2015/165 Gemeente Arnhem weigert ten onrechte beslagvrije voet te corrigeren

Een man en zijn partner zitten in een schuldhulpverleningstraject. Ze klagen erover dat de gemeente de beslagvrije voet van de loonvordering niet met terugwerkende kracht wil corrigeren. De Nationale ombudsman vindt dat de gemeente dit alsnog dient te doen. Zij is er immers van op de hoogte dat een eerste beslaglegger een hogere beslagvrije voet aanhield dan de gemeente. De gemeente heeft hier geen rekening mee gehouden maar ging ten onrechte niet over tot het corrigeren van de beslagvrije voet. Zo heeft zij te weinig oog gehad voor de belangen en de kwetsbare positie van de man en zijn partner. De ombudsman geeft de gemeente in overweging om de beslagvrije voet alsnog met terugwerkende kracht te corrigeren.

Instantie: Gemeente Arnhem

Klacht:

beslagvrije voet van de loonvordering niet met terugwerkende kracht willen corrigeren

Oordeel: gegrond

Verzoeker klaagt er over dat de gemeente Arnhem de beslagvrije voet voor een loonvordering bij zijn werkgever (een sociaal werkvoorzieningsschap) niet met terugwerkende kracht heeft aangepast.d

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de gemeente dit alsnog dient te doen.

De gemeente was er immers van op de hoogte dat een eerste beslaglegger een aanzienlijk hogere beslagvrije voet aanhield dan die door de gemeente was vastgesteld. Dit scheelde bijna € 500.

Het had daarom op de weg van de gemeente gelegen om serieus met die informatie rekening te houden. De gemeente had verzoeker persoonlijk kunnen wijzen op het grote belang van het alsnog verstrekken van de verzochte gegevens voor het vaststellen van de beslagvrije voet. De gemeente koos niet voor deze persoonlijke aanpak maar voor het handhaven van de veel lagere door hem vastgestelde beslagvrije voet.

Door zo te handelen nam de gemeente een beslissing waarvan zij wist of kon weten dat deze hoogstwaarschijnlijk niet juist was. De Nationale ombudsman achtte de klacht gegrond wegens strijd met het vereiste van goede voorbereiding. Deze beslissing gaf aanleiding tot het doen van een aanbeveling tot het alsnog met terugwerkende kracht corrigeren van de beslagvrije voet.

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt er over dat de gemeente Arnhem de beslagvrije voet van de loonvordering niet met terugwerkende kracht wil corrigeren.

Wat speelde er?

Verzoeker en zijn partner zijn werkzaam bij het sociaal werkvoorzieningsschap Midden-Gelderland in Arnhem. Zij hebben schulden en zitten daarvoor in een schuldhulpverleningstraject.

Verzoeker betaalde de aanslag gemeentelijke belastingen van 28 februari 2014 over het jaar 2014 van de gemeente Arnhem niet. Het gaat om een bedrag van € 323,03. Verzoeker reageerde niet op de aanmaning, het dwangbevel en vervolgens ook niet op de aankondiging van een loonvordering voor deze aanslag. Bij die laatste aankondiging werd verzoeker in de gelegenheid gesteld informatie aan te leveren, die van groot belang is voor de juiste vaststelling van de beslagvrije voet.

De gemeente stelde de beslagvrije voet vast op € 611,78. Deze was gehalveerd omdat er geen gegevens door of namens verzoeker aangeleverd waren over het inkomen van zijn partner.

De gemeente legde beslag op verzoekers loon voor het bedrag van de aanslag en de inmiddels in rekening gebrachte kosten van € 64. In totaal bedroeg het beslag € 387,03.

Het werkvoorzieningsschap wees de gemeente erop dat er al beslag op verzoekers loon lag. De eerste beslaglegger hanteerde een beslagvrije voet van € 1.108,31. De gemeente gaf het werkvoorzieningsschap aan dat de gemeente hieraan niet gebonden was en het verschil tussen de door haar vastgestelde beslagvrije voet en dat van de eerste beslaglegger mocht ontvangen. De gemeente ontving het ingehouden bedrag op 13 oktober 2014.

