2015/116 Grootouders klagen over BJZ Limburg

Grootouders klagen bij de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman over Bureau Jeugdzorg Limburg. Hun kleinkinderen zijn uithuisgeplaatst wonen bij hen als pleegouders. Grootouders en de moeder doen meldingen en aangiften over elkaar bij de politie, Rubicon en BJZ die niet te verifiëren zijn of leiden tot nieuwe discussie. Het ene kind wordt vervolgens ondergebracht bij de moeder, het andere bij een instelling. Uit onderzoek van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman blijkt dat BJZ zich heeft ingezet om vanwege de conflicten tussen grootouders en moeder met de ketenpartners een gezamenlijke integrale aanpak te realiseren. Voor wat betreft de uitplaatsing naar een instelling, heeft BJZ zich enorm ingespannen om aanvullende hulpverlening te realiseren.

Instantie: Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond

Klacht:

gebrek aan samenwerking tussen BJZ en de ketenpartners waardoor de informatieverzameling over de kinderen onvolledig is geweest

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond

Klacht:

onvoldoende gedaan tegen de negatieve invloed van moeder op het pleeggezin en het pleeggezin daarbij onvoldoende ondersteund om escalatie te voorkomen, waardoor BJZ onvoldoende heeft gedaan om de plaatsing van de kinderen bij verzoekers te borgen

Oordeel: niet gegrond

In maart 2011 ging Anna bij haar opa en oma wonen. Ze stond onder toezicht van Bureau Jeugdzorg (BJZ). De moeder van Anna was het niet eens met de plaatsing van Anna bij opa en oma en moeder en opa en oma maakten daar ruzie over. BJZ vond dat Anna uiteindelijk te veel last kreeg van de onenigheid tussen moeder en opa en oma. Daarom vroeg BJZ in januari 2013 aan de rechter toestemming om Anna naar een instelling over te plaatsen. De rechter gaf die toestemming en Anna ging in een instelling wonen.

Opa en oma waren het daar niet mee eens en waren niet tevreden over BJZ. Ze dienden een klacht in bij de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman en Kinderombudsman hebben samen onderzoek gedaan naar de volgende klachten:

Er is niet genoeg samenwerking geweest tussen BJZ en andere instanties zoals de politie en de pleegzorgaanbieder. Hierdoor heeft BJZ niet alle informatie verzameld.

BJZ heeft niet genoeg gedaan tegen de negatieve invloed van moeder op het pleeggezin en heeft het pleeggezin daarbij niet genoeg gesteund. Daardoor heeft BJZ niet genoeg gedaan om er voor te zorgen dat Anna bij opa en oma kon blijven wonen.

De Nationale ombudsman beoordeelt klacht 1 aan de hand van de behoorlijkheid: het vereiste van goede voorbereiding. De Nationale ombudsman vindt dat BJZ genoeg heeft gedaan om samen te werken met de andere instanties. De Nationale ombudsman heeft één opmerking: de huisarts van Anna en haar moeder en een psycholoog hebben een brief geschreven waarin zij schrijven dat zij vinden dat Anna bij opa en oma moet blijven. BJZ had daarover in gesprek moeten gaan met hen en dat heeft BJZ niet gedaan. Maar dat betekent niet dat BJZ niet alle relevante informatie heeft verzameld. Er is niet gehandeld in strijd met de behoorlijkheid.

De Kinderombudsman beoordeelt klacht 2 aan de hand van de kinderrechten. De Kinderombudsman ziet dat opa en oma graag voor Anna hadden willen blijven zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat BJZ ook heeft geprobeerd om Anna bij opa en oma te kunnen laten wonen. Maar door alle omstandigheden kon dat uiteindelijk niet. Dat is verdrietig, maar uiteindelijk horen de belangen van Anna voorop te staan en niet de wens van opa en oma om voor hun kleindochter te kunnen blijven zorgen. Daarin valt BJZ niets te verwijten. Er is niet gehandeld in strijd met de kinderrechten.

Klacht

1. Verzoekers klagen erover dat er tussen BJZ en de ketenpartners een gebrek aan samenwerking is geweest waardoor de informatieverzameling over de kinderen onvolledig is geweest.

2. Verzoekers klagen er over dat BJZ onvoldoende heeft gedaan tegen de negatieve invloed van moeder op het pleeggezin en het pleeggezin daarbij onvoldoende heeft ondersteund om escalatie te voorkomen, waardoor BJZ onvoldoende heeft gedaan om de plaatsing van de kinderen bij verzoekers te borgen.

Download het rapport (PDF) voor de tijdlijn (bevindingen)

Algemeen

De klachten over Bureau Jeugdzorg Roermond[1] (BJZ) zijn voorgelegd door de grootouders van Anna en Bart[2]. Verzoekers zijn enige tijd ook de pleegouders van deze kinderen geweest.

In maart 2011 ging Anna, toen 7 jaar oud, bij haar grootouders wonen. Dit was na een periode van twee jaar waarin ze afwisselend bij grootouders, in verschillende opvanggezinnen of met haar moeder en broertje op verschillende plekken had gewoond. Zij was reeds eerder onder toezicht gesteld van BJZ. Ook haar broertje kwam enige tijd bij zijn grootouders wonen, maar werd later weer door moeder opgehaald.

Op 19 mei 2011 stuurde de school van Anna en Bart BJZ een e-mail waarin de school de toenmalige gezinsvoogd er op aansprak dat deze onvoldoende professioneel communiceerde en dat dat tot onduidelijkheden leidde. Dit is vervolgens op 8 juni 2011 besproken tijdens een gezamenlijk overleg tussen school en BJZ.

Op 7 juni 2011 organiseerde BJZ een bemiddelingsgesprek teneinde de samenwerking tussen de grootouders enerzijds en moeder anderzijds te verbeteren. De grootvader kwam opdagen, de grootmoeder en moeder echter niet.

In december 2011 vroeg BJZ een machtiging uithuisplaatsing aan voor zowel Anna als Bart en voor Bart ook een (voorlopige) ondertoezichtstelling. Dit werd toegewezen. Anna woonde toen al bij haar grootouders. Bart kwam daar ook te wonen.

De Raad voor de Kinderbescherming deed eind 2011 onderzoek naar de situatie van Anna en Bart en concludeerde – kort gezegd – dat zij uithuisgeplaatst moesten blijven bij hun grootouders.

De pleegzorgaanbieder Rubicon zorgde voor begeleiding van de pleegouders. Daarnaast werd in januari 2012, na een Rondetafel gesprek, besloten om extra begeleiding in te zetten voor de grootouders. Het ging om de hulpvorm Pleegzorg Plus om grootouders extra begeleiding te bieden op pedagogisch vlak ten opzichte van de kinderen en op relationeel vlak ten aanzien van het contact met moeder. Ook werd in januari 2012 Buro van Roosmalen, aanbieder van GGZ-jeugdzorg, ingeschakeld voor therapie voor Anna en haar moeder. Deze therapie eindigde in september 2012.. De grootouders gaven aan dat dit op voorstel van Buro van Roosmalen gebeurde. BJZ gaf aan dat grootmoeder op eigen initiatief en zonder overleg met BJZ had besloten tot beëindigen van de behande­ling. Buro van Roosmalen meldde de Nationale ombudsman en Kinderombudsman op vragen over de reden van de beëindiging, dat het geen toestemming had van moeder om inhoudelijke informatie te verstrekken. In een contactjournaal betreffende de rechtszitting over uithuisplaatsing, meldde de gezinsvoogd dat het verhaal rond de behandeling vreemd was, omdat moeder en grootmoeder elkaar de schuld gaven van de beëindiging van de behandeling.

