurscollege een strenge brief had geschreven aan de heer P., ondertekend door het voltallige bestuurscollege. Een dag later trad een nieuw bestuurscollege aan. De (advocaat van) verzoekers mailden DROB op 18 en 29 september 2011 dat de bouwactiviteiten niet waren gestopt en verzocht over te gaan tot handhaving.

Op 25 oktober 2011 diende de advocaat van verzoekers bij het OLB een verzoek in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur BES (Wob) tot verstrekking van alle vergunningen ten aanzien van het pand van de heer P. Ook verzocht hij nogmaals over te gaan tot handhaving. Bij brief van 21 december 2011 attendeerde de advocaat de eilandsecretaris op het handhavingsverzoek en schreef hij haar dat hij had vernomen van het hoofd van DROB dat DROB het bestuurscollege had geadviseerd over te gaan tot handhaving.

Op 18 januari 2012 verzocht de advocaat het hoofd van DROB opnieuw om over te gaan tot handhaving bij gebreke waarvan zijn cliënten genoodzaakt zouden zijn een procedure te beginnen om het OLB tot handhavend optreden te dwingen.

Op 3 februari 2012 zei een gedeputeerde tegen de advocaat dat de heer P. een brief zou ontvangen van het OLB, waarin hem werd opgedragen het illegaal gebouwde af te breken en indien hij dat niet doet, dat dan het bestuurscollege daartoe opdracht zou geven en de kosten ervan op hem zou verhalen. Op 7 maart 2012 verzocht de advocaat van verzoekers de eilandsecretaris om een formele bevestiging dat het bestuurscollege de heer P. had aangeschreven om de bouwactiviteiten te stoppen.

Op 17 april 2012 verzocht de advocaat de directeur van de nieuwe Directie Ruimte en Ontwikkeling (R&O) om een update. Op 9 juli 2012 vernamen verzoekers dat de zaak was overgedragen aan de directie Toezicht en Handhaving (T&H). Op 12 november 2012 mailde de directeur van T&H verzoekers' advocaat dat de zaak was onderzocht en dat sommaties waren verstuurd.

Op 24 januari 2013 was T&H van plan om de heer P. een brief te sturen, waarin hem werd opgedragen binnen drie weken de derde bouwlaag af te breken en indien hij dat niet doet, dan zou het bestuurscollege daartoe op zijn kosten opdracht geven. Op 14 februari 2013 mailde de directeur van T&H dat zij gelet op de feestdagen en dergelijke even pas op de plaats had gemaakt, maar dat T&H offertes aan het opvragen was bij aannemers om de illegale bouwlaag te slopen. En dat zodra zij die had ontvangen er tot sloop zou worden overgegaan.

In een gesprek op 15 februari 2013 met verzoekers bevestigde de directeur T&H dat T&H de heer P. voormelde brief had gestuurd en dat werd verwacht dat de bouwlaag eind februari 2013 zou zijn verwijderd. Er was bij T&H een taakgroep in het leven geroepen om de sloop te organiseren en uit te voeren. Op 4 maart 2013 zou de taakgroep bijeenkomen. Deze bijeenkomst ging wegens ziekte, vakantie en drukke agenda’s van de betrokkenen echter niet door. In de periode van 29 juli tot en met 2 augustus 2013 bezochten toezichthouders van T&H het perceel van de heer P.

Op 9 augustus 2013 diende de huidige advocaat van verzoekers een handhavingsverzoek in voor zover er een derde bouwlaag aan de zeezijde werd gebouwd zonder bouwvergunning. Bij besluit van 16 september 2013 berichtte het bestuurscollege dat er geen vergunning was voor een derde bouwlaag. Er vonden wel bouwactiviteiten plaats, maar deze activiteiten hadden geen betrekking op het bouwen van een derde bouwlaag. Het handhavingsverzoek werd dan ook afgewezen.

