2014/211 LBIO staakt inning kinderalimentatie binnen zes maanden zonder voldoende overleg en toelichting

Een vrouw schakelt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in omdat haar ex-partner de kinderalimentatie niet betaalt. Pas als haar ex-partner zes maanden regelmatig zou betalen, zou het LBIO het innen van de alimentatie kunnen staken. Maar ondanks deze wettelijke regel stopt het LBIO veel eerder met het innen. De ex-partner houdt dan prompt op met het betalen van de alimentatie. Als de vrouw het LBIO hierover benadert, start het LBIO de inning weer en legt het beslag. Maar wederom staakt het de inning binnen zes maanden. De vrouw klaagt dat het LBIO van de wettelijke regel afwijkt en geen oog heeft voor haar belangen. De Nationale ombudsman is het met haar eens dat het LBIO niet zonder vooroverleg en goede inventarisatie van belangen de inning had mogen staken. Ook had het LBIO de beslissing om te stoppen voldoende en op respectvolle wijze moeten toelichten.

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Klacht:

inning van de aan verzoekster toekomende alimentatie stopgezet kort nadat daarmee was begonnen

Oordeel: gegrond

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen

Klacht:

afkeurende toon waarop is gereageerd toen verzoekster bleef bij haar verzoek aan het LBIO om de inning te verzorgen

Oordeel: gegrond

Een moeder schakelde het LBIO in omdat haar ex-partner de kinderalimentatie niet betaalde. Het LBIO nam de inning over en kondigde aan dat het de inning zes maanden zou verzorgen, zoals dat in de wet is geregeld. Toch stopte het LBIO veel eerder met innen en de vader hield prompt op met betalen van de alimentatie. Nogmaals benaderde de moeder het LBIO, wederom pakte het LBIO de zaak op en legde zelfs beslag, maar beëindigde zijn werkzaamheden binnen zes maanden.

De moeder klaagde erover dat het LBIO geen woord hield en geen oog had voor haar belangen. De Nationale ombudsman vond het niet behoorlijk dat het LBIO zonder vooroverleg en zonder goede inventarisatie van belangen afweek van de werkwijze die de moeder steeds in het vooruitzicht was gesteld. Bovendien gaf het LBIO met de toelichting achteraf onvoldoende duidelijkheid.

Ten slotte vond de Nationale ombudsman een passage uit een brief van het LBIO aan de moeder niet respectvol.

WAT IS DE KLACHT?

Begin 2013 schakelde een moeder (hierna ook: verzoekster) het LBIO in omdat de vader van haar kind niet langer de verschuldigde kinderalimentatie betaalde. Na aanmaning van de vader, betaalde deze het achterstallige bedrag na het verstrijken van de door het LBIO gestelde termijn. Het LBIO sloot daarop het dossier. In juli 2013 was er weer een betalingsachterstand. De moeder vroeg het LBIO nogmaals om de alimentatie te incasseren en uiteindelijk legde het LBIO beslag. Toen er als gevolg van een rechterlijke beslissing tot verlaging van het alimentatiebedrag geen achterstand meer was, staakte het LBIO zijn werkzaamheden eind oktober 2013. Verzoekster had verschillende klachten over de werkwijze van en contacten met het LBIO.

Ze klaagde erover dat het LBIO zich - in 2013 tot twee maal toe - niet heeft gehouden aan de wettelijke termijn van 6 maanden regelmatig betalen voordat een dossier wordt gesloten. In brieven aan haar had het LBIO geschreven dat dat voorwaarde voor beëindiging van de inning door het LBIO is. Ze heeft het idee dat het LBIO haar zaak bewust heeft vertraagd omdat de medewerkers de betalingsplichtige "zielig" vonden. Ze vindt dat het LBIO geen waardeoordeel over haar moet geven, zoals het dat heeft gedaan in een brief van 15 augustus 2013, terwijl het LBIO de feiten niet kent1.

Enkele andere punten uit haar klachtbrief aan de Nationale ombudsman zijn niet in dit onderzoek betrokken.

Ten behoeve van zijn onderzoek heeft de Nationale ombudsman de klachten als volgt geformuleerd:

Klachtformulering

"Een moeder klaagt erover dat het LBIO de inning van de aan haar toekomende alimentatie heeft stopgezet kort nadat daarmee was begonnen. Aldus heeft het LBIO niet gedaan wat de moeder in het vooruitzicht was gesteld: de inning voor tenminste 6 maanden van haar overnemen.

