2016/107 LBIO handelt niet oplossingsgericht bij het overnemen van de inning alimentatie

Een gescheiden man betaalt alimentatie aan zijn ex-partner. Door een betalingsachterstand neemt het LBIO de inning van de alimentatie over. Het LBIO rekent vervolgens onterecht langer terug dan zes maanden voor de inning. De man betaalt de gehele achterstand behalve het te veel geinde bedrag. De man klaagt erover dat het LBIO vervolgens voor de tweede keer de inning overneemt en de betaalde opslagkosten aan zijn ex-partner overmaakt. De Nationale ombudsman vindt dat het LBIO niet oplossingsgericht heeft gehandeld. Het LBIO mocht niet van verzoeker blijven eisen dat hij de alimentatietermijn moet betalen die buiten de wettelijke zes maanden termijn ligt. Ook vindt de ombudsman het niet juist dat de opslagkosten zonder overleg zijn overgemaakt naar de ex-partner.

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Rotterdam

Klacht:

langer dan zes maanden terugrekenen

Oordeel: gegrond

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Rotterdam

Klacht:

overmaken van de (onverschuldigd betaalde) opslagenkosten aan verzoekers ex-partner

Oordeel: gegrond

Verzoeker is gescheiden. Sinds 2010 betaalt hij alimentatie. Op 16 april 2014 vraag zijn ex-partner aan het LBIO om de inning van de alimentatie over te nemen. Het LBIO berekent de alimentatie eerst vanaf 1 oktober 2013. Volgens verzoeker rekent het LBIO daarmee langer terug dan 6 maanden. Het LBIO mag alimentatie innen vanaf maximaal 6 maanden voor het verzoek om de inning over te nemen. Het LBIO belooft om vanaf 16 oktober de alimentatie te innen, maar berekent hetzelfde bedrag aan achterstand als eerst. Verzoeker is het daar niet mee eens, en vindt dat het LBIO ruim
€ 200 te veel wil innen. Op 20 mei 2015 draait het LBIO de inning terug vanwege onzorgvuldigheden. Het LBIO waarschuwt verzoeker om de achterstand aan alimentatie te betalen, omdat het LBIO de inning anders weer opnieuw zal overnemen. Verzoeker betaalt alles, behalve de ruim € 200. Het LBIO neemt daarop de inning voor de tweede keer over. De discussie over de betaling van dit bedrag escaleerde. Ook maakt het LBIO de opslagkosten die verzoeker had betaald over aan de ex-partner. Verzoeker is echter van mening dat het LBIO dit bedrag aan hem had moeten betalen.

Verzoeker klaagt erover dat het LBIO de inning voor de tweede keer overnam.

De Nationale ombudsman overweegt dat de beslissing van het LBIO om halverwege de maand te innen, niet goed is te rijmen met de wet. Verzoeker moest één keer per maand betalen, uiterlijk op de laatste dag van de maand, in dit geval 31 oktober 2013. Dit betekent dat het LBIO niet mocht blijven eisen dat hij de alimentatie betaalde die hij uiterlijk 30 september 2013 verschuldigd was (en dus buiten de zes maanden termijn viel). Nadat verzoeker alles had betaald, op de ruim € 200 na, had het LBIO het dan ook daarbij moeten laten. Toch heeft het LBIO betaling van de ruim € 200 als voorwaarde gesteld en heeft de inning voor de tweede maal overgenomen. Hiermee heeft het LBIO gehandeld in strijd met het vereiste van de-escalatie, te weten oplossingsgericht handelen.

Verzoeker klaagt er ook over dat het LBIO de opslagkosten niet aan hemzelf heeft overgemaakt.

De Nationale ombudsman vindt het juist dat het LBIO het bedrag dat verzoeker aan opslagkosten had betaald, niet zelf heeft gehouden, maar het LBIO had dit bedrag niet buiten verzoeker om aan de
ex-partner mogen overmaken en zeker niet zonder dat hij dit wist. Het LBIO had van te voeren met verzoeker moeten overleggen of hij akkoord ging met overmaken aan de ex-partner.

Het LBIO heeft gehandeld in strijd met het vereiste van transparantie.

Wat is er gebeurd?

