2016/001 Nederlandse ambassade in Suriname onzorgvuldig bij toekennen noodpaspoort voor een kind.

Op verzoek van de vader geeft de Nederlandse ambassade in Suriname een noodpaspoort af zodat hij zijn zevenjarige zoon zonder medeweten van de grootouders bij wie hij woont, mee kan nemen naar Nederland. Op dat moment is niet duidelijk bij wie het gezag over het kind ligt. De Nationale ombudsman vindt dat het vereiste van goede voorbereiding is geschonden omdat is afgegaan op eenzijdige informatie van alleen de vader en niet de grootouders van het kind m.b.t. het gezag. De Kinderombudsman is van mening dat er bij de afgifte van een noodpaspoort niet is gekeken naar de mening en het belang van het kind conform het Internationaal verdrag voor de Rechten van het Kind.

Instantie: Nederlandse Ambassade te Suriname

Klacht:

ten onrechte een noodpaspoort afgegeven voor verzoekers kleinzoon. Hierdoor kon het gebeuren dat de vader het kind meenam naar Nederland, terwijl het kind op dat moment al jaren bij verzoekers in Suriname woonde en er nog geen onherroepelijke uitspraak was over het gezag en de verblijfplaats van het kind. Hierdoor zijn het kind en verzoekers in hun belangen geschaad.

Oordeel: gegrond

Mees en zijn ouders woonden in Nederland. In mei 2010 is Mees op driejarige leeftijd samen met zijn ouders naar Suriname vertrokken. De relatie tussen de vader en de moeder van Mees verliep niet goed en werd per 4 juli 2010 beëindigd. Zijn moeder besloot met Mees in Suriname te blijven wonen bij verzoekers. Moeder had het gezag over Mees. De vader had Mees wel erkend maar deelde niet in het gezag over hem. De vader is teruggekeerd naar Nederland op 5 juli 2010. Op 28 augustus 2010 is de moeder van Mees plotseling overleden. Verzoekers, de grootouders van Mees, hebben vanaf dat moment de dagelijkse verzorging van Mees op zich genomen en niet snel daarna liepen er juridische procedures in zowel Suriname als Nederland over het gezag en de voogdij van Mees. De verzorging door de grootouders duurde drieënhalf jaar totdat op 4 oktober 2013 Mees plotseling door zijn vader is meegenomen van het schoolplein en is overgebracht naar Nederland met behulp van de makers van een televisieprogramma. Voor het daadwerkelijk kunnen vertrekken naar Nederland moest Mees beschikken over een geldig reisdocument. De Nederlandse ambassade in Suriname heeft hiertoe op verzoek van de vader een noodpaspoort afgegeven voor Mees. Voor het onderzoek staan twee vragen centraal: Of de vader bevoegd was de aanvraag voor het noodpaspoort in te dienen en of terecht een noodpaspoort is verstrekt. De situatie is juridisch complex en de Nationale ombudsman oordeelt dat - naast dat de vader bevoegd was de aanvraag in te dienen - de minister het vereiste van een goede voorbereiding heeft geschonden door eenzijdig af te gaan op de informatie van vader bij het verstrekken van het reisdocument. De Kinderombudsman oordeelt dat de afgifte van het noodpaspoort in strijd is met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, aangezien uit het onderzoek niet is gebleken dat het belang en de mening van het kind op enige wijze is betrokken in de beslissing tot afgifte.

Klacht

Verzoekers klagen erover dat de Nederlandse ambassade in Suriname ten onrechte een noodpaspoort heeft afgegeven voor hun kleinzoon. Hierdoor kon het gebeuren dat de vader het kind meenam naar Nederland, terwijl het kind op dat moment al jaren bij verzoekers in Suriname woonde en er nog geen onherroepelijke uitspraak was over het gezag en de verblijfplaats van het kind. Hierdoor zijn het kind en verzoekers in hun belangen geschaad.

Bevindingen

Aanleiding onderzoek

Verzoekers hebben de Kinderombudsman benaderd. Verzoekers zijn woonachtig in Suriname en de grootouders van Mees1. Zij klagen erover dat de Nederlandse ambassade in Suriname op verzoek van de vader van Mees in oktober 2013 ten onrechte een noodpaspoort heeft afgegeven ten behoeve van hun kleinzoon. Met behulp van de makers van een televisieprogramma heeft vader met dit noodpaspoort Mees diezelfde dag mee kunnen nemen naar Nederland. De klacht is in eerste instantie voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. Deze minister is verantwoordelijk voor het optreden van de Nederlandse ambassade. De minister heeft de klacht ongegrond verklaard, waarna verzoekers de klacht in tweede instantie hebben voorgelegd aan de Kinderombudsman en de Nationale ombudsman. Er is gezamenlijk onderzoek gedaan naar de klacht.

