2016/102 Bureau Jeugdzorg Noord-Holland zorgt niet voor tijdige verstrekken van indicatie pleegzorg

Grootouders vangen hun kleinkinderen tijdelijk op vanwege problemen in de thuissituatie. Ze klagen er bij de Nationale ombudsman over dat het toenmalig Bureau Jeugdzorg te Haarlem (BJZ) niet zorgt voor een tijdige toekenning van een pleegzorgvergoeding. Een spoedindicatie pleegzorg is volgens BJZ niet noodzakelijk omdat de ouders zelf voor opvang zorgen. De ombudsman geeft geen oordeel over deze klacht omdat hij zelf niet kan afwegen of er wel of geen reden is voor afgifte indicatie. BJZ heeft niet voldoende (open) met grootouders gecommuniceerd waardoor het proces is vertraagd. Dit brengt echter niet mee dat achteraf kan worden vastgesteld dat de indicatie eerder had moeten worden afgegeven.

Instantie: (voormalig) Bureau Jeugdzorg Noord-Holland

Klacht:

geen zorg gedragen voor een tijdige toekenning van pleegzorgvergoeding toen verzoekers hun kleinkinderen opvingen vanwege een noodsituatie bij de kinderen thuis

Oordeel: geen oordeel

Er zijn verschillende situaties denkbaar waarin minderjarige kinderen met instemming van hun ouders worden opgevangen en verzorgd door kennissen of familie. Soms is er geen sprake van een problematische situatie die noodzaakt tot professionele begeleiding ten behoeve van het kind. Dan is sprake van informele pleegzorg binnen het eigen netwerk. Is die behoefte aan jeugdhulp in de wettelijke betekenis er wel, dan is dat grond voor het afgeven van een indicatie voor pleegzorg. Deze indicatie geeft recht op begeleiding door een pleegzorgaanbieder. De pleegouders ontvangen van de pleegzorgaanbieder een wettelijk vastgestelde pleegzorgvergoeding. Dan is er sprake van "formele" pleegzorg. Tot 1 januari 2015 was het de taak van Bureaus Jeugdzorg om daarover te beslissen. Het vergt een professionele afweging om te bepalen of er een grond is voor een indicatie pleegzorg.

In dit geval klaagden grootouders er bij de Nationale ombudsman over dat het toenmalige Bureau Jeugdzorg te Haarlem geen zorg droeg voor een tijdige toekenning van pleegzorgvergoeding toen zij hun kleinkinderen opvingen vanwege een noodsituatie bij de kinderen thuis. De Nationale ombudsman vatte dit op als een klacht dat BJZ geen zorg droeg voor tijdige verstrekking van een indicatiebesluit op basis waarvan de grootouders pleegzorgvergoeding konden ontvangen

Het is niet aan de Nationale ombudsman om zelf de afweging te maken of er wel of niet reden was voor de afgifte van een indicatie. De Nationale ombudsman onthoudt zich dan ook van een oordeel over de klacht over niet tijdige verstrekking van een indicatie pleegzorg. Wel komt naar voren dat BJZ onvoldoende (open) met de grootouders heeft gecommuniceerd om uit te diepen hoe het ging met de opvang, om hen te informeren over opties en de consequenties daarvan.Al met al is de situatie te lang "schimmig" gebleven, doordat BJZ de kwestie onvoldoende heeft geagendeerd.Het kan zijn dat het proces van de besluitvorming rond de indicatie is hierdoor is vertraagd. Dit brengt echter niet mee dat achteraf kan worden vastgesteld dat de indicatie eerder had moeten worden afgegeven.

Wat is er gebeurd?

Een moeder vroeg de grootouders of haar kinderen een tijdje bij hen konden blijven logeren, vanwege problemen in de thuissituatie. De grootouders stemden toe en namen op 16 mei 2013 hun kleinkinderen in huis. Op diezelfde dag verklaarden de grootouders telefonisch aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Haarlem (BJZ)1 - dat reeds in 2012 onderzoek had verricht naar de veiligheidssituatie in het gezin van de moeder en dat op 13 mei 2013 geïnformeerd was over de crisis - dat zij bereid waren om hun kleinkinderen tijdelijk op te vangen.

