2015/130 Belastingdienst moet fotograaf duidelijk laten weten wanneer hij zijn belastingschuld moet betalen om verkoop auto te voorkomen

Fotograaf heeft grote achterstanden in het betalen van zijn belastingen. De Belastingdienst heeft daarom twee keer beslag gelegd op zijn auto en de auto uiteindelijk verkocht. De fotograaf stelt tijdens het beslag veel vragen over hoogte van de schuld en doet betalingsvoorstellen. De Nationale ombudsman vindt dat de Belastingdienst de fotograaf duidelijk had moeten vertellen dat hij om verkoop van de auto te voorkomen, de volledige schuld van €6000 direct moest betalen.

Instantie: Belastingdienst te Eindhoven

Klacht:

wijze waarop de Belastingdienst na het leggen van beslag op verzoekers auto heeft gehandeld ter invordering van zijn belastingschuld

Oordeel: gegrond

De Belastingdienst heeft ter invordering van een belastingschuld beslag gelegd op de auto van verzoeker en deze verkocht. Verzoeker vindt dat de Belastingdienst is tekortgeschoten in de informatieverstrekking aan en de communicatie met hem. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het in de rede had gelegen dat de Belastingdienst in reactie op de mails van verzoeker ondubbelzinnig had gecommuniceerd dat alleen volledige betaling van de schuld zou leiden tot het annuleren van de verkoop van de auto. In zoverre is de Belastingdienst tekortgeschoten. Op het punt van de informatie over de datum van verkoop van de auto is dat niet het geval. De informatie die de Belastingdienst daarover heeft verstrekt is helder. Er is al met al geen sprake van een situatie dat de Belastingdienst de auto niet had mogen verkopen

Wat is de klacht?

Verzoeker klaagt over de wijze waarop de Belastingdienst na het leggen van beslag op zijn auto heeft gehandeld ter invordering van zijn belastingschuld. Het gaat er met name om dat de Belastingdienst de auto van verzoeker op 25 september 2014 heeft verkocht en hem daarover tevoren niet zorgvuldig heeft geïnformeerd.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

Verzoeker is fotograaf. Er bestaat al gedurende een langere tijd achterstand in het doen van de vereiste belastingaangiften en het verrichten van de (daarbij behorende) betalingen. Dit leidde tot (dwang)invorderingsactiviteiten door de Belastingdienst. Verzoeker schreef de Belastingdienst op 24 januari 2014 het volgende:

Al langere tijd zijn er achterstanden in aangiftes en betalingen van mijn kant. Daar zijn diverse oorzaken voor. Deels door te weinig discipline in mijn administratie en deels door zaken van persoonlijke aard. Met mevrouw B. eerder grotendeels besproken. Vorig jaar zeven maanden geen opdrachten kunnen verzorgen door een totale burn-out. Dat heeft (…) zowel mentaal als financieel serieus impact gehad.

Rond augustus 2013 weer terug kunnen beginnen, maar financieel zat ik volledig op het randje of eronder door zeven maanden geen inkomsten. De stroom enveloppen van de belastingdienst bleven keer op keer binnenstromen. Deels doordat ik te laat was met veel aangiftes. Het andere dat ik te laat was met betalen. Maar soms vier, zes… enveloppen per week. Als de bankrekening dan praktisch zero is, ben ik even gestopt ze überhaupt open te maken. Ik kan wel allerlei vreemde smoezen verzinnen, maar soms kan een mens letterlijk aan het einde van zijn latijn zitten.

Sinds afgelopen maanden zijn er terug verdiensten gemaakt. Lopende betalingsverplichtingen en verlate uitbetalingen zorgden ervoor dat ik niets kon betalen, aan de belastingdienst of derden.

Ik begrijp dat de beslaglegging op mijn auto een wettelijk pressie middel is om tot betaling over te gaan. Zoals hierboven aangegeven, als het saldo nihil is praktisch lukt het gewoon echt niet. De auto is tevens 24 jaar oud nu. Wel erg betrouwbaar nog altijd, een robuuste Toyota. Maar financieel is de dagwaarde verwaarloosbaar.

