2015/122 CJIB moet dakloze via bekend postadres informeren over vrijheidsstraf

Dakloze man heeft een taakstraf niet uitgevoerd en daarom is de taakstraf omgezet in vervangende hechtenis. Het CJIB stuurt een officieel bericht daarover aan zijn postadres bij de gemeente. Het CJIB laat hem niet weten dat hij als dakloze nu door de politie wordt gezocht. Hij staat gesignaleerd in het opsporingsregister van de politie (OPS). Dat heeft nare gevolgen. Zijn uitkering wordt meteen gestopt en na drie maanden komt hij er achter dat hij zich aan detentie heeft onttrokken en heeft hij een schuld aan het UWV. De Nationale ombudsman doet de aanbeveling dat het CJIB tijdig een veroordeelde met postadres informeert over de procedure over de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

Instantie: Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden

Klacht:

nagelaten om registratie in het Opsporingsregister aan verzoeker mede te delen

Oordeel: gegrond

Instantie: Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden

Klacht:

wijze waarop de klacht is afgehandeld

Oordeel: gegrond

Verzoeker heeft geen vast woonadres en maakt gebruik van een maatschappelijke instelling als postadres. Zijn consulent daar leest zijn post en helpt hem met praktische zaken. Een door de rechter opgelegde taakstraf werd door hem niet afgerond. Daarom werd deze werkstraf omgezet in vervangende hechtenis. Het bericht van deze omzetting is op 9 september 2013 door het CJIB gestuurd naar het postadres. De beslissing van het CJIB om hem op 6 november 2013 te signaleren in het Opsporingssysteem wordt daar echter niet naar toe gestuurd. Het UWV schrijft verzoeker dan op 13 februari 2014 dat zijn WAJONG uitkering met terugwerkende kracht wordt stopgezet, omdat hij zich vanaf 8 november 2013 aan zijn detentie zou hebben onttrokken.

Verzoeker klaagt er over dat het CJIB hem mee had moeten delen dat hij geregistreerd was in het Opsporingsregister. Ook klaagt hij over de wijze waarop het CJIB zijn klacht heeft afgehandeld.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat het CJIB meer informatie had kunnen en moeten geven. Nu er een postadres bekend was bij het CJIB, heeft deze een verplichting om te trachten verzoeker te bereiken en hem van informatie te voorzien. Het risico dat schriftelijke informatie verzoeker niet bereikt omdat hij gebruik maakt van 'slechts' postadres ligt bij verzoeker, maar dat ontslaat het CJIB niet van de verplichting om bij een bekend postadres informatie te verschaffen over het verder verloop van de procedure.

Het vereiste van goede informatieverstrekking

De Nationale ombudsman beveelt het CJIB aan om de procedure zodanig te herzien dat een veroordeelde, ook als deze slechts een postadres heeft, tijdig van informatie wordt voorzien over het verdere verloop van de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

Verder heeft de Nationale ombudsman met instemming geconstateerd dat het CJIB de klacht van verzoeker met betrekking tot de klachtafhandeling gegrond heeft verklaard en zijn excuses heeft aangeboden voor de afhandeling van de klacht.

Kader

De Basisregistratie Personen (BRP) heeft de Gemeentelijke Basisadministratie Personen (GBA) vervangen. In de BRP worden de persoonsgegevens bijgehouden van iedereen die in Nederland woont. Ook de persoonsgegevens van mensen in het buitenland die een relatie hebben met de Nederlandse overheid staan erin (de niet ingezetenen). De overheid gebruikt deze persoonsgegevens om haar taken uit te kunnen voeren.

Als de tenuitvoerlegging van de taakstraf mislukt, kan het Openbaar Ministerie (OM) overgaan tot executie van de vervangende hechtenis. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) draagt bij meerderjarigen zorg voor betekening van de beslissing inhoudende tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Na betekening van deze kennisgeving maakt het CJIB een arrestatiebevel aan. Het CJIB beoordeelt in opdracht van het OM of een veroordeelde in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure.