De afdeling Jeugdhulpverlening (JHV) van BJZ was sinds januari 2013 betrokken bij de kinderen. JHV had het dossier van de kinderen op 30 mei 2013 afgesloten en in verband met grote zorgen weer overgedragen aan het AMK . Het AMK had op 23 mei 2013 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te verrichten naar de veiligheid van het meisje. Daarnaast had het AMK de veiligheidstoets uitgevoerd bij de grootouders, om te bezien of deze een veilige omgeving aan hun kleinkinderen konden bieden in het kader van de tijdelijke opvang die zij op dat moment verzorgden. Omdat de moeder zelf had geregeld dat haar kinderen bij de grootouders konden logeren, vond BJZ het in deze zaak niet nodig om de spoedprocedure netwerkpleegzorg in te zetten. In juni 2013 hadden de grootouders meerdere malen telefonisch contact met BJZ. Volgens BJZ had het de grootouders telefonisch uitgelegd dat een indicatie netwerkpleegzorg, die recht geeft op pleegzorgvergoeding, pas kan worden afgegeven op het moment dat het perspectief van de kinderen duidelijk is en er een hulpvraag voor begeleiding door de pleegzorginstelling bestaat. Volgens BJZ was het in dat gesprek met de grootouders overeengekomen om geen netwerkpleegzorg procedure op te starten, omdat op dat moment het perspectief voor de kinderen nog niet duidelijk was en omdat de grootouders de kinderen slechts voor een beperkte tijd konden opvangen, mede omdat zij een vakantie hadden geboekt die binnen afzienbare tijd zou aanvangen. BJZ verwachtte dat het perspectief van de kinderen duidelijk zou worden voordat deze procedure was afgerond.

Op 17 juni 2013 vroeg de grootvader in een telefonisch gesprek, of hij en zijn echtgenote ondersteuning konden krijgen bij vragen die bij hen speelden. De medewerker van BJZ hielp de grootouders vervolgens bij het regelen van zaken voor hun kleinkinderen en adviseerde hen hoe zij zich dienden op te stellen tegenover de ouders van de kinderen. Op 2 juli 2013 meldden de grootouders dat zij hun geplande vakantie hadden afgezegd en dat zij toch voor een langere periode beschikbaar waren als opvang voor hun kleinkinderen.2 Op 12 juli 2013 ging een medewerker van de Raad op huisbezoek bij de grootouders, om hen te melden dat de Raad graag wilde dat zij pleegouders van hun kleinkinderen zouden worden; de grootouders gaven echter aan dat zij geen pleegouders voor de kinderen konden worden.3 Op 2 augustus 2013 gaven de grootouders echter telefonisch aan BJZ aan, dat zij toch netwerkpleegouders voor een langere periode wilden worden4. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had de grootouders verteld dat zij als netwerkpleegouders recht hadden op een pleegzorgvergoeding.

Na de verklaring van de grootouders van 2 augustus 2013, nam JHV op 8 augustus 2013 de veiligheidstoets af bij de grootouders in het kader van de afgifte van een indicatie pleegzorg. Op 12 augustus 2013 gaf BJZ Gelderland te Arnhem, dat de zaak inmiddels had overgenomen van BJZ te Haarlem, een pleegzorgindicatiebesluit af. De grootouders ontvingen daarop pleegzorgvergoeding. Op 19 augustus 2013 sprak de kinderrechter een ondertoezichtstelling (OTS) en uithuisplaatsing (UHP) uit. De grootouders begrepen uit daaropvolgende gesprekken met BJZ Gelderland, dat zij al vanaf het moment dat hun kleinkinderen bij hen kwamen logeren, recht zouden hebben gehad op pleegzorgvergoeding. BJZ te Haarlem had dat op dat moment kunnen verzorgen middels het afgeven van een spoedindicatie.