Ze klaagt ook over de afkeurende toon waarop het LBIO heeft gereageerd toen zij bleef bij haar verzoek aan het LBIO om de inning te verzorgen. Ze vindt dat het het LBIO niet past daarover een waardeoordeel te geven. "

De Nationale ombudsman heeft het LBIO de volgende aandachtspunten meegegeven bij de start van zijn onderzoek:

Aandachtspunten

"Het LBIO heeft de moeder in brieven in het vooruitzicht gesteld dat het LBIO zes maanden lang zou incasseren. Niet één-, maar tweemaal zou inning in haar zaak zijn gestaakt naar aanleiding van betaling van de achterstand, maar voordat de zesmaandentermijn was verstreken. In het kader daarvan verzoek ik u de praktijk van de inning gedurende zes maanden nader toe te lichten op de volgende punten:

- Wat is de aard en strekking van de wettelijke bepaling over de zesmaandentermijn? Gaat het bijvoorbeeld om een voorschrift in het belang van de alimentatiegerechtigde, om een recht of bevoegdheid van het LBIO?

- Komt het vaker voor dat het LBIO de invordering binnen zes maanden staakt zonder dat de alimentatiegerechtigde daarmee heeft ingestemd? Zijn hier richtlijnen voor?

- Spelen motieven van de alimentatiegerechtigde en/of betalingsplichtige een rol bij beslissingen over (overname van) de inning?"

Hoe reageerde het LBIO op de klachtformulering en de aandachtspunten?

Over het staken van de inning voordat 6 maanden was betaald:

Het LBIO schreef de Nationale ombudsman dat partijen (de moeder en de vader) er bij overname van de inning in september 2013 op waren gewezen dat de verschuldigde onderhoudsbijdrage aan het LBIO moest worden voldaan. Verder was hun meegedeeld dat de inning conform de wet pas door het LBIO zou worden beëindigd nadat ten minste 6 maanden regelmatig aan het LBIO zou zijn betaald, waarbij de achterstand dan geheel aangezuiverd moest zijn en alle kosten voldaan. En hiervan zou niet worden afgeweken als tussentijds overeenstemming met de moeder zou worden bereikt om weer rechtstreeks te gaan betalen. Het LBIO vervolgde:

"In dit specifieke geval werd de alimentatiehoogte door de rechter gewijzigd. Middels de beschikking van (…) oktober 2013 werd de kinderalimentatie verlaagd naar (ongeveer 400 euro) per maand. Deze wijziging werd in de achterstandsberekening verwerkt en er bleek geen sprake meer te zijn van een achterstand. Mevrouw (…) had zelfs teveel kinderalimentatie ontvangen. Hierop werd door mijn bureau besloten de inning te beëindigen. Bij dit besluit zijn de belangen van mevrouw (…) afgewogen tegen de belangen van de heer (…).

Bij deze belangenafweging is er rekening mee gehouden dat overname van de inning verstrekkende gevolgen heeft voor de betalingsplichtige, zo werd er beslag gelegd op het inkomen van de heer (…) en werden opslagkosten in rekening gebracht. Het LBIO wil niet lichtzinnig omgaan met bevoegdheden en deze alleen dan inzetten als dit noodzakelijk is. Mevrouw (…) had inmiddels teveel kinderalimentatie ontvangen, waardoor haar belang bij het innen van kinderalimentatie minder zwaarwegend was dan het belang van de heer (…) om de inning te staken."

Over de werkwijze van het LBIO, in antwoord op vragen van de Nationale ombudsman:

Het LBIO typeert het zesde lid van artikel 1:408 BW als een wettelijke bevoegdheid van het LBIO. Bij het gebruik van deze bevoegdheid dient het LBIO een belangenafweging te maken. Het LBIO schreef de Nationale ombudsman verder:

"Het is niet aan de alimentatiegerechtigde om te besluiten of het LBIO de inning wel of niet voortzet. Dit werkt ook andersom. Zij kan niet besluiten dat het LBIO de inning moet staken.

(…)

Het komt vaker voor dat het LBIO de inning vroegtijdig staakt zonder instemming van de

alimentatiegerechtigde. Het gaat hierbij om specifieke gevallen waarin een specifieke

belangenafweging wordt gemaakt. Het is dan ook niet vooraf duidelijk in welke gevallen dit aan de orde zal zijn.

Specifieke motieven van de alimentatiegerechtigde of de betalingsplichtige zijn over het algemeen niet bekend bij het LBIO en spelen dan ook geen rol bij het besluit de inning te staken, dan wel voort te zetten. Zijn de motieven wel bekend, dan zullen deze in de belangenafweging worden meegenomen."