De rechtbank besliste, na een zitting op 20 maart 2012, bij beschikking van 28 maart 2012 dat Anna bij haar grootouders bleef wonen, ondanks de bezwaren van moeder. De rechtbank overwoog dat het niet in het belang van Anna was als zij nu weg zou moeten bij haar grootouders, ondanks de wens daartoe van de moeder van Anna. In september 2012 besliste de rechtbank dat Bart terug kon naar moeder. Bart is uiteindelijk op 15 oktober 2012 weer bij zijn moeder gaan wonen.

Op 19 juni 2012 dienden de grootouders een klacht in over de gezinsvoogd bij BJZ. Naar aanleiding daarvan vond op 1 oktober 2012 een bemiddelingsgesprek plaats tussen BJZ en grootouders. Op 18 oktober 2012 werd een nieuwe gezinsvoogd toegewezen aan het gezin. Tevens verscheen de gezinsvoogd nadien meerdere malen onaangekondigd op het schoolplein om escalaties te voorkomen nu Bart was teruggeplaatst bij zijn moeder. De gezinsvoogd maakte afspraken met school dat de moeder Bart op afwijkende tijden naar school kon brengen om confrontaties tussen moeder en grootouders te vermijden en de spanning te verminderen.

BJZ vroeg op 28 januari 2013 bij de rechter uithuisplaatsing van Anna in een residentiële instelling aan. BJZ verzocht hierom omdat Anna naar de mening van BJZ ernstig in de knel zat tussen haar moeder en haar grootouders en gebaat was bij een neutrale plek in combinatie met observatie en diagnostiek.

In februari 2013 werd een nieuwe indicatie afgegeven door BJZ voor behandeling van Anna door Buro van Roosmalen. Deze nieuwe therapie is niet van start gegaan.

De huisarts van de moeder en Anna schreef samen met zijn dochter, een psychologe, op 6 maart 2013 een brief aan de rechter waarin zij BJZ adviseerden om Anna bij haar grootouders te laten blijven wonen. Volgens hen konden de grootouders een veilige en stimulerende woonomgeving bieden waarbij Anna de zorg en regelmaat geboden kreeg die zij nodig had. Dit stuk is ingebracht op de rechtszitting van 28 maart 2013. De beslissing van de kinderrechter volgde op 23 mei 2013.

De kinderrechter verleende op het verzoek van BJZ de machtiging tot uithuisplaatsing van Anna in een  jeugdzorginstelling. De kinderrechter gaf als motivatie in de beschikking aan dat het gebleken was dat Anna in een zeer zorgwekkende situatie verkeerde. Er was volgens de kinderrechter een hevige onderlinge strijd tussen de grootouders en haar moeder; de kinderrechter benadrukte dat Anna daar niet de dupe van mocht zijn. De kinderrechter was van mening dat Anna uit de strijd gehaald moest worden en op een neutrale plek geplaatst. Anna werd daarop geplaatst in een instelling. De grootouders kregen daarbij niet de mogelijkheid om op een voor hen bevredigende manier afscheid te nemen van Anna.

BJZ heeft op aanvraag uitgebreide contactjournaals aan de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman aangeleverd over de periode van 3 augustus 2010 (toen BJZ de casus onder zich kreeg) tot 24 mei 2013 (de dag van de plaatsing van Anna bij een residentiële instelling; Bart was toen al teruggeplaatst bij moeder). Daaruit blijkt dat BJZ tussen 2010 en 2013 meerdere keren per maand contacten heeft gehad met de moeder, zowel telefonisch als per e-mail en door huisbezoeken. Ook had BJZ meerdere keren per maand contact met de grootouders (soms alleen met grootvader of grootmoeder, soms met beiden tegelijk), in de vorm van telefoongesprekken, gesprekken op kantoor of bij de grootouders thuis. De contactjournaals geven daarnaast blijk van intensief contact en uitgebreide informatiewisseling op regelmatige basis tussen BJZ, Rubicon en de school.

Uit het onderzoek volgt voorts dat er diverse keren contact is geweest tussen BJZ en de politie. Dit blijkt uit het volgende:

Voor zover relevant kwamen – volgens informatie van de politie – op 21 december 2011, 25 maart 2013 en 10 februari 2014 drie anonieme meldingen over de situatie bij de moeder thuis binnen bij de politie. Verder deed in mei 2013 de oom van Anna een melding bij de politie vanwege een incident met moeder.

De politie nam over deze meldingen contact op met BJZ. Dit blijkt ook uit de contactjournaals van BJZ. Naar aanleiding van de anonieme melding van 21 december 2011 en een daaropvolgend huisbezoek van de politie, is de gezinsvoogd van BJZ op 29 december 2011 samen met de politie en de Raad voor de Kinderbescherming bij een vriend van moeder op bezoek geweest teneinde moeder en Bart te vinden. In maart 2013 heeft de gezinsvoogd informatie gekregen van de politie dat grootmoeder heeft aangekondigd camera's op te gaan hangen. Ook kreeg de gezinsvoogd  van de politie door dat er op 25 maart 2013 een anonieme melding is binnen gekomen over de woning van moeder. Naar aanleiding daarvan ging de gezinsvoogd een keer onverwacht op huisbezoek, belde zij met de school en stond een keer onverwachts bij school. Tot slot staat in een contactjournaal van mei 2013 beschreven dat BJZ contact had met de politie over het incident met de moeder en de oom van Anna. Volgens het contactjournaal maakt de politie zich zorgen; er werden afspraken gemaakt tussen de politie en BJZ.
Daarnaast blijkt er ook contact te zijn geweest tussen BJZ en de politie in december 2011 toen moeder met Bart was vertrokken terwijl er een OTS was en een machtiging uithuisplaatsing. Er was afgesproken dat als de politie Bart aantrof, dat zij dan BJZ zouden inschakelen.

Klachtverloop

De grootouders waren niet tevreden over het handelen van BJZ en zij waren het niet eens met de plaatsing van hun kleindochter in een instelling. Zij dienden klachten in bij BJZ en daarop bij de klachtencommissie van BJZ.

Op 6 november 2013 deed de klachtencommissie van BJZ uitspraak over de klachten van de grootouders. De klachtencommissie verklaarde alle klachten ongegrond, met uitzondering van het klachtonderdeel over het afscheid tussen grootouders en Anna voorafgaand aan de plaatsing van Anna bij de instelling. In de visie van de klachtencommissie had BJZ op een andere manier invulling kunnen geven aan het moment van afscheid nemen. De grootouders dienden daarop een klacht over BJZ in bij de Nationale ombudsman. Deze stelde samen met de Kinderombudsman een onderzoek in. Het onderzoek richtte zich op het handelen van BJZ. Ten tijde van de netwerkplaatsing bij grootouders waren niet alleen de teamleider, gedragsweten­schapper, gezinsvoogd en GZ-psycholoog van BJZ betrokken bij de kinderen, maar ook meerdere andere ketenpartners. Een aantal van deze ketenpartners is als informant betrokken in het onderzoek.