Verzoeker is gescheiden. De rechter heeft in 2010 bepaald dat hij maandelijks bij vooruitbetaling € 1.037,- aan alimentatie moet betalen aan zijn ex-partner. Het LBIO ontving op 16 april 2014 een verzoek van zijn ex-partner om de inning van de alimentatie over te nemen.1 Het LBIO schreef verzoeker hierover aan op 29 april 2014. Verzoeker antwoordde het LBIO dat hij het maandelijks verschuldigde bedrag niet kon opbrengen, dat hij het niet eens was met de jaarlijkse indexering van het maandbedrag en dat de berekeningen van het LBIO niet klopten. Het LBIO nam op 4 december 2014 de inning over vanwege een betalingsachterstand van een paar duizend euro. Dat betekende onder meer dat verzoeker aan het LBIO opslagkosten moest betalen.

Het onderzoek van de Nationale ombudsman gaat over het verschil van mening tussen verzoeker en het LBIO over de vraag vanaf welke datum het LBIO de achterstand mag innen.2 Het LBIO had aangegeven de vanaf 1 oktober 20133 verschuldigde alimentatie te willen invorderen. Driemaal schreef verzoeker dat hij dit niet juist vond, omdat de termijn tussen 1 oktober 2013 en 16 april 2014 zes een halve maand is. Nadat hij hierover een klacht had ingediend bij het LBIO, reageerde het LBIO in een brief van 10 november 2014 dat het inderdaad niet juist was om vanaf 1 oktober 2013 te vorderen en dat dit zou worden aangepast. Verzoeker miste in deze brief excuses van het LBIO voor de gemaakte fouten, vooral omdat hij deze fouten herhaaldelijk aan de orde had gesteld.

Het LBIO inde daarna vanaf 16 oktober 2013. Het bedrag dat het LBIO als achterstand had berekend bleef hetzelfde.4 Verzoeker was het hier niet mee eens, omdat hij vond dat het LBIO ofwel het bedrag dat hij aan het LBIO verschuldigd was moest berekenen volgens zijn eigen methode5, ofwel mocht innen vanaf 1 november 2013. Volgens verzoeker was het bedrag van de vordering € 204,79 te hoog.

In antwoord op een brief van 7 december 2014 schreef het LBIO op 20 mei 2015 aan verzoeker onder meer dat het saldo-overzicht van 4 december 2014 onjuiste bedragen vermeldde. Het LBIO concludeerde dat het onvoldoende zorgvuldig was geweest bij het opstellen van het overzicht en dat het daarom aanleiding zag om de inning "terug te draaien".6 Vervolgens7 verzocht het LBIO aan verzoeker om de achterstand te betalen van een paar duizend euro, vermeld in het betalingsoverzicht.

Verzoeker betaalde daarop het vermelde bedrag aan achterstand, op € 204,79 na.

Het LBIO waarschuwde verzoeker op 24 juni 20158 dat de achterstand nog maar € 204,79 was en dat hij het risico liep dat het LBIO nogmaals de inning zou moeten overnemen als hij dit bedrag niet betaalde. Verzoeker weigerde dit bedrag te betalen, omdat hij vond dat dit bedrag niet correct was, ook na een herhaling van deze waarschuwing9. Op 31 juli 201510 schreef het LBIO aan verzoeker dat het LBIO de inning overnam.

Verzoeker protesteerde tegen deze overname en stelde diverse vragen.11

Verzoeker vond ook dat het LBIO de betaalde opslagkosten aan hem moest terugbetalen.

Het LBIO antwoordde hierop dat het de reeds geïnde bedragen rechtmatig had doorbetaald aan degene die er recht op heeft, namelijk verzoekers ex-partner.

Tussen verzoeker en het LBIO vond veel correspondentie plaats, naast wat hiervoor in dit verslag van bevindingen en in de bijlage is vermeld. Verzoeker bleef bij zijn mening over de startdatum van de inning en dat het LBIO de betaalde opslagkosten aan hem had moeten betalen. Hij vond het niet redelijk dat het LBIO de inning voor de tweede maal had overgenomen en dat het LBIO zijn diverse vragen niet had beantwoord. Hij richtte zich tot de Nationale ombudsman.

