2016/106 LBIO bereidt beslissing om inning alimentatie over te nemen onvoldoende voor

Een gescheiden man betaalt alimentatie voor zijn twee kinderen. Eén kind woont bij hem. In een aanvullend ouderschapsplan wordt een omgangsregeling vastgelegd en spreken ze af over en weer alimentatie te betalen. Na diverse discussies doet de moeder een voorstel om de omgangsregeling en de alimentatie te laten vervallen. De man accepteert uiteindelijk het voorstel en stuurt de ondertekende overeenkomst naar de advocaat. Het LBIO laat de man na een aantal maanden weten dat hij de alimentatie niet heeft betaald. De man wijst op de gesloten overeenkomst, maar de moeder zegt de overeenkomst niet te hebben ontvangen. Hij klaagt erover dat het LBIO de inning overneemt zonder eerst voldoende navraag te doen. De Nationale ombudsman vindt dat het LBIO de inning onvoldoende heeft voorbereid.

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Rotterdam

Klacht:

wijze waarop het LBIO heeft gereageerd op verzoekers verweer dat zijn betalingsplicht per juni 2015 was vervallen vanwege een overeenkomst met verzoekers ex-echtgenote

Oordeel: gegrond

Verzoeker is gescheiden. De rechter heeft in 2012 bepaald dat hij alimentatie moet betalen voor zijn twee kinderen. Sinds 2014 woont een van de twee kinderen bij hem. De moeder en verzoeker spreken in 2014 af dat hij € 300 voor een kind betaalt en de moeder € 50 aan hem voor het andere kind. In juni 2015 stelt de moeder voor om de omgangsregeling met de kinderen en de alimentatie te laten vervallen. Verzoeker accepteert het voorstel en stuurt de overeenkomst ondertekend op. Na een aantal maanden bericht het LBIO verzoeker dat hij de alimentatie niet heeft betaald. Verzoeker wijst op de overeenkomst waarmee de alimentatie is vervallen. Het LBIO informeert bij de moeder, maar zij zegt dat zij deze overeenkomst niet heeft ontvangen. Verzoeker wijst er ook op dat zij niet € 50 betaalt (zoals in 2014 was afgesproken) en ook niet eerder om het geld heeft gevraagd. Volgens het LBIO heeft verzoeker hiermee de overeenkomst echter niet aangetoond, en neemt de inning over.

Verzoeker is het er niet mee eens dat LBIO de inning heeft overgenomen zonder eerst na te gaan of zijn verweer dat zijn alimentatieplicht was vervallen, juist is.

De Nationale ombudsman overweegt dat het LBIO de inning kan overnemen op grond van een beslissing van de rechter waarin de alimentatie is vastgesteld, of andere afspraken, als deze vast staan. Dat is in dit geval de afspraak in 2014. Verzoeker kon inderdaad niet aantonen dat de moeder de overeenkomst uit 2015 had ontvangen. Maar wel kwam hij met argumenten waarmee hij deze overeenkomst wilde aantonen. In dat geval moet het LBIO over deze argumenten navraag doen, voordat het de inning overneemt. Dat heeft het LBIO onvoldoende gedaan. Daarom is de vraag waarom beide partijen het ouderschapsplan uit 2014 blijkbaar niet uitvoeren maar evenmin hebben herroepen. Als het LBIO de situatie onduidelijk vindt, kan het partijen meteen verwijzen naar de rechter, maar het LBIO heeft van deze mogelijkheid evenmin gebruik gemaakt.

De klacht is gegrond wegens schending van het vereiste van goede voorbereiding.

De klacht

Verzoeker klaagt er over dat het Landelijk bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) niet heeft laten blijken dat het openstaat voor zijn kant van het verhaal en geen duidelijke toelichting heeft gegeven over de positie van het LBIO. Verzoeker klaagt in dit verband over de wijze waarop het LBIO heeft gereageerd op zijn verweer dat zijn betalingsplicht per juni 2015 was vervallen vanwege een overeenkomst met zijn
ex-echtgenote.

Bevindingen

Wat is er gebeurd?

Verzoeker is gescheiden. Hij en zijn ex-echtgenote hebben twee minderjarige kinderen, een dochter A. en een zoon J. De kinderen woonden na de scheiding eerst bij verzoekers ex-echtgenote (hierna ook: de moeder). De rechter heeft in een uitspraak van 4 juli 2012 beslist dat verzoeker een onderhoudsbijdrage voor de kinderen moet betalen van € 300 per kind per maand. Sinds 1 mei 2014 woont A. bij verzoeker. Verzoeker en de moeder (bijgestaan door haar advocaat) spraken in een aanvullend ouderschapsplan in september 2014 af dat de kinderbijdrage die verzoeker voor A. betaalde kwam te vervallen en dat de moeder € 50 per maand voor A. betaalde. Ook spraken zij af dat verzoeker de kinderbijdrage zoals vastgelegd in het ouderschapsplan1 voor J. betaalde en dat deze bijdrage voor het eerst met ingang van 1 januari 2015 werd geïndexeerd2. Zij ondertekenden dit plan allebei. Verzoeker had op dat moment nog een omgangsregeling met J.