Standpunt verzoekers

Besluit plaatsing in instelling

De verzoekers, de grootouders, vinden dat BJZ niets heeft gedaan om er voor te zorgen dat Anna ongestoord bij hen kon wonen en blijven wonen. De grootouders vonden dat zij een stabiele plek betekenden voor Anna en Bart, nadat zij jarenlang van plek naar plek waren gegaan. Desondanks moesten de kinderen weg. Volgens de grootouders maakte BJZ in de procedure naar plaatsing van Anna in een instelling gebruik van leugens en onwaarheden in een indicatierapport en andere documenten. De grootouders waren van mening dat BJZ hen in een dusdanig onjuist daglicht plaatste, dat de rechter had besloten om Anna bij hen uit huis te plaatsen en in een inrichting te plaatsen. Volgens de grootouders maakte BJZ niet alleen hen, maar ook hun uitwonende kinderen zwart teneinde tot een plaatsing van hun kleindochter in een instelling te komen. Het standpunt van BJZ dat Anna bij haar grootouders weg diende te worden gehaald, was volgens de grootouders onvoldoende onderbouwd, niet noodzakelijk en niet gebaseerd op feiten maar louter op veronderstellingen. Zo nam BJZ aan dat de grootmoeder er voor had gezorgd dat de GGZ-therapie van Anna door Buro van Roosmalen voortijdig beëindigd werd. Volgens de grootouders had de grootmoeder juist deelname aan de therapie met Anna voortgezet, omdat moeder niet meer kwam opdagen, en had het bureau dat de speltherapie verzorgde zelf de therapie beëindigd omdat de doelen behaald waren.

Volgens grootouders meldde BJZ hen dat het niet aan waarheidsvinding deed. BJZ ging naar de mening van grootouders in de praktijk uit van de eigen visie en die van moeder. Dit leidde er volgens de grootouders toe dat BJZ uiteindelijk gehoor gaf aan de wensen van moeder en Anna weg haalde bij hen. Volgens de grootouders had BJZ de kant van moeder gekozen. Zij gaven aan dat BJZ de door hen geuite zorgen niet serieus nam en bestempelde als zwartmakerij van moeder, zelfs als het ging om verifieerbare feiten. Zij vonden dat zij zelf aan alles hebben meegewerkt, zelfs als zij daarbij tegenwerking ondervonden van de moeder. De grootouders vonden dat BJZ hen de schuld gaf van diverse zaken zonder daarbij onderzoek te hebben gedaan naar de werkelijke oorzaken van de problematiek die speelde. Volgens de grootouders verzuimde BJZ om moeder aan te spreken op haar gedrag.

De grootouders vonden dan ook dat BJZ niet heeft gehandeld in het belang van de kinderen, maar in het belang van de moeder. Het was wat hen betreft beter geweest als hun kleinkinderen en zeker Anna bij hen zouden blijven wonen, met ondersteuning van de pleegzorginstelling die hen begeleidde als pleegouders. Daarnaast waren zij het er ook niet mee eens dat BJZ eenzijdig besloot tot plaatsing in de instelling, zonder de grootouders te betrekken bij hun beslissing.

Samenwerking BJZ met de ketenpartners

De grootouders waren van mening dat de samenwerking van BJZ met de ketenpartners tekort had geschoten. Volgens de grootouders stelde BJZ zich zeer autoritair op ten opzichte van de pleegzorginstelling en andere betrokken instanties. De informatie­verzameling is naar de mening van de grootouders minimaal gebleven en daardoor onvolledig geweest. Ook werd relevante informatie niet gedeeld, werd geen adequate actie ondernomen bij signalen en zorgen vanuit andere instanties en legde BJZ soms zelfs belangrijke informatie naast zich neer. BJZ had volgens de grootouders zeer subjectief naar informatie gekeken. Voor hen was duidelijk dat, ondanks dat door alle partijen werd aangegeven dat de informatie uitwisseling goed was geweest, de kwaliteit van de informatie alsmede ook de juistheid en volledigheid van de informatie te kort schoot.

De gebrekkige samenwerking speelde volgens de grootouders op tal van punten. Zij benoemden dat de informatievoorziening tussen BJZ en politie onvolledig was: er vond wel samenwerking en informatie-uitwisseling plaats, maar BJZ haalde volgens de grootouders informatie uit de juiste context en over en weer bleek dat BJZ niet bekend was met enkele meldingen van de politie en dat de politie niet altijd op de hoogte was van belangrijke ontwikkelingen waar BJZ wel van op de hoogte was.

Voorts wezen de grootouders op het feit dat BJZ de brief van de huisarts van 6 maart 2013 heeft genegeerd. De grootouders meenden dat BJZ zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de huisarts zich niet in de zaak diende te mengen en de informatie gekleurd zou zijn.

De grootouders waren van mening dat BJZ zich onvoldoende openstelde voor de visie van de pleegzorgaanbieder Rubicon. Er werd volgens grootouders bovendien onvoldoende informatie uitgewisseld die essentieel was voor de grootouders om hun rol als pleegouders goed te kunnen vervullen. Tevens gaven de grootouders aan dat BJZ zich niet goed op de hoogte stelde over de betrokkenheid van de GGZ-jeugdzorg. Tot slot had BJZ volgens de grootouders verzuimd om belastende informatie over moeder uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te onderkennen en te gebruiken. Volgens de grootouders kon grootmoeder niet aanwezig zijn bij een bemiddelingsgesprek vanwege verplichtingen rond de kinderen. BJZ zou daar van op de hoogte zijn geweest.

Al met al stelden grootouders dat er tal van instanties waren met informatie over de kleinkinderen en hun moeder, maar bemerkten zij dat BJZ deze informatie niet inwon of gebruikte en strak vasthield aan de eigen visie en koers. De samenwerking en uitwisseling van informatie is volgens de grootouders wel aanwezig geweest, maar onvoldoende geborgd op juistheid, kwaliteit en volledigheid om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Door de autoritaire opstelling en het incomplete beeld dat BJZ zich had gevormd, is een deel van de ketenpartners volgens de grootouders ook meegezogen in de tunnelvisie van BJZ.

Relatie met de moeder

Volgens de grootouders werkte het optreden van BJZ escalerend op de verhouding tussen de grootouders en hun dochter. De problemen tussen grootouders en dochter dateerden al van voor de plaatsing van de kinderen bij de grootouders, maar vanaf de start van de plaatsing van de kinderen bij de grootouders had BJZ volgens de grootouders de kant van de moeder gekozen waardoor de kans op herstel van onderling contact tussen de grootouders en de moeder werd verkleind. Door de houding van BJZ is de relatie zelfs verslechterd. De grootouders hebben er naar eigen zeggen alles aan gedaan om de relatie met hun dochter goed te laten verlopen, mede in het belang van de kinderen.

De grootouders hebben meerdere malen gevraagd aan BJZ om duidelijkheid te scheppen bij de moeder dat de tijdens de evaluaties besproken vorderingen van de gestelde doelen voor moeder niet van de grootouders afkomen maar door BJZ zijn gedaan. De grootouders hebben immers geen invloed op de evaluaties en plannen die BJZ met moeder maakt. BJZ heeft dit naar de mening van de grootouders nagelaten.