Onderzoek van de Nationale ombudsman

De klacht

Verzoeker klaagt erover dat het LBIO ten onrechte op 31 juli 2015 de inning van de partneralimentatie heeft overgenomen, omdat er volgens hem op dat moment geen betalingsachterstand was.
Ook klaagt verzoeker erover dat het LBIO de door hem betaalde opslagkosten niet aan hem heeft overgemaakt, nadat het LBIO op 20 mei 2015 de inning had teruggedraaid.

Reactie LBIO

Het langer dan zes maanden terugrekenen
Het LBIO was van mening dat het voor de berekening van de achterstand mag kijken naar de betalingen van een datum langer dan zes maanden voor de indiening van het verzoek. Het LBIO wees op rapport 2004/217 van de Nationale ombudsman (zie Achtergrond onder 2). Het LBIO vond dat het uiteindelijk op 31 juli 2015 de inning moest overnemen, omdat verzoeker evident niet had voldaan aan zijn verplichting om de achterstand te voldoen.12

Het overmaken van de opslagkosten
Het LBIO vond het terecht dat het de tot 20 mei 2015 geïnde opslagkosten niet heeft teruggestort naar verzoeker, maar heeft doorgestort naar verzoekers ex-partner. De ex-partner had volgens het LBIO een groter belang bij ontvangst van deze gelden, dan dat verzoeker had op terugstorting. Er bestond immers evident nog een achterstand. Ook werd de overname slechts tijdelijk teruggedraaid op grond van een onzorgvuldigheid in het saldo-overzicht.

Het LBIO voegde hier aan toe dat het LBIO had besloten om de gelden die het onder zich had door te storten aan de ex-partner op het moment dat het LBIO had besloten dat de overname onvoldoende zorgvuldig was gebeurd. Op dat moment kon van opslagkosten immers geen sprake meer zijn en daarmee beschouwde het LBIO het als opslagkosten betaalde bedrag nu als partneralimentatie. Het LBIO vond het logisch om dit bedrag door te storten aan de ex-partner, omdat er nog een achterstand was die slechts tijdelijk was teruggedraaid. Bovendien, zelfs al zou het LBIO de betaalde opslagkosten in een normaal geval na sluiting van het dossier moeten terugstorten aan de betalingsplichtige, dan nog kon het LBIO dat in dit geval niet meer doen. Immers, de inning was opnieuw overgenomen en er was ook weer een betalingsachterstand. Terugstorten aan verzoeker zou betekenen dat dit bedrag weer als vordering zou moeten worden opgenomen waarover verzoeker dan alsnog opslagkosten over zou moeten betalen.

Reactie verzoeker

Het langer dan zes maanden terug rekenen
Verzoeker bleef bij zijn standpunt dat de berekening van het LBIO over oktober 2013 onjuist was. Hij had de alimentatie over juli 2015 betaald. Hij had herhaaldelijk gezegd dat het hem alleen om de onjuiste berekening over oktober 2013 ging.13

Het overmaken van de opslagkosten
Volgens verzoeker betekende de beslissing van het LBIO om de inning van de overname terug te draaien dat het LBIO was gehouden om dit bedrag terug te storten op zijn rekening en eventueel daarna een nieuwe achterstandsberekening en een nieuwe vordering aan hem voor te leggen. Zolang dat niet was gebeurd, vond hij het onrechtmatig dat het LBIO naar eigen goeddunken met bedragen heen en weer schoof. Ook ontnam het LBIO hem de mogelijkheid om eventueel zelf tot betaling over te gaan bij een juiste berekening, en daarmee eventuele overname van de inning te voorkomen. Hij had herhaaldelijk gezegd dat hij wel bereid was om kloppende maandbedragen te betalen, maar door de fouten van het LBIO vond hij dat het LBIO zelf schuld had aan de opslagkosten. Hij betwistte dat zijn ex-partner een groter belang had bij niet terugstorten dan hij had bij wél terugstorten. De financiële gevolgen voor hem, en vooral voor zijn studerende kinderen, waren zeer aanzienlijk. Dat speelde niet aan de kant van zijn ex-partner, de inkomens van hen beiden waren volgens verzoeker sinds zijn pensioen vrijwel gelijk.