Op 23 augustus 2013 diende de advocaat van verzoekers een bezwaarschrift in verband met de inmiddels ook aan de straatzijde begonnen bouw van de tweede bouwlaag. Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2014 verklaarde het bestuurscollege het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat het bezwaarschrift zich richtte tegen de bouwvergunning van 8 april 2002 en dus niet tijdig was ingediend. Op 17 april 2014 hebben verzoekers tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het gerecht in eerste aanleg. Bij uitspraak van 5 september 2014 heeft het gerecht het beroep van verzoekers gegrond verklaard en de bestreden beschikking op bezwaar vernietigd. Verzoekers bleven echter niet-ontvankelijk in hun bezwaar, omdat volgens het gerecht de bouwvergunning uit 2002 inmiddels was verlopen.

Op 21 oktober 2013 stelde verzoekers beroep in tegen de beschikking van 16 september 2013. Ook diende de advocaat ook een verzoek tot een voorlopige voorziening in tot schorsing van de beschikking van 16 september 2013. De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening was op 31 januari 2014. Drie dagen voor de zitting trok het OLB op 28 januari 2014 de beschikking van 16 september 2013 in en nam een nieuw afwijzend handhavingsbesluit. Volgens het OLB was gebleken dat per abuis was bericht dat er geen bouwvergunning was verleend voor de derde bouwlaag. De vergunning van 9 december 1997 toonde volgens het OLB dat aan dat dat wel het geval was. De advocaat van het OLB vroeg de advocaat van verzoekers vervolgens of hij het beroep en het verzoek tot voorlopige voorziening daarom wilde intrekken. Verzoekers’ advocaat reageerde hierop dat hij deze onverwachte ontwikkeling – na tweeënhalf jaar en duizenden dollars aan kosten – eerst wilde bespreken met verzoekers.

Bij uitspraak 14 februari 2014 overwoog het gerecht dat het verzoek tot schorsing van de (ingetrokken) beschikking van 16 september 2013 niet mede gericht kon zijn tegen de nieuwe beschikking van 28 januari 2014. Verzoekers werden daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wel merkte het gerecht op dat het bouwverbod zoals uitgevaardigd tegen de heer P. nog steeds van kracht was en dat van het bestuurscollege mocht worden verwacht dat het toeziet op de handhaving daarvan.

Op 1 september 2014 verklaarde het gerecht het beroep van 21 oktober 2013 tegen de beschikking van 16 september 2013 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de beschikking van 16 september 2013 inmiddels was ingetrokken bij besluit van 28 januari 2014.

Bij brief van 20 augustus 2014 verzochten verzoekers het OLB toezicht te houden op de bouwwerkzaamheden op het perceel.

Na beroep heeft het gerecht bij uitspraak van 5 september 2014 het besluit van 28 januari 2014 vernietigd, waarin het verzoek om handhaving (wederom) door het bestuurscollege was afgewezen. Het gerecht droeg het OLB op binnen acht weken opnieuw te beschikken op het handhavingsverzoek.

Omdat het OLB niet binnen de acht weken had beslist, verzocht de advocaat van verzoekers het gerecht het OLB te bevelen om binnen zeven dagen alsnog te beschikken op het handhavingsverzoek op straffe van een dwangsom. In zijn uitspraak van 7 januari 2015 stelde het gerecht verzoekers in het gelijk dat het OLB geen gevolg had gegeven aan de uitspraak van 5 september 2014. Echter, gelet op het feit dat de uitspraak van 7 januari 2015 werd gedaan, terwijl er nog een vakantieperiode liep met alle personele problemen van dien bij het OLB, gaf het gerecht het OLB ruim de tijd om alsnog te voldoen aan de eerdere uitspraak van het gerecht van 5 september 2014.

Het OLB nam vervolgens op 15 januari 2015 een nieuw besluit. Bij dat besluit wees het OLB het handhavingsverzoek opnieuw af, omdat er concreet zicht zou zijn op legalisatie van de derde bouwlaag. Verzoekers stelden tegen dat besluit beroep in bij het gerecht.

Op 29 januari 2015 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen de weigering van het OLB te beslissen op hun bij brief van 20 augustus 2014 gedane verzoek tot het overgaan van het houden van toezicht op bouwwerkzaamheden op het perceel.