Standpunt BJZ

Algemeen ten aanzien van de klachten

BJZ gaf aan dat het op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) het belang van de jeugdige als uitgangspunt dient te nemen bij de uitvoering van haar wettelijke taak. In dat kader heeft BJZ het belang van Anna steeds als vertrekpunt genomen en heeft het, nadat was vastgesteld dat er nauwelijks mogelijkheden waren om de volwassen partijen met elkaar om tafel te brengen, in het licht van de vastgestelde bedreiging van Anna's belangen er voor heeft gekozen om toe te werken naar een thuisplaatsing, in het licht van artikel 1:161 BW oud. BJZ acht het begrijpelijk maar niet juist dat de grootouders deze keuze hebben ervaren als een keuze voor de moeder, aangezien BJZ daarmee Anna's belangen op de meest verantwoorde wijze dacht te dienen.

BJZ was van mening dat de samenwerking met de ketenpartners die betrokken waren bij de hulpverlening goed is geweest en dat de noodzakelijke informatie bij hen is verzameld. BJZ gaf aan dat de ketenpartners feitelijk betrokken zijn geweest bij de besluitvorming en dat hun informatie serieus is mee gewogen om zo in het belang van de kinderen een goede weging te kunnen maken van de bedreigde ontwikkeling van de kinderen die was ontstaan. Mede op grond van die betrokkenheid heeft BJZ het besluit genomen om een verzoek in te dienen bij de rechtbank tot beëindiging van het verblijf van Anna bij haar grootouders.

BJZ gaf aan dat het doel van de tijdelijke plaatsing van de kinderen bij grootouders is geweest om te werken naar een thuisplaatsing van de kinderen naar de met het gezag belaste moeder, zoals ook is voorgeschreven in artikel 1:261 BW. Het doel was uitdrukkelijk niet om de kinderen het perspectief te bieden dat ze bij de grootouders zouden kunnen blijven wonen. Bij de overdracht van de ondertoezichtstelling vanuit BJZ Rijnland aan BJZ werd al duidelijk dat de verhoudingen tussen grootouders en de moeder van de kinderen door de jaren heen op scherp had gestaan. De grootouders maakten zich zorgen over de situatie bij de moeder. De moeder gaf daarentegen aan dat de grootouders met enige regelmaat valse zorgmeldingen over haar deden. De relatie tussen grootouders en moeder is dan ook een terugkerend thema geweest bij de begeleiding en de ingezette ondersteuning en in de periode dat de kinderen bij de grootouders verbleven zijn er diverse vormen van hulpverlening ingezet om de netwerkplaatsing te borgen. BJZ achtte de klachten dan ook ongegrond.

Samenwerking met ketenpartners

Over de samenwerking met de ketenpartners liet BJZ het volgende weten.

- De Raad voor de Kinderbescherming: Tijdens het onderzoek van de Raad is de gezinsvoogd gehoord als informant. De informatie uit het uiteindelijke rapport van de Raad is het uitgangspunt bij de uitvoering van de OTS. Verder is de Raad niet betrokken bij de hulpverlening. Wel ontvangt de Raad kopieën van de verzoeken die BJZ heeft gedaan aan de rechtbank.

- Rubicon Pleegzorg: Rubicon is verantwoordelijk voor de begeleiding van de pleegouders, BJZ voor (het volgen van) de ontwikkeling van het kind. Van belang is dat er afstemming is tussen die verschillende verantwoordelijkheden. De samenwerking met Rubicon is volgens BJZ zeer nauw geweest, ook met betrekking tot het verstrekken van informatie. Zowel de pleegzorgwerker als de begeleider van de begeleide bezoeken van Anna aan haar moeder als de gedragswetenschapper van Rubicon waren betrokken bij de besluitvorming van BJZ om nadere verzoeken in te dienen bij de kinderrechter.

BJZ betreurt het om achteraf te moeten lezen dat Rubicon in reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman liet weten van mening te zijn dat er sprake was geweest van partijdigheid. BJZ heeft naar aanleiding hiervan op 3 december 2014 gesproken met Rubicon en daaruit bleek dat het inzetten van de nieuwe gezinsvoogd leidde tot verbetering in de communicatie en partijdigheid zoals Rubicon die ervoer niet meer aan de orde was. Voor BJZ is de partijdigheid niet herkenbaar. Anna is altijd de 'morele opdrachtgever' geweest en zij is het uitgangspunt geweest voor de keuzes die zijn gemaakt. De verhouding tussen grootmoeder en de eerste gezinsvoogd is verstoord geraakt toen de gezinsvoogd grootmoeder aansprak op vergaande uitspraken van grootmoeder over de moeder. Dit heeft geleid tot spanningen in de verhouding tussen grootmoeder en de gezinsvoogd, maar heeft de besluitvorming aangaande het verblijf van Anna en Bart bij de grootouders niet beïnvloed. BJZ wilde tot slot benadrukken dat BJZ niet vanwege vermeende eenzijdige partijdigheid een andere gezinsvoogd heeft aangesteld.

- Huisarts: aanvankelijk was er geen contact tussen BJZ en de huisarts, behalve dat de huisarts standaard op de hoogte wordt gesteld van een genomen indicatiebesluit. Toen op de zitting van april 2013 bleek dat grootouders contact hadden met de huisarts en deze zonder voorafgaand overleg met moeder en BJZ een psychologe, de dochter van de huisarts, had verzocht om een gesprek te voeren met Anna, heeft de gezinsvoogd contact opgenomen met de huisarts. De gezinsvoogd heeft aangegeven de gang van zaken vreemd te vinden, nu moeder geen toestemming had gegeven en een huisarts, volgens de wet, zorgen moet melden bij BJZ en niet bij grootouders. De informatie van de huisarts kwam niet overeen met de informatie van andere betrokkenen en hij was verontwaardigd dat hij niet betrokken was bij het besluit om Anna in een instelling te plaatsen. Het is volgens BJZ niet standaard dat een huisarts bij een dergelijk besluit wordt betrokken, zeker niet als de huisarts eerder niet betrokken was bij het hulpverleningsproces. De huisarts gaf aan dat hij wel toestemming voor onderzoek had van moeder, maar heeft tot op heden die toestemming nooit overlegd. Moeder ontkent ook dat ze toestemming heeft gegeven.

- Politie: Door de gezinsvoogd is volgens BJZ contact gelegd met de politie om de lijnen kort te houden en om zicht te hebben op het handelen van moeder en haar sociale omgeving. Het contact verliep met de wijkagent en met medewerkers van de afdeling Jeugd. Informatie van de politie is besproken in het Veiligheidshuis en teruggekoppeld naar de gezinsvoogd. In overleg met de politie zijn steeds acties ingezet of stappen ondernomen. Ook heeft de gezinsvoogd samen met de politie de zorgen van grootmoeder met grootmoeder willen bespreken, maar grootmoeder heeft er volgens BJZ voor gekozen niet in gesprek te willen gaan. BJZ benadrukte dat de gezinsvoogd uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de zorgen van de politie over de toestand van de woning van moeder.