De arrestatiebevelen worden door het CJIB naar een centraal punt in de politieregio gestuurd. De regionale eenheden van de politie geven uitvoering aan de door het CJIB aangeboden executieopdrachten. Als de politie constateert dat de veroordeelde/bestrafte onvindbaar is, meldt zij dit aan het CJIB onder opgaaf van de bevindingen (vertrokken maar onbekend waarheen, niet ingeschreven, wel ingeschreven niet woonachtig etc.).

Het CJIB zal in dit geval, na het afloopbericht van de politie te hebben ontvangen, in beginsel overgaan tot signalering in het Opsporingsregister (OPS), het systeem ter signalering van aan te houden personen of personen aan wie gerechtelijke stukkenmoeten worden betekend. Signalering voor taakstraffen kan alleen indien sprake is van een bevel tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis.

De klacht

Verzoeker klaagt er over dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) heeft nagelaten om zijn registratie in het Opsporingsregister aan hem mede te delen.

Tevens klaagt hij over de wijze waarop het CJIB zijn klacht heeft behandeld.

De feiten

Verzoeker heeft op 9 september 2013 bericht gekregen van het CJIB dat een aan hem opgelegde taakstraf door het niet vervullen ervan is omgezet in een aantal dagen vervangende hechtenis. Behalve de vermelding dat verzoeker tegen dit bevel in bezwaar kan gaan, geeft de brief geen verdere informatie. Deze brief is gestuurd naar het adres dat verzoeker gebruikt voor al zijn post, te weten dat van de Tussenvoorziening in Utrecht, afdeling Stadsbeheer. Alle post die hier naar toe wordt gestuurd wordt gelezen door zijn consulent en direct naar hem doorgeleid. Vervolgens is er op 6 november 2013 een signalering in het OPS van de politie opgenomen omdat er sprake is van een niet executeerbaar adres. Dat is een adres waar de politie niet diegene aan zal treffen die moet worden aangehouden. Verzoeker is hier niet van in kennis gesteld.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft op 13 februari 2014 de Wajong uitkering van verzoeker met terugwerkende kracht vanaf van 8 november 2013 stopgezet. Hij zou zich volgens het UWV vanaf het moment van de signalering in het OPS hebben onttrokken aan detentie en moet de daarom ten onrechte ontvangen Wajong uitkering terugbetalen.

Verzoeker maakt bezwaar tegen de beslissing van het UWV en dient een klacht in bij het CJIB dat hij niet in kennis is gesteld van de opname in het OPS. De verdere procedure bij het UWV blijft in dit kader verder buiten beschouwing. De Nationale ombudsman stelt immers geen onderzoek in naar een klacht, als die klacht gaat over een beslissing waartegen bezwaar mogelijk is of is geweest.

De klacht over het CJIB wordt daar op 19 juni 2014 ingediend. Op 6 augustus 2014 vraagt hij nogmaals de aandacht voor zijn klacht bij het CJIB, omdat hij tot die tijd nog geen enkele reactie had ontvangen. Op 12 augustus 2014 krijgt hij een korte reactie van het CJIB op zijn klacht, waarin het CJIB liet weten dat het onderhavige adres is aangemerkt als een niet-executeerbaar adres, er geen aanwijsbare verplichting is een veroordeelde in kennis te stellen van de registratie in OPS en iemand die vervangende hechtenis moet ondergaan in verband met een omgezette taakstraf niet in aanmerking komt voor een zelfmeldstatus. Verzoeker was niet tevreden met de inhoudelijke reactie op zijn klacht en was van mening dat zijn klacht niet op een juiste wijze was afgedaan door het CJIB. Over beide diende hij een klacht in bij de Nationale ombudsman.