Oordeel van de Nationale ombudsman

Het langer dan zes maanden terug rekenen

Het vereiste van de-escalatie betekent dat de overheid in haar contacten met de burger escalatie probeert te voorkomen of te beperken. Communicatievaardigheden en een oplossingsgerichte houding zijn hierbij essentieel.

Het LBIO ontving op 16 april 2014 het verzoek om de inning over te nemen, vanwege verzoekers betalingsachterstand van een paar duizend euro. Op grond van artikel 408, lid 4, boek 1 BW (zie Achtergrond onder 1.) mag het LBIO bedragen invorderen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

Het LBIO wilde eerst vanaf 1 oktober 2013 innen, maar heeft dit herzien nadat verzoeker er op wees dat deze termijn langer was dan zes maanden, en heeft 16 oktober 2013 als startdatum voor de inning gekozen. Na een nieuwe berekening kwam het LBIO toch weer op hetzelfde bedrag uit als eerst, omdat het LBIO van mening is dat het bedragen, ook die gelegen zijn vóór zes maanden, aan de betalingsachterstand mag toerekenen. Verzoeker legde zich hier niet bij neer, en de onenigheid duurde voort. Op 24 juni 2015 had verzoeker de gehele achterstand van een paar duizend euro betaald zoals het LBIO had verzocht, op € 204,79 na (het bedrag waarvan verzoeker vindt dat het LBIO dit niet mocht innen).

Aan het verloop van de correspondentie ontleent de Nationale ombudsman de indruk dat de toon verhardde en dat geen van partijen van wijken wilde weten. Toch had dat van het LBIO wel degelijk mogen worden verwacht.

Aanleiding daarvoor is de wijze waarop het LBIO is omgesprongen met fouten die waren gemaakt bij de opstelling van het bedrag dat verzoeker aan het LBIO was verschuldigd. Twee maal moest verzoeker, ondanks herhaald aandringen, maandenlang wachten op correctie. En bij de correctie in december 2014 bleven excuses uit. Van verzoeker kon daarom moeilijk nog worden gevergd dat hij zich zou neerleggen bij nadere berekeningen van het LBIO die voor hem onnavolgbaar waren.

In de tweede plaats valt de beslissing van het LBIO om een datum halverwege een maand als startpunt te nemen voor de inning naar het oordeel van de Nationale ombudsman niet goed te rijmen met hiervoor vermeld artikel 408, lid 4, boek 1 BW. Die bepaling betekent volgens de Nationale ombudsman dat het LBIO mocht innen wat vanaf zes maanden voor het verzoek van 16 april 2014, dus vanaf 16 oktober 2013, verschuldigd was. Verzoeker was één keer per maand, te weten (uiterlijk) op de laatste dag van de maand, een termijn verschuldigd aan zijn ex-partner. De eerste keer na 16 oktober 2013 was dus op 31 oktober 2013. Dit betekent dat het LBIO niet van verzoeker mocht blijven eisen dat hij de alimentatietermijn moest betalen die hij op 30 september 2013 (die buiten de wettelijke zes maanden termijn lag) verschuldigd was voor de maand oktober 2013.

Het LBIO heeft voor de motivering van zijn berekening verwezen naar een eerder rapport van de Nationale ombudsman (zie Achtergrond onder 2.), maar in dat rapport kon het LBIO voor het overzicht van het geheel aan betalingen langer dan zes maanden terug kijken om duidelijkheid te krijgen over de betalingen. Dat is hier niet aan de orde, omdat niet in discussie is op welke maand een betaling betrekking heeft. Daarbij lag de maand waarop het eerdere rapport betrekking had niet op de grens van de zes maanden termijn.

