2015/062 Belastingdienst mocht beslag leggen op in bruikleen gegeven bedrijfsmiddelen voor invordering belastingschuld

De Belastingdienst legt beslag op zaken die een belastingschuldige in bruikleen heeft van een BV. De BV is het met de inbeslagname van haar eigendom niet eens. Maar de Nationale ombudsman vindt dat de directeur Belastingen van de Belastingdienst dit in redelijkheid kan beslissen omdat er sprake is van bedrijfsvermenging en in zo'n situatie reële eigendom van een derde niet wordt ontzien.

Instantie: Directeur Belastingen (Belastingdienst)

Klacht:

afwijzend beslist op beroep tegen de inbeslagneming van zaken waarvan niet de belastingschuldige de eigenaar is maar BV X.

Oordeel: niet gegrond

BV X is het niet eens met de beslaglegging door de Belastingdienst op zaken die niet aan de belastingschuldige maar aan BV X in eigendom toebehoren. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de directeur Belastingen van de Belastingdienst in redelijkheid kon beslissen om niet af te zien van verhaal op de zaken waarvan de eigendom niet berust bij de belastingschuldige maar bij BV X. Dit omdat sprake was van bedrijfsinmenging en in zo'n situatie reële eigendom van een derde niet wordt ontzien.

Wat is de klacht?

BV X klaagt erover dat de directeur Belastingen van de Belastingdienst afwijzend heeft beslist op haar beroep tegen de inbeslagneming van zaken waarvan niet de belastingschuldige de eigenaar is maar BV X.

Wat ging er aan de klacht vooraf?

BV X richt zich op het stimuleren, bevorderen en economisch rendabel maken van hergebruik van materialen afkomstig van autowrakken en andere vormen van gemotoriseerde vervoermiddelen. Stichting X (hierna: de stichting) heeft als (statutair) doel het bevorderen van alle recyclingmaatregelen die de schade aan het milieu zoveel als mogelijk beperken. BV X en de stichting beogen hun doelstellingen te halen door samen in heel Nederland een systeem op te zetten en in stand te houden gericht op het zo efficiënt en effectief mogelijk recyclen van autowrakken en andere vormen van gemotoriseerde vervoermiddelen. BV X en de stichting sluiten jaarlijks overeenkomsten met deelnemende autodemontagebedrijven waarbij zaken, zoals een droogleginstallatie, in bruikleen worden gegeven. Met Autodemontagebedrijf K VOF zijn op 6 juni 2006 en op 28 oktober 2008 dergelijke bruikleenovereenkomsten gesloten. Daaraan voorafgaande hebben BV X en de stichting met belastingschuldige op 15 juni 2000 een zogenaamde 'Aansluitingsovereenkomst' gesloten. In die overeenkomst zijn onder meer de wederzijdse verplichtingen en de voorwaarden voor de deelnemende autodemontagebedrijven neergelegd. Een exemplaar van deze overeenkomst is als bijlage aangehecht.

In april en juni 2014 heeft de Belastingdienst ter invordering van een belastingschuld bodembeslag 1) gelegd op alle roerende zaken die zich op de bodem van Autodemontagebedrijf K VOF bevonden, vanwege een belastingschuld van dat bedrijf.

BV X heeft op 14 mei 2014 beroep ingesteld tegen de inbeslagneming van de roerende zaken die haar eigendom zijn en aan belastingschuldige in bruikleen zijn gegeven. In het beroepschrift is een opsomming gegeven van de zaken waar het om gaat (zie bijlage). Ook verstrekte BV X aan de Belastingdienst aanvullende stukken waaronder de overeenkomsten van bruikleen en de aansluitingsovereenkomst.