Onenigheid tussen grootouders en BJZ over pleegzorgvergoeding

De grootvader nam op 4 oktober 2013 telefonisch contact op met BJZ te Haarlem en vroeg of BJZ alsnog met terugwerkende kracht een spoedindicatie kon afgeven.
Op 7 oktober 2013 mailde een medewerkster van BJZ intern een collega over de gebeurtenissen. Zij was van mening dat BJZ de stappen zorgvuldig had gezet. In eerdere instantie was het perspectief niet netwerkpleegzorg en was er geen sprake van overbrugging voor een periode van meer dan drie maanden. Daarnaast was er volgens de medewerkster geen sprake van een hulpvraag. Er was dan ook geen reden om een indicatie af te geven. Terugkijkend was het perspectief anders, maar niemand kon op dat moment de toekomst voorzien. In eerdere instantie had alleen op verzoek van de Raad een indicatie afgegeven kunnen worden, omdat nog sprake was van een vrijwillig kader en de ouders niet in beeld waren. Het onderzoek van de Raad duurde veel langer dan BJZ kon voorzien; om die reden duurde de overbruggende plaatsing langduriger dan ingeschat. 'Op basis van deze en een eerdere casus zou je haast zwart op wit moeten zetten dat pleegouders op het moment van besluit niet in aanmerking komen voor pleegzorgindicatie en vergoeding, om achteraf geen gedoe te krijgen'. 5

BJZ reageerde op 22 oktober 2013 in een brief op het verzoek van de grootouders om een spoedindicatie met terugwerkende kracht. BJZ gaf aan dat een medewerker van JHV in juni 2013 met de grootvader had besproken dat een indicatie netwerkpleegzorg pas kan worden afgegeven op het moment dat het perspectief van de kinderen duidelijk is en er een hulpvraag voor begeleiding door de pleegzorginstelling bestaat. BJZ benadrukte dat geen netwerkpleegzorgindicatie kan worden afgegeven wanneer het perspectief van de kinderen onduidelijk is en het verblijf bij het gezin kortdurend. BJZ gaf daarnaast aan dat de grootouders vanaf het begin hadden aangegeven de kinderen tijdelijk op te willen vangen. Op het moment dat het perspectief duidelijk was naar aanleiding van het onderzoek van de Raad en duidelijk was dat het om een overbruggingsplek voor langere tijd bij de grootouders zou gaan, was de indicatie in opdracht van de Raad voor netwerkpleegzorg direct afgegeven.6 BJZ kon niet met terugwerkende kracht pleegzorgvergoeding verstrekken. Mochten de grootouders zich op het standpunt stellen dat zij kosten gemaakt hadden ten aanzien van de zorg voor de kinderen, dan konden zij zich het beste wenden tot de ouders van deze kinderen.
BJZ verwees in deze zaak naar de procedures die beschreven staan in het Protocol Netwerkpleegzorg van Jeugdzorg Nederland en in het eigen document 'Netwerkpleegzorg – interne procedure'.7 Op basis van de in 'Netwerkpleegzorg – interne procedure' omschreven voorwaarden voor recht op pleegzorgvergoeding, was BJZ in dit geval van mening dat geen sprake was van pleegzorg en dat de grootouders dus niet voor pleegzorgvergoeding in aanmerking kwamen.

Klachtbehandeling BJZ
Omdat verzoekers met BJZ niet tot overeenstemming konden komen over de toekenning van pleegzorgvergoeding met terugwerkende kracht, dienden zij een klacht in bij de klachtencommissie van BJZ. Op 10 april 2014 deed de klachtencommissie van BJZ uitspraak over de klachten van verzoeker over BJZ over het niet afgeven van een indicatiebesluit en over het niet afdoende reageren op de door verzoeker aangedragen argumenten om alsnog een indicatie af te geven.