Vanaf eind mei 2015 ontstond een (e-mail)discussie tussen verzoeker en (de advocaat van) de moeder3. Op 1 juni 2015 ontving verzoeker een brief van de advocaat van de moeder waarin zij voorstelde dat hij geen omgang meer had met J. en dat de alimentatie over en weer verviel.4 Verzoeker protesteerde in een emotionele e-mail van 1 juni 2015 uitgebreid tegen het feit dat hij J. niet meer mocht zien. Verzoeker accepteerde wel het vervallen van de alimentatieplicht. De moeder stemde hier niet mee in als de omgang werd voortgezet. Na enige discussie had verzoeker zich er volgens hem bij neergelegd dat hij J. niet meer zou zien en had hij na 7 juni 2015 de ondertekende overeenkomst opgestuurd per gewone post (niet aangetekend). Op 16 juni 2015 reageerde de advocaat dat J. zelf zou aangeven wanneer hij zijn vader wilde zien en dat de discussie voor nu was gesloten. Verzoeker leidde hieruit af dat de advocaat de overeenkomst had ontvangen.

Verzoeker betaalde de € 50 die de moeder op basis van het convenant aan hem had betaald voor de maand juni 2015 aan haar terug. Beiden betaalden per 1 juni 2015 geen alimentatie over en weer en verzoeker zag J. niet en de moeder zag A. niet.

De moeder verzocht in oktober 2015 aan het LBIO om de inning van de alimentatie over te nemen. Op 20 oktober 2015 verzocht het LBIO verzoeker om de alimentatie te betalen, zoals neergelegd in de rechterlijke uitspraak van 4 juli 20125. Volgens het LBIO was de alimentatie die de rechter in 2012 had opgelegd inmiddels door wettelijke indexering verhoogd tot € 310,31. Het LBIO verzocht verzoeker binnen 14 dagen de achterstand alsnog aan de moeder te betalen. Als hij binnen 21 dagen aantoonde dat hij de hele bijdrage had betaald, zou het LBIO het incassoverzoek afwijzen. De betalingsachterstand was volgens het LBIO ruim € 1.500. In het betalingsoverzicht staat dat verzoeker de alimentatie niet had betaald sinds 1 juni 2015 en dat hij de indexering niet had betaald sinds 1 maart 2015.

Verzoeker wees het LBIO begin november 2015 op de afspraak dat per 1 juni 2015 de alimentatieplicht over en weer was vervallen. Het LBIO vroeg aan verzoeker om aan te tonen dat beide partijen akkoord waren gegaan met het vervallen van de alimentatie. Hierover ontstond correspondentie tussen verzoeker en het LBIO. Verzoeker stuurde de ondertekende overeenkomst van 1 juni 2015 aan het LBIO. Hij had deze overeenkomst naar zijn zeggen per gewone post verzonden. Het LBIO informeerde bij de moeder of dit juist was. Volgens haar had haar advocaat nooit een getekende overeenkomst van verzoeker ontvangen, en probeerde hij al jaren onder de alimentatie uit te komen.

Na discussie met het LBIO gaf verzoeker begin december 2015 aan het LBIO zijn argumenten waarom naar zijn mening wel sprake was van een overeenkomst, te weten dat zij de overeenkomst feitelijk hadden uitgevoerd omdat hij J. niet zag en de moeder A. niet en zij beiden over en weer geen alimentatie betaalden. Bovendien had de moeder hem niet om de alimentatie gevraagd. Verzoeker vond het niet redelijk dat het LBIO betaling van hem afdwong, omdat hij vond dat het LBIO zich op deze manier als breekijzer liet gebruiken. Volgens hem had het LBIO bij de moeder moeten nagaan waarom zij na juni 2015 niet eerst aan hem had laten weten dat hij de overeenkomst niet had teruggestuurd en hem ook niet had laten weten dat zij wilde dat hij de alimentatie betaalde. Bovendien vroeg hij, als de overeenkomst van 1 juni 2015 dan niet geldig was, waarom de moeder op grond van het convenant haar € 50 per maand niet aan hem betaalde.

Op 17 december 2015 nam het LBIO de inning over, omdat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij de verschuldigde bijdrage had betaald.

Op 24 december 2015 diende verzoeker een klacht in bij het LBIO, waarin hij zijn argumenten en vragen aan het LBIO herhaalde.

Het LBO reageerde op 11 januari 2016 op de klacht.

Het LBIO vond de klacht ongegrond. Het LBIO vond dat de inning terecht was overgenomen en dat verzoeker opslagkosten was verschuldigd.

Het LBIO vond niet aannemelijk dat er onderlinge afspraken waren gemaakt op grond waarvan de betalingsverplichting geheel of gedeeltelijk was vervallen. De moeder en haar advocaat stelden dat zij de brief van 1 juni 2015 nooit retour hadden ontvangen, die verzoeker volgens hem per gewone post had opgestuurd. Verzoeker kon volgens het LBIO vervolgens niet aantonen dat hij de brief wel had verzonden en nog minder dat hij ook moest zijn aangekomen. Het LBIO meende daarom dat hij er beter aan had gedaan om te verifiëren dat de brief was ontvangen, nu de andere partij dit stellig ontkende. Het LBIO citeerde verzoekers emotionele e-mail van 1 juni 2015 in zijn geheel. Hieruit bleek volgens het LBIO afdoende dat hij zelf niet akkoord was met de bedoelde afspraak. Het LBIO vond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt en niet onomstotelijk vast was komen te staan dat hij daarna de brief had ondertekend en opgestuurd. Ook uit het feit dat over en weer geen alimentatie was betaald, kon volgens het LBIO niet worden afgeleid dat deze overeenkomst was uitgevoerd en er dus een concrete afspraak was.