Over de toon van de correspondentie:

Het LBIO berichtte de Nationale ombudsman dat in de klachtbeantwoording is geprobeerd aan verzoekster uit te leggen waarom het LBIO tot het betreffende besluit is gekomen zonder daarbij een toon te bezigen die als afkeurend moet worden beschouwd. Het LBIO verwees hierbij naar de volgende passage uit de brief waarmee op een klacht van verzoekster werd gereageerd:2: "Overname van de inning heeft verstrekkende gevolgen voor de betalingsplichtige, zo werd er beslag gelegd op het inkomen van de heer (…) en werden opslagkosten in rekening gebracht. Het LBIO wil niet lichtzinnig omgaan met bevoegdheden en deze alleen dan inzetten als dit noodzakelijk is. (…)."

Hoe reageerde de moeder?

Anders dan het LBIO, kan zij uit artikel 1:408 lid 6 BW alleen opmaken dat het LBIO aan

de 6 maandentermijn moet voldoen.

Volgens haar mag het feit dat ze op zeker moment te veel alimentatie had gekregen niet worden meegenomen in het oordeel van het LBIO om de tweede keer de inning te staken. Wat er teveel betaald is staat los van de zesmaandentermijn van regelmatig betalen, aldus verzoekster.

Over de belangenafweging door het LBIO schrijft ze verder:

"Wanneer de betalingsplichtige de eerstvolgende keer, nadat de inning door het LBIO is gestopt, meteen geen alimentatie betaalt lijkt mij dat ook een belang dat zou moeten worden meegenomen."

En over het argument van het LBIO dat overname van inning voor de betalingsplichtige verstrekkende gevolgen heeft:

"Dit irriteert mij. Wanneer de betalingsplichtige niet aan zijn betalingsverplichting voldoet dan is dat zijn keus en moet hij/zij met de consequenties leven."

Verzoekster vindt dat het LBIO eraan voorbij gaat dat het (ook) voor de alimentatiegerechtigde gevolgen heeft, wanneer alimentatie niet wordt betaald.

Over de opmerking van het LBIO dat specifieke motieven van de alimentatiegerechtigde of betalingsplichtige over het algemeen geen rol spelen bij het besluit de inning te staken schreef ze de Nationale ombudsman :

"Ik heb het idee dat het LBIO wel is uitgegaan van de gelogen motieven van de huidige vrouw van de betalingsplichtige. Ik wil en verwacht dat het LBIO zich aan feiten houdt!"

Het geeft verzoekster te denken dat het LBIO in de reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman het alleen heeft over de tweede keer dat zij hen in een half jaar heeft moeten inschakelen, temeer, omdat het LBIO schrijft dat in specifieke gevallen een specifieke belangenafweging wordt gemaakt waardoor de inning vroegtijdig gestaakt kan worden.

Ze schrijft: "Blijkbaar was mijn zaak beide keren een specifiek geval. Wat was er zo specifiek aan de eerste keer? De argumentatie van het LBIO om de betalingsplichtige niet aan de 6 maanden termijn van regelmatig betalen te laten voldoen is beide keren hetzelfde: men wil de betalingsplichtige niet op kosten jagen."

En volgens de moeder is het LBIO meer beloftes niet nagekomen:

"In hun brief van 9 augustus 2013 zegt het LBIO dat het bureau er op zal toezien dat er incassomaatregelen worden getroffen indien de heer (…) opnieuw in gebreke blijft.

In hun brief van 15 augustus 2013 staat: Mijn bureau heeft reeds aangegeven dat in de opgemelde zaak geen coulance meer zal worden betracht indien de heer (…) in gebreke blijft met het betalen van de alimentatie.

Op de website (en in het wetsartikel) staat dat de termijn van een half jaar regelmatig betalen wordt verdubbeld wanneer het LBIO opnieuw wordt ingeschakeld.

De tweede keer had het LBIO de inning een jaar moeten overnemen."

De moeder vindt verder dat er wel degelijk sprake is van een waardeoordeel wanneer het LBIO in de brief d.d. 15 augustus 2013 schrijft :

‘Dat u kennelijk liever ziet dat mijn bureau in een zaak, waarin al een verzoekschrift tot wijziging is ingediend daar er kennelijk onvoldoende draagkracht is om de bijdrage nog langer te betalen, overgaat tot incassomaatregelen en het opleggen van kosten, terwijl de achterstand binnen een redelijke termijn volledig is voldaan, is voor mijn bureau onbegrijpelijk.’