Deze week, maandag en woensdag zijn er eindelijk weer betalingen gestort en worden er op korte termijn eveneens verwacht. Daarvoor twee maanden geen inkomsten gehad. Wel opdrachten, maar verlate uitbetalingen. Door de stortingen kan ik de aanslagen (…) totaal € 1131,00 met directe ingang voldoen. Nu er terug inkomsten langzaam maar zeker binnenkomen doe ik mijn best zo ver in mijn macht ligt verdere lopende verplichtingen te betalen.

Ik begrijp dat u niet vrolijk wordt van mij en deze situatie en dat word ikzelf ook niet. Als ik een tijd wel mijn administratie bijhoud, maar het budget is er echt niet loopt het weer terug vast. Er zijn nu in ieder geval inkomsten en deze zullen met iets meer regelmaat ontvangen worden.

Omdat er betalingsachterstand bleef bestaan, legde de Belastingdienst op 14 augustus 2014 beslag op de auto van verzoeker. Dit voor een openstaande belastingschuld ten bedrage van circa € 80.000. Op het aan verzoeker verstrekte proces-verbaal van het beslag stond vermeld dat de verkoop van de auto plaats zou vinden op 25 september 2014.

Vervolgens werd later in augustus 2014 door de Belastingdienst nogmaals beslag gelegd op de auto van verzoeker. De belastingschuld bedroeg op dat moment nog € 41.932 (inclusief rente en kosten). Op het proces-verbaal van het beslag van 28 augustus 2014 stond als verkoopdatum vermeld 13 november 2014. Over de verkoopdatum stond het volgende vermeld op het proces-verbaal:

Let op!: Is op grond van een ander beslag op dezelfde zaken een eerdere verkoopdatum vastgesteld, dan geldt die eerdere.

Na het tweede beslag op de auto stuurde verzoeker de Belastingdienst op 15 september 2014 een email met de volgende inhoud:

Deze laatste maand ontving ik diverse her- en verrekeningen over verschillende aangiftes ivm de omzetbelasting. Hoewel het lastig is om overzicht te behouden, zijn de meeste duidelijk.

Echter aanslagnummer (…), omzetbelasting maart 2014 is mij onduidelijk momenteel. (…) Op de aanslag met dagtekening van 2 september staan 'Openstaande kosten € 2674,00'. Deze zijn niet gespecificeerd en kan ik niet terugvinden in overige aanslagen/her-verrekeningen. (…)

Na een lange zeer moeilijke periode (…) zijn mijn opdrachten, dus ook mijn omzet stap voor stap meer stabiel en met meer regelmaat.

Graag verzoek ik u om een nieuw totaal overzicht, waar alle recente aangiftes en her-verrekeningen in zijn verwerkt. Gezien de recente inkomsten zou het voor mij mogelijk moeten zijn om de openstaande IB-2010 in zijn totaliteit en tevens de openstaande + recente omzetbelastingen te kunnen voldoen. Alle aangiftes zijn de laatste maand bijgewerkt. De omzetbelasting aangifte + betaling over augustus 2014 wordt tijdig ingediend en betaald.

Zonder voertuig is het nagenoeg onmogelijk om op bepaalde dagen opdrachten (altijd op locatie) te kunnen verzorgen.

De Belastingdienst zond verzoeker hierop op 16 september 2014 een overzicht van de openstaande/verschuldigde aanslagen. De Belastingdienst gaf daarbij aan: "In het overzicht staan drie (3) aanslagen motorrijtuigenbelasting vermeld. Ik verzoek u dan ook deze aanslagen per omgaande te voldoen en mij het betalingsbewijs te mailen".

Diezelfde dag berichtte verzoeker de Belastingdienst dat hij de aanslagen motorrijtuigenbelasting alsmede een aanslag inkomstenbelasting had voldaan.

Verzoeker zond de Belastingdienst op 24 september 2014 opnieuw een email:

Hierbij een update t/m 24 september 2014. (…)

De aangifte omzetbelasting augustus 2014 is vandaag ingeleverd en het verschuldigde bedrag van € 1936,00 is voldaan. (…)

Het resterend openstaande bedrag volgens het overzicht bedraagt € 5.556 als ik de bedragen nog te voldoen optel. Ik heb de mogelijkheid nu per direct nog € 1750,00 te kunnen voldoen. Mijn vraag welke betaal ik het best eerst of is de volgorde van betaling niet ter zake?