Nadat BV X op 23 juli 2014 een telefonische toelichting had gegeven, nam de directeur Belastingen van de Belastingdienst (hierna: de directeur) op 28 juli 2014 een beslissing op het beroep. De directeur verklaarde het beroep niet ontvankelijk omdat het niet tijdig was ingediend. Wel werd het beroep ambtshalve beoordeeld. In de uitspraak werd in algemene zin ingegaan op het bodembeslag, met name op de begrippen 'bodem' en 'stoffering'. De directeur wees het beroep af. Volgens de directeur was sprake van bedrijfsinmenging. In die situatie blijft het beslag gehandhaafd ondanks dat er sprake kan zijn van reële eigendom van BV X. 2) De directeur overwoog:

Uit het geheel van de beschikbare gegevens is mij gebleken dat de economische verhouding tussen (BV X; N.o.) en de belastingschuldige (Autodemontagebedrijf K VOF; N.o.) van dien aard is dat de belastingschuldige in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid, die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist omdat hij deze moet overlaten aan (BV X) zonder wie de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt niet denkbaar is.

Dit blijkt met name uit artikel k.1 van de aansluitingsovereenkomst waarin belastingschuldige eigenlijk volledig afhankelijk is van (BV X; N.o.) in zijn bedrijfsvoering. Daarnaast wordt in artikel 1.8 van de aansluitingsovereenkomst belastingschuldige verboden om voor andere dan door u aangewezen derden werkzaamheden te verrichten.

Met betrekking tot het horen is het volgende in de beslissing opgenomen:

Op 23 juli 2014 heeft u (BV X; N.o.) het beroepschrift telefonisch toegelicht. Ik concludeer hieruit dat u (BV X; N.o.) afziet van een hoorgesprek. Tijdens de telefonische toelichting is het invorderingsbeleid met u (BV X; N.o.) besproken en waar nodig toegelicht. U (BV X; N.o.) heeft onder andere nog het volgende naar voren gebracht: door de Aansluitingsovereenkomst autodemontagebedrijven voert u (BV X; N.o.) de regie over de bedrijfsvoering van (Autodemontagebedrijf K VOF; N.o.). Op basis hiervan hebt u (BV X; N.o.) de zaken in bruikleen gegeven.

BV X wendde zich op 1 september 2014 tot de Nationale ombudsman. De BV is het met de beslissing van de directeur niet eens. Het is beleid van de Belastingdienst dat reële eigendom van een derde wordt gerespecteerd. Volgens BV X is evident sprake van reële eigendom. De BV draagt (met de stichting) het volledige waardeverminderings- en verzekeringsrisico. Er is geen sprake van inmenging in het bedrijf van Autodemontagebedrijf K VOF. De stichting en BV X kunnen geen rechtstreekse en/of indirecte invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering van Autodemontagebedrijf K VOF. Er is geen sprake dat de reële eigendom niet hoeft te worden gerespecteerd. Dat kan alleen bij volledige bedrijfsafhankelijkheid. Daarvan is volgens BV X geen sprake. Dat blijkt al uit de omstandigheid dat ook bodembeslag is gelegd op een veelvoud van bodemzaken die geen eigendom zijn van BV X en/of de stichting. De inbeslaggenomen zaken betreffen naast de eigendom van de stichting en BV X de volledige bedrijfsvoering van Autodemontagebedrijf K VOF, zijnde een complete bedrijfsinrichting gericht op autodemontage. Ten slotte verwijst BV X nog naar de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 16 februari 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BP6130; zie onder ACHTERGROND/BIJLAGEN, onder 3.).

Met betrekking tot het horen merkte BV X nog het volgende op. Aanvankelijk speelde in contacten met de Belastingdienst alleen of sprake was van reële eigendom. In het telefoongesprek liet de medewerker van de Belastingdienst weten dat een hoorgesprek alleen zinvol zou zijn als sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Omdat er geen andere feiten of omstandigheden waren te melden dan al vermeld in het beroepschrift is afgezien van een hoorgesprek. BV X voelt zich overvallen met de uitspraak op het beroepschrift. De beslissing is gegrond op een volledig nieuw standpunt van de Belastingdienst dat is gebaseerd op een foutieve vaststelling van de feiten en achtergronden. Indien in het telefoongesprek dit standpunt aan de orde zou zijn gesteld als van belang voor de beslissing, zou zeker om een hoorgesprek zijn gevraagd om onjuiste aannames recht te zetten.

