2015/088 LBIO informeert een man voldoende dat advies over lagere bijdrage niet betekent dat hij geen achterstand in alimentatie oploopt

Een man betaalt al jarenlang partner- en kinderalimentatie. Omdat zijn financiële situatie hard achteruit gaat vraagt hij het LBIO advies over een lagere bijdrage. De berekening van het LBIO laat zien dat hij inderdaad minder zou kunnen betalen. Dan gaat hij een lager bedrag aan zijn ex-vrouw betalen. De ex-vrouw van de man merkt dat en vraagt het LBIO om het oorspronkelijke, hogere bedrag te innen. Het LBIO gaat vervolgens hiertoe over. De man klaagt bij het LBIO dat ze hem adviseren dat de alimentatie omlaag kan , maar hem ook dwingen om een hoger bedrag te betalen, zelfs na het starten van een procedure bij de rechtbank tot verlaging van alimentatie. De man vindt dat hij niet goed is geïnformeerd en onnodig kosten heeft gemaakt. Het LBIO echter heeft de man schriftelijk én mondeling geïnformeerd dat hun eerder uitgebrachte advies niet bindend was. Daarna is de man ook nog schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen van de achterstallige alimentatie en de kosten. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de klacht over het LBIO niet gegrond is.

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)

Klacht:

aan ene kant adviseert het LBIO verzoeker tot een aangepast (lager) bedrag, maar dwingt verzoeker ook tot betaling van een hoger bedrag, zelfs nadat hij bij de rechtbank een procedure tot verlaging van de alimentatie is gestart

Oordeel: niet gegrond

Een man betaalt al jarenlang partner– en kinderalimentatie, wanneer zijn financiële situatie hard achteruit gaat. Hij vraagt het LBIO om te berekenen wat een passende bijdrage is en daar komt een lager bedrag uit. De man betaalt voortaan dit bedrag aan zijn ex.

Zij vraagt het LBIO het oorspronkelijke, door de rechter vastgelegde bedrag voor haar te innen. Na een aankondiging aan de man gaat het LBIO daartoe over en dat brengt kosten mee voor de man.

De man klaagt erover dat het LBIO aan de ene kant adviseert tot een aangepast (lager) bedrag, maar hem ook dwingt tot betaling van een hoger bedrag, zelfs nadat hij bij de rechtbank een procedure tot verlaging van de alimentatie is gestart. Hij vindt dat hij niet goed is geïnformeerd door het LBIO en dat hij onnodig veel kosten heeft moeten voldoen.

De Nationale ombudsman komt tot de conclusie dat de klachten niet gegrond zijn.

BEVINDINGEN VAN HET ONDERZOEK

1. Wat is er gebeurd?

Verzoeker en zijn ex-echtgenote (hierna: de vader en de moeder) zijn in 2005 gescheiden. Zij hadden afspraken over door de vader te betalen kinderalimentatie (ruim € 500 per maand) en partneralimentatie (€1200 per maand) vastgelegd in een convenant. Deze afspraken zijn overgenomen in de rechterlijke beschikking over de echtscheiding.

De vader vraagt het LBIO advies over de alimentatie
In augustus 2012 verzocht de vader het LBIO om een herberekening te maken van de alimentatie op grond van gewijzigde financiële omstandigheden. Naar aanleiding van een verzoek van het LBIO om documenten toe te sturen liet de vader weten dat de moeder niet wilde meewerken aan het verstrekken van gegevens of een herberekening. Hij heeft vervolgens wel een schatting gemaakt van de financiële situatie van de moeder en vroeg het LBIO de berekening uitsluitend naar hem te communiceren en niet naar de moeder. Het LBIO bracht in november 2012 een schriftelijk advies uit over zowel de kinder- als partneralimentatie. Daarbij heeft het LBIO alleen rekening kunnen houden met de gegevens die de vader heeft overgelegd. Het LBIO kwam uit op een lager bedrag dan de rechter in 2005 had bepaald. In deze brief van het LBIO stond tot slot het volgende:

''Tot slot wil ik u erop wijzen dat het LBIO de berekening heeft gemaakt op basis van de gegevens die u en uw (ex-)partner hebben verstrekt. Het LBIO controleert niet of deze gegevens correct zijn. Een advies over de hoogte van de alimentatie door het LBIO is niet bindend. U bent dus niet verplicht om deze berekening aan te houden. Wanneer u en uw (ex-)partner het wel eens zijn met de berekening, kunt u dit bedrag vast laten leggen door de rechter. Ook kunt u het bedrag opnemen in een convenant en de rechter verzoeken dit vast te leggen in de beschikking.''

Medio december 2012 berichtte de vader per e-mail nog eens expliciet dat de moeder niet wilde meewerken aan de herberekening, maar dat hij het door het LBIO als advies berekende bedrag had overgemaakt aan de moeder. Ook liet hij daarbij weten dat zij hem had verteld dat de berekening van het LBIO geen wettelijke basis had en zij het LBIO had verzocht om het oorspronkelijke alimentatiebedrag te incasseren. De vader merkte op dat hij het opmerkelijk zou vinden als het LBIO dit zou doen, terwijl het bureau recent een nieuwe berekening voor hem had gemaakt. Op 20 december 2012 nam de vader telefonisch contact op met de afdeling van het LBIO die de herberekening had gemaakt. Het LBIO liet weten dat het slechts advies geeft en de beschikking bindend blijft en deze dus uitgevoerd moet worden. De vader gaf aan dit te begrijpen, maar het hier niet mee eens te zijn.

De moeder schakelt het LBIO in
Medio februari 2013 verzocht de moeder het LBIO om de inning van de alimentatie voor haar te verzorgen omdat er een betalingsachterstand was ontstaan. De vader had enige maanden een te laag bedrag overgemaakt. De moeder had deze bedragen teruggestort, omdat zij bang was dat zij anders akkoord zou gaan met de lagere betalingen. Vanaf december 2012 zou de vader kinder- noch partneralimentatie betaald hebben.
Het LBIO informeerde de vader met een brief over het verzoek van de moeder. De vader liet daarop weten dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden en dat hij door het LBIO een herberekening had laten uitvoeren (waaraan de moeder niet wilde meewerken), op basis waarvan hij het juist achtte een lager bedrag aan alimentatie over te maken.
Omdat de vader eind maart 2013 alsnog de verschuldigde kinder- en partneralimentatie had betaald aan de moeder (periode juli 2012 - maart 2013), besloot het LBIO begin april 2013 om de inning niet over te nemen van de moeder. Wel werd de vader er schriftelijk op attent gemaakt dat hij vanaf april 2013 de juiste (hogere) bedragen diende te voldoen, nu de moeder had gemeld dat de vader voor april 2013 weer een lager bedrag had betaald. Als er in de toekomst sprake zou zijn van een achterstand in de betaling van de alimentatie, zou de moeder het LBIO opnieuw kunnen vragen de inning van de alimentatie te verzorgen.

De moeder vraagt nogmaals om inning
Medio mei 2013 verzocht de moeder het LBIO nogmaals om de inning over te nemen, omdat de vader vanaf april 2013 verzuimde de alimentatie (volledig) te voldoen.
Op 23 mei 2013 schreef het LBIO vader aan voor deze achterstand (nadat het bureau hem op deze dag eerst hierover had opgebeld). In de brief werd verwezen naar de alimentatiebijdrage die hij moest betalen, zoals vastgelegd in de rechterlijke uitspraak van 21 januari 2005. Het LBIO adviseerde de vader ook - ter voorkoming van een overname en hoge kosten- de alimentatie volledig en tijdig te voldoen dan wel binnen de termijn aan te tonen dat hij wel had betaald. De brief en de bijlage bevatten ook informatie over de mogelijkheid van loonbeslag bij uitblijven van betaling en over het feit dat een werkgever daardoor bekend wordt met persoonlijke gegevens.
De vader verzocht het LBIO om opschorting, omdat hij op 30 mei 2013 een gerechtelijke procedure was gestart om de alimentatie te wijzigen. Op het verzoek van het LBIO aan de moeder of zij opschorting toestond, reageerde zij echter afwijzend. Het LBIO heeft vervolgens de vader op 24 juni 2013 bericht dat het door zou gaan met de inning. Omdat een nadere reactie van vader uitbleef, heeft het LBIO hem op 16 juli 2013 geschreven dat het de inning overnam, dat hij opslagkosten moest voldoen en dat een beslagformulier en de volledige rechterlijke uitspraak worden toegezonden aan de werkgever.