Bovendien ging het om een bedrag van € 204,79, één vijfde van het maandbedrag en een fractie van wat het LBIO had geïncasseerd en van wat verzoeker in de periode van de bemoeienis van het LBIO rechtstreeks aan alimentatie had betaald. Ook dat had voor het LBIO aanleiding moeten zijn om het conflict niet op de spits te drijven. Nadat verzoeker op 24 juni 2015 de achterstand had betaald, op dit bedrag van € 204,79 na, had het LBIO had het daar dan ook bij moeten laten. Toch heeft het LBIO betaling van dit bedrag als voorwaarde gesteld om af te zien van een nieuwe overname van de inning. Het LBIO heeft daarmee onvoldoende oplossingsgericht opgetreden.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

Het overmaken van de opslagkosten

Het vereiste van transparantie houdt in dat de overheid open en voorspelbaar is in haar handelen, zodat het voor de burger duidelijk is waarom de overheid bepaalde dingen doet. Dit brengt mee dat de overheid van te voren met de burger overlegt over beslissingen die hem aangaan, en niet buiten hem om beslist.

Het LBIO heeft verzoeker op 20 mei 2015 laten weten dat het de inning terugdraait. Daarbij heeft het LBIO niet aangegeven wat dit precies betekende voor de opslagkosten die verzoeker had betaald. Het LBIO heeft deze opslagkosten overgemaakt aan verzoekers ex-partner. Het LBIO heeft hiervoor later als reden gegeven dat de ex-partner het geld harder nodig had dan verzoeker.

De Nationale ombudsman vindt het juist dat het LBIO de ontvangen opslagkosten niet zelf heeft gehouden, omdat verzoeker deze achteraf gezien onverschuldigd had betaald. Echter, het LBIO had deze gelden niet buiten verzoeker om mogen overmaken aan verzoekers ex-partner. Dat betekent dat het LBIO van te voren met verzoeker had moeten overleggen of hij (vanwege zijn betalingsachterstand op 20 mei 2015) akkoord ging met het overmaken van de opslagkosten aan zijn ex-partner, en dat het LBIO dit niet zonder zijn toestemming had mogen doen. En in ieder geval niet zonder dat hij dit wist. Los hiervan heeft het LBIO de beslissing om het geld over te maken onvoldoende gemotiveerd, omdat uit de mededeling dat de ex-partner het geld harder nodig had dan verzoeker, niet blijkt op welke criteria deze beslissing is gebaseerd. Hieraan doet niet af dat de opslagkosten van de betalingsachterstand zijn afgetrokken, zodat verzoeker hiervan financieel geen nadeel heeft gehad.

Dit geldt temeer, omdat verzoeker de opslagkosten terug wilde hebben, omdat voor hem onvoldoende inzichtelijk was wat hij aan opslagkosten had betaald. Verzoeker was na de verschillende betalingsoverzichten het spoor bijster en het LBIO heeft daarin de hand gehad. Immers, het LBIO heeft (tenminste) tweemaal op een eigen berekening moeten terugkomen. Daarom is niet verwonderlijk dat verzoeker zich niet zomaar neerlegde bij betalingsoverzichten van het LBIO.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is gegrond ten aanzien van:

- Het langer dan zes maanden terug rekenen, wegens schending van het vereiste van de-escalatie en
- het overmaken van de (onverschuldigd betaalde) opslagkosten aan verzoekers ex-partner, wegens schending van het vereiste van transparantie, te weten open en voorspelbaar handelen.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

BIJLAGE

In deze bijlage is een gedeelte van de correspondentie opgenomen tussen verzoeker en het LBIO:

Een brief van het LBIO van 4 december 2014 aan verzoeker, waarin onder meer is vermeld dat verzoeker niet of onvoldoende heeft aangetoond dat hij de verschuldigde bijdrage aan zijn ex-partner heeft betaald. Daarom zal het LBIO gevolg geven aan het incassoverzoek. Hij is maandelijks een bedrag van € 1.087,65 per maand verschuldigd en daarnaast € 163,15 aan opslagkosten. Over de periode van 16 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 berekent het LBIO een achterstand van € 7.094,14 aan alimentatie plus € 1.064,12 aan opslagkosten. Verder is er algemene informatie vermeld in deze brief.