Relatie grootouders – moeder en gevolgen voor kinderen

BJZ gaf aan dat de verhalen en opvattingen van grootouders en moeder vaak lijnrecht tegenover elkaar stonden. Zij beschuldigen elkaar over en weer. Om objectieve informatie te verkrijgen legde BJZ aan grootouders en moeder uit dat BJZ informatie van neutrale betrokkenen gebruikt, zoals de school, politie, het veiligheidshuis en Rubicon. Deze informatie was volgens BJZ geverifieerd, hoewel dat niet hoeft omdat het om informatie van professionals gaat. Informatie van informele bronnen heeft BJZ niet gebruikt en niet geverifieerd omdat dit elke keer leidde tot nieuwe tegenstrijdigheden.

Het was voor BJZ duidelijk dat de relatie tussen moeder en grootouders ernstig verstoord was, dat partijen geen vertrouwen hadden in elkaars intenties en dat de loyaliteit van Anna daardoor ernstig onder druk was komen te staan. Dit leidde er toe dat Anna zich angstig gedroeg op school, zich afgewezen voelde door klasgenootjes en snel ging huilen. Ook vertelde zij verhalen die niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Dit werd zowel op school als door de begeleider van Rubicon en de gezinsvoogd geconstateerd. Maar grootmoeder wilde volgens BJZ niet samenwerken met de gezinsvoogd als haar uitspraken over de moeder niet werden overgenomen en als waarheid werden aangenomen.

BJZ gaf aan het volgende te hebben ondernomen:

  • De gezinsvoogd heeft intern overlegd om te zoeken naar oplossingen voor de steeds weer escalerende contacten en heeft gesprekken gevoerd met moeder en grootouders om escalatie en een gespannen sfeer bij confrontatie te voorkomen;

  • BJZ heeft voorgesteld dat grootvader een bemiddelende rol zou vervullen.

  • BJZ heeft aan grootouders het advies gegeven om te investeren in het verbeteren van de relatie met moeder en daarbij hulpverlening in te schakelen. Dit diverse malen herhaalde advies om therapeutische interventies in te zetten om de relatie met hun dochter te verbeteren, is niet opgevolgd;

  • De eerste verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de grootouders als pleegouders is gelegen bij Rubicon. Grootouders hebben die begeleiding ook gehad. De gezinsvoogd heeft evaluatiemomenten gehad met de pleegzorgwerker en pleegouders;

  • BJZ heeft grootouders en moeder uitgenodigd voor een gesprek om de zorgen rond de ontwikkeling van Anna te bespreken, maar daarvan hebben beide afgezien;

  • De gezinsvoogd is soms aanwezig geweest op het schoolplein en heeft met de politie bekeken op welke wijze actie noodzakelijk en/of wenselijk was voor die situaties waarin grootouders en moeder elkaar tegen kwamen in de stad of supermarkt;

  • Moeder is keer op keer geadviseerd om escalaties te voorkomen, ook – zoals moeder aangeeft – als zij werd uitgedaagd door grootmoeder of andere familieleden.

    De gezinsvoogd was volgens BJZ veel bezig om de contacten tussen grootouders en moeder niet te laten escaleren, maar klaarblijkelijk bestond er geen ruimte om de relatie tussen moeder en grootouders te verbeteren. Om die reden was daar in de begeleiding in de laatste periode nog nauwelijks aandacht voor, maar was het accent gelegd op het hanteren van situaties om negatieve effecten hiervan voor de kinderen te verkleinen. De conclusie van de grootouders dat moeder het pleeggezin heeft kapot geterroriseerd is gebaseerd op hun beleving en werd als zodanig niet door BJZ herkend. BJZ gaf aan dat het geen correcte weergave van de werkelijkheid is om aan te nemen dat alleen moeder degene was die voor onrust zorgde en dat de grootouders daar geen aandeel in hadden.

    BJZ benoemde nog dat grootouders wel stelden te willen meewerken aan het doel van de tijdelijke uithuisplaatsing bij de grootouders (namelijk terugplaatsing bij moeder), maar dat grootmoeder tegelijk aangaf geen vertrouwen te hebben in de intenties van moeder. Grootmoeders verhalen en die van school bevestigen voor BJZ dat grootmoeder moeder in een kwaad daglicht wilde zetten. De gezinsvoogd heeft telkens aangegeven dat de strijd niet in het belang van de kinderen was, waarop de grootouders steeds aanvoerden dat het de moeder was die de strijd voerde en niet zij. 

    Conclusie en noodzaak overplaatsing

    Ondanks de ingezette hulpverlening concludeerde BJZ in januari 2013 in en na overleg met Rubicon en school dat er sprake was van een achteruitgang bij Anna en zelfs stilstand op cognitief gebied. BJZ zag het als een belangrijk probleem dat de grootouders niet onderkenden dat Anna in een loyaliteitsconflict zat. De grootouders zagen de moeder als de oorzaak van alle problemen. De grootouders namen hun verantwoordelijkheid als pleegouders niet door niet te werken aan hun verstandhouding met moeder.

    BJZ trok daaruit de conclusie dat de grootouders geen geschikte plaats meer konden bieden aan Anna. De overplaatsing had niet voorkomen kunnen worden. Het middel (de uithuisplaatsing) was uiteindelijk erger geworden dan de kwaal (zorgen voor de ontwikkeling van Anna) en overplaatsing naar een neutrale plek was in Anna's belang noodzakelijk om haar onbelast te kunnen observeren en diagnostiek te kunnen uitvoeren. BJZ was van mening dat het in het hele proces wel degelijk naar de grootouders had geluisterd, maar dat het van mening verschilde met de grootouders. BJZ gaf aan dat het binnen de kaders van de OTS en de daarbinnen verstrekte machtiging voor plaatsing in een instellingzorgvuldig, naar behoren en naar professionele standaarden heeft gehandeld, vanuit het belang van de kinderen. 

    Visie andere betrokken instanties

    De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman hebben voor het onderzoek informatie ingewonnen bij een aantal andere betrokken instanties.

    Politie regionale eenheid Limburg

    De familie heeft over en weer meldingen gedaan over elkaar. Dat de moeder het gezin van de grootouders zou terroriseren is niet als zodanig bekend bij de politie. Het beeld van de situatie is wel dat de familie niet meer met elkaar door één deur kan en dat de grootmoeder zorgen heeft over de thuissituatie bij de moeder.

    De samenwerking en uitwisseling van informatie met BJZ is wat betreft de politie op zich goed geweest. Er lijkt in deze zaak alleen een verschil in visie te bestaan tussen de politie en BJZ over de situatie bij moeder. De politie heeft het gevoel dat zij zich meer zorgen maken om de situatie bij moeder dan dat de gezinsvoogd dat doet. De gezinsvoogd gaf telkens aan dat het wel goed gaat, maar de politie betwijfelde dat. Zij bespraken hun twijfels met de gezinsvoogd. Voor de politie was hier verder geen taak in weggelegd: die heeft een signalerende rol en heeft de signalen doorgegeven aan BJZ. Die is vervolgens verantwoordelijk voor het vervolg.