Achtergrond

Mees en zijn ouders woonden in Nederland. In mei 2010 is Mees op driejarige leeftijd samen met zijn ouders naar Suriname vertrokken. De relatie tussen de vader en de moeder van Mees verliep niet goed en werd per 4 juli 2010 beëindigd. Zijn moeder besloot met Mees in Suriname te blijven wonen bij verzoekers. Zij liet Mees en haarzelf op 8 juli 2010 uitschrijven uit de gemeente Rotterdam en vervolgens inschrijven in het basisregister in Suriname. Zij vroeg een verblijfsvergunning aan voor haar zoon en haarzelf, vond een baan en meldde Mees aan op een basisschool. Moeder had het gezag over Mees. De vader had Mees wel erkend maar deelde niet in het gezag over hem. De vader is teruggekeerd naar Nederland op 5 juli 2010. Op 28 augustus 2010 is de moeder van Mees plotseling overleden. Door het overlijden van de moeder van Mees viel het gezag open en moest hier door de rechter in worden voorzien. De vraag rees welke rechter naar welk recht bevoegd was over het gezag over Mees te oordelen.

Verzoekers hebben vanaf dat moment direct de dagelijkse verzorging van Mees op zich genomen. Dit duurde drieënhalf jaar totdat op 4 oktober 2013 Mees plotseling door zijn vader is meegenomen van het schoolplein en is overgebracht naar Nederland met behulp van de makers van een televisieprogramma. Voor het daadwerkelijk kunnen vertrekken naar Nederland moest Mees beschikken over een geldig reisdocument. De Nederlandse ambassade in Suriname heeft hiertoe op verzoek van de vader een noodpaspoort afgegeven voor Mees. Verzoekers zijn hier niet in gekend en waren niet op de hoogte van de aanvraag van het noodpasport en het plan van de vader om Mees over te brengen naar Nederland.

In de periode tussen het overlijden van moeder en de afgifte van het paspoort door de Nederlandse ambassade zijn door zowel verzoekers als de vader van Mees diverse procedures gevoerd omtrent het gezag over Mees. Deze procedures vonden plaats in zowel Suriname als Nederland. Voor een volledig overzicht van de procedures die tot op heden zijn gevoerd wordt verwezen naar de tijdlijn in bijlage A. Hier volgt een kort overzicht van de uitspraken tot 4 oktober 2013, voor zover hier relevant.

Procedures in Suriname
Verzoekers hebben in Suriname bij het kantongerecht een verzoek ingediend voor het verkrijgen van de voogdij over Mees. Hangende deze procedure heeft het kantongerecht op 27 oktober 2010 besloten de voorlopige voogdij aan verzoekers toe te kennen en bepaald dat het kind afgegeven diende te worden aan de grootouders. De vader van Mees was betrokken in deze procedure. Hij is tegen de voorlopige toekenning van de voogdij aan verzoekers niet in beroep gegaan.

Wel heeft de vader in kort geding om afgifte van Mees aan hem verzocht. Dit verzoek werd door de kantonrechter op 27 oktober 2010 afgewezen.

Op 14 maart 2012 heeft de kantonrechter het verzoek van verzoekers omtrent de voogdij afgewezen. Verzoekers zijn van deze beslissing in hoger beroep gegaan en dit beroep was, voor zover bekend op het moment van het opstellen van dit rapport, nog niet behandeld.

Vervolgens heeft de vader van Mees de kantonrechter in Suriname verzocht de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 23 november 2011, ten uitvoer te mogen leggen (in deze uitspraak had het hof de beschikking van de rechtbank van 12 januari 2011, waarbij het gezag aan de vader was verleend, bekrachtigd)2.

Dit is door de kantonrechter te Suriname op 5 april 2012 geweigerd. De kantonrechter heeft bepaald in zijn uitspraak dat eerst het hoger beroep van verzoekers moet worden afgewacht. Tot die tijd mocht de uitspraak van de Nederlandse rechter in Suriname niet ten uitvoer worden gelegd.

Procedures in Nederland
Op 3 november 2010 heeft de vader van Mees de rechtbank Den Haag verzocht hem het gezag over Mees te verlenen. De rechtbank heeft het verzoek ingewilligd op 12 januari 2011 en heeft bepaald dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Verzoekers waren niet op de hoogte van deze procedure. Evenmin was de rechter door de advocaat van de vader geïnformeerd over de lopende procedures in Suriname.

Nadat verzoekers kennis hadden genomen van de inhoud van de beschikking zijn zij daartegen in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof in Den Haag. Het gerechtshof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Den Haag op 23 november 2011. Verzoekers hebben vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft op 3 mei 2013 de beschikking van het gerechtshof van 23 november 2011 vernietigd en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Overigens overwoog de Hoge Raad daarbij dat de vraag of de Nederlandse rechter wel bevoegd was om over het gezag te beslissen, niet beoordeeld kon worden in cassatie, omdat dit een feitelijke toetsing betreft. Het gerechtshof Amsterdam moest opnieuw beslissen en heeft dit gedaan3, nadat op 4 oktober 2013 de minister al was overgegaan tot het verstrekken van het noodpaspoort aan Mees. Op dat moment herleefde de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 januari 2011. Dit betekent dat vanaf de datum van de beslissing van de Hoge Raad, dus vanaf 3 mei 2013, tot de nieuwe uitspraak van het gerechtshof de vader van Mees het gezag had over zijn zoon.

Verzoekers hebben direct, nadat Mees door zijn vader vanuit Suriname was meegenomen naar Nederland, een kort geding tegen de vader aangespannen bij de rechtbank Rotterdam. In dit kort geding hebben ze de rechtbank gevraagd de vader te veroordelen Mees direct aan hen af te geven op straffe van een dwangsom. De rechtbank wees deze vordering op 16 oktober 2013 toe.