Het LBIO gaf verder in de reactie aan dat het niet relevant was voor het LBIO dat de moeder zich niet hield aan haar verplichting om € 50 per maand te betalen voor A. op grond van het aanvullend ouderschapsplan. De taken en bevoegdheden van het LBIO beperkten zich toch voornamelijk tot het punt van de inning en eventuele vastgelegde afspraken daarover. Het was niet aan het LBIO om de moeder aan te spreken op haar verplichting om de bijdrage voor A. te betalen. Volgens het LBIO had de moeder telefonisch op 8 en 11 januari 2016 uitgelegd waarom zij op haar beurt was gestopt met betalen. Het LBIO schreef hierbij niet welke uitleg de moeder had gegeven.

Verzoeker was niet tevreden met dit antwoord en richtte zich tot de Nationale ombudsman.

Onderzoek Nationale ombudsman

Toelichting klacht
Verzoeker gaf als toelichting op zijn klacht dat het voorstel van de advocaat van de moeder van 1 juni 2015 hem had overvallen. Ook stelde het hem zeer teleur, omdat hij meende dat de omgang tot dat moment goed verliep. Vandaar dat hij eerst emotioneel reageerde op het feit dat hij zijn zoon niet meer zou zien. Hij kon niet weten dat de advocaat van de moeder de brief niet hadden ontvangen, omdat zij alle afspraken in die brief uitvoerden en de moeder niet om alimentatie had gevraagd. De advocaat had niet gevraagd om de overeenkomst aangetekend terug te sturen. Hij ontkende dat hij in het verleden niet volledig had betaald, zoals de moeder op 30 oktober 2015 aan het LBIO had laten weten.

Hij had een onpartijdige en klantvriendelijke houding van het LBIO gemist. Hij vond ook dat het LBIO niet heeft laten blijken dat het open stond voor zijn kant van het verhaal. Hij had verwacht dat het LBIO zich terughoudend zou hebben opgesteld en zijn argumenten waarom wel sprake was van een overeenkomst serieus had genomen door hierover eerst

bij de moeder navraag te doen. Hij vond dat het LBIO op de stoel van de rechter was gaan zitten. Het zou voor hem ook veel hebben uitgemaakt als het LBIO zijn rol en positie meteen aan hem had uitgelegd en begrip had getoond voor zijn situatie. Ook had hij de wijze waarop het LBIO in de brief van 11 januari 2016 op zijn klacht had gereageerd als niet-neutraal ervaren, omdat het LBIO zijn emotionele mailbericht aan de advocaat hierin integraal had opgenomen, maar niet was ingegaan op de rest van de correspondentie met de advocaat, waarmee hij wilde aantonen dat de overeenkomst was gesloten.

Visie LBIO
Het LBIO gaf aan dat de moeder op het formulier waarmee zij om overname van de inning verzocht, had aangegeven dat verzoeker weigerde te betalen nadat zijn zoon minder naar hem toe wilde. Daarmee vond het LBIO dat ook de vraag was beantwoord of zij aan verzoeker had gevraagd om de alimentatie te betalen. Volgens haar weigerde hij. Voor het LBIO speelde geen enkele rol of de ontvangstgerechtigde eerst de betalingsplichtige heeft gesommeerd om de verplichting na te komen. Het feit dat het LBIO werd benaderd was voldoende om verzoeker aan te schrijven. Hij had dan nog tijd om ofwel aan te tonen dat hij wel betaalde of alsnog te betalen. Die rol en werkwijze was hem uitgelegd bij de eerste aanschrijving. Verzoeker was uitgebreid geïnformeerd over de werkwijze van het LBIO via het informatieblad dat als bijlage wordt meegestuurd. Het LBIO verwees naar contact met de moeder en haar advocaat,6 waaruit bleek dat de advocaat de brief niet had ontvangen en dat de moeder niet instemde met het vervallen van de alimentatie als verzoeker niet instemde met het vervallen van de omgangsregeling. Het LBIO voegde hier aan toe dat niet was gebleken dat het LBIO aan de moeder heeft gevraagd of zij aan verzoeker om de alimentatie had gevraagd voordat zij zich tot het LBIO wendde. Volgens haar betaalde hij vanaf maart 2015 niet voldoende.

Oordeel van de Nationale ombudsman

Het vereiste van goede voorbereiding houdt in dat de overheid alle informatie die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen, verzamelt.

Verzoeker is het er niet mee eens dat het LBIO de inning van de alimentatie voor zijn zoon J. heeft overgenomen, zonder eerst na te gaan of zijn verweer dat zijn betalingsplicht was vervallen op grond van een overeenkomst van 1 juni 2015, juist is.