Na betaling van € 1750 blijft er € 3806,00 open staan. Dit lukt mij niet in één keer te betalen. In oktober lukt het om daarvan € 1000,00 te betalen.

Aanslagnummer (…) omzetbelasting, maart 2014 ontving ik een nieuwe aanslag van. Met daarin wederom een niet gespecificeerd bedrag van 'openstaande kosten' € 2592,00. Op het overzicht door u naar mij verzonden staat te betalen € 411,00.

Een auto is van wezenlijk belang om mijn opdrachten te kunnen volbrengen. Is het mogelijk de Landcruiser vrij te geven. De bedoeling is om deze bij een gespecialiseerd bedrijf te koop aan te bieden. Mede omdat de onkosten in 2014 erg opliepen.

De Belastingdienst verkocht de auto op 25 september 2014 voor een bedrag van € 4.650.

Op 26 september 2014 stuurde verzoeker aan de Belastingdienst een email met een gecorrigeerd overzicht. Hij gaf onder verwijzing naar betalingsbewijzen aan die dag extra betalingen te hebben verricht. Dat was het maximum, in oktober kon hij weer een betaling doen. Verzoeker verzocht de Belastingdienst uitsluitsel te geven over de beslaglegging op de auto. Hij deelde mee de auto zelf te willen verkopen omdat dat een hogere opbrengst zou meebrengen waaruit dan de belastingschuld kon worden betaald.

De oorspronkelijk bij de Belastingdienst ingediende klacht

Nadat verzoeker duidelijk werd dat de auto op 25 september 2014 was verkocht, diende hij – nadat hij eerder contact had gezocht met de Belastingdienst - op 20 oktober 2014 bij de Belastingdienst een klacht in. Hij erkende dat terecht beslag was gelegd op de auto. Hij vond echter dat de Belastingdienst in het invorderingsproces niet juist had gehandeld door de auto op 25 september 2014 te verkopen. Hij voerde aan dat hij na de inbeslagneming alles in het werk had gesteld om op de openstaande belastingschuld af te lossen, en daarover ook emailcontacten had gehad met de Belastingdienst. Behoudens op het emailbericht van 15 september 2014 ontving hij geen reactie van de Belastingdienst. Pogingen om duidelijkheid te krijgen hadden geen resultaat. Verzoeker gaf aan dat het openstaande bedrag was teruggebracht van bijna € 80.000 naar ruim € 4.000. Weliswaar was die vermindering voor circa € 60.000 terug te voeren op ambtshalve verminderingen maar niettemin was daarnaast sprake van een aanzienlijke betaling.

Verzoeker benadrukte dat hij in goed vertrouwen er van mocht uitgaan dat de auto pas op 13 november 2014 zou worden verkocht omdat dat de datum was die vermeld stond op het tweede proces-verbaal van beslaglegging. Dit tweede beslag was volgens verzoeker in de plaats gekomen van het eerste beslag. Hij meende daarom dat hij tot 13 november 2014 de tijd had om de belastingschuld te kunnen betalen alvorens de auto zou worden verkocht. Verzoeker stelt dat hij door de handelwijze van de Belastingdienst schade heeft geleden omdat de auto € 6.000 waard was (particuliere verkoopwaarde die hoger was dan de executiewaarde).

De Belastingdienst handelde de klacht op 31 oktober 2014 af. De Belastingdienst merkte op dat enkele dagen na de inbeslagneming ontbrekende aangiftes omzetbelasting waren ingediend. De bijbehorende betaling vond echter niet plaats. Omdat niet alle verschuldigde betalingen werden ontvangen, en voorgeschreven termijnen in acht worden genomen, is de opdracht gegeven de verkoop van de auto voor te bereiden. Op het emailbericht van verzoeker van 15 september 2014, waarin werd verzocht om een overzicht van de openstaande aanslagen, is direct gereageerd. Aan verzoeker werd het gevraagde overzicht verstrekt. Verzoeker reageerde met een overzicht van gedane betalingen. Echter, deze dekten niet de gehele openstaande schuld. Daarom werd de voorgenomen verkoop niet geannuleerd.