Na de overname van de inning door het LBIO
Begin augustus 2013 maakte verzoeker aan het LBIO de alimentatie over die hij over de maanden april t/m augustus was verschuldigd op basis van de rechterlijke beslissing uit 2005, een bedrag van €9.600. Het LBIO sprak met de vader af dat het bedrag niet aan de moeder zou worden doorgestort omdat er medio september een zitting over de verzochte verlaging van de alimentatie zou zijn. In december 2013 volgde de uitspraak van de rechter: de alimentatie voor de moeder werd herzien naar € 695,- en voor zoon Y naar € 567,- met ingang van 1 november 2012. De rechter bepaalde ook dat de moeder niet hoefde terug te betalen wat ze – achteraf gezien – teveel had ontvangen.

2. Wat was de aanleiding voor de klacht bij de Nationale ombudsman?

De vader klaagde over het functioneren van het LBIO, zowel in het algemeen als specifiek in zijn zaak. Het LBIO profileert zich als een organisatie voor de inning van alimentatie, maar geeft óók adviezen over de te betalen alimentatie. Daarvan heeft hij gebruik gemaakt door het LBIO te vragen een herberekening van de alimentatie te maken. Op basis hiervan is hij een lager bedrag gaan betalen aan de moeder. De moeder kon zich daarin echter niet vinden en schakelde het LBIO.
Het zou toch billijk zijn geweest als het LBIO de moeder had verzocht haar gegevens ter beschikking te stellen alvorens tot inning van de alimentatie over te gaan. Het LBIO stelt zelf in haar informatieblad dat bij voorkeur de betaling tussen partners onderling geregeld wordt. Het feit dat het advies van het LBIO niet bindend is, doet geen afbreuk aan de plicht om de moeder te verzoeken om haar gegevens op te sturen. Dit zou zijn positie in ieder geval geholpen hebben.
Daarnaast is de vader van mening dat het LBIO hem ten onrechte heeft gedwongen de alimentatie te voldoen vanaf november 2012 tot en met maart 2013. Onder dreiging van opslagkosten en loonbeslag door het LBIO, betaalde hij onder protest het (hoge) achterstallige alimentatiebedrag tot en met maart 2013.
Hierdoor is hij achteraf benadeeld doordat de rechter eind 2013 heeft bepaald dat de moeder ontvangen termijnen niet hoefde terug te betalen.
Ook begrijpt hij niet dat hij toch opslagkosten moest betalen, dit terwijl hij in afwachting van de uitspraak van de rechter het alimentatiebedrag voor april 2013 tot en met augustus 2013 van € 9.600,- op de rekening van het LBIO had gestort.
De vader heeft deze bezwaren naar voren gebracht in een klachtprocedure bij het LBIO.

De directeur achtte de klachten ongegrond.

Het LBIO liet weten dat het feit dat de moeder niet wilde meewerken aan een herberekening van de alimentatie, het LBIO niet te verwijten is. Die herberekening zou dan overigens ook om een indicatie gaan, want het LBIO bepaalt niet hoe hoog de alimentatie uiteindelijk wordt. Het kan hooguit partijen inzicht geven in een door de rechter mogelijk vast te stellen bedrag.