Het LBIO kan op grond van artikel 408, lid 4, boek 1 Burgerlijk Wetboek (zie Achtergrond) de inning van de alimentatie overnemen, als de alimentatiegerechtigde, de moeder, aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhoudsplichtige, verzoeker, in elk geval éénmaal in de afgelopen zes maanden de alimentatie niet of niet volledig heeft betaald. Het LBIO moet bij de beoordeling of aannemelijk is dat verzoeker niet of onvoldoende heeft betaald, uitgaan van de rechterlijke beschikking, dan wel andere afspraken als deze vaststaan, zoals in dit geval het door beide partijen ondertekende aanvullende ouderschapsplan uit 2014. Daarin hebben verzoeker en de moeder een omgangsregeling afgesproken en ook dat zij over en weer alimentatie zouden betalen: verzoeker € 300, per maand voor J. en de moeder € 50 per maand voor A., geïndexeerd per januari 2015.

Het LBIO nam de inning over, omdat het vond dat verzoeker niet had aangetoond dat de afspraak op 1 juni 2015 was gemaakt. De moeder had namelijk ontkend dat de overeenkomst was gesloten, omdat haar advocaat niet een ondertekend exemplaar retour had ontvangen. Het LBIO vond niet relevant dat de moeder haar deel aan alimentatie, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, niet betaalde. Dit wilde volgens het LBIO namelijk niet zeggen dat verzoeker hiermee de overeenkomst van 1 juni 2015 had aangetoond.

Verzoeker kon inderdaad niet aantonen dat de advocaat de overeenkomst van 1 juni 2015 wel moest hebben ontvangen, omdat hij deze per gewone post had verzonden. Hij voerde echter argumenten aan waarom de overeenkomst per 1 juni 2015 volgens hem wel was gesloten, te weten dat zij deze overeenkomst al een aantal maanden feitelijk uitvoerden; de moeder hem niet eerst had laten weten dat zij de overeenkomst niet retour had ontvangen; en hem evenmin om de alimentatie had gevraagd, voordat zij het LBIO inschakelde.

In dat geval moet het LBIO, vóórdat het de inning overneemt, ingaan op verzoekers argumenten en motiveren waarom zijn lezing niet aannemelijk is. Dat heeft het LBIO niet gedaan. Het LBIO heeft over verzoekers argumenten onvoldoende navraag gedaan bij de moeder en heeft deze argumenten niet weerlegd. Daarmee blijven vragen over de gang van zaken open, zoals bijvoorbeeld waarom beide partijen het ouderschapsplan blijkbaar niet uitvoerden, maar dit evenmin hebben herroepen. Het LBIO had dan ook meer navraag moeten doen voordat het de inning overnam.

Als het LBIO een situatie onduidelijk vindt, kan het LBIO partijen meteen verwijzen naar de rechter, vóórdat het de inning overneemt. Juist om te voorkomen dat het in de discussie tussen partijen terecht komt. De rechter is immers de instantie die een bindende beslissing neemt over de alimentatie. Het LBIO heeft echter evenmin van die mogelijkheid gebruikt gemaakt. Dit zou echter wel hebben gepast in de uitleg van de rol en positie van het LBIO.

De Nationale ombudsman merkt nog op dat het LBIO in de reactie op de klacht verzoekers emotionele en uitgebreide reactie aan de moeder van 1 juni 2015 (dat hij zijn zoon niet meer mocht zien) in zijn geheel heeft geciteerd. Het LBIO wilde hiermee aangeven dat verzoeker niet akkoord ging met de afspraken. Het LBIO heeft hierbij echter niet de verdere discussie tussen verzoeker en de advocaat betrokken, terwijl juist hieruit volgens verzoeker bleek dat hij wel akkoord ging met de afspraken. Nog afgezien van de vraag welk doel het diende om verzoekers eigen e-mailbericht in zijn geheel te citeren, is niet duidelijk waarom het LBIO niet ook de rest van de e-maildiscussie heeft betrokken bij het standpunt of de overeenkomst al dan niet was aangetoond. Het LBIO had zijn conclusie op alle voorliggende informatie moeten baseren. Daarom is niet verwonderlijk dat verzoeker de houding van het LBIO als niet neutraal heeft ervaren en zich niet serieus genomen voelde.

Het LBIO heeft de beslissing om de inning over te nemen onvoldoende voorbereid.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Rotterdam is gegrond, wegens schending van het vereiste van goede voorbereiding

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Achtergrond

Boek 1 Burgerlijk Wetboek

Artikel 408:

"1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing (…) is vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt (…) betaald.
2. Op verzoek van een gerechtigde (…) neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.
3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. (…)
4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.
5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot inning over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.
(…)
13. Met uitzondering van de leden 1 (...) is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de ten behoeve van een echtgenoot of geregistreerd partner bij rechterlijke uitspraak vastgestelde uitkering tot levensonderhoud, (…)"


Bijlage: overzicht van de correspondentie

Voor zover relevant is hierna de correspondentie weergegeven tussen verzoeker, (de advocaat van) zijn ex-echtgenote en het LBIO.

Een e-mailbericht van 29 mei 2015 van verzoeker aan zijn ex-echtgenote. Verzoeker wijst de moeder er op dat zij het convenant niet is nagekomen omdat zij J. op 28 mei 2015 bij hem heeft weggehouden. Ook heeft zij hem niet verteld over de nieuwe school van J. hierdoor zal hij geen alimentatie betalen.