Bevindingen

Standpunt verzoeker
Verzoeker geeft aan dat hij het vreemd vindt dat het adres van de Tussenvoorziening is aangemerkt als een niet-executeerbaar adres. Het is een instantie voor maatschappelijke opvang en dus zonder meer een betrouwbaar adres, waar het CJIB ook post naar toe stuurt. Als het CJIB de brief met de kennisgeving van omzetting van de taakstraf naar vervangende hechtenis wel naar dit adres kan sturen, begrijpt hij niet waarom het CJIB hem dan ook niet op dat adres kan meedelen dat hij geregistreerd staat in het OPS. Temeer omdat hij niet in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure omdat hij niet staat ingeschreven in de BRP.

Daar komt bij dat de opname in het OPS directe gevolgen had voor het ontvangen van de uitkering van verzoeker. De uitkering stopt per datum opneming in het OPS. Verzoeker vernam pas drie maanden later van het UWV dat hij zich aan zijn detentie zou hebben onttrokken, met als gevolg dat hij opgezadeld wordt met een forse schuld aan het UWV. Ook als er geen wettelijke verplichting bestaat om een veroordeelde in kennis te stellen van de registratie in het OPS, dan nog moet het CJIB goede en duidelijke informatie hierover geven.

Ook klaagt hij er over dat klacht die hij heeft ingediend bij het CJIB niet op juiste wijze is afgehandeld, nu hij in eerste instantie geen enkele reactie kreeg en vervolgens de klacht niet als klacht in behandeling is genomen.

Standpunt CJIB
De directeur van het CJIB stelt dat ondanks het feit dat het adres van de Stichting Tussenvoorziening een betrouwbaar adres is, de politie bij het uitvaardigen van een arrestatiebevel verzoeker niet op dit postadres zal aantreffen. Verzoeker woont immers niet op dit adres. De politie wil in dit geval geen opdracht van het CJIB aangeleverd krijgen om over te gaan tot arrestatie. Dit is een afweging en beslissing die bij de politie ligt.

In de huidige procedure is niet opgenomen dat een betrokkene wordt geïnformeerd over de opname in het OPS. Het CJIB is daartoe wettelijk ook niet verplicht. Als het verzoeker niet duidelijk was hoe de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis geëffectueerd zou worden had hij daarover contact op kunnen nemen met de politie en/of het CJIB. Naar aanleiding van de klacht van verzoeker wordt deze huidige procedure nog tegen het licht gehouden.

In reactie op het verslag van bevindingen geeft het ministerie van Justitie en Veiligheid aan dat het niet slechts het ontbreken van een BRP-adres is wat er toe leidt dat iemand niet in aanmerking komt voor de zelfmeldprocedure. De zelfmeldprocedure wordt niet toegepast bij vervangende hechtenis, maar alleen bij principale vrijheidsstraffen. Als daarvan sprake is wordt vervolgens naar de andere genoemde criteria (zoals BRP-registratie) gekeken om te beoordelen of iemand de status van zelfmelder krijgt. Deze beoordeling is aan het CJIB. In de situatie van verzoeker betreft het geen principale vrijheidsstraf maar een vervangende hechtenis. In die zin is de BRP registratie niet relevant. Ook het ministerie geeft aan dat mede gelet op deze specifieke casus de zelfmeldprocedure momenteel tegen het licht wordt gehouden.

Verder stelt het CJIB vast dat de brief van verzoeker van 19 juni 2014 direct als klacht behandeld had moeten worden. Dat is niet gebeurd en hiervoor biedt het CJIB zijn excuses aan.

Beoordeling

Met betrekking tot de klacht over de informatieverstrekking
Het vereiste van goede informatieverstrekking houdt in dat de overheid ervoor zorgt dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is. Zij verstrekt niet alleen informatie als de burger erom vraagt, maar ook uit zichzelf.