Standpunt verzoekers

Verzoekers geven aan dat de Nederlandse ambassade in Suriname op de hoogte was van de gezinssituatie van Mees, zowel eerder in Nederland als later in Suriname. Verzoekers geven aan dat de advocaat te Suriname, die verzoekers in Suriname in de procedures heeft bijgestaan, in de periode van mei 2010 tot begin oktober 2013 regelmatig telefonisch contact heeft gehad met een medewerker bij de Nederlandse ambassade over de stand van zaken betreffende Mees. Deze informatie werd door de desbetreffende medewerker tevens gedeeld met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Verzoekers lieten verder weten dat de vader reeds tweemaal eerder een reisdocument heeft getracht aan te vragen bij de ambassade te Suriname. Beide aanvragen zouden niet in behandeling zijn genomen, omdat er nog procedures liepen met betrekking tot het gezag over Mees. De eerste aanvraag zou hebben plaatsgevonden in augustus 2010 waarbij vader zich agressief zou hebben opgesteld. De tweede aanvraag zou hebben plaatsgevonden in de periode tussen 2 februari 2011 en 5 april 2012. Bij de tweede aanvraag zou de medewerkster van de Nederlandse ambassade contact hebben opgenomen met de advocaat in Suriname omtrent de stand van zaken van de lopende procedures. Er wordt vanuit gegaan dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken hiervan tevens op de hoogte was.

Verzoekers geven aan dat ten tijde van het verkrijgen van het noodpaspoort, de aanvraag die samen met de makers van het televisieprogramma werd gedaan, door de ambassade ten onrechte is aangenomen dat de vader het gezag over Mees zou hebben, aangezien de plicht en het recht tot de dagelijkse opvoeding van Mees bij verzoekers lag hangende de procedures in Suriname en Nederland. Verzoekers geven aan dat in de beslissing tot het verstrekken van het reisdocument de belangen onvoldoende zorgvuldig zijn afgewogen en het paspoort is verstrekt op basis van onvolledige feiten. Bij de beslissing tot het verstrekken van het noodpaspoort zou bij een volledig onderzoek naar voren zijn gekomen dat de Surinaamse rechter de uitspraak van het gerechtshof Den Haag niet had bekrachtigd en dat de Surinaamse rechter in 2010 had bepaald dat Mees zijn hoofdverblijfplaats had bij verzoekers. Verzoekers geven aan dat Mees op 8 juli 2010 was uitgeschreven bij de gemeente Rotterdam. Ook zou het ministerie ten onrechte voorbij zijn gegaan aan de doorverwijzing door de Hoge Raad naar het hof Amsterdam voor de inhoudelijke behandeling. Daarnaast is het ministerie voorbij gegaan aan het feit dat ten tijde van de afgifte van het paspoort het Hof van Justitie te Suriname nog definitief diende te beslissen over het voogdijverzoek van verzoekers en heeft het ministerie de belangen van het kind niet meegewogen. Kortom: er liepen nog procedures en het recht van de vader om Mees mee te nemen stond allerminst vast. Verzoekers menen daarom dat gezien de inhoud van het Executieverdrag het paspoort nimmer verstrekt had mogen worden aan de vader. Verzoekers voelen zich in hun mening gesterkt door eerder genoemd kort geding vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2013, waarbij hun vordering om teruggave van Mees werd toegewezen.

Verzoekers geven daarbij ook aan dat er door het ministerie slechts eenzijdig naar de situatie is gekeken, namelijk alleen naar de visie van de vader.

Standpunt Ministerie van Buitenlandse Zaken

Op 5 november 2014 heeft de Kinderombudsman, mede namens de Nationale ombudsman, de klacht per brief gestuurd aan de minister van Buitenlandse Zaken met het verzoek hierop te reageren. Op 20 januari 2015 heeft de minister per brief gereageerd.

De minister heeft in zijn reactie laten weten de klacht ongegrond te achten en aangegeven dat de wijze van behandeling van de klacht van verzoekers door het Ministerie van Buitenlandse Zaken juist is geweest.

De minister geeft aan dat er door vader niet eerder een aanvraag voor een reisdocument is ingediend bij de Nederlandse ambassade te Suriname, aangezien er geen eerdere aanvragen zijn geregistreerd in het administratieve systeem.

Op de vraag of de aanwezigheid van de makers van het televisieprogramma van invloed is geweest op de afgifte van het reisdocument antwoordt de minister dat dit niet het geval is geweest. Aan de minister van Buitenlandse Zaken komt geen discretionaire bevoegdheid toe bij de verstrekking van reisdocumenten, waardoor afgifte van een reisdocument niet kan worden geweigerd als aan de voorwaarden van de Paspoortwet is voldaan.

De minister geeft aan dat als één ouder zelfstandig een aanvraag voor een reisdocument ten behoeve van een minderjarige wil indienen, volgens de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland (PUB) dient te worden aangetoond dat deze ouder alleen het ouderlijke gezag heeft. Dit kan zijn van rechtswege, beslist via een gerechtelijke uitspraak over het gezag of door middel van vervangende toestemming tot afgifte van een reisdocument door de rechter. In geval van twijfel wordt advies gevraagd aan de expertise-afdeling op het departement in Den Haag. De minister geeft aan dat in onderhavige zaak intensief contact is geweest tussen de ambassade in Suriname en het departement in Den Haag met betrekking tot de verstrekking van het paspoort.