Op 24 september 2014 ontving de Belastingdienst opnieuw een email van verzoeker waarin hij aangaf dat de openstaande kosten niet juist waren. Op de belastingschuld hadden inmiddels een aantal verminderingen plaatsgevonden waardoor de kosten ook waren verminderd. Toen de email van 26 september werd ontvangen waarin verzoeker aangaf dat het totaaloverzicht niet klopte en hij aangaf extra betalingen te zullen doen was de auto al verkocht.

De Belastingdienst gaf aan zich te kunnen voorstellen dat bij verzoeker enige verwarring was ontstaan over de datum van verkoop. Hij wees er echter op dat bij herhaald beslag de executiedatum van het eerdere beslag geldt.

De Belastingdienst beoordeelde de klacht als niet gegrond. Op het moment van de verkoop was niet de gehele schuld voldaan en er was geen uitstel van betaling verleend.

Op 7 november 2014 zond de Belastingdienst verzoeker een overzicht van de betalingen en verrekeningen op de belastingschuld vanaf augustus 2014. Uit dit overzicht volgt dat naast verrekeningen en verminderingen door verzoeker voorafgaande aan de verkoop een bedrag van € 4.657,86 is betaald. Na de verkoop is, met inbegrip van de opbrengst van de auto van € 4.650, een bedrag van € 6.078 betaald. Een afschrift van dit overzicht is als bijlage aan het rapport gehecht

Verzoeker reageerde op 13 november 2014 op de in de klachtafhandelingsbrief opgenomen informatie over de geldende executiedatum. Volgens verzoeker is dit wellicht intern bij de Belastingdienst duidelijk maar zeker niet bij de burger. In zijn visie mag de burger er vanuit gaan dat de verkoopdatum genoemd op een proces-verbaal van latere datum de enige juiste verkoopdatum is. Als dat anders is, had de Belastingdienst dat duidelijk en ondubbelzinnig moeten meedelen. Het ontgaat verzoeker waarom op een later exploot een datum wordt genoemd waarvan al duidelijk is dat deze niet de juiste zal zijn.

De Belastingdienst antwoordde op 20 november 2014 dat de informatie hierover op het proces-verbaal volstrekt duidelijk is. De Belastingdienst gaf daarbij aan dat de deurwaarder verplicht is een verkoopdatum te vermelden die minimaal een maand verder ligt dan de datum van de beslaglegging, ook al weet hij dat de executieverkoop eerder kan plaats vinden op basis van een eerder beslag. Hoewel de deurwaarder wellicht eerder of duidelijker een toelichting had kunnen verstrekken, neemt dat niet weg dat de regels omtrent een executieverkoop zijn nageleefd.

Verzoeker liet de Belastingdienst op 27 november 2014 weten het hier niet mee eens te zijn. Het is volgens hem gebruikelijk dat de meest recente datum de datum is die gehanteerd dient te worden. Bovendien vond verzoeker de verkoop van de auto onnodig en buiten proporties. Verzoeker merkte op dat hij had duidelijk gemaakt de auto dringend nodig te hebben voor zijn werk, herhaald om duidelijkheid had gevraagd en meerdere keren (tevergeefs) geprobeerd had met de Belastingdienst in contact te komen.

De reactie van de Belastingdienst luidde:

Dat (verzoeker; N.o.) de auto dringend benodigde betwist ik niet. Dit staat echter een inbeslagname en/of een executieverkoop daarvan niet in de weg. Zo lang er geen afspraken zijn gemaakt met de ontvanger over de betaling kan deze besluiten tot dwanginvordering over te gaan. Het is daarbij niet aan (verzoeker; N.o.) om te bepalen wat voor de ontvanger "een aanvaardbare afbetalingstermijn is". Het is ook niet zo dat wanneer op een gegeven moment de schuld gehalveerd is dat daarmee de invordering stopt. Gehele afbetaling doet dat wel.

