2016/065 Politie hoeft geen identiteitsbewijs te vorderen bij voldoende informatie voor zorgmelding

Rapport

Politieambtenaren X, Y en C. lopen in de binnenstad van Amsterdam op straat. Op een gegeven moment horen zij vanuit een openstaand raam van een woning op de derde verdieping hard geschreeuw komen. Zij besluiten om in de woning waaruit het geschreeuw komt, polshoogte te gaan nemen. Hoewel verzoekster hen aanvankelijk niet binnen wil laten, gebeurt dat later wel. Nadat de politieambtenaren in de woning hebben vastgesteld dat er geen sprake is van een direct en onmiddellijk dreigend gevaar, besluiten zij om inzage in het identiteitsbewijs van verzoekster en haar meerderjarige dochter F. te vorderen. Zij willen naar aanleiding van de door hen aangetroffen woonomstandigheden namelijk een zorgmelding maken. Hoewel verzoekster haar identiteitsbewijs laat zien, weigert haar dochter F. dat pertinent. Op het moment waarop Y verzoeksters dochter F. wil aanhouden op grond van het niet tonen van haar identiteitsbewijs, wordt hij daarbij gehinderd door verzoekster. Verzoekster wordt daarop in haar woning door politieambtenaren C. en H. ,vastgepakt en buiten haar woning in het trappenhuis geboeid en in afwachting van de komst van de hulpofficier van justitie opgehouden.

Verzoekster klaagde erover dat politieambtenaren haar en haar meerderjarige dochter F. onterecht hebben aangehouden. Verzoekster klaagde er verder over dat politieambtenaren tegen haar en haar meerderjarige dochter, in het bijzijn van haar twee minderjarige kwetsbare kinderen, disproportioneel geweld hadden gebruikt. Verzoekster klaagt er ten slotte over dat politieambtenaren haar en haar meerderjarige dochter hadden geboeid.

De Nationale ombudsman was van oordeel dat de politie over voldoende informatie beschikte om achteraf een zorgmelding te maken. Omdat daardoor geen noodzaak was om het identiteitsbewijs van verzoekster en haar dochter te vorderen, was er geen grondslag om haar dochter aan te houden.

Ten aanzien van het geweldgebruik en het gebruik van de handboeien was de Nationale ombudsman van oordeel dat, nu de aanhouding niet rechtmatig was, de geweldtoepassing en het gebruik van de handboeien eveneens niet rechtmatig waren. De politie had daarmee gehandeld in strijd met het vereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd; in dit geval het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Ten aanzien van de vraag of het mogelijk was om verzoekster in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 124 Wetboek van Strafvordering (WvSv) te boeien, was de Nationale ombudsman van oordeel dat dit niet was toegestaan. Hoewel artikel 124 WvSv de bevoegdheid geeft om de nodige maatregelen te treffen ter handhaving van de openbare orde, bepaalt het niet dat deze maatregelen het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam mogen beperken.

Instantie: Regionale politie-eenheid Amsterdam

Klacht:

onterechte aanhouding door politieambtenaren, gebruik van disproportioneel geweld en handboeien

Oordeel:

Gegrond