Een brief van het LBIO van 20 mei 2015 aan verzoeker, waarin onder meer staat vermeld:

"Van het LBIO mag worden verwacht dat het bij de overname van de inning (...) voldoende zorgvuldigheid in acht neemt bij het produceren van een betaaloverzicht. In uw situatie is dat niet gebeurd en dat betreur ik uiteraard. Om die reden ziet mijn bureau daarom alsnog aanleiding om de inning (…) terug te draaien evenals het gelegde beslag om u vervolgens in de gelegenheid te stellen om alsnog te voldoen aan de achterstand binnen een opnieuw te stellen termijn van twee weken. Indien u vervolgens aantoont de achterstand te hebben voldaan, zal het LBIO alsnog uw dossier sluiten. Doet u dit niet dan zal het LBIO genoodzaakt zijn de inning alsnog over te nemen. (…) U ontvangt daarom binnen enkele dagen een nieuwe eerste aanschrijving en een saldo-overzicht."

Het LBIO schreef in deze brief ook over de berekening van de achterstand en verwees naar artikel 408, lid 4 boek 1 BW (zie Achtergrond onder 1). Het LBIO schreef hierover:

"Het feit echter dat het LBIO niet langer dan zes maanden terug kan innen op grond van artikel 1:408 BW betekent nog niet dat het LBIO niet zou mogen (of moeten) bepalen welke bedragen (ook die gelegen zijn vóór de bedoelde zes maanden) aan welke maanden kunnen worden toegerekend. Evident is dat u voor de maand oktober 2013 op basis van de uitspraak van de rechtbank een bedrag diende te voldoen van € 1.077,95. Ook staat vast dat u op 23 september 2013 slechts een bedrag voldeed van € 654,77 bestemd voor de maand oktober 2013. Daarmee kan mijn bureau concluderen dat u voor oktober 2013 een bedrag van € 423,23 te weinig betaalde. Dit heeft tot gevolg dat u van de vordering vanaf 16 oktober 2013 van € 556,36 (16/31 x € 1.077,95) slechts een bedrag voldeed van € 133,13. Daarmee blijft staan dat het LBIO niet langer dan zes maanden terug invordert.

Uw berekening daarentegen dat een bedrag van € 98,36 teveel zou zijn betaald is onjuist, want daarmee ontkent u dat u te weinig zou hebben betaald voor oktober 2013. De verschuldigdheid van de periode vóór 16 oktober 2013 blijft namelijk wel bestaan en uw ex-partner zou ervoor kunnen kiezen om deze via een deurwaarder te innen. Het LBIO kan echter geen vorderingen van vóór 16 oktober 2013 innen."

Een brief van het LBIO van 28 mei 2015 aan verzoeker, waarbij als bijlage was gevoegd een betalingsoverzicht waarin een achterstand was vermeld van € 3.144,53. Het LBIO verzocht verzoeker deze achterstand te betalen. In dit overzicht is een bedrag van € 1.952,48 vermeld aan correctie opslag partneralimentatie.

Een brief van het LBIO van 24 juni 2015 aan verzoeker, waarin het LBIO aan verzoeker berichtte dat de achterstand nog slechts een bedrag van € 204,79 bedroeg en dat hij het risico liep dat het LBIO nogmaals de inning zou moeten overnemen, als hij de achterstand niet betaalde. Het LBIO deelde hierbij aan verzoeker mee dat het in de brief van 20 mei 2015 had geprobeerd duidelijk te maken dat zijn rekenwijze niet juist was. Het LBIO herhaalde dat het feit dat het LBIO niet eerder kan innen dan de verschuldigde alimentatie vanaf half oktober 2013, nog niet betekende dat het LBIO voor de berekening van de achterstand niet zou mogen kijken naar betalingen van vóór deze periode. Het LBIO vermeldde dat verzoeker voor de maand oktober 2013 € 654,72 had voldaan van de alimentatie van € 1.077,95. Daarmee moest hij nog € 423,23 betalen. Het LBIO vond dat de ex-partner recht had op dit bedrag en dat verzoekers rekenwijze niet juist was. Het LBIO gaf verzoeker nog een laatste termijn van 10 dagen om dit bedrag van € 204,79 over te maken, en verzocht hem om de maand juli 2015 rechtstreeks aan zijn ex-partner te betalen.