Een e-mailbericht van 1 juni 2015 van verzoekers ex-echtgenote aan verzoeker. Zij bericht dat verzoeker deze week per post een brief van haar advocaat krijgt waarin staat dat de alimentatie voor de kinderen per direct komt te vervallen. Gezien de emotionele situatie heeft zij besloten in het belang van beide kinderen dat A. voorlopig bij verzoeker verblijft en J. bij haar, tot de omstandigheden weer acceptabel en rustig zijn.

Een e-mailbericht van 1 juni 2015 van verzoeker aan zijn ex-echtgenote. Verzoeker geeft op emotionele wijze uitgebreid aan dat hij niet akkoord is met het voorstel van de moeder. Hij wil dat zij het convenant naleeft, zodat J. op de afgesproken dag bij hem komt en A. naar haar moeder gaat. Zo niet dan zal hij aan de politie vragen om J. op te halen.

Een brief van 1 juni 2015 de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan verzoeker, met daarin het voorstel om de alimentatie over en weer te laten vervallen en de omgangsregeling. Wel wil zij € 200,- als bijdrage voor de nieuwe school.

Een e-mailbericht van 3 juni 2015 van verzoeker aan de advocaat van zijn ex-echtgenote. Hij gaat ervan uit dat het voorstel van de moeder over de alimentatie serieus is en als bindend beschouwd mag worden. Hij gaat akkoord met het voorstel over de alimentatie. Hij wil weten welke problemen er zijn over de omgangsregeling. Hij gaat niet akkoord met een afwijking van de omgangsregeling. Hij wil niet de gevraagde € 200,- betalen.

Een e-mailbericht van 7 juni 2015 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan verzoeker. Zij stemt niet in met een wijziging van de kinderbijdrage bij voortzetting van de zorgregeling. J. wil geen contact met zijn vader. Hij is bang voor verzoeker. Zij verzoekt aan verzoeker om de situatie tot rust te laten komen.

Een e-mailbericht van 8 juni 2015 van verzoeker aan de advocaat van zijn ex-echtgenote. Hij stemt in met de wens dat de moeder geen alimentatie meer wenst. Hij heeft alleen wat kleine details toegevoegd. Hij betaalt geen alimentatie meer aan J. en de moeder niet meer voor A. Hij gaat in op de mededeling dat J. bang voor hem zou zijn en op de situatie van beide kinderen. Ook stelt hij een aantal vragen, onder ander hoe het nu verder moet. Hij wil een gesprek.

Een e-mailbericht van 11 juni 2015 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan verzoeker. De moeder is bereid te zoeken naar een oplossing voor verzoeker en J. Zij ziet een hervatting van de zorgregeling op zijn vroegst starten na de zomervakantie. Voor J. wordt hulpverlening in geschakeld. Wellicht dat beide ouders kunnen zoeken naar een oplossing voor de zorgregeling met J. J. wil niet meer door de week komen maar alleen een weekend elke 14 dagen. De kinderalimentatie kan dan op nihil worden gesteld.

Een e-mailbericht van 11 juni 2015 van verzoeker aan de advocaat van zijn ex-echtgenote. Hij gaat de zaak voorleggen aan zijn advocaat. Hij somt op wat de moeder wil, te weten dat Vaderdag niet gevierd wordt met beide kinderen; A. niet op de verjaardag van haar moeder zal komen; hij en A. niet komen op de afscheidsmusical van J.; J. niet meegaat op vakantie naar Kroatië en A. niet meegaat op vakantie naar Finland. Hij geeft aan dat als dit zo wordt uitgevoerd de toon flink is gezet en dit schade zal veroorzaken. Hij wil persoonlijke spullen van A. met spoed retour.

Een e-mailbericht van 16 juni 2015 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan verzoeker. De spullen van A. zijn op school, zij kan zij daar halen. J. krijgt begeleiding van een psycholoog. Na de zomervakantie geeft J. aan wanneer hij zijn vader wil zien. Voor nu is de discussie gesloten.

Een brief van 20 oktober 2015 van het LBIO aan verzoeker. Het LBIO verzoekt om de alimentatie te betalen. Volgens het LBIO is de alimentatie die de rechter in 2012 heeft opgelegd inmiddels door wettelijke indexering verhoogd tot € 310,31. Het LBIO vraagt verzoeker binnen 14 dagen de achterstand alsnog aan de moeder te betalen. Als hij binnen 21 dagen aantoont dat hij de hele bijdrage heeft betaald, zal het LBIO het incassoverzoek afwijzen. De betalingsachterstand is volgens het LBIO ruim € 1500. In het betalingsoverzicht staat dat verzoeker de alimentatie niet had betaald sinds 1 juni 2015 en geen indexering sinds 1 maart 2015.

Een e-mailbericht van 20 oktober 2015 van verzoeker aan het LBIO. Hij wijst het LBIO op de e-mail van 1 juni 2015, op grond waarvan de moeder en hij na de e-mail van 1 juni 2015 over en weer waren gestopt met het betalen van alimentatie. Hij stuurt deze e-mail door aan het LBIO. Hij vindt dit geen misverstand van de moeder maar moedwillig gedrag. Als het LBIO hem lastig blijft vallen zal hij absoluut een advocaat in de arm nemen.

Een e-mailbericht van 30 oktober 2015 van verzoekers ex-echtgenote aan het LBIO. De moeder schrijft dat verzoeker al jaren probeert onder de alimentatie uit te komen. Zeker ook in de zomervakanties kreeg zij maar de helft van de bedragen. Daar heeft zij ook mails over. De jaarlijkse indexeringsverhoging kreeg zij ook nooit. Verder verwees zij naar haar advocaat.