Beoordeling van de klachten door de Nationale ombudsman

Wat is er aan de hand?

Het eerste inningsverzoek

Naar aanleiding van het eerste verzoek van de moeder om kinderalimentatie voor haar kind te innen, heeft het LBIO de vader in april 2013 een termijn gesteld waarbinnen de achterstand moest zijn bijgepast. Het LBIO kondigde aan (ook aan de moeder) dat het de invordering voor minimaal 6 maanden zou overnemen wanneer het achterstallige bedrag niet op tijd zou zijn ontvangen. Op het moment dat de vader betaalde, was niet alleen de door het LBIO gestelde termijn verstreken, maar ook had het LBIO al de inning overgenomen3 en de consequenties van die beslissing – opslagkosten en alimentatie tenminste 6 maanden betalen aan het LBIO - aan de vader en de moeder bericht.

Aan het stopzetten van de zaak in deze fase heeft verzoekster kennelijk het gevoel overgehouden dat het LBIO niet wilde doorpakken omdat het haar man zielig vond, dat het hem tegemoet wilde komen, niet op kosten wilde jagen. Dat wordt in de hand gewerkt doordat het LBIO niet eenduidig is geweest over de reden voor het niet voortzetten van de incasso. Op 31 mei 2013 schrijft het LBIO dat het LBIO op grond van de wet de inning niet kan verzorgen, in een brief van 9 augustus 2013 staat dat het LBIO "het incasso formeel had kunnen voortzetten", maar uit coulance het dossier heeft gesloten.

De Nationale ombudsman constateert dat de eerste keer dat de moeder het LBIO inschakelde haar heeft opgeleverd dat een kleine twee maanden later de achterstand was ingelopen. Maar haar verwachting dat het LBIO minimaal een half jaar zou toezien op tijdige betaling kwam niet uit, terwijl meteen duidelijk was dat zij daarbij baat zou hebben gehad: zodra het LBIO het dossier sloot, bleven de maandelijkse betalingen uit.

Bijzondere omstandigheid: er liep een procedure tot bijstelling kinderalimentatie4

Intussen had de vader bij de rechtbank om verlaging van de kinderalimentatie verzocht. De werkwijze van het LBIO is dan dat het aan de alimentatiegerechtigde vraagt of hij/zij kan instemmen met opschorting van de inning totdat de rechter uitspraak heeft gedaan. Gaat de alimentatiegerechtigde niet akkoord, dan is de rechtszaak in het algemeen geen grond voor stopzetting van de inningsprocedure.

De moeder heeft het LBIO laten weten dat zij wilde dat het LBIO activiteiten ten behoeve van de inning zou voortzetten. Toch heeft het LBIO in een brief van 15 augustus 2013, als toelichting bij zijn beslissing om het dossier te sluiten, verwezen naar het bij de rechtbank ingediende verzoek tot wijziging van alimentatie (en de kennelijke grondslag daarvan, hierover nader bij bespreking van klacht 2).

Toen de vader direct nadat het LBIO zijn bemoeienis staakte, weer in gebreke bleef, heeft het LBIO in de lopende rechtszaak geen beletsel gezien om - na enige strubbelingen - de alimentatie te incasseren middels loonbeslag. In zoverre heeft het LBIO jegens verzoekster woord gehouden.

In de rechterlijke beslissing werd de alimentatie verlaagd (tot zo'n € 400 per maand). Blijkbaar was dit met terugwerkende kracht, immers er was eind oktober 2013 geen achterstand meer, hoewel de alimentatie enige tijd niet of niet volledig was betaald. Achteraf gezien had de moeder per saldo ruim 40 euro teveel ontvangen. Maar de verplichting van de vader om maandelijks een bedrag aan haar te voldoen, bleef voortbestaan. Dit belangrijke gegeven ziet de Nationale ombudsman niet terug in de afwegingen van het LBIO.

Taak van het LBIO, de termijn van betalen via het LBIO en verwachtingen van de burger

Aan het LBIO is een belangrijke taak toebedeeld wanneer degene aan wie kinder- of partneralimentatie toekomt, deze niet ontvangt. Vaak leidt een enkele aanmaning van het LBIO aan de betalingsplichtige ertoe dat een achterstand wordt ingelopen en kan het LBIO de inning weer aan de ontvangstgerechtigde overlaten. Het LBIO speelt hier een oplossende rol, en de Nationale ombudsman juicht deze aanpak toe.