Op 26 november 2015 vroegen verzoekers het gerecht om als voorlopige voorziening de beschikking van het OLB van 15 januari 2015 te schorsen en het OLB te gelasten handhavend op te treden

Op 1 december 2015 – één dag voor de behandeling ter terechtzitting van het verzoek om een voorlopige voorziening – gaf het OLB de door verzoekers gewenste bouwstop af. Op de zitting verklaarde de heer P. dat hij deze bouwstop zou nakomen tot het moment, waarop hij de vereiste bouwvergunning(en) alsnog zou hebben verkregen.

Op 7 december 2015 verklaarde het gerecht het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat de door verzoekers geëiste bouwstop de dag voor de zitting was afgegeven. Verder was na elf maanden de vereiste spoedeisendheid van de verzochte schorsing niet meer aannemelijk geworden, omdat de behandeling van de bodemzaak op 14 december 2015 zou plaatsvinden en de uitspraak in die zaak dus niet lang meer op zich zou laten wachten.

In zijn uitspraak van 26 januari 2016 verklaarde het gerecht het beroep gegrond dat het handhavingsbesluit van 15 januari 2015 niet draagkrachtig was gemotiveerd en daarom voor vernietiging in aanmerking kwam. Het gerecht meende dat verzoekers er belang bij hadden zo snel mogelijk zekerheid verkrijgen over de toelaatbaarheid van de derde bouwlaag op het pand. Gelet daarop en op het tijdsverloop sinds het handhavingsverzoek, kon naar het oordeel van het gerecht alleen verlening van de bouwvergunning voor de derde bouwlaag nog in de weg staan aan de verplichting tot toepassing van bestuursdwang. Het gerecht bepaalde daarom dat het OLB binnen acht weken na 26 januari 2016 opnieuw dient te beslissen op het handhavingsverzoek.

Op 22 maart 2016 mailde de advocaat van het OLB de advocaat van verzoekers dat het bestuurscollege niet in staat was om binnen door de rechter gestelde termijn een beschikking op het handhavingsverzoek te nemen. Het bestuurscollege verwachtte binnen circa twee à drie weken te kunnen beschikken op het handhavingsverzoek. Een nieuwe door de verzoekers aan te spannen procedure zou volgens de advocaat van het OLB alleen maar leiden tot nodeloze kosten en zou daarnaast de besluitvorming niet versnellen. Bovendien was het bestuurscollege van plan om voorafgaand aan een eventuele behandeling van een dergelijke procedure, al te hebben beschikt op verzoek tot handhaving. De advocaat van het OLB gaf daarom in overweging om eventuele rechtsmaatregelen nog even achterwege te laten.

De advocaat van verzoekers mailde daarop terug dat zijn cliënten niet geloofden dat het bestuurscollege binnen twee tot drie weken zou besluiten, indien zij niets zouden ondernemen. Tot op heden waren er steeds gerechtelijke procedures nodig gebleken om het bestuurscollege totdat maar het geringste te bewegen, aldus verzoekers’ advocaat. Verzoekers zouden daarom opnieuw het gerecht benaderen. Op 29 maart 2016 verzocht de advocaat van verzoekers het gerecht het OLB bevelen om binnen zeven dagen alsnog te beschikken op het handhavingsverzoek op straffe van een dwangsom.

Op 18 mei 2016 heeft het bestuurscollege een vrijstellingsbesluit en een bouwvergunning afgegeven, die onder meer inhield dat de heer P. een deel van de bovenste bouwlaag moest weg halen. Op 10 juni 2016 zond het OLB aan verzoekers de afwijzing van het verzoek om handhaving.