    Rubicon Pleegzorg

    Rubicon gaf aan dat er veelvuldig contact en overleg heeft plaatsgevonden met BJZ tijdens de pleegzorgperiode. Er was sprake van zeer uitvoerige informatie uitwisseling. Volgens Rubicon verliep de samenwerking en de communicatie goed en was sprake van gelijkwaardigheid. Het dilemma voor de zorginstelling was dat zowel grootouders als de moeder beschuldigingen over elkaar uitten bij BJZ en Rubicon. De informatie stond vaak haaks op elkaar en kon niet of slechts ten dele geverifieerd worden. De zorginstelling zag de grootouders als zorgende en betrokken pleegouders die het beste met hun kleinkinderen voorhadden. De zorginstelling deelde dat inzicht over de grootouders met BJZ. Het zag dat er in de communicatie tussen de grootouders en BJZ wrijving en spanning bestond waar het een neutrale opstelling betrof en dit ook bleef na vervanging van de gezinsvoogd.

    Rubicon deelde niet de zorgen die de grootouders hadden over pedagogisch onverantwoord handelen door de moeder. Wanneer er verschil in inzicht bestond tussen de pleegzorgaanbieder en BJZ, bespraken zij dit. De pleegzorgaanbieder en BJZ hadden geen verschil in visie met betrekking tot het perspectief van de kleindochter en het gegeven dat zij klem zat tussen de grootouders en moeder. Er was aanvankelijk wel verschil in inzicht over het tempo waarin de terugkeer naar moeder plaats diende te worden en wie verantwoordelijk was voor de problematiek, de grootouders of de moeder.

    De pleegzorgaanbieder gaf aan dat in de samenwerking tussen BJZ en de ketenpartners zowel vanuit de begeleider pleegzorg als door de gedragswetenschapper pleegzorg de eenzijdige partijdigheid van de gezinsvoogd naar moeder, regelmatig onderwerp van gesprek was. Aanvankelijk deelde BJZ deze mening niet, uiteindelijk werd (mede om deze reden) gekozen voor wisseling van gezinsvoogd. Dit belette de informatie-uitwisseling echter niet. Rubicon was van mening dat de nieuwe gezinsvoogd meerzijdige partijdigheid liet zien en zorgvuldig te werk ging. De wisseling van gezinsvoogd door BJZ leidde helaas niet tot verbetering van de dynamiek tussen de grootouders en moeder.

    Volgens Rubicon faalden pogingen van Rubicon en BJZ om in een gezamenlijk gesprek met de grootouders en de moeder te komen tot verbeterde samenwerking in het belang van de kinderen, omdat grootmoeder en moeder pertinent weigerden om met elkaar in gesprek te gaan. Beiden gaven aan dat de kloof tussen hen onoverbrugbaar was. Er was een niet aflatende stroom ernstige beschuldigingen over en weer. De grootouders beschuldigden de moeder van slecht moederschap en de moeder beschuldigde de grootouders van het zich willen toe-eigenen van de kinderen en pogingen om haar uit het leven van de kinderen te verbannen. Over en weer gaven de grootouders en de moeder aan door de andere partij geterroriseerd te worden. Op verzoek van de grootouders, de moeder en BJZ begeleidde Rubicon moeder in het contact met haar dochter. De observaties tijdens dit contact bevestigden niet de zorgen van de grootouders over pedagogisch onmachtig handelen van moeder. Wel was het voor Anna lastig om de overgang te maken van haar moeder naar de grootouders en terug. De zorginstelling heeft deze informatie met alle betrokkenen gedeeld, waarbij de betekenisgeving (deels) opnieuw verschilde.

    De zorginstelling zag dat BJZ meerdere interventies pleegde om de relatie tussen de grootouders en moeder te verbeteren: aparte gesprekken met moeder en met de grootouders, contacten tussen de moeder en de grootvader. BJZ heeft de gezinsvoogd vervangen en een dubbele bezetting van gezinsvoogden gehanteerd. Daarnaast zijn er voorstellen gedaan om gezamenlijk in gesprek te gaan en mediation in te zetten.

    De zorginstelling achtte de basis voor een succesvolle plaatsing bij de grootouders niet zo groot, gezien de relatie tussen de grootouders en moeder, het over en weer beschuldigen en het feit dat men pertinent weigerde om met elkaar in gesprek te gaan. De eenzijdige partijdigheid van de eerste gezinsvoogd met moeder heeft dit naar de mening van de zorginstelling aanvankelijk versterkt. Uiteindelijk heeft volgens Rubicon de dynamiek tussen de grootouders en de moeder en het gedrag dat Anna liet zien vooral geleid tot het besluit van plaatsing in een instelling.

    Huisarts

    De huisarts gaf aan dat hij zonder een medische machtiging van moeder helaas geen informatie kon verstrekken voor het onderzoek.

    Raad voor de Kinderbescherming

    De Raad gaf aan dat de betrokkenheid van de raadsonderzoekster beperkt is geweest, van het onderzoek naar de melding in december 2011 tot het uitbrengen van het rapport in februari 2012.

II.       Beoordeling 

Ter inleiding

In deze zaak speelde een ernstig conflict tussen de grootouders en de moeder van Anna en Bart, twee kinderen die bij BJZ onder toezicht gesteld zijn. De grootouders gaven aan dat de verantwoordelijkheid voor het ontstaan en het escaleren van dit conflict bij moeder lag. Uit de aangeleverde informatie blijkt dat zowel BJZ als de politie en Rubicon aangeven dat de grootouders en moeder meldingen, beschuldigingen en aangiften over elkaar hebben gedaan die niet te verifiëren waren of leidden tot nieuwe discussie. Ook weigerden beide partijen om met elkaar in gesprek te gaan. Kort gezegd konden beide partijen niet meer door één deur. Terwijl de belangen voor alle betrokkenen, grootouders, moeder en kinderen groot waren. Het is binnen deze gegeven setting dat BJZ zijn taken moest uitvoeren en de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman zullen beoordelen of dit overeenkomstig de behoorlijkheidsnormen en kinderrechten is gebeurd.

Het is daarbij niet aan de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman om uitspraken te doen of een oordeel te geven over het handelen van een partij die niet direct bij dit onderzoek betrokken is en dus geen gelegenheid heeft gehad om haar zienswijze naar voren te brengen, in dit geval de moeder van Anna en Bart. Daarnaast doen de Nationale ombudsman en Kinderombudsman geen uitspraken over de oorzaak van het conflict tussen de grootouders en moeder en welke van de twee partijen daarvoor de meeste schuld draagt. Dat is niet de taak van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman.

Klacht 1 is gelet op zijn aard beoordeeld in het licht van de behoorlijkheidsnormen. Klacht 2 is om die reden beoordeeld in het licht van de Kinderrechten.

Klacht 1:

Behoorlijkheidsnorm

De Nationale ombudsman beoordeelt de klacht van verzoekers dat er tussen BJZ en de ketenpartners een gebrek aan samenwerking is geweest waardoor de informatie uitwisseling onvoldoende is geweest, aan de hand van het vereiste van goede voorbereiding. Een overheidsinstantie, dus ook een BJZ bij de uitvoering van een ondertoezichtstelling, verzamelt alle informatie die van belang is om een weloverwogen beslissing te nemen. 