De directeur liet weten dat tijdens het telefoongesprek op 23 juli 2014 door hem een korte toelichting is gegeven over de wijze van afwikkeling van de beroepsprocedure. Ook is gesproken over de invloed van BV X op de bedrijfsvoering van Autodemontagebedrijf K VOF en dat BV X en dat bedrijf deze samenwerking zijn aangegaan als gevolg van veranderde wetgeving. Er is geen verslag gemaakt. Een korte weergave van de toelichting is opgenomen in de beschikking. De Belastingdienst merkte nog op dat de uitzonderingssituatie die maakt dat in dit geval de reële eigendom niet wordt ontzien tijdens het telefoongesprek niet aan de orde is gesteld. Dit is volgens de Belastingdienst ook niet gebruikelijk. Het hoorgesprek of de telefonische toelichting is primair bedoeld om betrokkene de gelegenheid te geven diens zienswijze toe te lichten dan wel aan te vullen. Oordeelsvorming door de directeur vindt pas plaats na het hoorgesprek of de telefonische toelichting. De Belastingdienst gaf onder verwijzing naar een brief van 4 juli 2014 aan BV X nog aan dat het afzien van een hoorgesprek was afgestemd met BV X.

Reactie BV X op het verslag van bevindingen

BV X weersprak dat in het telefonisch gesprek van 23 juli 2014 met de Belastingdienst door haar naar voren is gebracht: "door de Aansluitingsovereenkomst autodemontagebedrijven voert u (BV X); N.o.) de regie over de bedrijfsvoering van (Autodemontagebedrijf K VOF; N.o.). Daargelaten dat dit volledig onjuist is, is deze stelling nimmer ingenomen. In het telefoongesprek is uitsluitend meegedeeld dat BV X de regie voert over de recyclingketen van Nederlandse autowrakken.

Wat is het oordeel van de Nationale ombudsman?

I Ten aanzien van de beslissing van de directeur

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Het bodemrecht houdt kort gezegd in dat de Belastingdienst ter invordering van (bepaalde) belastingschulden verhaal heeft op alle roerende zaken die duurzaam op de 'bodem' van de belastingschuldige in gebruik zijn, ongeacht van wie die zaken zijn. Uit overwegingen van billijkheid wordt het eigendomsrecht van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is van reële eigendom van de derde 3). Op dit terughoudende beleid gelden een aantal uitzonderingen.

In dit geval staat niet ter discussie dat de Belastingdienst voor het verhaal op Autodemontagebedrijf K VOF het bodemrecht toekomt. 4) De vraag die moet worden beantwoord is of de Belastingdienst op grond van het toepasselijke beleid 5) af moest zien van verhaal op de zaken waarvan BV X het eigendomsrecht heeft.

De directeur heeft deze laatste vraag ontkennend beantwoord. Volgens de directeur is sprake van bedrijfsinmenging. Dat blijkt volgens de directeur met name uit twee nader genoemde bepalingen uit de door BV X overgelegde aansluitingsovereenkomst. In zo'n geval wordt, ondanks dat er sprake kan zijn van reële eigendom van BV X, geen terughoudend beleid gevoerd en blijft het beslag gehandhaafd. 6)

De Nationale ombudsman is van oordeel dat uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat BV X, samen met de stichting, een zodanig grote invloed had op de onderneming van belastingschuldige dat de directeur in redelijkheid kon beslissen om niet af te zien van verhaal op de zaken waarvan de eigendom berust bij BV X. De Nationale ombudsman acht daarvoor in het bijzonder van belang de aard en omvang van de zaken die BV X aan belastingschuldige in bruikleen heeft gegeven in relatie tot de tussen BV X (tezamen met de stichting) en belastingschuldige getekende aansluitingsovereenkomst. Het komt de Nationale ombudsman voor dat de door BV X aan belastingschuldige in bruikleen gegeven zaken van essentiële betekenis zijn voor de bedrijfsvoering van laatstgenoemde. De aansluitingsovereenkomst geeft voorts blijk van een grote invloed van BV X, samen met de stichting, op de bedrijfsvoering van belastingschuldige. Zo is sprake van verstrekkende verplichtingen voor belastingschuldige in diens bedrijfsvoering, onder meer de beperking in het vrijelijk zaken kunnen doen met derden, de wijze van de te voeren administratie en certificering en controle. Voorts heeft de stichting, waarmee BV X op één lijn kan worden gesteld, grote invloed op de ontvangsten van belastingschuldige doordat de stichting de premie per eenheid materiaal vaststelt. De uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2011 (ECLI:NL:RBZUT:2011:BP6130, zie ACHTERGROND/BIJLAGEN onder 3.) waarop BV X een beroep doet maakt dit niet anders. De feiten en omstandigheden in die uitspraak wijken zodanig af van die in de onderhavige zaak dat de uitspraak van de rechtbank geen steun geeft voor een andere opvatting.