Bij de beoordeling of een reisdocument ten behoeve van een minderjarige kan worden verstrekt, wordt de stand van zaken ten aanzien van het gezag conform de PUB onderzocht. De verblijfplaats speelt geen rol bij de aanvraag. Met betrekking tot het gezag geeft de minister aan dat er is uitgegaan van de uitspraak van 12 januari 2011, waarin de Nederlandse rechter zich bevoegd heeft geacht en vader eenhoofdig gezag heeft toegekend.

Aangegeven wordt dat de Paspoortwet geen ruimte biedt om een belangenafweging te maken bij verstrekking van een reisdocument aan een minderjarige. De aanvrager dient aan te tonen dat hij of zij het gezag heeft. Bij de aanvraag is niet meegewogen dat over het gezag en de verblijfplaats van Mees nog geen onherroepelijke uitspraak was gedaan, aangezien de uitspraak van 12 januari 2011 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Voorts is aangegeven dat geen informatie bij andere partijen is ingewonnen, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, omdat de Paspoortwet geen ruimte geeft voor belangenafweging. Wel merkt de minister op dat op 7 oktober 2013 het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam heeft verzocht een onderzoek in te stellen vanwege de onrust die in de Surinaamse en Nederlandse media was ontstaan en het feit dat Mees slachtoffer dreigde te worden van het conflict tussen de in Suriname woonachtige verzoekers en de vader in Nederland, nadat Mees op 4 oktober 2013 door zijn vader mee naar Nederland is genomen.

Aangezien de Paspoortwet geen ruimte biedt voor een belangenafweging en de Paspoortwet geen nuances per gebruiksdoel van het paspoort bevat, geeft de minister aan dat daarom ook niet meegewogen kon worden dat Mees al drie jaar bij verzoekers woonachtig was.

De minister gaf in zijn reactie ook aan dat het horen van een kind geen onderdeel is van de procedure voor de aanvraag van een reisdocument voor een minderjarige. Het paspoort is verleend, nadat Mees in persoon is verschenen, de identiteit is vastgesteld en er geen onregelmatigheden waren vastgesteld.

De minister is van oordeel dat de handelwijze van de ambassade conform vigerende wet- en regelgeving heeft plaatsgevonden. Een paspoort wordt toegekend als wordt voldaan aan de voorwaarden opgenomen in de Paspoortwet. Hierbij waren de gerechtelijke beslissingen leidend, waarin het eenhoofdig gezag was toegekend aan vader en niemand anders. Als aan alle voorwaarden is voldaan kan een reisdocument niet worden geweigerd

Dossierinformatie Ministerie van Buitenlandse Zaken

Uit het overgelegde dossier door het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat er veelvuldig contact is geweest tussen de Nederlandse ambassade in Suriname en het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag omtrent de afgifte van een reisdocument voor Mees. De e-mailwisseling loopt vanaf 5 april 2012 tot en met 7 oktober 2013.

In deze e-mailwisseling verzochten de medewerkers van de Nederlandse ambassade om juridisch advies aan het ministerie. De Nederlandse ambassade stond in contact met de advocaat van verzoekers in Suriname. De Surinaamse advocaat van verzoekers hield de ambassade op de hoogte van de juridische procedures in Suriname en Nederland. De advocaat van de vader in Suriname stelde zich tegenover de ambassade op het standpunt dat op basis van de procedures in Nederland al vaststond dat de vader het ouderlijk gezag had en gerechtigd was Mees mee te nemen.

Verder is er meerdere malen telefonisch contact geweest tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de makers van het televisieprogramma. Het contact dateert al vanaf juli 2013 en nam in frequentie toe in september 2013 in verband met het meenemen van Mees op 4 oktober 2013. Op 2 oktober 2013 is er een gesprek geweest tussen de ambassade en de makers van het televisieprogramma waarin door de vertegenwoordigers van het televisieprogramma onder andere is aangegeven dat volgens hen naar Nederlands en Surinaams recht de vader het gezag heeft over Mees.

Op 4 oktober 2013 zelf is er veelvuldig contact geweest tussen de Nederlandse ambassade en het Ministerie van Buitenlandse zaken over het verloop van de afgifte van het paspoort en met name de snelheid hiervan. Uit deze e-mails komt ook naar voren dat niet iedereen betrokken bij de casus binnen het ministerie op de hoogte was van alle uitspraken en er sprake was van verschillende visies met betrekking tot het analyseren van de uitspraken. De juristen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn er vanuit gegaan dat de uitspraak van 12 januari 2011 van de rechtbank Den Haag, waarin de rechter in Nederland het gezag aan de vader heeft toegekend, doorslaggevend was. Bij de ambassade heerste er twijfel over of dit de juiste conclusie was.

Uit de e-mailwisseling komt in ieder geval duidelijk naar voren dat reeds maanden eerder bij de Nederlandse ambassade en het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend was dat er zowel in Nederland als in Suriname over de voogdij werd geprocedeerd. Ook was bekend dat de rechter in Nederland het gezag aan vader had toegekend, echter dat de Surinaamse rechter deze uitspraak niet heeft erkend.