Een brief van het LBIO van 31 juli 2015 aan verzoeker, waarin het LBIO aan verzoeker schreef dat hij niet had aangetoond dat hij de verschuldigde bijdrage had voldaan. Daarom nam het LBIO de inning voor de tweede maal over. Het LBIO berekende de achterstand tot en met 31 juli 2015 op € 1.739,48. Vermeerderd met opslagkosten was dit in totaal € 2.000,40. Het LBIO zond als bijlage een overzicht mee, waarin als verschuldigd bedrag was vermeld: € 24.534,86 en als betaald: € 22.795,38, als achterstand: € 1.739,48, en inclusief opslagkosten: € 2.000,40. Als (eerder) betaalde opslagkosten was een bedrag vermeld van € 1.860,75.

Een brief van verzoeker van 5 augustus 2015 aan het LBIO, waarin verzoeker protesteerde tegen de overname van de inning. Hij wilde een motivering waarom het LBIO de achterstand over oktober 2013 mocht innen (van € 204,79). Hij wilde ook weten waarom het LBIO eerst € 1.952,48 aan betaalde opslagkosten had vermeld en later € 1.860,75. Verder wilde hij weten hoe het LBIO op 24 juni 2015 uitging van een achterstand van € 204,79 en hoe dit op 31 juli 2015 € 2.000,40 kon zijn.

Een brief van het LBIO van 11 augustus 2015 aan verzoeker, waarin het LBIO berichtte dat het meegezonden overzicht duidelijk was en klopte. Wel had het LBIO verzoekers betaling van 31 juli 2015 bij de berekening van de achterstand meegenomen, zodat de achterstand nu € 1.301,14, was, afgezien van de opslagkosten. Volgens het LBIO had


verzoeker ook los van deze betaling op 31 juli 2015 een achterstand, en was de inning daarom gerechtvaardigd.

Een brief van verzoeker van 5 september 2015 aan het LBIO, waarin verzoeker dit geen antwoord op zijn vragen vond en diverse vragen aan het LBIO stelde.

Achtergrond

  1. Boek 1 Burgerlijk Wetboek

Artikel 408:

"1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing (…) is vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt (…) betaald.
3. Op verzoek van een gerechtigde (…) neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.
3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. (…)
4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.
5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot inning over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.
(…)
13. Met uitzondering van de leden 1 (...) is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de ten behoeve van een echtgenoot of geregistreerd partner bij rechterlijke uitspraak vastgestelde uitkering tot levensonderhoud, (…)."

In de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 408 (kamerstuk 31575 nr 3, vergaderjaar 2007-2008) staat onder meer:

"De invordering van de verschuldigde bedragen is mogelijk vanaf ten hoogste 6 maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek."

In de nota naar aanleiding van het verslag van de wijziging van artikel 408 (kamerstuk 31575 nr 7, vergaderjaar 2007-2008) staat onder meer:

"De invordering door het LBIO gaat niet verder terug dan 6 maanden voorafgaande aan het inningsverzoek."

In de serie monografieën echtscheidingsrecht, deel 4 a, alimentatie verplichtingen, hoofdstuk 16: Inning van kinderalimentatie en partneralimentatie, is op p. 144 vermeld:

"Achterstanden, ontstaan meer dan zes maanden voor indiening van het verzoek, worden niet ingevorderd."

2.  Rapport 2004/217 van 15 juni 2004 van de Nationale ombudsman

Dit rapport betrof het herleiden van betalingen aan een bepaalde maand.
In discussie was of een betaling in december betrekking had op de maand december dan wel op de maand januari. Hoe dan ook ontbrak er een betaling, ofwel voor december ofwel voor januari. Deze periode viel binnen zes maanden voorafgaande aan het verzoek om overname van de inning. De Nationale ombudsman oordeelde dat verzoeker de hoogte van de betalingsachterstand niet had weerlegd, bijvoorbeeld door betaalbewijzen waaruit bleek dat hij over het jaar 12 betalingen had verricht en niet 11. Daarom mocht het LBIO aannemen dat er een betalingsachterstand was.

3.  Informatie op de website van het LBIO:

"Wanneer kunnen wij u helpen?

Het LBIO int uw alimentatie als uw betalingsplichtige ex-partner in gebreke blijft. Dat kunnen we alleen doen:

  • als de bijdrage door de rechter is vastgesteld
  • als er minimaal één maand achterstand is (u ontvangt niets of te weinig)
  • als de betalingsachterstand minimaal € 10,- is
  • voor een achterstand die op het moment van uw verzoek niet ouder is dan 6 maanden (hieronder valt dus ook een rechterlijke uitspraak die binnen die 6 maanden is afgegeven en waarin een bijdrage met terugwerkende kracht is opgelegd)".