Wanneer de achterstand voldoende is komen vast te staan en een aanmaning niet leidt tot voldoening van het verschuldigde bedrag, mag een ontvangstgerechtigde in de regel erop rekenen dat het LBIO de inning overneemt. De (wettelijke) gevolgen zijn hierboven meer dan eens genoemd. Daarvan is hier van belang dat de tussenkomst niet eindigt wanneer de achterstand is geïncasseerd; de wetgever heeft aan het LBIO de taak toebedacht om enige tijd te blijven toezien op nakoming van betalingsverplichting.

Het is niet aan de betrokken partijen om over toepassing van de zesmaandentermijn te beslissen; in zoverre is er sprake van een bevoegdheid van het LBIO. Maar de Nationale ombudsman voegt daaraan toe, dat het een voorschrift betreft dat is geformuleerd als verplichting (voor het LBIO: "slechts beëindigen indien") en dat is gegeven in het belang van de ontvangstgerechtigde.5 Anders gezegd, het LBIO kan de periode van inning niet naar eigen inzicht verkorten en zich daarbij laten leiden door wat het zelf een redelijke uitkomst vindt; daarvoor biedt de bepaling geen ruimte. De Nationale ombudsman is het dan ook niet eens met het LBIO waar het schrijft dat het de bevoegdheid (om minstens een halfjaar betaling van alimentatie en opslagkosten via het LBIO te verlangen) alleen wil inzetten wanneer dit noodzakelijk is. Dat suggereert immers dat het LBIO per geval een eigen afweging maakt over de duur van de bemoeienis van het LBIO nadat de achterstand is aangezuiverd. Dat is ook niet te rijmen met de boodschap die het LBIO zonder voorbehoud aan betrokkenen uitdraagt op zijn website en in correspondentie en waaraan de betalingsgerechtigde verwachtingen mag ontlenen.

Is het de ontvangstgerechtigde zelf die het LBIO verzoekt om de inning niet langer te verzorgen, dan ziet de Nationale ombudsman in principe in de bewuste wettelijke bepaling geen beletsel.6 Van zo'n verzoek van de moeder, of haar instemming is hier echter geen sprake.

Klacht 1:
Heeft het LBIO op behoorlijke wijze een beslissing genomen toen er in oktober 2013 geen achterstand meer bleek te zijn?

Tegen de achtergrond van de voorgaande drie punten beoordeelt de Nationale ombudsman de eerste in onderzoek genomen klacht. Daarbij geeft hij geen antwoord op de vraag of de inning in oktober 2013 terecht is gestaakt. In de behoorlijkheidstoetsing van de Nationale ombudsman staat centraal hoe het LBIO is te werk gegaan toen er in oktober 2013 geen achterstand meer bleek te zijn en het LBIO het plan opvatte om de inning te beëindigen.

Voor de moeder kwam het bericht dat het LBIO de invordering van alimentatie in oktober 2013 stopzette, uit de lucht vallen. Op basis van brieven van het LBIO en informatie op de website van het LBIO hoefde zij hiermee geen rekening te houden, integendeel: het LBIO deed niet wat het haar keer op keer in het vooruitzicht had gesteld.

Het LBIO spreekt van het afwegen van belangen van de ontvangstgerechtigde (de moeder) en de betalingsplichtige (de vader). Had het LBIO deze belangen voldoende in kaart gebracht? Had het LBIO een compleet beeld van relevante omstandigheden en factoren? Het LBIO lijkt deze niet actief te hebben geïnventariseerd. Als belang van de moeder wordt slechts genoemd dat de betalingsachterstand wordt ingelopen. Maar er was meer, zo blijkt uit haar reactie naderhand. Zo voerde ze aan dat haar vroegere partner, zodra het LBIO de zaak de eerste keer had afgesloten, stopte met betalen. En in verschillende brieven van de moeder klinkt door hoe belangrijk zij het vindt dat het LBIO zich opstelt als een betrouwbare instantie die doet wat hij zegt.

Het behoorlijkheidsvereiste van goede motivering houdt in dat een overheidsinstantie een beslissing helder toelicht en dat een afweging van argumenten en belangen inzichtelijk is voor de betrokkenen.

Daaraan heeft het hier ontbroken.