Uit het overgelegde dossier blijkt verder dat er door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de aanloop naar de afgifte van het noodpaspoort niet alleen aandacht is geweest voor de juridische procedures in Nederland en Suriname, maar ook voor de belangen van het kind. Door ervaringen uit het verleden zijn door medewerkers binnen het ministerie zorgen geuit over de manier waarop Mees zou kunnen worden meegenomen. Er is tevens in een gesprek tussen de ambassade en de programmamaker door het ministerie aandacht gevraagd voor de belangen van Mees en met name over wat er gaat gebeuren als Mees aangeeft niet mee te willen gaan.

Verder werd in een mail geopperd dat het wellicht niet verstandig was medewerking te verlenen aan het televisieprogramma gezien de gevoeligheid van de zaak en de verstandhouding tussen de landen.

Vooralsnog bleek uit mailwisselingen tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade dat er twijfels waren over de vraag of er definitief was beslist over het gezag en de voogdij.

In een mailwisseling van 19 september 2013 wordt ook nog besproken of het niet raadzaam zou zijn de makers van het televisieprogramma te adviseren te wachten met het afreizen naar Suriname totdat de nieuwe uitspraak van het hof Amsterdam bekend was.

II Oordeel

Inleiding

Uit het onderzoek is gebleken dat er op 4 oktober 2013 door de Nederlandse ambassade in Suriname op verzoek van de vader voor Mees een noodpaspoort is verstrekt. Hierdoor kon het gebeuren dat zijn vader Mees zonder overleg met diens grootouders, waar hij na het overlijden van zijn moeder al drie jaar verbleef, kon meenemen naar Nederland.

Om vast te stellen of de Nederlandse ambassade (in opdracht van de minister van Buitenlandse Zaken) terecht het verzoek van de vader van Mees heeft toegewezen, dienen twee verschillende vragen te worden beantwoord. Ten eerste dient te worden vastgesteld wie met het gezag was belast volgens het Nederlandse recht op 4 oktober 2013, van de datum van de indiening van het verzoek tot verstrekken van een nooddocument. Ten tweede dient vastgesteld te worden of in deze situatie terecht een noodpaspoort is verstrekt. De Nationale ombudsman geeft een oordeel over de bevoegdheid van de vader om de aanvraag in te dienen. De Kinderombudsman beoordeelt de afgifte van het noodpaspoort.

De klacht over de bevoegdheid van de vader om een noodpaspoort aan te vragen

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat de overheid alle informatie die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen, verzamelt. Dit betekent dat de overheid actief informatie verwerft en deze informatie toetst door middel van hoor en wederhoor.

De juridische situatie was complex en het lijkt erop dat de Surinaamse en de Nederlandse rechter van mening verschillen over de vraag welke rechter (en naar welk recht) bevoegd is te beslissen met betrekking tot het gezag over Mees. Hierbij staan de regels van het internationaal privaatrecht centraal. Verzoekers menen dat de Surinaamse rechter bevoegd is, omdat de moeder geëmigreerd was naar Suriname en Mees daar zijn gewone verblijfplaats had. De vader is van mening dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat Mees in Nederland zijn gewone verblijfplaats had en slechts voor vakantie naar Suriname was gegaan.

Uit het onderzoek is gebleken dat de ambassade en ook het Departement zich bij de aanvraag van het noodpaspoort voor Mees uitsluitend hebben laten informeren door de vader van Mees en de programmamakers over de rechterlijke uitspraken in Nederland. Verzoekers zijn bij de afgifte van het paspoort niet door de ambassade of het departement geraadpleegd, terwijl zij via hun advocaat in Suriname de ambassade steeds over alle ontwikkelingen in de juridische procedures in Suriname en Nederland hadden geïnformeerd.

Los van de vraag of de rechterlijke colleges tot de juiste beslissingen zijn gekomen, dient te worden vastgesteld wat de situatie was op 4 oktober 2013. Deze vraag dient vervolgens ook te worden beantwoord vanuit het Nederlandse recht. De vraag is immers of de Nederlandse ambassade terecht een noodpaspoort aan de vader van Mees heeft verstrekt. Op 12 januari 2011 heeft de rechtbank in Nederland gezag aan vader toegekend en deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 23 november 2011 is deze beslissing bekrachtigd door het Gerechtshof Den Haag. Op 3 mei 2012 is de beslissing van het gerechtshof vernietigd door de Hoge Raad, en is de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam. Dit betekent dat vanaf de datum van de beslissing van de Hoge Raad de gezagsverhouding over Mees geregeld werd door de beslissing van de rechtbank Den Haag van 12 januari 2011. Op grond van deze beslissing had de vader het eenhoofdig gezag.

Vervolgens rijst de vraag of ook betekenis had moeten worden toegekend aan de beslissingen die door de Surinaamse rechters werden gegeven. Hoewel de Surinaamse rechter op 27 oktober 2010 de voorlopige voogdij aan de grootouders had toegewezen, heeft de Surinaamse rechter op 14 maart 2012 in de bodemprocedure het verzoek van de grootouders om met het voogdij te worden belast afgewezen. De grootouders zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen. Op 4 oktober 2013 was er nog geen beslissing in deze hoger-beroepsprocedure gegeven door de Surinaamse rechter. Wel heeft de Surinaamse rechter in de beschikking van 5 april 2012 geoordeeld dat de Nederlandse uitspraak niet werd erkend.