De klachtencommissie gaf aan dat zij geen oordeel kon vellen of een indicatie wel of niet terecht is afgewezen. De klachtencommissie kon zich wel buigen over de vraag of er zorgvuldig met het Protocol Netwerkpleegzorg is omgegaan. Dat was volgens de klachtencommissie het geval; om die reden oordeelde de klachtencommissie de eerste klacht niet gegrond. De klachtencommissie beoordeelde de tweede klacht gegrond. De klachtencommissie overwoog dat het belangrijk is dat netwerkpleegouders van begin af aan goed worden geïnformeerd over de financiële consequenties van de opvang van de kinderen, omdat netwerkpleegouders meestal onverwacht te maken krijgen met de opvang van één of meer kinderen en op dat moment vaak niet de financiële consequenties hiervan kunnen overzien Op 22 april 2014 gaf de bestuurder van BJZ aan dat zij het eens was met het oordeel van de klachtencommissie. Zij zegde toe dat zij er binnen de organisatie aandacht voor zou vragen dat het bij een netwerkplaatsing van belang is dat BJZ de (netwerk) pleegouders van begin af aan goed informeert over de financiële consequenties van de opvang van de kinderen en wanneer er wel/geen aanspraak op pleegzorgvergoeding bestaat.

Klacht bij Nationale ombudsman
De grootouders waren het niet eens met de uitspraak van de klachtencommissie over de eerste klacht en legden hun klacht op 9 oktober 2014 voor aan de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman opende op 7 juli 2015 schriftelijk onderzoek naar de klacht. De Nationale ombudsman formuleerde de klacht als volgt:

Verzoekers klagen erover dat Bureau Jeugdzorg te Haarlem geen zorg droeg voor een tijdige toekenning van pleegzorgvergoeding toen zij hun kleinkinderen opvingen vanwege een noodsituatie bij de kinderen thuis.

Standpunt grootouders
De grootouders vonden dat BJZ het Protocol Netwerkpleegzorg niet juist had toegepast en onterecht geen spoedindicatie netwerkpleegzorg had afgegeven. Zij vonden dat BJZ hen onvoldoende had ondersteund, zeker wat informatieverstrekking betreft. Vervolgens had BJZ volgens de grootouders allerlei, niet onderbouwde uitspraken gedaan om het onjuiste handelen te verbloemen. De grootouders meenden dat zij vanaf 16 mei 2013 recht hadden gehad op pleegzorgvergoeding.


De grootouders gaven aan dat het AMK geen veiligheidstoets bij hen had uitgevoerd: het had in dat kader geen vragen aan hen gesteld en geen verslag opgesteld. BJZ had volgens de grootouders het Protocol Netwerkpleegzorg niet met hen besproken en op geen enkel moment melding gemaakt van de mogelijkheid van hulp en begeleiding vanuit een pleegzorgaanbieder. De grootouders hadden voorafgaande aan 13 mei 2013 totaal geen kennis van of ervaring met dit soort situaties en de mogelijkheden voor het verkrijgen van hulp. Het niet stellen van een hulpvraag aan BJZ was volgens de grootouders niet gelegen in het niet hebben van die hulpvraag, maar in onwetendheid aan hun kant. Het leek er volgens de grootouders op dat BJZ deze onwetendheid had gebruikt omdat het geen pleegzorgvergoeding aan hen wenste te verstrekken. De grootouders vermoedden dat BJZ in eerste instantie bewust had aangestuurd op een korte verblijfsperiode, waardoor het het standpunt kon handhaven dat geen sprake was van een hulpvraag. Zij gaven aan, dat het Protocol Netwerkpleegzorg nergens eist dat er een hulpvraag moet zijn, alvorens een pleegzorgindicatie kan worden afgegeven.