Nogmaals wil ik herhalen dat ik het spijtig vind dat e.e.a. voor (verzoeker: N.o.) niet geheel duidelijk is geweest maar ik heb niet kunnen constateren dat de Belastingdienst hierin fout gehandeld heeft. Ik ben daarom van mening dat er geen recht bestaat op een tegemoetkoming in "door (verzoeker; N.o.) geleden schade".

De bij de Nationale ombudsman ingediende klacht

Verzoeker was niet tevreden over de klachtafhandeling door de Belastingdienst. Hij volhardde in de argumenten die hij in de klachtenprocedure bij de Belastingdienst had aangevoerd. Hij benadrukte dat hij er van uit mocht gaan dat hij tot 13 november 2014 de tijd zou hebben om de belastingschuld te voldoen voordat de auto daadwerkelijk verkocht zou worden. Hem is ondanks zijn verzoeken hiertoe geen duidelijkheid gegeven over de datum waarop de auto zou worden verkocht. Hij heeft daardoor niet de gelegenheid gehad er voor te zorgen dat het volledige bedrag zou zijn betaald voor de datum van verkoop. Het resultaat is dat de auto voor een lager bedrag dan de daadwerkelijk waarde is verkocht en dat verzoeker nu niet over een auto beschikt en daardoor zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen. Verder ontbrak volgens hem een belangenafweging; de verkoop van de auto stond volgens verzoeker in geen enkele verhouding meer tot het daarmee te dienen doel.

Hoe reageerde de Belastingdienst

Al enkele jaren werden door verzoeker de aangiften omzetbelasting niet (tijdig) ingediend en werden ambtshalve aanslagen opgelegd. Pas na beslaglegging werd dan door verzoeker contact opgenomen met de Belastingdienst, werden aangiften ingediend en betalingen gedaan. Vervolgens gaat het dan na een paar maanden weer mis. Verzoeker is diverse keren verzocht om aangiften in te dienen en verschuldigde bedragen te betalen waarop pas antwoord volgde als de executieverkoop aanstaande was.

De mail van verzoeker van 24 januari 2014 was niet beantwoord omdat het een mededeling betrof dat betalingen zouden volgen. Wel is de deurwaarder geïnformeerd. Van verzoeker werd niet meer vernomen hoewel hij wist dat er een grote schuld was. Weliswaar ambtshalve aanslagen maar aangiften werden niet ingediend en motorrijtuigenbelasting werd niet betaald. Op 15 mei 2014 is beslag op roerende zaken gelegd en een verkoopdatum vastgesteld. Deze verkoop heeft niet plaatsgevonden.

Na de beslaglegging op de auto op 14 augustus 2014 volgde geen reactie van verzoeker met de vraag: wat te doen om de verkoop niet door te laten gaan. Wel werden op 17 augustus 2014 de ontbrekende aangiften omzetbelasting ingediend. Daarop werden op 29 augustus 2014 de verminderingen verleend waarbij de kosten werden teruggebracht naar het juiste bedrag van de aanslag. De teruggaven werden verrekend met de openstaande schuld.

De mail van verzoeker van 15 september 2014 is per omgaande beantwoord. De reactie van verzoeker was een overzicht van gedane betalingen. Omdat op dat moment nog meerdere aanslagen openstonden is de verkoop niet geannuleerd. Er is ook niet overwogen om voor de openstaande schuld een betalingsregeling te treffen met verzoeker. Dit omdat hij aangaf per omgaande te gaan betalen. Er werd ook niet om een betalingsregeling verzocht; het ging om een zakelijke belastingschuld en motorrijtuigenbelasting.

De mail van 24 september 2014 is niet beantwoord. Deze ging over kosten die niet juist zouden zijn en deze waren inmiddels hersteld. Wat betreft de mail van 26 september 2014 met de mededeling dat het totaaloverzicht niet klopte en dat extra betalingen zouden worden gedaan geldt dat op dat moment de auto al was verkocht.

De Belastingdienst was van mening dat verzoeker wat betreft de invordering genoeg duidelijkheid was verstrekt.