Dit betekent dat de enige beslissing door een Surinaamse rechter waarmee het gezagsrecht bij de grootouders is komen te liggen de beslissing is om de grootouders voorlopig met de voogdij te belasten, hetgeen door het kantongerecht op 27 oktober 2010 is geoordeeld. Deze beslissing is eerder gegeven dan de bodembeslissing die op 12 januari 2011 door de Nederlandse rechter is gegeven. De Surinaamse beslissing zou op grond van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria (zie HR Bontmantel (HR 14 november 1924, NJ 1925) en HR Gazprombank (HR 26 september 2014, NJ 2015, 84)), zonder diep in te gaan op de verschillende voorwaarden die door de Hoge Raad zijn ontwikkeld, in Nederland niet worden erkend indien deze onverenigbaar zou zijn met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter (HR 26 september 2014, ECLI:HR:2014:2838, NJ 2015, 84, r.o. 3.6.4). Aangezien de Nederlandse rechter op 12 januari 2011 gezag aan de vader had toegewezen, en deze beslissing nog gold op 4 oktober 2013 (naar aanleiding van de vernietiging door de Hoge Raad van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag), kwam de Surinaamse uitspraak waarmee voorlopige voogdij aan de grootouders werd toegekend niet in aanmerking voor erkenning in Nederland.

Op grond van het Nederlandse recht was op 4 oktober 2013 de vader met het eenhoofdig gezag belast. Hij hoefde derhalve geen toestemming van de grootouders te verkrijgen om een paspoort aan te vragen.

Al met al is de Nationale ombudsman van oordeel dat de minister in dit geval het vereiste van goede voorbereiding heeft geschonden nu hij bij het nemen van zijn beslissing eenzijdig is afgegaan op de informatie van de vader van de minderjarige (en de programmamakers). In dit geval kwam hij op basis van beperkte informatie tot een juiste beoordeling van de bevoegdheid van de vader om de aanvraag van het paspoort te doen. De minister nam daarbij echter wel een onaanvaardbaar risico mee. Het was hem immers bekend dat nog niet definitief over het gezag was beslist en er in twee landen procedures liepen. Hierdoor was de situatie juridisch complex met internationaal privaatrechtelijke aspecten en contrasterende belangen van de betrokkenen. Het had dan ook op zijn weg gelegen ook de informatie van de kant van de verzoekers in de beoordeling te betrekken.

III Conclusie Nationale ombudsman

Deze gedraging van de minister was niet behoorlijk.

De klacht dat er een noodpaspoort is afgegeven

Verkrijgen van noodpaspoort
Tijdens het onderzoek is gebleken dat er een reisdocument is afgegeven in de vorm van een noodpaspoort. Voor de afgifte hiervan gelden andere voorwaarden dan voor een regulier paspoort (zie Achtergrond, onder 1.). Volgens de Paspoortwet moet er sprake zijn van zwaarwegende redenen om voor een nooddocument in aanmerking komen. De Memorie van Toelichting bij de Paspoortwet geeft geen nadere invulling aan het begrip zwaarwegende redenen. Dit betekent dat de minister - met inachtneming van de bedoeling van de wet - daar een eigen invulling aan kan geven. Op grond van de tekst van de website van de overheid (zie Achtergrond, onder 1c.) blijkt in de praktijk dat de voorwaarde wordt gesteld dat er sprake moet zijn van een situatie waardoor de reis niet kan worden uitgesteld. Deze spoedeisendheid moet door de aanvrager worden aangetoond. Daarbij moet worden aangeven waarom hij niet tijdig een aanvraag voor een regulier reisdocument heeft kunnen doen.

Bij de beoordeling of er sprake is van zwaarwegende belangen die de afgifte van een noodpaspoort rechtvaardigt, moet het belang van het kind worden betrokken. Immers bij alle beslissingen betreffende een kind dient het belang van het kind de eerste overweging te zijn.

Kinderrechten
Voor de beoordeling van de klacht ligt het zwaartepunt op artikel 3 en artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De integrale tekst is opgenomen in de Achtergrond, onder 3. Uit het IVRK vloeit voort dat het belang van het kind centraal dient te staan bij elke beslissing aangaande het kind en passend belang wordt gehecht aan zijn of haar mening bij deze beslissing. De Staat dient het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig is voor zijn of haar welzijn en neemt hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

Als er meerdere kinderrechten van toepassing zijn is het van belang dat de juiste afweging wordt gemaakt. De rechten uit het IVRK dienen in beginsel te prevaleren als er sprake is van conflicterende belangen, zoals de belangen van het kind en de ouders.

Voor de situatie van Mees kan voorts aansluiting worden gezocht bij situaties waarbij het een beslissing omtrent terugkeer van een minderjarige betreft. Bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen moet volgens de aanbevelingen van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind bij een dergelijke beslissing onder andere rekening gehouden worden met de veiligheid, de mening van het kind en verzorgers, de mate van integratie van het kind in het gastland, alsmede de duur van afwezigheid uit het land van herkomst. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het recht van het kind om diens identiteit, inclusief nationaliteit, naam en familiebetrekkingen te behouden, alsmede de continuïteit van de opvoeding (GC, nr. 6 en art. 8 IVRK).