Het LBIO liet weten begrip te hebben voor de situatie waarin de vader verkeerde, te weten als hij niet betaalde, dreigde inning met opslagkosten en als hij wel betaalde, speelde het risico van teveel betaalde bijdragen. Dat de vader vervolgens geen andere optie zag dan de alimentatie op te schorten, kon het LBIO zich voorstellen vanuit zijn positie. Toch kan de moeder claimen dat de vader de achterstallige alimentatie moet betalen, aldus het LBIO.

3. Hoe reageerde het LBIO in het ombudsman-onderzoek?

Volgens het LBIO kan uit deze gang van zaken, namelijk wat het LBIO de vader bij sluiting van het dossier in 2013 had uitgelegd, worden opgemaakt dat de vader ervan op de hoogte was dat de moeder niet meewerkte aan een gewijzigd alimentatiebedrag en dat hem dus nog slechts de gang naar de rechter resteerde.

In zoverre kon de vader over het beslag onder zijn werkgever niet meer verrast zijn, immers het LBIO had dat in brieven van 23 mei 2013 en 16 juli 2013 al aangekondigd.
Hierna reageerde de vader per e-mail van 19 juli 2013 dat hij boos en gefrustreerd was over de gang van zaken bij het LBIO. Alle argumenten van hem ten spijt, feit blijft volgens LBIO dat de vader niet kon aantonen dat hij de alimentatie tot en met juni 2013 volledig had betaald aan de moeder. Daardoor kon het LBIO de inning overnemen en waren door de vader ook de opslagkosten verschuldigd.

Het LBIO heeft hem telkens op de hoogte gehouden van de achterstanden, daarover kan wat het LBIO betreft geen misverstand bestaan. Zijn klacht dat het LBIO hem niet eerder een overzicht van de achterstand stuurde en hij daardoor anders op de situatie had gereageerd, acht het LBIO ongegrond.

Toch heeft het LBIO wel uit coulance het loonbeslag opgeheven, nu de vader een groot bedrag op 8 augustus 2013 aan het LBIO betaalde. Dit bedrag zou worden geblokkeerd en pas worden doorgestort na de uitspraak, omdat er al op 17 september 2013 een zitting zou volgen. Dit bedrag is uiteindelijk - na de uitspraak van de rechter - terecht doorgestort naar de moeder, omdat er nog een groot bedrag aan achterstand openstond.
Ook wil het LBIO nog opmerken dat het opschorten van het loonbeslag er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat er geen maandelijkse (hoge) bedragen werden geïnd en vervolgens aan de moeder doorgestort. Gezien de uitspraak waarbij de rechter bepaalde dat 'teveel betaalde gelden niet hoeven te worden teruggestort', heeft dit hoogstwaarschijnlijk in zijn voordeel uitgepakt.

Tot slot laat het LBIO weten dat de twee verzoeken (van de vader om berekening en van de moeder om inning) niet tegelijkertijd liepen. De vader was geheel op de hoogte van de status van het advies, namelijk dat het voor partijen niet bindend kon zijn en dat de moeder geen geldigheid aan de berekening verbond. Juist omdat de verzoekende partij (of partijen) erover geïnformeerd worden dat het om een advies gaat en het vervolgens aan partijen is om er onderling uit te komen of ermee naar een rechter te gaan, acht het LBIO het niet nodig om te monitoren dat partijen eventueel bij beide afdelingen een verzoek hebben lopen. De taken staan los van elkaar en de ene zaak heeft geen direct gevolg voor de andere. In de praktijk levert dit ook geen problemen op.

4. Hoe reageerde de vader?

De vader laat weten dat hij de moeder verschillende malen heeft verzocht haar gegevens ter beschikking te stellen voor een adviserende berekening. Bovendien heeft hij het LBIO toestemming verleend zijn gegevens aan de moeder door te geven. Nochtans weigerde de moeder categorisch mee te werken. Wat hem in hoge mate frustreert, is dat het LBIO op geen enkele manier heeft geprobeerd de moeder te bewegen om mee te werken aan een berekening maar wel dreigt de inning over te nemen als niet voldaan wordt aan de verplichting tot alimentatie.