Op de vraag van de Nationale ombudsman welke contacten na 24 januari 2014 tussen verzoeker en de Belastingdienst hadden plaatsgevonden aangaande de invordering van belastingschulden liet de Belastingdienst het volgende weten:

Op 24 januari 2014 heeft verzoeker via de mail mij meegedeeld dat er betalingen zouden komen voor de opgelopen schuld. Ik heb toen de stukken bij de deurwaarder teruggevraagd.

Door verzoeker zijn toen wel enkele betalingen verricht en aangiften omzetbelasting ingediend. Omdat er geen betalingen meer volgden zijn eind april 2014 de stukken weer naar de deurwaarder gezonden met verzoek beslag te leggen.

Op 15 mei 2014 is er dus beslag gelegd en een verkoopdatum vastgesteld: 26 juni 2014.

De omstandigheid waardoor de verkoop op 26 juni 2014 niet heeft plaatsgevonden ligt voor zover ik het kan beoordelen in de sluiting van kantoor Terneuzen en de fysieke verhuizing van dit kantoor naar Middelburg in deze periode.

Over het niet doorgaan van de verkoop heb ik geen contact gehad met verzoeker. De verzoeker heeft nooit telefonisch contact met mij opgenomen alleen via de mail.

Reactie verzoeker naar aanleiding van het verslag van bevindingen

Verzoeker benadrukte dat de essentie van zijn klacht is dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij tot 13 november 2014 de tijd zou hebben om het volledig openstaande bedrag aan de Belastingdienst te betalen voordat de auto verkocht zou worden. Die veronderstelling is volgens verzoeker volkomen gerechtvaardigd omdat die datum expliciet werd genoemd in het op 28 augustus 2014 aan hem betekende exploot. Verzoeker mocht er in goed vertrouwen van uit gaan dat dat exploot in de plaats kwam van het eerdere exploot van 14 augustus 2014 waarin 25 september 2014 stond vermeld. als verkoopdatum. Het is dan ook onjuist dat de auto voor 13 november 2014 is verkocht.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

Het behoorlijkheidsvereiste van het luisteren naar de burger houdt in dat de overheid actief naar de burger luistert, zodat deze zich gehoord en gezien voelt.

In dit geval staat niet ter discussie dat de Belastingdienst terecht beslag heeft gelegd op de auto van verzoeker. Dat betekent dat de Belastingdienst in principe gerechtigd was tot verkoop van die auto nu op het moment van verkoop nog een bedrag op de belastingschuld openstond. Waar het hier om gaat, is de vraag of de Belastingdienst zich in het proces van invordering zoals dat is gevolgd op de beslaglegging behoorlijk heeft opgesteld. Met name om de vraag of de Belastingdienst is tekortgeschoten in de informatieverstrekking aan en de communicatie met verzoeker.

Nadat in augustus 2014 door de Belastingdienst (twee keer) beslag op de auto van verzoeker was gelegd, heeft tussen verzoeker en de Belastingdienst een mailwisseling plaatsgevonden. De Nationale ombudsman ziet een belastingschuldige die probeert om een oplossing te creëren voor zijn problemen met de Belastingdienst en daarbij ook aangeeft het belang dat zijn auto wordt vrijgegeven c.q. niet wordt verkocht. Daartegenover ziet de Nationale ombudsman een Belastingdienst die weliswaar het door verzoeker gevraagde overzicht verstrekt maar het daarbij verder laat. Daarmee schiet de Belastingdienst naar het oordeel van de Nationale ombudsman tekort in de communicatie met verzoeker. Het had in de rede gelegen dat de Belastingdienst in reactie op de mails van verzoeker ondubbelzinnig had gecommuniceerd dat alleen volledige betaling van de schuld zou leiden tot het annuleren van de verkoop van de auto. Wellicht had een dergelijk contact nog geleid tot (kort) verder uitstel van betaling. Ook is voorstelbaar dat dan naar voren was gekomen dat de verkoop al zou plaatsvinden op 25 september 2014 in plaats van 13 november 2014 waarvan verzoeker ten onrechte uitging. Op dat laatste punt had de Belastingdienst dan nog extra uitleg kunnen geven. Daarmee is naar het oordeel van de Nationale ombudsman sprake van een gemiste kans.