Op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk.

II Ten aanzien van de hoorplicht

Het vereiste van fair play houdt het volgende in. De overheid geeft de burger de mogelijkheid om zijn procedurele kansen te benutten en zorgt daarbij voor een eerlijke gang van zaken.

In dit geval is sprake van een wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk beroepschrift. Het beleid van de Belastingdienst schrijft voor dat in een dergelijk geval het beroepschrift ambtshalve in behandeling wordt genomen. Dat is in dit geval ook gebeurd. De Belastingdienst heeft bij de ambtshalve behandeling BV X uitgenodigd voor een hoorzitting. Dat laatste heeft de instemming van de Nationale ombudsman.
Niet ter discussie staat dat BV X heeft aangegeven te willen volstaan met een telefonische toelichting. Nu BV X achteraf is gebleken dat de enkele toets van reële eigendom niet beslissend was (zie hierboven onder punt I), voelt BV X zich overvallen door de Belastingdienst. BV X meent dat de Belastingdienst dit in het telefoongesprek aan de orde had moeten stellen. Dan had zij alsnog om een hoorgesprek verzocht.

Volgens de Belastingdienst is in het telefoongesprek gesproken over de invloed van BV X op de bedrijfsvoering van belastingschuldige en over het feit dat BV X en belastingschuldige de samenwerking zijn aangegaan als gevolg van veranderde wetgeving. Daarbij heeft de Belastingdienst niet naar voren gebracht dat dit raakt aan de hier van belang zijnde uitzondering op het beleid dat reële eigendom wordt ontzien.

De Nationale ombudsman vindt het belangrijk dat bij het horen dan wel, zoals in dit geval, een telefonische toelichting het niet blijft bij een statisch geboden mogelijkheid aan de burger om zijn standpunt toe te lichten. Het gaat er ook om dat ruimte bestaat voor het uitwisselen van informatie en wederzijdse standpunten en voor zover mogelijk het zoeken naar oplossingen. In dit geval acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat in het telefoongesprek voor de beslissing relevante informatie en standpunten aan de orde zijn geweest.

Wat ontbreekt is een door de Belastingdienst gegeven meer expliciete verwijzing naar het belang van de invloed van BV X op de bedrijfsvoering van belastingschuldige voor de te nemen beslissing. Daarbij gaat het dan niet om het kenbaar maken van een 'oordeel' op dit punt. Dat is op het moment van horen/toelichting nog niet aan de orde. Wel had kunnen worden gewezen op het beleid op dit punt in meer algemene zin. Dat had BV X de mogelijkheid gegeven hierop nog nader in te gaan dan wel alsnog te vragen om een hoorzitting. Dat had mogelijk geleid tot meer acceptatie bij BV X van de beslissing.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de handelwijze van de Belastingdienst zoals die heeft plaatsgevonden in strijd is met het vereiste van fair play en derhalve niet behoorlijk is.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de directeur is gegrond op het punt van de telefonische toelichting wegens schending van het vereiste van fair play. Voor het overige is de klacht niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

 

mr. F.J.W.M. van Dooren,
waarnemend ombudsman


Achtergrond/bijlagen

Aanhechten:
1) opsomming van de aan belastingschuldige in bruikleen gegeven zaken.
2) de aansluitingsovereenkomst
3) De Rechtbank Zutphen overwoog in zijn uitspraak van 16 februari 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BP6130, het volgende:

Ten overvloede wordt overwogen dat, indien er van zou worden uitgegaan dat er wel van bodembeslag sprake is, de vordering van de Ontvanger ook niet voor toewijzing vatbaar zou zijn geweest. Hiervoor is het navolgende redengevend.