Beoordeling

De  Nationale ombudsman en de Kinderombudsman hebben in het kader van het onderzoek zowel BJZ als de ketenpartners bevraagd over de samenwerking en informatie uitwisseling over en weer. Burgers mogen van BJZ verwachten dat het de regie over het proces neemt en dat het navolgbaar is hoe BJZ tot beslissingen is gekomen. Uit onder meer de contactjournaals en de reacties van de ketenpartners is gebleken dat BJZ met alle relevante partijen regelmatig tot veelvuldig contact en overleg had en dat informatie uitgebreid werd uitgewisseld. In het algemeen hielden de ketenpartners elkaar goed op de hoogte van ontwikkelingen; een aantal keer schoot de informatie uitwisseling tekort. Dat is niet de bedoeling, maar in een complexe zaak met veel betrokkenen als deze moeilijk te vermijden. In zoverre heeft BJZ intensief samengewerkt met de ketenpartners.

Samenwerking betekent ook dat in gezamenlijkheid gezocht wordt naar de juiste aanpak en dit impliceert dat als de informatie of visies niet overeenkomen, de verschillen worden besproken en uitgezocht. Op sommige momenten bestonden verschillen in visie tussen BJZ enerzijds en Rubicon en de politie anderzijds. Daarnaast bestond er een verschil in visie tussen BJZ en de huisarts van Anna, in zoverre dat de huisarts adviseerde dat Anna bij haar grootouders zou blijven wonen. BJZ heeft contact met de huisarts en de psychologe opgenomen naar aanleiding van hun brief waarin zij adviseerden om Anna bij haar grootouders te laten blijven wonen, maar om hen te wijzen op de procedure; niet is gebleken dat BJZ het inhoudelijke standpunt van de huisarts en de psychologe over het verblijf van Anna bij de grootouders met de huisarts en de psychologe wenste te bespreken. De onderbouwing die de huisarts en de psychologe gebruikten voor dit advies, dat de grootouders een veilige en stimulerende woonomgeving boden aan Anna, is nooit tegengesproken door BJZ of andere ketenpartners. De beslissing om Anna uit huis te plaatsen naar een zorginstelling was genomen vanwege het voortdurende en schijnbaar onoplosbare conflict dat speelde tussen de grootouders en de moeder van Anna. De brief van de huisarts en de psychologe bevatte geen informatie waar BJZ nog niet mee bekend was, die de zaak in een volledig ander daglicht stelde en die BJZ noodzaakte om de koers te heroverwegen. Als instantie die de ondertoezichtstelling uitvoerde en als spil in het netwerk van ketenpartners, heeft BJZ meer factoren laten meewegen in de beslissing dan alleen de feiten die ten grondslag liggen aan het advies van de huisarts en de psychologe, die hun advies hebben gebaseerd op de thuissituatie bij de grootouders en hun opvoedende capaciteiten en daarbij het bestaande conflict buiten beschouwing lieten.

De Nationale ombudsman geeft BJZ wel ter overweging dat de observaties van de huisarts en de psychologe van belang zijn en dat het passend was geweest om inhoudelijk met hen het gesprek aan te gaan. Ongeacht de wijze waarop de huisarts en de psychologe hun advies kenbaar maakten, was het wel een standpunt dat afkomstig is van bij Anna betrokken professionals. BJZ dient een dergelijk standpunt serieus te nemen.   

Het is de Nationale ombudsman gebleken dat BJZ zich heeft ingezet om te komen tot een gezamenlijke, integrale aanpak met de ketenpartners. Rubicon en de politie gaven aan dat de samenwerking goed was en dat er sprake was van intensief contact. Uit de documentatie die de Nationale ombudsman ontving in het kader van het onderzoek bleek een uitgebreid en intensief contact tussen BJZ en de andere ketenpartners. Een aandachtspunt is dat BJZ heeft verzuimd het gesprek met de huisarts en de psychologe aan te gaan over hun advies. Omdat de feiten die de huisarts en de psycholoog aandroegen als onderbouwing van hun advies niet in tegenspraak waren met de reeds bij BJZ bekende feiten, kan niet gezegd worden dat BJZ willens en wetens heeft verzuimd om feiten die van belang waren voor de uiteindelijke beslissing tot uithuisplaatsing te onderkennen.   

De Nationale ombudsman acht de onderzochte gedragingen van BJZ dan ook behoorlijk. 

Klacht 2:

Kinderrechtennorm

Op grond van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij iedere beslissing of actie die de belangen en rechten van een kind kunnen raken. De belangen van het kind kunnen in een casus als deze verder ingevuld worden aan de hand van de artikelen 3 lid 2 en 3, 5, 6, 9, 18, 19 en 22 van het IVRK. Een kind heeft recht op de bescherming en zorg die hij of zij nodig heeft voor zijn of haar welzijn. Daarvoor zijn primair de ouders verantwoordelijk, maar als zij dat (tijdelijk) niet kunnen, is de staat verplicht om ouders daarbij de ondersteunen of in te grijpen. Dit geldt zeker als de ontwikkeling van een kind in gevaar komt of als er sprake is van kindermishandeling. Uithuisplaatsing geldt daarbij als ultimum remedium als het welzijn van het kind niet meer op een andere manier te borgen is en dient in beginsel gericht te zijn op terugplaatsing van het kind in het gezin. Als een kind (tijdelijk) gescheiden wordt van zijn of haar ouder(s) houdt het recht op contact met de ouder(s), tenzij dat in strijd is met het belang van het kind. Een kind dat (tijdelijk) niet thuis woont heeft ook recht op bijzondere bescherming en bijstand. Bovendien verdient plaatsing in een (netwerk)pleeggezin de voorkeur boven residentiële plaatsing en is continuïteit in plaatsing belangrijk. De integrale tekst van de relevante bepalingen uit het IVRK alsmede een verwijzing naar de toepasselijke General Comment en Guidelines on Alternative Care zijn opgenomen in de bijlage.  

Beoordeling

Een uithuisplaatsing is in beginsel tijdelijk en gericht op terugplaatsing bij de ouders. In het geval van Bart is dat ook gebeurd. Pleegplaatsing was – in ieder geval volgens BJZ en de rechter – niet meer nodig. De vraag of BJZ genoeg heeft gedaan om de plaatsing van Bart bij verzoekers te borgen is dan ook niet aan de orde, zodat de klacht niet gegrond is voor zover de klacht betrekking heeft op Bart.

Ten aanzien van Anna overweegt de Kinderombudsman het volgende. De grootouders zijn boos dat de netwerkplaatsing bij hen is beëindigd. De Kinderombudsman ziet daarin een groot gevoel van teleurstelling over het mislukken van de plaatsing. Dat gevoel is begrijpelijk vanuit het perspectief van grootouders en ook omwille van Anna. Want hoe fijn was het geweest als zij in alle rust bij haar opa en oma had kunnen blijven tot het goed (genoeg) was om terug te keren naar haar moeder? De Kinderombudsman ziet dat de grootouders het beste voor hadden met Anna en graag langer netwerkgezin waren gebleven.

Het feit dat de plaatsing toch is mislukt, wil evenwel niet zeggen dat BJZ het niet goed heeft gedaan. Soms is een plaatsing in weerwil van de wens en de wenselijkheid niet (langer) haalbaar met het oog op de betrokken kinderen. Zo ook in het geval van Anna, besliste de rechter op basis van informatie van zowel BJZ als Rubicon. En om die kinderen gaat het, niet om de pleegouders.