Volgens de grootouders had BJZ vanuit het motief van geldbesparing het eigen document Netwerkpleegzorg- interne procedure toegepast (in plaats van het Protocol Netwerkpleegzorg) teneinde op onjuiste gronden het verzoek tot het afgeven van een spoedbesluit en indicatiebesluit af te wijzen. De grootouders waren van mening dat de acute situatie waarin de kinderen zich bevonden op het moment dat de grootouders hen in huis nam, het verzoek van het AMK daartoe aan hen en de intensieve betrokkenheid van het AMK bij de kinderen in die periode, een spoedindicatie hadden gerechtvaardigd.

De grootouders ontkenden dat zij de kinderen slechts voor een korte periode onderdak hadden willen bieden. Het AMK had hen verzocht om de kinderen voor een periode van vier weken op te vangen. De grootouders stemden daar mee in. In een latere instantie hadden zij ingestemd met een verlenging van deze periode. Volgens de grootouders was de vraag of zij de kinderen al dan niet voor langere tijd wilden opvangen, op dat moment niet aan de orde. Het was volgens de grootouders nooit hun wens geweest dat het verblijf kortdurend zou zijn, hoewel zij aan de andere kant wel hadden gehoopt dat de ouders zo spoedig mogelijk hun zaken weer op orde zouden krijgen en de kinderen weer terug naar hun ouders konden gaan. De grootouders meldden dat zij gezien de ernst van de situatie al in een vroegtijdig stadium hadden aangegeven dat zij instemden met de plaatsing voor een langere periode, zeker tot het moment van uitspraak door de kinderrechter. De keuze voor het vervolgtraject was voor de grootouders mede afhankelijk van deze uitspraak en het voor hen inzichtelijk krijgen van de consequenties.

Reactie BJZ

Algemeen
BJZ meldde dat er twee situaties denkbaar zijn voor afgifte van een pleegzorgindicatie. De eerste situatie betreft de omstandigheid dat er sprake is of zal zijn van een netwerkpleegzorg plaatsing in het vrijwillig kader. Dan wordt er gewerkt volgens de Procedure netwerkpleegzorg. De tweede situatie betreft de situatie waarbij vanwege ontwikkelingsbedreigingen een kind dag en nacht uit huis geplaatst zou moeten worden. Dan wordt een machtiging uithuisplaatsing verzocht bij de kinderrechter; en wordt daarbij ook meteen een indicatie voor (netwerk)pleegzorg bijgevoegd. Het betreft dus afgifte van een indicatie pleegzorg binnen het vrijwillig kader en in het gedwongen kader.

Wanneer een netwerkpleeggezin behoefte heeft aan hulp en begeleiding wordt een pleegzorgindicatie afgegeven, zodat een pleegzorgaanbieder kan worden ingeschakeld voor de hulp en begeleiding. De vergoeding die beschikbaar is voor pleegzorg is in de wet gekoppeld aan deze hulpvraag. Op het moment dat er een hulpvraag is, komt de pleegzorgvergoeding beschikbaar voor de pleegouders. Voor BJZ was het niet een standaard gegeven dat bij iedere netwerkpleegzorgplaatsing een hulpvraag aanwezig is; een pleegzorgzorgindicatie wordt dan ook niet standaard afgegeven.

BJZ gaf aan dat inzet van pleegzorgbegeleiding vanuit een pleegzorgaanbieder niet met terugwerkende kracht kan worden ingezet. Een indicatie voor netwerkpleegzorg wordt daarom niet met terugwerkende kracht afgegeven. Hierdoor kan er ook niet met terugwerkende kracht pleegzorgvergoeding verleend worden. De focus voor afgifte van een indicatie voor netwerkpleegzorg door BJZ ligt op de behoefte/noodzaak voor het bieden van hulp en begeleiding vanuit de pleegzorgaanbieder en niet op het ontvangen van pleegzorgvergoeding. BJZ ging er niet standaard van uit dat er een hulpvraag ligt bij de netwerkpleegouders, waardoor niet standaard een pleegzorgindicatie wordt afgegeven.