Een e-mailbericht van 2 november 2015 van het LBIO aan verzoeker. Het LBIO geeft aan dat volgens de moeder geen afspraak is gemaakt over de alimentatie omdat verzoeker niet akkoord is gegaan.

Een e-mailbericht van verzoeker van 2 november 2015 aan het LBIO.
Verzoeker verbaast zich erover dat valsheid en liegen en bedriegen gesteund wordt. Hij had zelf voorgesteld te stoppen met betalen van de alimentatie. De advocaat heeft op
1 juni 2015 een brief gestuurd, die hij ondertekend retour heeft gezonden. Deze brief bestond uit 2 delen. Het stoppen van de alimentatie en dat hij nog € 200 moest betalen voor J. Dat had hij doorgestreept omdat hij al € 200 voor A. had betaald. Op 3 juni 2015 had hij bevestigd dat hij akkoord was met het voorstel en er vanuit ging dat het bindend was. Op 11 juni 2015 had de advocaat dit nogmaals bevestigd. Hoe duidelijk kon het zijn. Waarom schrijft het LBIO dat de moeder zegt dat hij in een mail niet akkoord gaat? Waarom stopt hij dan met betalen van de alimentatie? Waarom zou hij niet akkoord gaan als hij het zelf voorstelde? Waarom stopt de moeder dan met betalen van de alimentatie? Waarom heeft de advocaat hier met geen woord meer over geschreven? Waarom heeft hij geen enkele andere waarschuwing gehad vanaf juni? Waarom eist hij zijn deel van de alimentatie niet op? Op al deze vragen kan het LBIO antwoorden: "omdat zij akkoord waren". Sinds mei ziet hij zijn zoon niet meer en de moeder haar dochter niet meer. Op dit moment probeert de school en de politie een oplossing te zoeken omdat de schoolresultaten erg slecht zijn. Wanneer het LBIO geen onderzoek doet en alles maar klakkeloos overneemt hoopt hij dat het LBIO zich realiseert dat het deze zaak geen goed doet. Uiteindelijk worden hier twee kinderen de dupe van. Hij stelt voor hier mee te stoppen in het belang van de kinderen en de politie, de school en het maatschappelijk werk de mogelijkheid te geven om een oplossing te zoeken.

Een e-mailbericht van 4 november 2015 van het LBIO aan verzoeker. Volgens het LBIO moet verzoeker aantonen als toch een akkoord is bereikt middels een overeenkomst of de (hiervoor vermelde) mail van de advocaat van 11 juni 2015.

Een e-mailbericht van verzoeker van 4 november 2015 aan het LBIO.
Verzoeker vindt dat hij in zijn vorige e-mail een aantal vragen heeft gesteld. Hij neemt aan dat het LBIO en de moeder deze vragen toch wel kunnen beantwoorden. Het stuk uit de e-mail had betrekking op de omgangsregeling. Met plakken en knippen kan de moeder het verhaal mooi verdraaien. Hij wil alsnog een serieus antwoord op zijn vragen. Waarom stopt de moeder met betalen van de alimentatie? Waarom heeft de advocaat hier later nooit enig woord over geschreven? Waarom heeft hij geen enkele andere waarschuwing gehad vanaf juni? Dat de kinderen op dat moment niet bij de ouders kwamen en niet meer werden opgeëist conform convenant was toch een vervolg hieruit? Dat was toch een deal: rust. Verzoeker vindt het vreemd dat de moeder nu ineens terugkomt op de deal. Hij hoopt dat het LBIO kritisch blijft en zich afvraagt waar dit ineens vandaan komt. Als er tot 31 mei 2 jaar lang netjes betaald wordt en dan ineens niet meer. Hij verwacht waardig te worden behandeld en niet als een snotneus.

Een e-mailbericht van 5 november 2015 van het LBIO aan verzoeker.
Het LBIO vindt dit een vervelende situatie maar dat het voor het LBIO niet aannemelijk is dat er nieuwe afspraken over de alimentatie zijn gemaakt. Het LBIO verzoekt verzoeker nogmaals aan te tonen dat beide partijen akkoord zijn gegaan met het vervallen van de kinderalimentatie en verzoekt de achterstand aan alimentatie van € 1.842,79 binnen 7 dagen aan de moeder te betalen.

Een telefoonnotitie van 9 november 2015 van het LBIO met de advocaat van verzoekers ex-echtgenote. De advocaat gaat in het dossier kijken of deze brief van 1 juni 2015 retour is gezonden. Zij denkt dat verzoeker deze nooit retour heeft gezonden. Er was onduidelijkheid over. Uiteindelijk was de moeder er wel klaar mee. Er werd zo moeilijk gedaan.

Een e-mailbericht van 17 november 2015 van verzoekers ex-echtgenote aan het LBIO.
De moeder schrijft dat zij deze ochtend een mail heeft ontvangen van haar advocaat waarin zij bevestigt dat zij geen ondertekende brief retour heeft ontvangen van verzoeker. Van een echte overeenkomst is volgens haar geen sprake.