Had BJZ dit kunnen voorkomen? BJZ stelt van niet en de Kinderombudsman volgt BJZ daarin. Gebleken is dat BJZ op verschillende manieren heeft getracht om de situatie te de-escaleren en de plaatsing te borgen. Uit het onderzoek blijkt een intensief contact van BJZ met de ketenpartners en andere betrokken partijen, het inschakelen van aanvullende hulpverlening en het inzetten van de-escalerende maatregelen. En daarbij is BJZ beperkt in haar mogelijkheden als ouders en pleegouders weigeren advies op te volgen. In die zin kan BJZ de netwerkplaatsing willen behouden, maar zich daarin gefrustreerd zien door de betrokken (pleeg)ouders. Dat ziet de Kinderombudsman in deze zaak ook gebeuren. Uit alle verkregen informatie, ook van anderen dan BJZ, blijkt dat moeder en grootouders over en weer niet hebben kunnen samenwerken.

De Kinderombudsman plaatst twee kanttekeningen bij het handelen van BJZ.

  • Niet is komen vast te staan dat grootmoeder de therapie van Anna uit eigen beweging stop zette. Oma stelt dat Buro van Roosmalen aangaf dat het niet meer nodig was. BJZ heeft niets aangedragen waaruit blijkt dat dat niet klopt maar stelt wel dat de behandeling door grootmoeder is stopgezet. Hierbij lijkt BJZ conclusies te hebben getrokken die in het onderzoek niet te verifiëren waren en die ook nergens op gebaseerd lijken. Dit  zal hebben geleid tot een gevoel van onrechtvaardigheid bij grootouders en dat zal de relatie tussen grootouders en BJZ niet hebben bevorderd;

  • Daarnaast is tijdens het onderzoek aan de orde gekomen dat BJZ eenzijdig partijdig zou zijn geweest voor moeder. Dit wordt benoemd door Rubicon en lijkt ook enigszins door te klinken in de informatie van de politie. De partijdigheid wordt niet herkend door BJZ. Op basis van de feitelijkheden kan dit ook niet worden vastgesteld,  Wel dat de verhouding tussen BJZ en pleegouders slecht was. Voor zover dit toch het gevolg is geweest van partijdigheid  of alleen al van de schijn daarvan, moet BJZ zich dit aantrekken en er lering uit trekken voor de toekomst. Overigens ziet de Kinderombudsman ook dat BJZ  zelf tijdens dit traject al maatregelen heeft genomen omwille van de verhoudingen en daarmee omwille van de kinderen door een nieuwe gezinsvoogd toe te wijzen. Ook als dit niet vanwege de (schijn van) partijdigheid is gebeurd, zoals BJZ heeft aangegeven in reactie op het onderzoek, dan nog geeft deze wisseling ervan blijk dat BJZ reflectief is geweest op het eigen handelen en met het oog op de kinderen actie heeft ondernomen.

Deze twee kanttekeningen vormen naar het oordeel van de Kinderombudsman geen aanleiding om te concluderen dat BJZ onvoldoende heeft gedaan om de plaatsing te borgen. BJZ heeft wel degelijk inspanningen verricht om het conflict te de-escaleren. Het borgen van de plaatsing was uit oogpunt van de verzoekers wellicht het doel, maar hoort dat voor BJZ vanuit het perspectief van de kinderen niet ten koste van alles te zijn. En omwille van Anna is die plaatsing dus geëindigd. Daarin valt BJZ niets te verwijten. Voortzetting van de plaatsing bij grootouders zou als voordeel hebben gehad dat er sprake was van continuïteit en Anna in een pleeggezin zou blijven in plaats van een residentiële instelling, maar was onder de gegeven omstandigheden niet haalbaar. Gelet op de feitelijke omstandigheden kan dan ook niet gesteld worden dat er sprake was van handelen in strijd met de kinderrechten.. Deze klacht is derhalve ongegrond.

Conclusie

De klachten over de onderzochte gedraging van Bureau Jeugdzorg te Roermond, zijn:

- niet gegrond met betrekking tot de samenwerking met de ketenpartners;

- niet gegrond met betrekking tot het borgen van de plaatsing.

 

De Nationale ombudsman,                     De Kinderombudsman,

 

Reinier van Zutphen                                 Lic.M.L.M. Dullaert MBA

 

 

Achtergrond: Verdrag inzake de Rechten van het Kind

 

Artikel 3

3.1 Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

3.2 De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3.3 De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 5

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.

Artikel 6

6.1 De Staten die partij zijn, erkennen dat ieder kind het inherente recht op leven heeft.

6.2 De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind.

Artikel 9

9.1 De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

9.2 In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.

9.3 De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

9.4 Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van één ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Artikel 18

18.1 De Staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg.

18.2 Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te bevorderen, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.

18.3 De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en voorzieningen voorkinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.

Artikel 19

19.1 De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.

19.2 Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma’s om te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor inschakeling van rechterlijke instanties.

General comment No. 14 (2013) on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration (art. 3, para. 1)*, 29 mei 2013, CRC/C/GC/14.

United Nations Guidelines for the Alternative Care of Children, 24 February 2010, A/RES/64/142.

14. Removal of a child from the care of the family should be seen as a measure of last resort and should, whenever possible, be temporary and for the shortest possible duration. Removal decisions should be regularly reviewed and the child’s return to parental care, once the original causes of removal have been resolved or have disappeared, should be in the best interests of the child, in keeping with the assessment foreseen in paragraph 49 below.

21. The use of residential care should be limited to cases where such a setting is specifically appropriate, necessary and constructive for the individual child concerned and in his/her best interests.

22. In accordance with the predominant opinion of experts, alternative care for young children, especially those under the age of 3 years, should be provided in family-based settings. Exceptions to this principle may be warranted in order to prevent the separation of siblings and in cases where the placement is of an emergency nature or is for a predetermined and very limited duration, with planned family reintegration or other appropriate long-term care solution as its outcome.

(…)

 

B. Promoting family reintegration

49. In order to prepare and support the child and the family for his/her possible return to the family, his/her situation should be assessed by a duly designated individual or team with access to multidisciplinary advice, in consultation with the different actors involved (the child, the family, the alternative caregiver), so as to decide whether the reintegration of the child in the family is possible and in the best interests of the child, which steps this would involve and under whose supervision.

50. The aims of the reintegration and the family’s and alternative caregiver ’s principal tasks in this respect should be set out in writing and agreed on by all concerned.

51. Regular and appropriate contact between the child and his/her family specifically for the purpose of reintegration should be developed, supported and monitored by the competent body.

52. Once decided, the reintegration of the child in his/her family should be designed as a gradual and supervised process, accompanied by follow-up and support measures that take account of the child’s age, needs and evolving capacities, as well as the cause of the separation.

(…)

81. When a child is placed in alternative care, contact with his/her family, as well as with other persons close to him or her, such as friends, neighbours and previous carers, should be encouraged and facilitated, in keeping with the child’s protection and best interests. The child should have access to information on the situation of his/her family members in the absence of contact with them.

 


[1] Per 1 januari 2015 heeft deze organisatie de naam Bureau Jeugdzorg Limburg – Roermond, maar aangezien de feiten dateren van voor 1 januari en omwille van de leesbaarheid wordt in dit rapport de oude naam gebruikt, afgekort tot: BJZ.

[2] Dit zijn gefingeerde namen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/116