7.6. De Ontvanger is ten aanzien van het bodembeslag gebonden aan beleidsregels, die zijn neergelegd in de Leidraad Invordering 1990 artikel 22 paragraaf 5. Uitgangspunt is daarbij dat het eigendomsrecht van een derde wordt ontzien in de gevallen waarin sprake is van reële eigendom van de derde. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten aanzien van de in beslag genomen zaken sprake is van reële eigendom van Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo, in die zin dat de zaken juridisch eigendom zijn van Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo en de zaken ook in economisch opzicht (waarbij gedacht wordt aan het risico van waardedaling) in overwegende mate aan laatstgenoemden toebehoren. De Ontvanger heeft evenwel aangevoerd dat op grond van de Leidraad uitzonderingen op voormeld uitgangspunt mogelijk zijn, in het geval dat sprake is van een afnamebeding of van bedrijfsinmenging.

7.7. Met betrekking tot het beroep op het afnamebeding wordt als volgt overwogen.

(…)

7.10. Met betrekking tot de gestelde bedrijfsinmenging wordt het volgende overwogen.

Voorop wordt gesteld dat in deze niet van doorslaggevende betekenis is dat zonder de bedrijfsinventaris de bedrijfsvoering zoals die door FHL heeft plaatsgevonden niet mogelijk was.

7.11. Noch tussen Horeca Holding en FHL noch tussen Vier Jaargetijden Hengelo en FHL zijn afspraken gemaakt die er toe leiden dat FHL in feite de vrije beschikkingsmacht over haar café en de beslissingsbevoegdheid die bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist. Hooguit zou van dit laatste sprake kunnen zijn op grond van de tussen Vier Jaargetijden Franchise en FHL gesloten franchiseovereenkomst. Daar staan Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo echter buiten. Indien in dit geval bedrijfsinmenging zou worden aangenomen omdat de zaken van Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo met hun instemming door Vier Jaargetijden Franchise ter beschikking van FHL zijn gesteld, zou de uitzonderingsbepaling in de Leidraad ontoelaatbaar worden opgerekt ten faveure van de Belastingdienst, zonder dat daarvoor een toereikende reden bestaat. Met recht hebben Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo erop gewezen dat uitzonderingsbepalingen restrictief dienen te worden uitgelegd. Dat klemt temeer nu het bodemrecht inbreuk op het eigendomsrecht van derden mogelijk maakt.

7.12. De stelling van de Ontvanger dat de strekking van de uitzonderingsbepaling bedrijfsinmenging is dat de verbondenheid van de derde met de bedrijfsvoering van de belastingschuldige zodanig is dat de derde mede verantwoordelijk kan worden geacht voor de betaling van de aan de bedrijfsvoering verbonden zakelijke lasten, zoals de belastingschulden die uit de bedrijfsvoering voortvloeien, kan dan ook in het onderhavige geval niet afdoen aan de duidelijke tekst van de uitzonderingsbepaling. Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo staan immers buiten de bedrijfsvoering van FHL, zodat Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo niet als (mede)ondernemer kunnen worden beschouwd. Dit wordt voor wat Vier Jaargetijden Hengelo betreft niet anders doordat in een door de Ontvanger als productie 8 overgelegde pandakte Vier Jaargetijden Hengelo als exploitant van het café aan de Markt 2 te Hengelo wordt vermeld. Horeca Holding en Vier Jaargetijden Hengelo hebben immers gesteld dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat Vier Jaargetijden Hengelo het café zou gaan exploiteren en dat Vier Jaargetijden Hengelo daarvoor de inventaris in eigendom heeft verworven, maar dat de exploitatie uiteindelijk niet door Vier Jaargetijden Hengelo maar door FHL ter hand is genomen. Dit is door de Ontvanger niet tegengesproken. Nu Vier Jaargetijden Hengelo het café niet heeft geëxploiteerd en de pandakte ook niet is ondertekend, komt aan de inhoud van de pandakte niet de betekenis toe die de Ontvanger daaraan gegeven wenst te zien.