Voorts is het van belang dat bij een dergelijke beslissing rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en het opnieuw moeten aanpassen aan een nieuwe situatie.4

Juist in de situatie waar Mees zich in bevond was het belangrijk dat zijn belang centraal werd gesteld in de beslissing tot afgifte van een noodpaspoort. Mees bevond zich immers al drie jaar in het buitenland bij verzoekers. Afgezien van het feit dat een kind het recht heeft zijn ouders te kennen en door hen te worden opgevoed, was het belangrijk te onderzoeken wat het kind wil en wat het belang van het kind dient, gelet op het kind zijn ontwikkeling, de continuïteit in de opvoeding en zijn toekomstperspectief. Door het gevolg van de afgifte van een noodpaspoort - het direct kunnen reizen naar een ander land - is het belangrijk dat ook wordt meegenomen wat voor gevolgen en impact dit op een kind zijn welzijn kan hebben. Mees heeft een plotselinge verandering immers eerder meegemaakt door het verblijf in een nieuw land bij grootouders en zal dit opnieuw moeten doorstaan met zijn vertrek naar Nederland. Dit kan zorgen voor (onnodige) traumatische ervaringen. Voorts is er de onzekerheid - en soms zelfs angst bij kinderen - van de uitkomst van daaropvolgende juridische procedures, waarin overigens wel ruimte is om de belangen van het individuele kind mee te wegen.5

Uit het dossier en de aanvullende stukken die zijn overgelegd door de minister is niet op te maken dat er sprake was van zwaarwegende belangen waardoor over diende te gaan tot afgifte van een noodpaspoort, omdat de reis niet kon worden uitgesteld. Voorts blijkt uit het dossier niet dat op enige wijze de reguliere weg is aangezocht om te bewerkstelligen dat Mees kon worden overgebracht naar zijn vader en blijkt niet dat actief informatie is ingewonnen bij partijen om tot een weloverwogen beslissing te komen in het belang van Mees. Bij het ministerie was al vanaf juli 2013 bekend dat de vader een reisdocument voor Mees wilde hebben. De feitelijke situatie op 4 oktober 2013 was niet wezenlijk anders dan in de maanden daarvoor. Het dossier schetst het beeld dat de minister heeft ingespeeld op de situatie zoals deze is weergegeven door vader en de makers van het televisieprogramma en zich heeft laten leiden door het tijdsschema van dit programma.

Tot slot is er geen rekening gehouden met het feit dat overbrenging van Mees naar Nederland van invloed kan zijn op de uitkomst van de nog lopende procedures. De feitelijke verblijfplaats bepaalt namelijk de bevoegdheid van de rechter (en het toepasselijke recht).

IV Conclusie Kinderombudsman

Op generlei wijze blijkt uit het dossier dat voor de beslissing tot afgifte van een noodpaspoort belang is gehecht aan wat de mening van het kind is en wat het beste is in zijn belang. De Kinderombudsman concludeert dat deze werkwijze niet conform de vereisten uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind is - met name artikel 3 en artikel 12 - en acht de klacht gegrond.

Gezien de ernst van de gevolgen van dit optreden van de minister zien de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman aanleiding voor het doen van een aanbeveling;

V Aanbevelingen

Aanbeveling Nationale ombudsman

Nu verzoekers door het handelen van de minister zijn benadeeld geeft de Nationale ombudsman de minister in overweging om een gebaar te maken richting verzoekers ter verzachting van het door hen ondergane leed van het plotselinge vertrek van hun kleinzoon en de door hen extra gemaakte advocaat- (kort geding in Nederland) en andere kosten.

Aanbeveling Kinderombudsman

De Kinderombudsman geeft de minister in overweging om bij de beslissing omtrent de afgifte van een noodpaspoort aan een minderjarige, het belang en de mening van het kind mee te nemen in de overweging conform het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

De Kinderombudsman,                       De Nationale ombudsman,

 

Marc Dullaert                                        Reinier van Zutphen

Bijlage A
de bijlage kunt u vinden in de pdfversie van dit rapport (zie 'rapport downloaden)
 

Achtergrond

1. Noodpaspoorten

a. Paspoortwet

Artikel 16

1.Aan degene die ingevolge deze wet recht heeft op een nationaal paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen en op het moment van vertrek niet in het bezit blijkt van een geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument, wordt indien hij aantoont zwaarwegende belangen te hebben bij de reis, na een daartoe strekkende aanvraag binnen de grenzen bij deze wet bepaald een nooddocument verstrekt met een zodanige tijdelijke en territoriale geldigheid als daarvoor vereist is.