Een e-mailbericht van 24 november 2015 van de advocaat van verzoekers ex-echtgenote aan het LBIO.
Zij heeft het dossier nagekeken en geen ondertekende brief van verzoeker ontvangen.

Een e-mailbericht van 2 december 2015 van het LBIO aan verzoeker.
Het LBIO heeft naar aanleiding van verzoekers mail van 5 november 2015 navraag gedaan bij de advocaat. De brief van 1 juni 2015 is nooit retour gezonden. Er is op dit moment volgens het LBIO dus geen sprake van een aantoonbare afspraak. Het LBIO verzoekt de achterstand van € 2.153,10 binnen 7 dagen aan de moeder te voldoen. Dezelfde tekst is op 2 december 2015 per brief verzonden.

Een e-mailbericht van 2 december 2015 van verzoeker aan het LBIO.
Verzoeker schrijft dat deze brief toch echt is opgestuurd per post naar de advocaat en dat hij volkomen in zijn recht staat. Ook de moeder is gestopt met haar betaling aan hem. Een beter bewijs bestaat er niet. Ook heeft hij naderhand geen enkel reclamatie gehad waar de alimentatie bleef. Dat is toch logisch want er was een afspraak. Afspraak is afspraak. Hij heeft een getekend bewijs en hij zal iedereen daar aan houden.

Een brief van 17 december 2015 van het LBIO aan verzoeker.
Het LBIO bericht verzoeker in vervolg op de brief van 20 oktober 2015 dat hij niet of onvoldoende heeft aangetoond dat hij de verschuldigde bijdrage heeft betaald. Daarom zal het LBIO gevolg geven aan het incassoverzoek en is hij verplicht om de alimentatiebijdrage aan het LBIO te voldoen. Op grond van de rechterlijke beslissing van 4 juli 2012 is hij verplicht € 310,31 te betalen. Vermeerderd met opslagkosten van
€ 47,15 per maand is dit € 357,46. De betalingsachterstand bedraagt € 2.476,09. De overname van de inning heeft tot gevolg dat loonbeslag wordt gelegd.


Een brief van 23 december 2015 van het LBIO aan verzoeker.
Naar aanleiding van het telefoongesprek van 18 december bericht het LBIO dat op
2 december aan hem is bericht dat de tegenpartij vindt dat er geen overeenkomst is omdat de advocaat geen getekend exemplaar van de brief van 1 juni 2015 heeft ontvangen. Volgens verzoeker heeft hij dit wel toegezonden. Het LBIO raadt aan om contact op te nemen met de advocaat van de moeder om een en ander alsnog te regelen. Tot die tijd is het LBIO gehouden het verzoek van de moeder in behandeling te nemen en de uitspraak uit te voeren.

Verzoekers klacht van 24 december 2015 bij het LBIO.
Hij vindt het niet juist dat het LBIO hem niet heeft teruggebeld ondanks dat dat tijdens het telefoongesprek van 18 december 2015 wel was afgesproken. Hij was verlamd op kerstavond toen hij dit onrecht las. Hij vindt het niet juist dat het LBIO hem deze brief voor de Kerstdagen stuurde. Hij vindt het ook niet terecht dat de moeder hem geen enkele maal heeft gebeld. Hij vindt het LBIO partijdig. Het LBIO staat niet open voor enig verweer. Hij herhaalt zijn argumenten over de overeenkomst. Hij vindt dat het LBIO als rechter fungeert. Hij had de Jurafoon gebeld en de Jurafoon had zich verbaasd over deze wijze van dossierbehandeling. Het LBIO had de opmerking van de advocaat dat de overeenkomst nooit was aangekomen niet klakkeloos mogen opvolgen. Zeker omdat men niet eerder heeft gereclameerd. Hoe had hij kunnen weten dat deze overeenkomst niet was aangekomen? Dit was hem nooit gemeld. Het was ook wel heel toevallig dat beide partijen de afspraken in de overeenkomst hebben nagekomen. Hij had ook nooit meer iets gehoord. Hij had het logisch gevonden als de advocaat hem had gevraagd waarom hij niet betaalde. Daarom had hij het recht om te mogen aannemen dat hij een overeenkomst had en nog steeds heeft. Hij vraagt op welke documentatie het LBIO zich heeft gericht en of hij inzicht mag hebben. Het kan niet zo zijn dat de tegenpartij wel serieus wordt genomen en hij niet. Hij mocht aannemen dat de brief was aangekomen en de overeenkomst in werking was getreden.

De reactie van het LBIO van 11 januari 2016 op verzoekers klacht.
Het LBIO verklaart de klacht ongegrond.
Het LBIO vat verzoekers klacht zo op dat volgens verzoeker wel degelijk een afspraak ligt dat zij beiden over en weer geen alimentatie meer zouden betalen. Verzoeker stelde de brief van 1 juni 2015 retour te hebben gezonden naar de advocaat en heeft een kopie van dit ondertekende exemplaar aan het LBIO toegezonden. Volgens verzoeker kan uit het feit dat over en weer geen alimentatie is betaald, worden afgeleid dat deze overeenkomst is uitgevoerd en er dus een concrete afspraak is. Ook heeft verzoeker het aanvullend ouderschapsplan toegezonden. Volgens het LBIO heeft de moeder in telefonisch contact op 8 en 11 januari 2016 uitgelegd waarom zij op haar beurt is gestopt met betalen. Het LBIO schrijft in deze brief niet welke uitleg de moeder heeft gegeven.