Notes

[←1]

Het LBIO kan op grond van artikel 408, boek 1 Burgerlijke Wetboek (zie Achtergrond onder 1.) de inning van de alimentatie voor ex-partners en kinderen overnemen als de betalingsplichtige deze niet (volledig) betaalt. Als het LBIO de inning overneemt moet de betalingsplichtige naast de alimentatie, 15% van het alimentatiebedrag extra betalen aan het LBIO, dat zijn opslagkosten.

[←2]

Op grond van artikel 408 lid 4 boek 1 BW mag het LBIO bedragen invorderen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

[←3]

Het LBIO berekende de achterstand vanaf 1 oktober 2013, door de maandelijkse alimentatie van € 1.077,95 over de maand oktober 2013 te verminderen met verzoekers betaling van € 654,72, en kwam uit op een achterstand over oktober 2013 van € 423,23.

[←4]

Het LBIO berekende de achterstand vanaf 16 oktober 2013 door 16/31 van de alimentatie te nemen (€ 566,36), daar verzoekers betaling (van € 654,72) van de eerste helft van de maand af te trekken (€ 556,36), en het resterende bedrag (€ 133,13) van de tweede helft van de maand af te halen. Daardoor bleef volgens het LBIO de achterstand € 423,23.

[←5]

Verzoeker vindt dat het LBIO zowel de verschuldigde alimentatie, als het door hem betaalde bedrag proportioneel moet verdelen, en bij beide bedragen moet uitgaan van 16/31. Dat betekent 16/31 van de alimentatie: € 566,36, en 16/31 van het bedrag dat hij had betaald: € 337,92. Daardoor moest het LBIO volgens verzoeker niet € 133,13 maar € 337,92 van € 566,36 aftrekken, en berekende het LBIO volgens hem € 204,79 te veel aan achterstand. Als het LBIO zou innen vanaf 1 november 2013 was de achterstand volgens hem € 423,23 lager dan het LBIO had berekend. Hij vindt dat het LBIO geen onderbouwde reactie heeft gegeven op de berekeningswijze.

[←6]

Een gedeelte van de correspondentie tussen verzoeker en het LBIO, waaronder de brief van 20 mei 2015, is vermeld in de bijlage.

[←7]

Bij brief van 28 mei 2015, vermeld in de bijlage.

[←8]

Deze brief is vermeld in de bijlage.

[←9]

Bij brief van 23 juni 2015, vermeld in de bijlage.

[←10]

Deze brief is vermeld in de bijlage.

[←11]

Dit is vermeld in de brieven van 5 en 11 augustus en 5 september 2015.

[←12]

Volgens het LBIO had verzoeker met zijn betaling op 23 juli 2015 van € 658,01 opnieuw laten zien dat hij niet van plan was om de berekende maandelijkse alimentatie te voldoen. Het LBIO vond daarom dat het de inning op 31 juli 2015 terecht had overgenomen. De achterstand op 31 juli 2015 was € 1.301,14 en betrof de vordering tot en met augustus 2015 van € 24.534,86, verminderd met de betalingen tot en met augustus 2015 van € 23.233,72.

[←13]

Volgens verzoeker was het niet juist dat hij met zijn betaling van € 658,01 op 23 juli 2015 opnieuw niet van plan was om de berekende maandelijkse alimentatie te voldoen, omdat dit een automatische betaling was die rechtstreeks van zijn pensioen aan zijn ex-partner werd uitgekeerd zonder dat hij hier zelf bemoeienis mee had. Hij begreep niet waar de betalingsachterstand op 31 juli 2015 uit bestond. Volgens hem leek het er op dat het LBIO een dubbel bedrag aan alimentatie (twee maal € 1.096,35) had genomen, en maar eenmaal de betaalde alimentatie over juli 2015 had verrekend. Hij begreep ook nog steeds niet waarom het LBIO twee verschillende bedragen aan opslagkosten had vermeld.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/107