Verzoeker heeft contact met medewerkers van Sociaal Raadslieden. Een sociaal raadsman diende per e-mail op 27 oktober 2014 bij de gemeente een verzoek in om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht te corrigeren tot een bedrag van € 1.128,88. Hij stuurde de gemeente ter onderbouwing van dit verzoek een berekening van de beslagvrije voet en de hiervoor van belang zijnde documentatie. Tevens wees de sociaal raadsman erop dat vanwege het hanteren van de te lage beslagvrije voet ontruiming van de woonruimte van verzoeker en zijn partner dreigde.

De gemeente reageerde per mail als volgt op het verzoek van de intermediair:

"Zoals bij u reeds bekend is, passen wij de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht aan (artikel 19.3.4. van de Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen Arnhem) (zie Achtergrond, onder 1.; N.o.). Inmiddels is alles voldaan, zodat van aanpassing van de beslagvrije voet geen sprake meer is."

Wat was de reactie van verzoeker?

De sociaal raadsman diende namens verzoeker een klacht in bij de gemeente Arnhem. Hij is namelijk van mening dat de gemeente minder hardvochtig met de invordering van de aanslag had moeten omgaan en de beslagvrije voet met terugwerkende kracht had moeten aanpassen en dus het geld had moeten terugstorten. De intermediair wees erop dat naast het juridische kader het menselijke verhaal van belang is. De situatie van verzoeker en zijn partner is volgens hem een schrijnend voorbeeld van twee burgers in een zeer kwetsbare positie die door het invorderen van de gemeente Arnhem ver onder het voor hen geldende bestaansminimum terecht zijn gekomen. Zij dreigden door deze wijze van invorderen zelfs dakloos te worden. Een gemeente die ook zorgzaam wil zijn voor de zwakkeren onder zijn burgers, zou bij de invordering ook naar de persoonlijke omstandigheden van het geval moeten kijken, aldus de intermediair. Hiertoe voerde de intermediair (onder meer) het volgende aan.

De persoonlijke situatie van verzoeker en zijn partner

De intermediair wees erop dat de kans op onwetendheid aan de zijde van verzoeker zeer reëel is. De intermediair is van mening dat de gemeente er rekening mee moest houden dat verzoeker en zijn partner werkzaam zijn bij een werkvoorzienig op grond van de Wet sociale werkvoorziening. De kans dat verzoeker en zijn partner moeite hebben met de complexiteit van het invorderingsproces is bijzonder groot. Een meer gerichte aanpak bij burgers die vanwege hun achtergrond bij een sociale werkplaats in dienst zijn, is hier meer op zijn plaats. Hiernaast wees de werkgever van verzoeker de gemeente al op een lopend beslag en het hierbij hanteren van een hogere beslagvrije voet.

Het was in het belang van verzoeker en zijn partner geweest als de gemeente hier zorgvuldiger mee om was gegaan. Juist voor deze doelgroep is het communicatieproces van schuldeisers vaak te technisch om te begrijpen. De gemeente had nogmaals contact kunnen opnemen met verzoeker om in duidelijke taal het belang van het aanleveren van de juiste gegevens uit te leggen, aldus de intermediair.

De intermediair wees er tevens op dat ook bij het met terugwerkende kracht corrigeren van de beslagvrije voet de persoonlijke situatie van groot belang is. Wanneer de beslagvrije voet te laag is vastgesteld (bijvoorbeeld halvering vanwege het niet verstrekken van informatie) en de betrokkene verstrekt alsnog de informatie dan moet de deurwaarder volgens de wetgever de beslagvrije voet wél met terugwerkende kracht aanpassen. Deze interpretatie is zowel door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders1 als de Nationale ombudsman2 overgenomen. De intermediair wees verder op de wetsgeschiedenis van de beslagvrije voet3:

"is in onwetendheid te veel aan de beslaglegger betaald, dan moet hij dat onverwijld teruggeven of verrekenen."

Het rapport van de Nationale ombudsman "In het krijt bij de overheid"

De intermediair verwees ook naar het rapport van de Nationale ombudsman "In het krijt bij de overheid"4. Hierin oordeelde de ombudsman dat overheidsinstanties en gerechtsdeurwaarders al het mogelijke moeten doen om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen. Door te voldoen aan de spelregels in dit rapport5 zou de gemeente Arnhem echter ook nog oog kunnen hebben voor de maatschappelijke gevolgen van haar invorderingsbeleid, aldus de intermediair.