Het LBIO vindt bepalend dat er een rechterlijke uitspraak is. Het LBIO gaat uit van de rechtelijke uitspraak van 4 juli 2012 waarin is bepaald dat verzoeker € 300 per maand moet betalen voor J. en voor A. Het LBIO citeert uit deze uitspraak. Het LBIO geeft aan dat het zich dient te houden aan de rechterlijke uitspraak en niet zelf de beslissing mag nemen dat door omstandigheden de betalingsverplichting zou vervallen. Uiteraard kunnen er onderling afspraken zijn gemaakt die ervoor zorgen dat een verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. Verzoeker stelt dat dit zo is en zijn de moeder stelt dat hiervan geen sprake is. In die situatie moet het LBIO kijken naar de vaststaande feiten en zo nodig ook beoordelen of de moeder voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat er een achterstand is, of verzoeker anderzijds aannemelijk heeft kunnen maken dat er afwijkende afspraken liggen.
Volgens het LBIO heeft verzoeker aangegeven dat hij de brief van 1 juni 2015 per gewone post heeft opgestuurd, en heeft de moeder en haar advocaat aangegeven dat zij deze brief nooit hebben ontvangen. Verzoeker kan vervolgens niet aantonen dat hij de brief wel heeft verzonden en nog minder dat hij ook moet zijn aangekomen. Het LBIO meent daarom dat hij er beter aan had gedaan om te verifiëren dat de brief was ontvangen, nu de andere partij dit stellig ontkent.
Het LBIO vindt dat verzoeker de afspraak niet heeft bewezen omdat er over en weer geen daadwerkelijke betalingen zijn geweest. Het LBIO verwijst hiertoe naar verzoekers e-mail van 1 juni 2015 als reactie op de e-mail van de moeder, ook van 1 juni 2015, waarin zij de brief van haar advocaat aankondigt. Het LBIO citeert beide mails in zijn geheel. Uit deze mail blijkt volgens het LBIO afdoende dat hij zelf niet akkoord is met de bedoelde afspraak. Zijn telefonische uitleg dat hij nadien alsnog de brief heeft ondertekend en opgestuurd is da niet voldoende aannemelijk gemaakt, maar is ook niet onomstotelijk vast komen te staan.
Ook zijn uitleg dat zijn mail slechts zou zien op de omgangsregeling en niet op de alimentatie vindt het LBIO weinig overtuigend. Het feit dat het over en weer feitelijk niet betalen van de alimentatie dus wel moet betekenen dat de afspraak is gemaakt is niet onbetwist aannemelijk gemaakt.
In het aanvullend ouderschapsplan staat: "Vader blijft de kinderbijdrage zoals vastgelegd in het ouderschapsplan ten behoeve van J. aan moeder betalen." Dat de moeder zich vervolgens niet heeft gehouden aan hetgeen staat genoemd onder punt 3, betaling van € 50 kinderbijdrage aan vader voor A., betekent niet dat verzoeker daarmee alsnog zou hebben aangetoond dat er een geldige afspraak zou liggen. Dat verzoeker meent dat de moeder zich zelf niet houdt aan het ouderschapsplan kan zo zijn, maar zijn opmerkingen hierover zijn – hoe spijtig ook – niet relevant voor het LBIO. De taken en bevoegdheden van het LBIO beperken zich toch voornamelijk tot het punt van de inning en eventuele vastgelegde afspraken daarover. Het is niet aan het LBIO om de moeder aan te spreken op haar verantwoordelijkheid met bet betrekking tot de zorgtaken en evenmin op haar verplichting om de bijdrage voor A. te betalen, zoals overeengekomen in het aanvullend ouderschapsplan. Het LBIO vindt dat de inning terecht is overgenomen en dat verzoeker opslagkosten is verschuldigd.

Notes

[←1]

Vermoedelijk € 300,- per maand zoals de rechter heeft vastgelegd.

[←2]

De wettelijke indexering bedraagt per 1 januari 2015 0,8%.

[←3]

Voor zover relevant is de correspondentie tussen verzoeker, (de advocaat van) zijn ex-echtgenote en het LBIO opgenomen in de Bijlage.

[←4]

In deze brief is vermeld: "Om rust voor alle betrokkenen te creëren zal er voorlopig geen uitvoering worden gegeven aan de zorgregelingen. Dit betekent dat J. voorlopig niet bij u zal komen en A. voorlopig niet naar cliënte toegaat. Met betrekking tot de kinderalimentatie stelt cliënte voor dat er over en weer geen kinderbijdrage betaald wordt. (…) Indien u met vorenstaande instemt verzoek ik u mij deze brief voor akkoord ondertekend retour te zenden." Verzoekers handtekening staat onderaan deze brief.

[←5]

Het LBIO kan op grond van artikel 408, boek 1 Burgerlijk Wetboek (zie Achtergrond) de inning van de alimentatie voor ex-partners en kinderen overnemen als de betalingsplichtige deze niet (volledig) betaalt. Als het LBIO de inning overneemt, moet de betalingsplichtige naast de alimentatie, 15% van het alimentatiebedrag extra betalen aan het LBIO, dat zijn opslagkosten.

[←6]

Deze contacten zijn vermeld in de Bijlage.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/106