Naar aanleiding van het verzoek van de moeder in februari 2013 dreigde het LBIO met kosten en loonbeslag, waardoor hij werd gedwongen om de alimentatie te voldoen. Het LBIO werkt op geen enkele wijze mee aan bemiddeling, maar kijkt alleen naar het convenant en heeft geen oog voor de gewijzigde situatie en rechten van de alimentatieplichtige. Onder protest heeft hij achterstallige alimentatie van december 2012 tot en met maart 2013 betaald. Uiteindelijk komt hem dat duur te staan omdat de rechter beoordeelt dat weliswaar vanaf november 2012 de lagere alimentatie geldig is, maar reeds betaalde alimentatie niet behoeft te worden terugbetaald. In zijn ogen een absurdistische situatie. Als hij niet betaalt dan dreigen er opslagkosten en als hij wel betaalt, loopt hij het risico teveel betaalde alimentatie niet meer terug te krijgen.

De vader zag geen andere uitweg om de alimentatie bij te stellen dan de dure gang naar de rechter. Hij nam naar aanleiding van de tweede aankondiging van het overnemen van de inning ook contact op met LBIO op welke wijze de kou tijdelijk uit de lucht gehaald kon worden. Met het LBIO kwam hij overeen om € 9600,- aan het LBIO te betalen, dat bedrag zou het LBIO op de eigen rekening zetten totdat er een uitspraak was. Hiermee is volgens de vader de suggestie gewekt dat er een status quo is en er dus geen sprake kan zijn onverminderde verplichting tot alimentatie en dus opslagkosten. Deze suggestie werd versterkt door het feit dat hij na deze storting geen saldo-overzichten meer heeft ontvangen. Uiteindelijk heeft hij zelf verzocht om hem een saldo-overzicht te verstrekken.

De stelling van het LBIO dat hij voordeel zou hebben genoten door het opschorten van het loonbeslag in relatie tot de uitspraak aangaande dat “teveel betaalde gelden niet teruggestort hoeven te worden“ acht hij onjuist. Alsof hij blij moet zijn dat hij boete/opslagkosten moet betalen, omdat hij anders de teveel betaalde alimentatie niet had teruggekregen.
Het feit dat het verzoek tot herberekening en inning niet tegelijkertijd liepen is niet relevant, aldus de vader. Het LBIO wist op het moment van inning dat er een verzoek lag tot herberekening en had er iets mee kunnen en moeten doen.
De werkwijze van het LBIO moet tegen het licht gehouden worden. In verband met de hoge advocaatkosten, de frustraties over de gang van zaken en alle correspondentie, wil de vader volledige compensatie van de door LBIO opgelegde opslagkosten. Bovendien zou hij willen dat het LBIO een andere werkwijze gaat hanteren voor alle huidige en toekomstige alimentatieplichtigen.

BEOORDELING

5. Hoe oordeelt de Nationale ombudsman?

Ten behoeve van de beoordeling formuleert de Nationale ombudsman de onderzochte klachten als volgt:

I. Verzoeker klaagt erover dat het LBIO eerst, op verzoek van de vader, een schriftelijk advies heeft uitgebracht over de kinder- en partneralimentatie én vervolgens, op verzoek van de moeder, een verzoek tot inning van de alimentatie in behandeling heeft genomen. Dit heeft geleid tot verwarring over zijn alimentatieverplichting en daarbij is de vader geconfronteerd met opslagkosten die hij niet rechtvaardig vindt.

II. Tevens klaagt hij erover dat als het LBlO hem eerder een overzicht van de achterstand had gestuurd, hij anders op de situatie had gereageerd en het niet tot zoveel extra kosten - voor hem - had geleid

De Nationale ombudsman toetst beide gedragingen van het LBIO aan het vereiste van goede informatieverstrekking. Dat houdt in dat de overheid, in dit geval het LBIO, er voor zorgt dat de burger de juiste informatie krijgt, niet alleen op verzoek, maar ook uit zichzelf.