Verzoeker staat niet ingeschreven in de BRP en maakt gebruik van een postadres van een maatschappelijke opvang waar een maatschappelijk medewerker zijn post in behandeling neemt en zorgdraagt voor de nodige vervolgacties. Het feit dat er 'slechts' een postadres is, en geen officieel woonadres waar verzoeker volgens de formele informatiesystemen (BRP) woont, heeft gevolgen. Ten eerste komt hij in het kader van de Aanwijzing Executie in beginsel niet in aanmerking voor de zelfmeldprocedure. Binnen deze procedure krijgt een veroordeelde op enig moment een oproep met de mededeling waar en wanneer hij zich dient te melden voor het uitzitten van de vervangende hechtenis. Ten tweede wordt hij aangemerkt als 'onvindbaar'. De politie kan het arrestatiebevel niet uitvoeren op een adres waar de veroordeelde niet verblijft. Dan volgt er een signalering in het opsporingsregister van de politie waarbij wordt aangegeven dat als de politie deze persoon aantreft hij dient te worden aangehouden.

Verzoeker is wel door het CJIB schriftelijk op het adres van de maatschappelijke opvang in kennis gesteld van de omzetting van de werkstraf naar vervangende hechtenis, maar hij is daarbij niet geïnformeerd over het verdere verloop van de procedure. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het CJIB hier tekort is geschoten. Tegelijkertijd met het versturen van de brief waarin werd aangegeven dat er vervangende hechtenis werd bevolen, had het CJIB al informatie kunnen en moeten geven over het vervolg. En zeker ten tijde van de opname van het arrestatiebevel in het OPS had deze informatieverstrekking plaats moeten vinden.

Nu er een postadres bekend was bij het CJIB, heeft deze naar het oordeel van de Nationale ombudsman een verplichting om te trachten verzoeker te bereiken om hem van informatie te voorzien. Verzoeker had daarbij geïnformeerd moeten worden over de consequenties van het feit dat hij niet ingeschreven stond in het BRP voor het ondergaan van zijn vervangende hechtenis. Ook had hij geïnformeerd moeten worden over de datum dat hij werd opgenomen in het Opsporingsregister. Het risico dat schriftelijke informatie verzoeker niet bereikt omdat hij gebruik maakt van 'slechts' een postadres ligt bij verzoeker, maar dat ontslaat het CJIB niet van de verplichting om bij een bekend postadres informatie te verschaffen over het verdere verloop van de procedure. De Nationale ombudsman ziet hierin aanleiding tot het geven van een aanbeveling. Alles overziend heeft het CJIB in strijd gehandeld met het vereiste van goede informatieverstrekking.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Met betrekking tot de klachtafhandeling
Het vereiste van goede organisatie houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar organisatie en haar administratie de dienstverlening aan de burger ten goede komt. Zij werkt secuur en vermijdt slordigheden. Eventuele fouten worden zo snel mogelijk hersteld.

De brief van de advocaat van verzoeker had direct moeten worden aangemerkt als een klacht en als zodanig moeten worden afgehandeld. Met het CJIB is de Nationale ombudsman van oordeel dat nu dit te laat is gebeurd, de klacht niet behoorlijk is afgehandeld en het CJIB in strijd heeft gehandeld met het vereiste van goede organisatie. Met instemming heeft de Nationale ombudsman geconstateerd dat het CJIB de klacht van verzoeker met betrekking tot de klachtafhandeling gegrond heeft verklaard en zijn excuses heeft aangeboden voor de afhandeling van de klacht.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden is gegrond

  • ten aanzien van het niet verstrekken van informatie, wegens schending van het vereiste van goede informatieverstrekking;
  • ten aanzien van de wijze waarop de klacht is afgehandeld, wegens schending van het vereiste van goede organisatie.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman beveelt het CJIB aan om de procedure zodanig te herzien dat een veroordeelde, ook zonder inschrijving in de BRP maar met een postadres, tijdig van informatie wordt voorzien over het verdere verloop van de procedure met betrekking tot de ten uitvoer legging van een vrijheidsstraf.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/122