De advocaat van het OLB mailde die dag de advocaat van verzoekers dat, omdat het OLB inmiddels had beschikt op het handhavingsverzoek, er geen sprake meer was van het geen gevolg geven aan de uitspraak van het gerecht van 26 januari 2016. Daarom behoorden verzoekers volgens hem niet-ontvankelijk in hun verzoek te worden verklaard, dan wel was hun procesbelang komen te ontvallen en tot slot leverde een verzoek om proceskostenveroordeling geen zelfstandig procesbelang op. Hij gaf de advocaat van verzoekers daarom in overweging om deze zaak in te trekken. Als verzoekers zouden volharden in het houden van een zitting, dan zou het bestuurscollege het gerecht verzoeken om hen te veroordelen in de proceskosten voor het "verschijnen ter zitting". Het vasthouden aan een nodeloze zitting leverde naar het oordeel van het bestuurscollege onredelijk gebruik van procesrecht op.

Op 17 juni 2016 vond de zitting plaats naar aanleiding van het verzoek aan het gerecht het OLB bevelen om binnen zeven dagen alsnog te beschikken op het handhavingsverzoek. Verzoekers' advocaat bepleitte daar dat verzoekers telkens procedures dienden aan te spannen om het OLB tot actie te dwingen. Het was volgens hem daarom niet meer dan redelijk en billijk dan verzoekers’ kosten worden vergoed.

Op 13 en 21 juni 2016 diende de heer P. respectievelijk de advocaat van verzoekers (pro forma) beroep in tegen de bouwvergunning van 18 mei 2016.

Op 18 en 23 augustus 2016 verzocht de advocaat van verzoekers het OLB om handhaving van de bouwvergunningvoorwaarden.

Bij uitspraak van 30 augustus 2016 achtte het gerecht zich onbevoegd te oordelen over het beroep van 29 januari 2015 tegen de weigering van het OLB te beslissen op het verzoek van verzoekers van 20 augustus 2014 toezicht te houden op bouwwerkzaamheden. Dit verzoek betrof namelijk geen aanvraag, waarop het OLB een (handhaving)beschikking diende te nemen en betrof daarmee geen weigering van het geven van een beschikking, waartegen beroep kon worden ingesteld.

Bij een tweede uitspraak van 30 augustus 2016 oordeelde het gerecht op het verzoek van 29 maart 2016 te bepalen dat het OLB alsnog gevolg geeft aan de uitspraak van het gerecht van 26 januari 2016. Op grond van die eerdere uitspraak was het OLB gehouden voor 23 maart 2016, de daar bedoelde beschikking te nemen. Uiteindelijk heeft het OLB echter pas op 10 juni 2016 alsnog die beschikking genomen. Daaruit volgde volgens het gerecht dat verzoekers geen procesbelang meer hadden bij hun verzoek tot nakoming, zodat dit verzoek daarom niet-ontvankelijk werd verklaard. Wel zag het gerecht aanleiding het OLB te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.

Op 14 september 2016 verzochten verzoekster het OLB wederom om handhaving van de bouwvergunningvoorwaarden, onder verwijzing naar de eerdere verzoeken van
18 en 23 augustus 2016.

Lopende het beroep tegen de bouwvergunning diende de advocaat van verzoekers op 15 september 2016 bij het gerecht een verzoek om een voorlopige voorziening in.

Verloop onderzoek door de Nationale ombudsman?

Verzoekers legden hun klacht aan de Nationale ombudsman voor op 17 november 2015, waarna op 15 december 2015 in Den Haag een gesprek plaatsvond met de gemachtigde van verzoekers. Ik heb de kwestie op 7 april 2016 voorgelegd aan het bestuurscollege van het OLB en daarbij de volgende vragen gesteld:

  1. Wat is in zijn algemeenheid de visie van het bestuurscollege op de kwestie?
  2. Wat is de stand van zaken in de behandeling van het verzoek om handhaving/de aanvraag om een vergunning voor de bouwlaag?
  3. Geeft de klacht aanleiding tot een actie of maatregel richting verzoekers in meer algemene zin?

Tijdens een werkbezoek aan Bonaire in april 2016 hebben medewerkers van de Nationale ombudsman verzoekers gesproken en de situatie ter plaatse bekeken. Ook heeft tijdens dat bezoek de eilandsecretaris de zaak ter sprake gebracht in een gesprek met mij.