Zo is onduidelijk hoe de omstandigheid dat opslagkosten zijn verschuldigd hét argument kan zijn om af te wijken van een wettelijk voorschrift; in de wettelijke regeling is immers verdisconteerd dat die kosten doorlopen tijdens de minimaal zes maanden waarin het LBIO de incasso verzorgt. Verder zijn beslagkosten genoemd als nadeel van verdere inning, maar een toelichting waarom die kosten zouden oplopen ontbreekt. Het LBIO heeft niet toegelicht hoe het feit dat er in oktober 2013 geen achterstand meer was (de eerste wettelijke voorwaarde voor beëindiging), een rol heeft gespeeld bij de beslissing dat de tweede wettelijke voorwaarde niet hoefde te zijn vervuld.

De Nationale ombudsman acht de onderzochte gedraging van het LBIO niet behoorlijk.

Klacht 2:
Heeft het LBIO zich correct uitgedrukt jegens de moeder?

Het is een vereiste van behoorlijkheid dat de overheid burgers fatsoenlijk en respectvol bejegent; daarmee kan escalatie worden voorkomen.

In zijn brief van 15 augustus 20137 heeft het LBIO de situatie omschreven waarin het heeft besloten tot sluiten van het dossier. Sommige van de factoren die het LBIO daarbij noemt, zijn bij verzoekster in het verkeerde keelgat geschoten. Het kan inderdaad moeilijk te verteren zijn voor een alimentatiegerechtigde wanneer het LBIO schrijft over "kennelijk onvoldoende draagkracht" bij degene die alimentatie verschuldigd is, wanneer daarover nog een procedure loopt bij de rechter en die alimentatiegerechtigde het zelf het ook niet breed heeft. Maar dat hoefde voor het LBIO geen reden te zijn om dit argument niet te vermelden.

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman maakt verzoekster er terecht bezwaar tegen dat het LBIO heeft toegevoegd het "onbegrijpelijk" te vinden dat de moeder in die situatie (wél) incassomaatregelen en het opleggen van kosten aan de vader verlangt. Dat is een kwalificatie die naar het oordeel van de Nationale ombudsman getuigt van weinig respect voor het standpunt van de moeder, aan wie het vrij staat om op te komen voor het (financiële) belang van haar kind(eren) en haarzelf. Een goede reden om deze kwalificatie niettemin te gebruiken, ontbreekt. Zo voegt deze bijvoorbeeld niets toe aan de uitleg door het LBIO van zijn beslissing. Evenmin is gebleken van eerdere uitlatingen van mevrouw die eventueel aanleiding hadden kunnen zijn voor de steviger, corrigerende toon.

De Nationale ombudsman acht de onderzochte gedraging op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klachten over het LBIO zijn gegrond,

de eerste wegens schending van het vereiste van goede motivering,

de tweede wegens schending van het vereiste van fatsoenlijke bejegening.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft het LBIO in overweging om bij een volgend inningsverzoek van verzoekster een duidelijke koers uit te zetten, daarbij te betrekken dat de inning twee maal eerder is overgenomen en extra aandacht te schenken aan een tijdige en heldere toelichting aan verzoekster over stappen in het inningsproces.

Bijlagen

artikel 1:408 lid 6 BW

De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een halfjaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen.

Schets van de voorgeschiedenis

Het eerste inningsverzoek
Op 11 april 2013 ontving verzoekster een brief van het LBIO van 5 april 2013 met de achterstandberekening. Hierin staat o.a. dat wanneer het LBIO daadwerkelijk de inning overneemt deze pas zal worden beëindigd nadat de vader:

1. tenminste 6 maanden regelmatig aan het LBIO heeft betaald

2. de achterstand, verhoogd met de opslagkosten, aan het LBIO heeft betaald

3. en eventuele incassokosten heeft voldaan.

Daarna ontving zij een brief van 15 april van het LBIO waarin stond dat haar ex-man de rechtbank had verzocht om verlaging/nihilstelling van de alimentatie. Op de vraag van het LBIO of zij wilde doorgaan met de inning, antwoordde verzoekster: ja. In de brief van 22 mei 2013 deelde het LBIO aan verzoekster mee dat het de inning overneemt.

Ook in deze brief staat dat het LBIO pas de inning eindigt nadat er gedurende 6 maanden regelmatig is betaald en er geen achterstand meer bestaat in betalingen.

Op 27 mei 2013 bericht verzoekster het LBIO dat de achterstallige kinderalimentatie op haar rekening is overgemaakt. Het LBIO schrijft haar op 31 mei 2013 dat het LBIO de inning op grond van de wet niet kan verzorgen. verzoekster vraagt nog dezelfde dag per brief om een uitleg, er is immers niet aan de 6 maanden regelmatig betalen voldaan.