Zoals volgens BJZ uit de Procedure netwerkpleegzorg blijkt, vallen de kosten van de zorg en opvoeding van het kind in eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Ouders en pleegouders moeten bij de start van de opvang hierover afspraken maken en schriftelijk vastleggen. Dit dient helder door de medewerker van BJZ te worden uitgelegd aan de netwerkpleegouders. In de Procedure Netwerkpleegzorg wordt expliciet benoemd dat het ontvangen van pleegzorgvergoeding geen recht voor de pleegouders is.

BJZ gaf aan dat in de praktijk nog niet uitgewerkte dilemma's met betrekking tot de uitvoering van pleegzorg bestaan. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van een netwerkpleeggezin? Zijn grootouders die hun kinderen opvangen tijdens ziekte van de ouders al meteen aan te merken als netwerkpleeggezin? Welke hulpvraag is bepalend voor het afgeven van een indicatie pleegzorg: de vraag om opvoedkundige ondersteuning of de vraag om een financiële vergoeding?

Geen afgifte indicatie netwerkpleegzorg in dit geval
In deze zaak ging het volgens BJZ in eerste instantie om een netwerkpleegzorgplaatsing binnen het vrijwillig kader. BJZ gaf aan dat de moeder van de kinderen de grootouders had ingeschakeld. Het AMK had daarmee ingestemd, zodat de veiligheidscheck kon worden uitgevoerd. Doordat de ouders zelf voor de opvang van de kinderen hadden zorggedragen, was spoedig ingrijpen door BJZ naar de mening van BJZ verder niet nodig in deze zaak; om die reden was volgens BJZ de afgifte van een spoedindicatie pleegzorg niet noodzakelijk.

In deze zaak heeft zich volgens BJZ een aantal zaken voorgedaan, waarbij voor BJZ helder was dat de afgifte van een indicatie netwerkpleegzorg niet aan de orde was:

1. De grootouders wilden in eerste instantie de kinderen slechts voor een korte periode opvangen;
2. De grootouders hadden geen hulpvraag. Begrijpelijk voor BJZ, gezien het feit dat de opvang in eerste instantie een korte periode betrof;
3. Uit de contactjournaals viel volgens BJZ af te leiden dat grootouders zelf ook niet zeker waren van het feit of zij nu wel of niet voor langere tijd de kinderen wilden opvangen (om de plaatsing permanent te maken). In ieder geval is terug te lezen dat zij daarover onduidelijke signalen afgaven;
4. De ouder met gezag (moeder had gezag, vader niet) had wel toestemming gegeven voor verblijf van de kinderen bij grootouders voor een korte overbruggingsperiode, maar zag een permanente plaatsing bij de grootouders niet zitten. De conclusie van de medewerker was dan ook dat er vanuit de gezaghebbende ouder geen toestemming was.

Volgens BJZ hadden de grootouders helder aangegeven dat zij in eerste instantie de kinderen slechts een maand zouden kunnen opvangen; zij wensten volgens BJZ geen pleegouders te worden. BJZ bezat geen documenten die aangeven dat BJZ bij de start van de opvang door grootouders concreet gevraagd heeft naar behoefte aan ondersteuning en begeleiding door een pleegzorgmedewerker. Op 24 juni 2013 had de gezinsvoogd contact gezocht met BJZ Gelderland voor ondersteuning voor het vinden van een pleeggezin in die regio; de grootouders hadden plannen om op vakantie te gaan en de kinderen moesten ergens worden opgevangen.

BJZ had naar eigen zeggen met de grootouders gesproken over netwerkpleegzorg. Dit is niet alleen gebeurd door BJZ zelf, maar ook door de Raad voor de Kinderbescherming, aan wie BJZ het verzoek had gedaan om een raadsonderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel te starten. Of daarbij de grootouders expliciet zijn gewezen op de financiële implicaties van de opvang van de kinderen, dat hen expliciet gevraagd is of zij een hulpvraag hadden en wat er met hen besproken was over het afnemen van de veiligheidstoets, was voor BJZ niet concreet te achterhalen uit de contactjournaals van de jeugdhulpverlener. Deze informatie bevond zich volgens BJZ mogelijk in het dossier van het AMK. Dit dossier was echter overgedragen aan de gemeente. Uit de stukken van de klachtencommissie was BJZ niet gebleken dat de grootouders geklaagd zouden hebben dat er nooit met hen gesproken is over pleegzorg dan wel het protocol netwerkpleegzorg.