Artikel 19.3.4. Leidraad Invordering van de gemeente Arnhem

De intermediair wijst erop dat het artikel uit de Leidraad Invordering van de gemeente Arnhem hetzelfde luidt als artikel 19.3.4. Leidraad Invordering 2008 (zie Achtergrond, onder 2.). De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden laat in zijn rapport "Belastingdienst, een bron van armoede"6 weten dat deze beleidsregel in strijd is met (hogere) wetgeving en de wetsgeschiedenis. Met deze beleidsregel hanteert de Belastingdienst in feite een strengere norm dan de wetgever wenst.

Artikel 19.3.4. Leidraad Invordering 2008 bepaalt dat de beslagvrije voet alleen wordt aangepast indien de Belastingdienst voorafgaand aan de loonvordering bij betrokkene geen informatie heeft opgevraagd om de beslagvrije voet vast te stellen. De intermediair stelt zich op het standpunt dat – ook al is er informatie opgevraagd bij de betrokkene – er nog steeds sprake kan zijn van het in onwetendheid te veel afdragen. Bij het begrip "onwetendheid" gaat het ook om de persoon en de omstandigheden van de schuldenaar, aldus de intermediair.

Volgens artikel 19 Invorderingswet 1990 (zie Achtergrond, onder 3.) dient bij de loonvordering de aanslag te worden betaald 'voor zover een en ander vatbaar is voor beslag'. Dit betekent volgens de intermediair dat de wetsgeschiedenis van artikel 475d lid 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie Achtergrond, onder 4.) ook geldt voor de loonvordering en er dus ook rekening gehouden dient te worden met onwetendheid van de schuldenaar.

Wat was de reactie van de gemeente?

De gemeente achtte de klacht niet gegrond.
De gemeente wees er in de eerste plaats op dat met het binnenkomen van het bedrag door het loonbeslag de vordering was komen te vervallen, alsmede de status daarvan. Aanpassing van de beslagvrije voet was daarmee niet meer aan de orde. Dit zou alleen mogelijk zijn als de vordering niet volledig zou zijn voldaan. Het verzoek kwam daarom dan ook te laat.

De gemeente liet verder weten dat zij diverse acties heeft ondernomen om het bedrag van de aanslag, anders dan door beslaglegging, te innen. Zij wees op een groepsgerichte actie om beslagleggen voor (onder meer) verzoeker te voorkomen. De gemeente had gemeend om de invordering van belastingen gemakkelijker te laten verlopen voor voornamelijk de doelgroep waartoe verzoeker en zijn partner behoren. In februari 2014 was er een schriftelijk voorstel aan het werkvoorzieningsschap gedaan om voor een groep medewerkers, waaronder verzoeker, die structureel niet aan hun (gemeentelijke) belastingverplichtingen voldoen, een maandelijkse regeling te treffen voor 2014 in plaats van over te gaan tot beslaglegging. Een betaling van acht maanden werd voorgesteld. Op dit voorstel werd door het werkvoorzieningsschap niet gereageerd. In een later telefoongesprek liet de werkgever weten dat dit te veel werk was en dat zij daarom niet had gereageerd.

De gemeente merkte op dat zij bij brief van 13 mei 2014 verzoeker dringend adviseerde de bij aankondiging van de loonvordering bijgevoegde tabel in te vullen. Het niet beantwoorden van de vragen zou leiden tot halvering van zijn beslagvrije voet waarmee zijn inkomen zou uitkomen op de helft van de bijstandsnorm.

De gemeente wees er verder op dat de procedure van aanslag (28 januari 2014) tot het daadwerkelijke innen van de loonvordering (13 oktober 2014) laat zien dat verzoeker veel tijd was gegund om te reageren op de vele verzoeken van de gemeente.