Het bestuurscollege heeft mij op 11 juni 2016 zijn reactie gestuurd, waarop de gemachtigde van verzoekers op 22 augustus 2016 heeft gereageerd. Op basis van die informatie heb ik mijn rapport opgesteld.

Hoe reageerde het OLB?

Het bestuurscollege betreurt de gang van zaken in deze kwestie die zich kenmerkt door een hoeveelheid van elkaar opvolgende juridische procedures. Mede door deze procedures en doordat er verschillende partijen betrokken zijn bij deze kwestie, is de kwestie complex. Ook met betrekking tot de klacht ten aanzien van de handhaving zijn al de nodige procedures gevoerd. Veel tijd is verstreken, doordat partijen van mening verschilden of er wel of niet een bouwvergunning was verstrekt voor de derde bouwlaag. Het bestuurscollege stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat voor de derde bouwlaag geen bouwvergunning was verstrekt, maar was in latere instantie tot het inzicht gekomen dat de bouwvergunning van 9 december 1997 wel degelijk betrekking had op de derde bouwlaag. Handhaving zou daarom niet op zijn plaats zijn. Na het oordeel van het gerecht van 5 september 2014 dat voor de herbouw na een brand in 2007 een nieuwe vergunning nodig was, is de heer P. wederom een bouwstop opgelegd. In tegenstelling tot de beweringen van de zijde van verzoekers wordt de bouwstop wel gehandhaafd. Zo hebben bouwinspecteurs geregeld inspecties uitgevoerd. De heer P. stelt bovendien slechts onderhoud te plegen en te voorkomen er lekkages ontstaan.

Dat het bestuurscollege niet overging tot oplegging van bestuursdwang heeft ermee te maken dat er concreet zicht was op legalisering van de derde bouwlaag. Voor deze derde bouwlaag was immers al in het verleden een bouwvergunning afgegeven. Afbraak van wat al gebouwd was op basis van een vergunning, die achteraf bezien niet meer gold en waarvoor opnieuw vergunning kon worden verleend, achtte het bestuurscollege gelet op de belangen van de heer P. niet opportuun.

Een complicerende factor in deze kwestie is volgens het OLB de vaststelling op 8 oktober 2010 van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire (ROB). Op grond van het ROB worden nieuwe eisen gesteld aan nieuwe bouwwerken. Als gevolg van de brand en noodzakelijk herbouw gelden deze eisen voor de heer P. De heer P. ervaart dit als onrechtvaardig. De bebouwing rondom zijn woning, die net als zijn woning voor de inwerkingtreding van het ROB is gebouwd, behoeft niet te voldoen aan de eisen van het ROB. Een en ander heeft geleid dat heer P. niet altijd volledig meewerkt aan de aanpassing van de bouwplannen aan het ROB. Aanpassing van de bouwplannen hebben bovendien in verband met de te verlenen vrijstellingen langer geduurd dan verwacht.

Het is aan de burger of hij/zij al dan niet gebruik wenst te maken van de middelen de wet biedt. Het bestuurscollege kan zich echter niet vinden in het standpunt van verzoekers dat zij gedwongen worden om procedures te voeren ten einde recht te doen aan hun belangen. Daarbij geldt dat de uitkomst van de procedures, ook al is deze in de optiek van verzoekers in hun voordeel, niet altijd leidt tot de gewenste resultaten. De uitspraken geven veelal aanleiding tot nieuwe besluitvorming en derhalve tot nieuwe procedures.

Naast verzoekers heeft ook de heer P. bezwaren tegen de nieuwe bouwvergunning en tegen afgifte van het bouwdossier. Hij heeft hierbij aangegeven dat hij in overleg wil treden met verzoekers om buiten de procedures om tot een vergelijk te komen. Dit laatste zal het OLB ook voorstellen aan beide partijen.