Het LBIO antwoordt op 13 juni 2013: de achterstallige alimentatie is voldaan en het LBIO vindt het niet de bedoeling dat de betalingsplichtige onnodig op extra kosten wordt gejaagd. Verzoekster vond dit raar, maar besloot het te laten rusten in verband met haar gezondheid.

Uitleg van het LBIO in antwoord op een klacht
In juli werd de kinderalimentatie meteen weer niet voldaan. verzoekster nam weer contact op met het LBIO. Bij het in behandeling nemen van het incassoverzoek ging een en ander mis, waarvoor het LBIO in een brief van 9 augustus 2013 excuses aanbiedt. In dezelfde brief beantwoordt het LBIO de vraag waarom de vorige zaak is afgesloten als volgt:

" Ten aanzien van uw vraag waarom de vorige zaak is afgesloten kan ik u het volgende mededelen.

De zaakbehandelende medewerker heeft ervoor gekozen uit coulance tot sluiting van het dossier over te gaan nadat de achterstand in de betalingen tot en met juni 2013 volledig was voldaan. Reden hiervoor was dat mijn bureau de heer (…) niet onnodig op extra onkosten wilde jagen. Hoewel mijn bureau het incasso formeel had kunnen voortzetten acht ik handelwijze van de zaakbehandelende medewerker niet geheel onbegrijpelijk. Hoewel ik begrijp dat het vervelend is voor uw dochter dat er opnieuw een verzoek ingediend moet worden, zal mijn bureau er op toezien dat er incassomaatregelen worden getroffen indien de heer (…) opnieuw in gebreke blijft met betalen.

Ik vertrouw erop uw klacht hiermee naar behoren te hebben afgehandeld."

Een familielid vroeg op verzoek van verzoekster het LBIO vervolgens waarom men uit coulance met de betalingsplichtige handelt.

In een brief van 15 augustus antwoordde het LBIO:

" Mijn bureau heeft in het dossier aanleiding gezien tot sluiting van de zaak over te gaan, nadat de achterstand 5 dagen na de overname van de inning volledig werd voldaan. De zaakbehandelende medewerker heeft gemeend de heer (…) niet op kosten te willen jagen. Gevolg van de overname zou zijn dat de heer (…) de alimentatie met kosten minimaal zes maanden aan mijn bureau diende te betalen.

Mijn bureau heeft als zelfstandig bestuursorgaan te maken met diverse vereisten. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Mijn bureau acht het niet onredelijk dat het tot sluiting van het dossier is overgegaan. Uw belang is immers volledige betaling en het is niet in het belang van de heer (…) kosten in rekening gebracht te krijgen. Mijn bureau heeft een maatschappelijke taak en hoopt door zijn bemoeienis de betalingen weer op gang te brengen. Dat u kennelijk liever ziet dat mijn bureau in een zaak, waarin reeds een verzoekschrift tot wijziging is ingediend daar er kennelijk onvoldoende draagkracht is om de bijdrage nog langer te betalen, overgaat tot incassomaatregelen en het opleggen van kosten, terwijl de achterstand binnen een redelijke termijn volledig is voldaan, is voor mijn bureau onbegrijpelijk. Mijn bureau heeft reeds aangegeven dat in opgemelde zaak gaan coulance meer zal worden betracht indien de heer (…) in gebreke blijft met het betalen van de alimentatie.

Het is mijn bureau dan ook niet duidelijk, behoudens het feit dat opnieuw een incassoverzoek moet worden ingediend door middel van het invullen van een formulier, op welke wijze (de moeder, N.o.) is benadeeld."

Terug van vakantie schreef verzoekster het LBIO dat zij geschokt is dat het LBIO een waardeoordeel geeft, terwijl zij de feiten niet kennen. Ze vindt dat het sluiten van het dossier geen objectief oordeel is.

Het LBIO ging hier niet meer inhoudelijk op in omdat de standpunten over en weer bekend zijn.

Overname van de inning naar aanleiding van nieuw verzoek
Het LBIO schrijft in augustus 2013 opnieuw de vader aan i.v.m. het uitblijven van betaling. In een brief aan verzoekster meldt het LBIO dat de vader het achterstallige bedrag binnen 21 dagen moet betalen. En wanneer het LBIO de inning daadwerkelijk overneemt, zal deze pas worden beëindigd nadat de achterstand is voldaan, tenminste 6 maanden regelmatig aan het LBIO is betaald en eventuele incassokosten zijn voldaan.