De gemeente wierp de vraag op in hoeverre er hier sprake was van onwetendheid. De gemeente wees er in dit kader op dat zij geen signaal van verzoeker, noch van derden als het werkvoorzieningsschap of een schuldbemiddelingsinstantie ontving dat de invordering van de aanslag over 2014 anders zou verlopen dan de jaren daarvoor. De gemeente liet weten dat in ieder geval sinds 2011 het bedrag voor dit soort aanslagen via loonbeslag werd geïnd, omdat er geen reactie van verzoeker kwam en er ieder jaar geen gegevens werden verstrekt. Ook na de invordering van het bedrag volgde geen reactie. Het lag dus in de lijn der verwachtingen dat dat in het jaar 2014 niet anders zou verlopen, aldus de gemeente.

De gemeente liet verder weten dat zij zelfstandig de beslagvrije voet dient vast te stellen en niet uit hoeft te gaan van de gegevens van de eerste beslaglegger.

De gemeente merkte op dat zij op 1 oktober 2014 een betaling van € 50 van verzoeker ontving voor deze aanslag.

Ten slotte wees de gemeente er op dat haar was gebleken dat verzoeker vanaf juli 2014 volledig aan zijn huurbetalingen had voldaan. Van dreigende ontruiming was derhalve geen sprake.

Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

Verzoeker kon zich niet vinden in de reactie van de gemeente Arnhem.
Sociaal Raadslieden is het er in de eerste plaats niet mee eens dat de gemeente zich op het standpunt stelt dat de beslagvrije voet niet met terugwerkende hoeft te worden aangepast omdat het verzoek te laat ingediend zou zijn. De intermediair vraagt zich af waar de gemeente zich hierop baseert. Misschien dat de gemeente aansluiting zoekt bij uitspraken van uit de (tucht)rechtspraak ten aanzien van loonbeslag door gerechtsdeurwaarders. Hierbinnen is de lijn ontstaan dat de deurwaarder slechts dient te restitueren zolang deze nog niet afgedragen zijn aan de opdrachtgever en de deurwaarder de gelden dus nog onder zich heeft. Echter in dit geval had de gemeente het bedrag op de datum van indiening van het verzoek om de beslagvrije voet te corrigeren nog onder zich.

Verder wijst de intermediair er op dat de gemeente voorbij gaat aan de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. De gemeente wist dat hij werkzaam was bij een sociale werkplaats. De gemeente had hier rekening mee moeten houden, de kans op onwetendheid was zeer groot. Het verweer van de gemeente dat er geen sprake was van onwetendheid omdat er al jaarlijks afgedragen werd door middel van loonbeslag raakt kant nog wal. De intermediair wijst erop dat hier juist de onwetendheid uit blijkt. Het kan namelijk nooit de wil van verzoeker zijn geweest om jaarlijks ver onder de beslagvrije voet middels loonbeslag de aanslag gemeentelijke belastingen te betalen.

De intermediair liet verder weten het niet eens te zijn met de stelling dat de gemeente zelfstandig de beslagvrije voet vaststelde. Dit lijkt volgens hem in strijd te zijn met de maatschappelijke ontwikkelingen. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid noemde in haar brief van 12 december 2014 aan de Tweede Kamer een aantal maatregelen die zij nodig acht om tot een evenwichtiger schuldenbeleid te komen. Eén van die maatregelen is aansluiting op het beslagregister door overheidsinstanties. Dit register zorgt er voor dat een beslaglegger wél uit dient te gaan van een eerder vastgestelde beslagvrije voet. De stelligheid waarmee de gemeente Arnhem aangeeft geen rekening te hoeven houden met een eerder vastgestelde beslagvrije voet lijkt dus ter discussie te staan.

De intermediair verwees nog naar het Preadvies 'Naar een nieuwe beslagvrije voet' van de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders van juni 2014 waarin geadviseerd wordt onverwijld en zo nodig met terugwerkende kracht rekening te houden met wijziging van omstandigheden voor de berekening van de beslagvrije voet.

De intermediair liet tenslotte weten dat er op het moment van het leggen van loonbeslag wel degelijk sprake was van een dreigende ontruiming. De deurwaarder had al een vonnis tot ontruiming.

Wat heeft de Nationale ombudsman onderzocht?