Op grond van het bovenstaande acht de Nationale ombudsman de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Dit betekent echter niet dat moet worden geconcludeerd dat de Belastingdienst de auto van verzoeker op 25 september 2014 niet had mogen verkopen. Niet kan worden gezegd dat de Belastingdienst zodanig is tekortgeschoten in de informatie aan verzoeker over de datum van de verkoop van de auto dat dat aan die verkoop in de weg zou staan. Op het proces-verbaal van beslaglegging staat duidelijk vermeld: "Let op!: Is op grond van een ander beslag op dezelfde zaken een eerdere verkoopdatum vastgesteld, dan geldt die eerdere". Hoewel deze mededeling gelet op de gang van zaken enigszins curieus is, is deze informatie naar het oordeel van de Nationale ombudsman wel helder. Het had verzoeker aan de hand daarvan duidelijk kunnen en moeten zijn dat als datum van verkoop 25 september 2014 gold. Hoezeer ook de mailwisselingen na die datum gebrekkig waren, daaruit valt niet af te leiden dar er sprake was van een tussen verzoeker en de Belastingdienst gemaakte –nieuwe- afspraak over de belastingschuld. Gezien het verloop van de belastingschuld en de hoogte van de belastingschuld op het moment van de verkoop, te weten ruim € 6.000, kan ook niet worden gezegd dat de verkoop van de auto als disproportioneel moet worden beoordeeld.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst te Eindhoven is gegrond, wegens schending van het vereiste van het luisteren naar de burger.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Bijlage

(verzoeker; N.o.)

Betalingen/afboekingen vanaf augustus 2014:
**nr. (…)
dd 280814 verr. uit omzetbel.nr (…) kst € 30,00
dd 040914 verr. uit omzetbel.nr. (…) bel. € 84,00, kst € 29,00 en rente € 1,00
dd 040914 verr. uit omzetbel.nr. (…) bel. € 22,00

**nr. (…)
dd 040914 verr. uit omzetbel.nr. (…) bel. € 345,00**nr. (…)
dd 040914 verr.uit omzetbel.nr. (…)
bel € 61,00 en kst € 46,00

**nr. (…)
dd 220814 vermindering € 18578,00
dd 300914 betaling bel. € 353.03 en kosten € 58,00

**nr. (…)
dd 220814 vermindering € 20085,00
dd 040914 betaling bel. €7,00 en kosten €69,00
dd 220914 betaling bel. €54,00

** nr. (…)
dd 220814 vermindering € 21115,00
dd 040914 betaling bel. € 61,00

**nr. (…)
dd 290814 vermindering € 22660,00
dd 300914 betaling bel. € 61,00

**nr. (…)
dd 141014 betaling bel. € 336,00

**nr. (…)
dd 240914 betaling bel. € 2832,00, kst € 355,86 en rente € 206,00
dd 071014 betaling bel. € 206,00

**nr. (…)
dd 071014 betaling kst € 26,00
dd 141014 betaling bel. € 2622,00, kst €114,00 en rente €157,00

**nr. (…)
dd 230914 betaling bel. € 12,00 en kst € 214,00
dd 071014 betaling bel. € 485,00

**nr. (…)
dd 300914 betaling bel. € 901,00 en rente € 54,00

**nr. (…)
dd 211014 betaling bel. € 634,00 en kst € 77,00

**nr. (…)
dd 180914 betaling bel. € 285,00 en kst. € 61,00

** nr. (…)
dd 180914 betaling bel. € 285,00 en kst. € 7,00

**nr. (…)
dd 180914 betaling bel. € 209,00

Op dit moment zijn er geen openstaande/verschuldigde aanslagen meer.

De opbrengst van de auto, groot € 4650,00 is als volgt afgeboekt
*nr. (…) € 336,00
*nr. (…) bel. € 2622,00, kst. € 114,00 en rente € 157,00
*nr. (…) bel. € 634,00 en kst. € 77,00
Het restant is overgemaakt op rekening van (verzoeker; N.o.)

Deze afboekingen zijn in bovenstaand overzicht verwerkt.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/130