Reactie verzoekers

Verzoekers gaven aan dat het voorstel van het OLB om in overleg te treden met om buiten de procedures om tot een vergelijk te komen hen nog niet had bereikt. De heer P. had verzoekers gemaild dat - na eerst bij hem - mogelijk nu ook bij hen handhavend zou worden opgetreden tegen wat zonder vergunning is gebouwd. Omdat dit volgens hem alleen maar zou leiden tot juridische kosten en huurderving, wilde hij liever met verzoekers bespreken wat de mogelijkheden voor een oplossing zouden kunnen zijn.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Als Nationale ombudsman constateer ik dat alle partijen belang hebben bij het vinden van een uitweg uit dit conflict. Ik ben voorts van oordeel dat de wettelijke, juridische weg niet tot een duurzame oplossing gaat leiden in dit conflict. In tegendeel, de onderlinge verhoudingen zullen verder escaleren en de strijd zal nog jaren voortslepen. Dat is in niemands belang.

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid in haar contacten met de burger escalatie probeert te voorkomen of te beperken. Een oplossingsgerichte houding is hierbij essentieel.

Het verloop van dit conflict over de bouw van de derde woonlaag laat zien dat er geen sprake is geweest van een oplossingsgerichte benadering. In tegendeel, er zijn veel procedures gevoerd zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid. Deze procedurele juridisch benadering door het OLB heeft geleid tot verharding van de relatie en een oplossing ligt steeds minder in het verschiet

In de periode 2011 tot en met 2013 ging het OLB over tot handhavend optreden door een bouwstop op te leggen en de heer P. te sommeren het illegaal gebouwde af te breken. Hij gaf hier echter geen gehoor aan, waardoor de situatie feitelijk niet wijzigde. Later was het OLB van mening veranderd, namelijk de bouwactiviteiten geen betrekking hadden op de derde bouwlaag. Het OLB wees een verzoek om handhaving daarom af bij besluit van 16 september 2013. Daarna volgde een veelheid aan bezwaar- beroep- en voorlopige voorzieningsprocedures. Omdat de situatie feitelijk niet wijzigde en een besluit over het gewijzigde standpunt uitbleef, dienden verzoekers vergeefs van bezwaar- en beroep tegen de bouwvergunning uit 2002. Verder had het OLB geweigerd te beslissen op een verzoek tot het houden van toezicht op de bouwwerkzaamheden, wat leidde tot een eveneens vergeefse beroepsprocedure. Bovendien waren verzoekers tot tweemaal toe genoodzaakt het gerecht te verzoeken het OLB op te dragen tijdig te beslissen naar aanleiding van een gerechtelijke uitspraak. Dit alle waren procedures, die niet hoefden te worden gevoerd, als het OLB de besluiten eerder had genomen.

Frappant daarbij was dat het OLB in twee procedures bij de rechtbank pas kort voor de zitting een besluit nam. Ook opmerkelijk was dat in een andere procedure bij de rechtbank de advocaat van het OLB de advocaat van verzoekers verzocht om die zaak in te trekken, omdat er inmiddels was beslist het OLB. Het houden van een zitting zou naar het oordeel van de advocaat het OLB namelijk onredelijk gebruik van procesrecht opleveren.

Verdere juridisering gaat geen oplossing brengen. Een traject met verzoekers en de heer P. om gezamenlijk de mogelijkheden te verkennen om tot een voor een ieder acceptabele oplossing te komen is de enige kansrijke mogelijkheid tot een uitweg in deze situatie. Gelet op de rol die het OLB heeft als vergunningverlener/handhaver, meen ik dat het aan het OLB is zich in te spannen om met verzoekers en de heer P. een oplossing te vinden. Hoewel de intentie er bij het OLB wel lijkt te zijn, is van deze aanpak nog niet gebleken. De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

Het voorgaande is voor mij reden voor het doen van een aanbeveling.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het OLB is gegrond wegens schending van het vereiste van de-escalatie.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman beveelt de OLB aan om het initiatief te nemen om met verzoekers en de heer P. het gesprek aan te gaan om te komen tot een oplossing met betrekking tot de (illegale) bouwlaag.

de Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/109