Uit de contactjournaals en het AMK verslag bleek volgens BJZ, dat de gezaghebbende moeder volgens BJZ in weerwoord op het onderzoek van het AMK had aangegeven dat het in eerste instantie om een tijdelijke opvang bij grootouders ging en had zij aangegeven dat 'ze zal verdwijnen als de familie probeert de kinderen af te pakken'. In de contactjournaals kwam volgens BJZ verder naar voren dat er 11 juni 2013 contact geweest is met de Raad en dat de Raad het advies gegeven heeft om ook gedurende het raadsonderzoek de kinderen bij grootouders te laten. Dit advies is op 13 juni 2013 telefonisch met moeder besproken en zij ging akkoord met het advies van de Raad om de kinderen ook gedurende het raadsonderzoek bij grootouders te laten.

Uit het contactjournaal van 12 juli 2013 bleek volgens BJZ dat de Raad op huisbezoek geweest was bij de grootouders. De Raad gaf aan dat zij de grootouders het liefst als pleegouders wilden voor de kleinkinderen, maar de grootouders gaven daarop in een gesprek aan dat zij dat niet konden bieden. Toen de grootouders aangaven dat zij toch pleegouder wilden worden, had BJZ Gelderland spoedig een indicatie afgegeven. BJZ concludeerde dat de klacht ongegrond was omdat de grootouders geen pleegvergoeding waren misgelopen.

Beoordeling

De klacht van de grootouders betreft het uitblijven van een pleegzorgvergoeding. Verstrekking van zo'n financiële tegemoetkoming is alleen aan de orde in situaties waarin jeugdzorg in de vorm van pleegzorg is geïndiceerd en BJZ een (indicatie)besluit van die strekking heeft genomen. De in onderzoek genomen klacht dat BJZ geen zorg droeg voor tijdige toekenning van een vergoeding, laat zich vertalen als een klacht dat BJZ geen zorg droeg voor tijdige verstrekking van een indicatiebesluit.8

Er zijn verschillende situaties denkbaar waarin minderjarige kinderen met instemming van hun ouders worden opgevangen en verzorgd door kennissen of familie. Soms is er geen sprake van een problematische situatie die noodzaakt tot professionele begeleiding ten behoeve van het kind. Dan is sprake van informele pleegzorg binnen het eigen netwerk.

Is die behoefte aan jeugdhulp in de wettelijke betekenis er wel, dan is dat grond voor het afgeven van een indicatie voor pleegzorg. Deze indicatie geeft recht op begeleiding door een pleegzorgaanbieder. De pleegouders ontvangen van de pleegzorgaanbieder een wettelijk vastgestelde pleegzorgvergoeding. Dan is er sprake van "formele" pleegzorg.9 Tot 1 januari 2015 was het de taak van Bureaus Jeugdzorg om daarover te beslissen.

Het vergt een professionele afweging om te bepalen of er een grond is voor een indicatie pleegzorg. En aan die afweging gaat – als de tijd het toelaat – vooraf: verzamelen van informatie en onderzoek.

De vraag rijst welke ruimte er voor de Nationale ombudsman is om in te gaan op klachten over het uitblijven van de indicatie, in dit geval: het niet (snel) formaliseren van wat begon als informele opvang door de grootouders.