In een brief van het LBIO d.d. 11 september 2013 laat het LBIO weten dat de alimentatie aan het LBIO dient te worden voldaan. Ook hierin staat dat de inning door het LBIO pas wordt beëindigd nadat er gedurende 6 maanden regelmatig is betaald en er geen achterstand meer bestaat in de betalingen,

Op 20 september 2013 laat verzoekster weten dat de achterstand is voldaan, wederom op haar rekening, niet via het LBIO.

Daarop ontving verzoekster een brief van het LBIO d.d. 24 september 2013 dat het LBIO beslag heeft gelegd op het loon van de man. In deze brief staat ook dat de achterstand EUR 0,00 is. Daarna verneemt zij niet meer van het LBIO en wordt er geen alimentatie gestort.

Het LBIO schrijft verzoekster op 28 oktober 2013 dat het dossier wordt gesloten, omdat de rechtbank een nieuw alimentatiebedrag heeft vastgesteld en dat verzoekster de teveel ontvangen alimentatie (zo'n 40 euro) aan de man moet betalen.

Daarop reageerde verzoekster meteen, omdat zij nog geen beschikking van de rechtbank had gekregen. Zij meldde dat het haar bevreemdt dat wederom het dossier wordt gesloten en haar ex-man niet aan de wettelijke termijn van 6 maanden moet voldoen.

Klachtbehandeling door het LBIO
Verzoekster diende op 1 november 2013 een klacht in bij het LBIO.

Deze werd afgehandeld met een brief van de directeur d.d. 13 januari 2014, Na excuses wegens de te lange behandeltijd wordt de klacht als volgt omschreven en beoordeeld:

"U klaagt erover dat het LBIO de inning vroegtijdig heeft afgesloten. De heer (…) had nog geen 6 maanden regelmatig aan het LBIO voldaan.

Middels de beschikking van (…) oktober 2013 werd de kinderalimentatie verlaagd naar € (ruim 400) per maand. Deze wijziging werd in de achterstandsberekening verwerkt en er bleek geen sprake meer te zijn van een achterstand. U had zelfs teveel kinderalimentatie ontvangen. Hierop werd door mijn bureau besloten de inning te beëindigen.

 

Op grond van artikel 1:408 lid 6 BW wordt een inning door het LBIO pas beëindigd nadat tenminste 6 maanden regelmatig aan het LBIO is betaald, waarbij de achterstand dan geheel aangezuiverd moet zijn én alle kosten voldaan moeten zijn. Artikel 1:408 lid 6 BW betreft een recht van het LBIO u kunt zich hier niet op beroepen. Ik acht uw klacht dan ook ongegrond.

Overname van de inning heeft verstrekkende gevolgen voor de betalingsplichtige, zo werd er beslag gelegd op het inkomen van de heer (…) en werden opslagkosten in rekening gebracht. Het LBIO wil niet lichtzinnig omgaan met bevoegdheden en deze alleen dan inzetten als dit noodzakelijk is."

De belangrijkste correspondentie en de toedracht zijn meer uitvoerig beschreven in Bijlage 2

Het LBIO doelt hier op de brief waarmee in januari 2014 een klacht uit november 2013 is afgehandeld. Eerder had het LBIO in een brief van 9 augustus 2013 op een klacht van de moeder gereageerd, zie de bevindingen in bijlage 2.

De Nationale ombudsman maakt uit een brief van het LBIO van 15 augustus 2013 op dat is betaald 5 dagen na overname van de inning.

Voor deze reconstructie put de Nationale ombudsman uit de door verzoekster aangedragen informatie en uit zijn ervaring met de behandeling van andere LBIO-klachten.

Dat het LBIO een financieel voordeel heeft bij voortduren van de inning doet daaraan niet af.

Voorbeelden van ombudsman-rapporten waarin sprake was van stopzetten van de inning binnen zes maanden op verzoek van de ontvangstgerechtigde: 2012/005 en 2010/297

Het gaat om de passage: "Dat u kennelijk liever ziet dat mijn bureau in een zaak, waarin reeds een verzoekschrift tot wijziging is ingediend daar er kennelijk onvoldoende draagkracht is om de bijdrage nog langer te betalen, overgaat tot incassomaatregelen en het opleggen van kosten, terwijl de achterstand binnen een redelijke termijn volledig is voldaan, is voor mijn bureau onbegrijpelijk".

Publicatiedatum
Rapportnummer
2014/211