2. Ten aanzien van elke categorie van reisdocumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g, stelt Onze Minister vast aan wie en onder welke voorwaarden deze documenten, onder overeenkomstige toepassing van deze wet, kunnen worden verstrekt.

b. MEMORIE VAN TOELICHTING bij artikel 16 Paspoortwet (TK 20393 (R 1343), nr. 3)

(…)

2. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

(…)

2.2. Soorten reisdocumenten

Artikel 2, eerste lid, onder f, heeft betrekking op het zogenaamde nooddocument, dat kan worden verstrekt aan personen, die zich zonder geldig of voor de reis bruikbaar reisdocument bij de grens of een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland melden en kunnen aantonen zwaarwegende belangen te hebben bij de voortzetting van de reis. Het dient in deze gevallen personen te betreffen, die ingevolge deze wet recht hebben op een nationaal paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen en, op het moment van vertrek hun reisdocument vermissen, zijn bestolen, het thuis of in hun hotel hebben laten liggen, dan wel zich in de geldigheidsduur of territoriale geldigheid voor de voorgenomen reis hebben vergist. In deze gevallen wordt hen, indien zij aantonen zwaarwegende belangen te hebben bij de voorgenomen reis, binnen de grenzen bij deze wet bepaald een nooddocument verstrekt, dat hen in staat stelt deze reis alsnog te maken. Met de zinsnede «binnen de grenzen bij deze wet bepaald», wordt beoogd aan te geven dat verstrekking niet plaatsvindt in het geval er gronden tot weigering of vervallen verklaring bestaan, dan wel blijkt dat betrokkene geen aanspraak

(meer) heeft op het reisdocument, waarvan hij houder is of waarvoor hij bij de daartoe bevoegde autoriteit een aanvraag zou kunnen indienen. Voorbeelden van nooddocumenten in de huidige praktijk zijn de identiteitskaart (toeristenkaart) A en het laissez-passer. Het niet verstrekken van een dergelijk document in noodsituaties, kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een beperking van het recht het land te verlaten. Derhalve is in de onderhavige bepaling geregeld in welke omstandigheden op de

verstrekking van een nooddocument een beroep kan worden gedaan, alsmede op welke gronden zulks kan worden geweigerd.

(…)


c. Tekst op de website van de rijksoverheid

Wanneer en hoe kan ik een noodpaspoort krijgen?

Gedurende een reis in het buitenland moet u in het bezit zijn van een geldig reisdocument. Wanneer u dit niet heeft, kunt u in zeer uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden een noodpaspoort aanvragen. Noodpaspoorten worden in Nederland afgegeven door de Koninklijke Marechaussee. Een noodpaspoort kost sinds 1 januari 2015 € 46,75.

Voorwaarden noodpaspoort

Een noodpaspoort wordt alleen verstrekt als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

- U bent niet in staat om tijdig een paspoort of een identiteitskaart (ID-kaart) te verkrijgen. - U kunt aannemelijk maken dat u uw reis niet kunt uitstellen. - Uw identiteit en nationaliteit zijn vast te stellen. - U zorgt zelf voor de benodigde bewijsstukken.

2. Bevoegdheid tot aanvraag

a. Paspoortwet

Artikel 26

1. Bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten, reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor vreemdelingen, zijn:

(…)

d. in het buitenland: Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het personen betreft die zich buiten het Koninkrijk bevinden;

(…)

b. Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 46. Vaststelling identiteit en bevoegdheid van degene die het gezag uitoefent of curator

1. Op de procedure voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator is artikel 36 van overeenkomstige toepassing.

2. Indien degene die een verklaring van toestemming moet afgeven niet in persoon verschijnt, kan de aanvraag slechts in behandeling worden genomen indien uit de overgelegde schriftelijke verklaring van toestemming en eventuele andere overgelegde stukken met de nodige zekerheid kan worden afgeleid dat de verklaring van toestemming van de betreffende persoon afkomstig is.

3. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de bevoegdheid tot het afgeven van de verklaring van toestemming van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator wordt gebruik gemaakt van de door de betreffende persoon overgelegde stukken.

4. Indien onzekerheid bestaat over de bevoegdheid van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld.

3. Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Artikel 3

  1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
  2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
  3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 5

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.

Artikel 7

  1. Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd.
  2. De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.

Artikel 8

  1. De Staten die partij zijn, verbinden zich tot eerbiediging van het recht van het kind zijn identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging.
  2. Wanneer een kind op niet rechtmatige wijze wordt beroofd van enige of alle bestanddelen van zijn identiteit, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand en bescherming, teneinde zijn identiteit zo snel mogelijk te herstellen.

Artikel 9

  1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
  2. In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
  3. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.
  4. Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van één ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Artikel 10

  1. In overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, worden aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed behandeld. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijke aanvraag geen nadelige gevolgen heeft voor de aanvragers en hun familieleden.
  2. Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.

Artikel 12

  1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
  2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.

Artikel 18

  1. De Staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg.
  2. Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te bevorderen, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.
  3. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en voorzieningen voor kinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.

Overige regelgeving

- United Nations Convention on the Rights of the Child, General Comment no. 6; Treatment of Unaccompanied and Separated Children Outside Their Country of Origin, CRC/C/GC/6, 1 september 2005, par. 40, 84 en 93. - United Nations Convention on the Rights of the Child, General Comment no. 12; The right of the child to be heard, CRC/C/GC/12, 20 juli 2009.

Notes

[←1]

Dit is een gefingeerde naam.

[←2]

Zie daarna onder 'Procedures in Nederland'.

[←3]

Op 1 april 2014.

[←4]

G.C.A.M.R. Ruitenberg, ‘De toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in Nederland en het belang van het kind, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2015, p. 28, 29 en 71.

[←5]

G.C.A.M.R. Ruitenberg, ‘De toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in Nederland en het belang van het kind, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2015, p. 28, 29 en 71.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2016/001