De Nationale ombudsman heeft in het kader van zijn onderzoek de gemeente Arnhem en verzoeker zijn bevindingen gestuurd. De gemeente liet weten zich te kunnen vinden in de beschrijving van de bevindingen. De intermediair van verzoeker reageerde niet.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het vereiste van goede voorbereiding houdt in dat de overheid alle informatie verzamelt die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen. Dit betekent dat de overheid actief informatie verwerft en deze informatie toetst door middel van wederhoor bij de burger.

De Nationale ombudsman hanteert als norm voor de overheid dat deze al het mogelijke doet om de burger een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet te garanderen7.

Juist de overheid heeft een zorgplicht en heeft er immers belang bij dat gezinnen met schulden hun bestaanskosten kunnen blijven betalen en niet nog verder in de financiële problemen terecht komen. Het Kabinet onderschrijft dit belang 8.

De Nationale ombudsman heeft al eerder geoordeeld dat hier ook van belang is dat de overheid in voorkomende gevallen de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aanpast9. In die zaak betrof het het optreden van de Belastingdienst.

De staatssecretaris van Financiën volgde de aanbeveling van de Nationale ombudsman in die zaak niet op om met terugwerkende kracht de beslagvrije voet te corrigeren en de Leidraad Invordering 2008 op dit punt aan te passen10.

Wat hiervan ook zij, de Nationale ombudsman blijft bij zijn standpunt dat het met terugwerkende kracht corrigeren van de beslagvrije voet in voorkomende gevallen noodzakelijk is.

De Nationale ombudsman staat net als de gemeente Arnhem de aanpak voor om voor de doelgroep waartoe verzoeker behoort (sociaal zwakkeren) te trachten het bedrag van de aanslag, anders dan door de loonvordering, te innen. De gemeente diende hiertoe een voorstel in bij het werkvoorzieningsschap om voor een groep medewerkers, waaronder verzoeker, die structureel niet aan hun (gemeentelijke) belastingverplichtingen voldoen, een maandelijkse regeling te treffen in plaats van over te gaan tot beslaglegging. Het werkvoorzieningsschap wilde niet op het voorstel ingaan.

Dat betekende dat de gemeente een andere weg moest kiezen om de gemeentelijke belasting te innen. De gemeente liet verzoeker weten dat de beslagvrije voet van een alleenstaande zou worden gehanteerd als hij geen inkomensgegevens zou verstrekken van zijn partner. De vraag is of die aanpak de toets van de behoorlijkheid kan doorstaan. De gemeente kreeg namelijk van het werkvoorzieningsschap te horen dat een deurwaarder een beslagvrije voet van € 1.108,31 aanhield. Dit bedrag was bijna € 500 hoger dan de door de gemeente vastgestelde beslagvrije voet.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het op de weg van de gemeente lag om serieus met deze informatie rekening te houden. De gemeente had persoonlijk met verzoeker contact op kunnen nemen. De gemeente had verzoeker dan (telefonisch of in persoon) kunnen wijzen op het grote belang van het alsnog verstrekken van de verzochte gegevens. Zeker nu de gemeente een aanzienlijk lagere beslagvrije voet aanhield dan de eerste beslaglegger. De gemeente heeft niet voor deze persoonlijke aanpak gekozen, maar voor het handhaven van de veel lagere door hem zelf vastgestelde beslagvrije voet.

Door zo te handelen, nam de gemeente een beslissing waarvan zij wist of kon weten dat deze hoogstwaarschijnlijk niet juist was. Zij nam daarmee het risico dat de beslagvrije voet op een veel te laag bedrag was vastgesteld én het risico dat verzoeker op een later moment nog zou ageren tegen de vastgestelde beslagvrije voet. Verzoeker deed dit ook. De gemeente ging toen ten onrechte niet over tot het met terugwerkende kracht corrigeren van de beslagvrije voet. Zij heeft te veel gewicht toegekend aan de invordering van een schuld en te weinig oog gehad voor de belangen en de kwetsbare positie van verzoeker.

Het voldoende rekening houden met de belangen van de burgers is ook in lijn met de wens van het Kabinet dat overheidsorganisaties zoals de gemeente zich op termijn zullen aansluiten bij het Digitaal beslagregister dat per 1 januari 2016 in werking treedt voor gerechtsdeurwaarders. Een van de doelstellingen van het beslagregister is om te bevorderen dat de beslagvrije voet op de juiste hoogte wordt vastgesteld en toegepast. Dit doel wordt bereikt doordat de beslagvrije voet in het beslagregister wordt vermeld, andere gerechtsdeurwaarders hiervan kennis kunnen nemen en hier rekening mee kunnen houden.