7.13. (…)

7.14. De Ontvanger heeft nog gesteld dat Vier Jaargetijden Franchise in feite werd bestuurd door Horeca Holding en dat deze vennootschappen op één lijn gesteld kunnen worden. Voorts heeft de Ontvanger betoogd dat Vier Jaargetijden Franchise er slechts is ‘tussen geschoven’ en feitelijk geen rol speelde in de relatie tussen Horeca Holding en FHL. De Ontvanger heeft tevens gesteld dat Vier Jaargetijden Hengelo een volle dochter is van Horeca Holding en dat laatstgenoemde ook bestuurder van Vier Jaargetijden Hengelo was. De Ontvanger heeft aan voormelde stellingen de conclusie verbonden dat moet worden aangenomen dat er ‘afspraken’ waren tussen Vier Jaargetijden Hengelo en FHL en dat Vier Jaargetijden Hengelo (mede)ondernemer is. De rechtbank volgt de Ontvanger niet in dit betoog. Slechts onder bijzondere omstandigheden bestaat er aanleiding om voorbij te gaan aan het identiteitsverschil tussen rechtspersonen. De door de Ontvanger gestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen een dergelijke vereenzelviging niet. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1994, NJ 1994/545 kan de Ontvanger niet baten, nu de casus en de daarop van toepassing zijnde rechtsregels te veel verschillen van die in de onderhavige zaak.

7.15. De Ontvanger heeft er ook nog op gewezen dat, ofschoon de Leidraad niet expliciet rekening houdt met concernverhoudingen, de Leidraad naar objectieve beschouwingen zo moet worden opgevat dat voor een beroep op bedrijfsinmenging voldoende is dat de (mede) ondernemer indirect (bijvoorbeeld omdat een volle dochter eigenaar is) als (mede) eigenaar kan worden aangemerkt. Volgens de Ontvanger kunnen in dat geval zowel de (mede)ondernemer — die dan als (mede)eigenaar kan worden gezien — als de formeel gerechtigde — die dan óók als (mede)ondernemer heeft te gelden — zich niet verschuilen achter de scheiding tussen (mede) ondernemerschap/beleidsbepaling en eigendom en komt hem, de Ontvanger, ten aanzien van beide vennootschappen een beroep op bedrijfsinmenging toe. Ook in dit betoog volgt de rechtbank de Ontvanger niet. Herhaald wordt dat het bij een beroep op bedrijfsinmenging om een uitzonderingssituatie gaat, die tot een terughoudende toepassing noopt. Indien de Ontvanger in dit betoog zou worden gevolgd zou de uitzonderingsbepaling in de Leidraad ontoelaatbaar worden opgerekt ten faveure van de Belastingdienst, zonder dat daarvoor een toereikende reden bestaat.

Aan de verwijzing naar de als productie 8 overgelegde pandakte komt om redenen als hiervoor met betrekking tot het afnamebeding zijn vermeld ook met betrekking tot het oordeel of aan de uitzondering bedrijfsinmenging is voldaan, geen betekenis toe. Meer in het bijzonder wordt op grond van de pandakte niet geoordeeld dat van vereenzelviging sprake is, die tot toepasselijk verklaring van de uitzonderingsbepaling zou moeten leiden.

 

1) Het bodembeslag is geregeld in artikel 22 van de Invorderingswet 1990. Het gaat om inbeslaggenomen zaken die zich bevinden op de bodem van de belastingschuldige en dienen tot stoffering van de bodem. Verhaal op die zaken is ondanks de eventuele rechten van anderen mogelijk. Het invorderingsbeleid voorziet in een terughoudend beleid wanneer sprake is van reële eigendom van een derde. Reële eigendom wordt behoudens bijzondere situaties geëerbiedigd.

2) Zie artikel 22.8.10 van de Leidraad Invordering 2008 waarin is bepaald: "Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige - hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij daardoor risico's draagt - in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist. Dit komt omdat hij dit - in een van de situatie afhankelijke mate - feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder wie de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt, niet denkbaar is.

3) Onder reële eigendom van de derde wordt verstaan de situatie waarin de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren.

4) Voor zover het ging om de invordering van een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is aan het beroep tegemoetgekomen en wordt geen verhaal gehaald op de zaken van verzoekster.

5) Dit beleid als zodanig is voor de Nationale ombudsman een gegeven.

6) Zie artikel 22.8.10 van de Leidraad Invordering 2008.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2015/062