I. Ten aanzien van de klacht over het uitbrengen van een advies én het in behandeling nemen van een inningsverzoek en de opslagkosten.

De vraag die in dit kader beantwoord moet worden is of het LBIO voldoende duidelijk aan de vader heeft gemaakt dat het bij de berekening van de alimentatie om een advies ging. En dat ongeacht dit advies de moeder het LBIO kon (blijven) inschakelen om de - in het echtscheidingsconvenant vastgelegde - alimentatie bij de vader te innen.

Dit is het geval. Het LBIO heeft de vader hierover namelijk zowel schriftelijk als mondeling geïnformeerd. In de begeleidende brief bij het advies van het LBIO van november 2012 staat dat een advies over de hoogte van de alimentatie door het LBIO niet bindend is. In de telefoonnotitie van het telefoongesprek met verzoeker in december 2012 staat dat het LBIO liet weten dat het slechts advies geeft en de beschikking bindend blijft en dus uitgevoerd moet worden.

Het LBIO ontving in februari 2013 het eerste inningsverzoek van de moeder. Nadat de vader alsnog de achterstand van de alimentatie had voldaan, heeft het LBIO hem er duidelijk op geattendeerd dat hij vanaf april 2013 de juiste (hogere) bedragen diende te voldoen. Daarbij werd ook zorgvuldig gemeld dat in de toekomst de moeder het LBIO opnieuw zou kunnen vragen de inning van de alimentatie te verzorgen.

En toen zich inderdaad die situatie voordeed, heeft het LBIO de vader in mei 2013 en juni 2013 steeds opnieuw verwezen naar de alimentatiebijdrage die hij moest betalen, zoals vastgelegd in de rechterlijke uitspraak van januari 2005. In beide brieven heeft het LBIO de vader voldoende op de gevolgen gewezen van een achterstand in de alimentatie.

Het LBIO heeft de vader zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd over de status van het uitgebrachte advies. In het stadium daarna heeft het LBIO de vader ook nog schriftelijk geïnformeerd over de achterstallige alimentatie en wat de consequenties voor hem zouden zijn als hij de achterstand niet tijdig zou voldoen. Het LBIO heeft niet gehandeld in strijd met het vereiste van goede informatieverstrekking.

Dit klachtonderdeel is niet gegrond.

II. Ten aanzien van het sturen van een overzicht en de ontstane kosten

De vader heeft in augustus 2013 € 9600,- op de rekening van het LBIO gestort, dit in afwachting van de uitspraak van de rechter over de alimentatie. Hierdoor was hij van mening dat er dus geen sprake kon zijn van een onverminderde verplichting tot alimentatie en opslagkosten. Dit werd versterkt door het feit dat hij na deze storting geen saldo-overzichten meer had ontvangen. Uiteindelijk heeft hij zelf verzocht om hem een saldo-overzicht te verstrekken, aldus de vader.

Het LBIO heeft de vader in mei 2013 aangeschreven en daarbij een achterstandsberekening gevoegd. In juni 2013 informeerde het LBIO de vader voor de laatste keer, voordat het LBIO op 16 juli 2013 definitief de inning overnam.
Dat de vader vervolgens in augustus 2013 een groot bedrag stortte, doet hier niet aan af. De inning was toen al overgenomen en daarmee zijn de opslagkosten gerechtvaardigd.

Het LBIO heeft de vader tussentijds geïnformeerd over de achterstand en over de gevolgen wanneer hij de alimentatie niet tijdig zou voldoen. Het LBIO heeft niet gehandeld in strijd met het vereiste van goede informatieverstrekking.

Ook dit klachtonderdeel is niet gegrond.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedragingen van het LBIO is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

 

Reinier van Zutphen

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/088