Dit oordeel geeft aanleiding tot het doen van een aanbeveling tot het alsnog met terugwerkende kracht corrigeren van de beslagvrije voet. De Nationale ombudsman wijst erop dat deze correctie achteraf nodig is zolang de dringend noodzakelijke vereenvoudiging van de beslagvrije voet nog niet is gerealiseerd.

Het standpunt van de gemeente dat door de ontvangst van het bedrag door het loonbeslag de vordering was komen te vervallen, doet aan dit oordeel niet af. Het bedrag was immers in de beschikkingsmacht van de gemeente waardoor eventuele restitutie mogelijk was.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk, omdat de gemeente handelde in strijd met het vereiste van goede voorbereiding.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem is gegrond, wegens schending van het vereiste van goede voorbereiding.

Aanbeveling

De gemeente Arnhem wordt in overweging gegeven de beslagvrije voet met terugwerkende kracht toe te passen.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Achtergrond

  1. Leidraad Invordering gemeentebelastingen Arnhem

"19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet

De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot het juiste bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de belastingschuldige, stelt hij – op basis van artikel 58 van de wet – de belastingschuldige in de gelegenheid de nadere informatie te verstrekken. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet bekend is.

Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt, wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht.

In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende kracht."

  1. Leidraad Invordering 2008 (zoals die gold tot 1 juli 2015)

Artikel 19.3.4.:

"Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet

De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de belastingschuldige, stelt hij – op basis van artikel 58 van de wet– de belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te verstrekken, bijvoorbeeld in de situatie dat de belastingschuldige een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet bekend is. Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm. Als de belastingschuldige vervolgens de gevraagde informatie alsnog verstrekt, wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende kracht."

  1. Invorderingswet 1990

Artikel 19:

"1. derde die:

a. loon;

b. uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;

c. pensioen en lijfrente, waaronder mede worden verstaan uitkeringen ingevolge een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001;

d. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering;

e. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek , of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;

f. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende dienstplicht vervullen;
verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.

2. Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:

a. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en

b. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting.

3. Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.
4.Een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is op vordering van de ontvanger verplicht, in zoverre onder blokkering van onttrekkingen aan de rekening, uit het tegoed van een rekening die een belastingschuldige bij haar heeft alsmede, indien de bank en de belastingschuldige in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. De bank is verplicht aan de vordering te voldoen, zonder zich daarbij op verrekening te kunnen beroepen. De verplichting tot betaling vervalt een week na de dag van bekendmaking van de vordering aan de bank.
5. De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de derde volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.
6. De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
7.Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.
8. De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.
9Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het vierde lid toepassing kan vinden. "
  1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 475g, tweede lid:

"Zo lang als de schuldenaar desgevraagd niet aan de beslaglegger of diens vertegenwoordiger opgeeft of en hoeveel inkomen toekomt aan degene aan wie samen met hem gezinsbijstand zou kunnen toekomen, wordt de beslagvrije voet gehalveerd."

Notes

[←1]

Zaaknummer 233.2002, uitspraak van 20 mei 2003

[←2]

Rapport met nummer 2015/039 van 28 februari 2015

[←3]

Memorie van Antwoord, pag. 13, Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke uitkeringen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17897, nr. 5)

[←4]

Rapport met nummer 2013/003 van 17 januari 2013

[←5]

Pagina 17 en volgende in rapport onder vierde voetnoot

[←6]

Rapport van december 2014

[←7]

Rapport van 17 januari 2013 met nummer 2013/003 "In het krijt bij de overheid"

[←8]

Brief van 26 juni 2015 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

[←9]

Rapport van 23 februari 2015 met nummer 2015/039 "Beslagvrije voet met terugwerkende kracht vaststellen door de Belastingdienst"

[←10]

Brief van 10 april 2015, met nummer DGB/2015/976 U van de staatssecretaris van Financiën

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/165