Het is duidelijk dat het niet aan de Nationale ombudsman is om zelf de afweging te maken of er wel of niet reden was voor de afgifte van een indicatie. Als het gaat om het tijdstip waarop een indicatie is afgegeven is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 201110 van belang. De CRvB overwoog daarin namelijk dat de kinderrechter in het kader van de -civielrechtelijke- procedure de rechtmatigheid van (het uitblijven van) een indicatiebesluit dient te toetsen. De Nationale ombudsman heeft geen zicht kunnen krijgen op de doorwerking van deze uitspraak in de praktijk van de kinderrechters Voor de Nationale ombudsman is de uitspraak een aanwijzing dat er weinig ruimte is voor de Nationale ombudsman om de inhoudelijke afwegingen te toetsen die BJZ heeft gemaakt om niet al in de eerste dagen of weken van het verblijf van de kinderen bij de grootouders een indicatiebesluit af te geven.

Uit dit onderzoek is niet duidelijk geworden hoe en op welk moment BJZ de afweging "wel of geen indicatie" heeft gemaakt, en welke informatie daarover is ingewonnen. Reden is dat BJZ heeft nagelaten gesprekken en afspraken met grootouders vast te leggen. Wel komt naar voren dat BJZ onvoldoende (open) met de grootouders heeft gecommuniceerd om uit te diepen hoe het ging met de opvang, om hen te informeren over opties en de consequenties daarvan. Daarbij is de financiële kant een van de onderwerpen die aandacht verdient, maar niet het onderwerp dat bepalend is in de afweging om wel of niet een indicatie pleegzorg af te geven. De klachtencommissie concludeerde al dat hierover niet duidelijk met de grootouders is gecommuniceerd.

In deze zaak heeft BJZ kennelijk pas achteraf, toen al een klacht was ingediend, de beslissing om geen pleegzorgindicatie af te geven uitgebreid beargumenteerd in een brief aan de grootouders. Dit terwijl het tijdens de periode dat het bij de grootouders betrokken was, had volstaan met een melding in een contactjournaal over een telefonisch gesprek met de grootouders over (het niet nemen van) een pleegzorgindicatiebesluit.

Al met al is de situatie te lang "schimmig" gebleven, doordat BJZ de kwestie onvoldoende heeft geagendeerd. Dit doet geen recht aan de inspanningen die de grootouders hebben geleverd om hun kleinkinderen op te vangen en aan de verantwoordelijkheid die BJZ op dit gebied jegens grootouders had.

Het proces van de besluitvorming rond de indicatie is hierdoor vertraagd. Dit brengt echter niet mee dat achteraf kan worden vastgesteld dat de indicatie eerder had moeten worden afgegeven. Om dit te kunnen beoordelen moet helder zijn wat de situatie indertijd was en die helderheid ontbreekt nu juist.

Conclusie

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel over de klacht over niet tijdige verstrekking van een indicatie pleegzorg.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Notes

[←1]

Het AMK maakte destijds onderdeel uit van BJZ. Taken van het toenmalige AMK zijn tegenwoordig ondergebracht bij nieuwe organisaties, genaamd: 'Veilig Thuis'. Enkele (andere) taken van BJZ te Haarlem zijn sinds 1 januari 2015 ondergebracht bij de Jeugd- en Gezinsbeschermers.

[←2]

Bron: de contactjournaals van BJZ

[←3]

Bron: de contactjournaals van BJZ

[←4]

Bron: de contactjournaals van BJZ

[←5]

Bron: de contactjournaals van BJZ

[←6]

In de brief van 22 oktober 2013 luidde deze zin anders. BJZ rectificeerde de zin in een brief van 19 november 2013 aan de grootouders.

[←7]

Het Protocol Netwerkpleegzorg 2014 is gepubliceerd op www.jeugdzorgnederland.nl/kennisbank

[←8]

Sinds de decentralisatie van de jeugdhulp per 1 januari 2015 beslist de gemeente over toewijzing van jeugdhulp, waaronder pleegzorg

[←9]

Formele pleegzorg kan aan de orde zijn in het vrijwillig kader, maar ook in het kader van een door de rechter gelaste ondertoezichtstelling

[←10]

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0461

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/102