2014/025: Geen vrijstelling lokale heffingen wegens vermogen door schadevergoeding

Vrouw heeft na aanrijding door scooter €20.000 ontvangen wegens vergoeding van immateriële schade als levenslange pijn bij lopen, staan en zitten. De Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) weigert haar vrijstelling te verlenen voor de aanslag lokale heffingen wegens dit vermogen. Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman trekt BSGR zelfs eerder verleende kwijtschelding in. De Nationale ombudsman vindt dat zij haar schadevergoeding niet zomaar hoeft aan te wenden voor het betalen van lokale heffingen. Nu de gemeente haar vele jaren de kwijtschelding heeft verleend, dient in deze situatie BSGR de uitzonderingsclausule toe te passen. Er bestaat wel ruimte voor BSGR om na verloop van jaren het overgebleven deel van de schadevergoeding niet langer vrij te laten. Maar dan is een duidelijk beleid nodig zodat burgers hier op voorbereid zijn.

Instantie: Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden

Klacht:

verzoekster over het belastingjaar 2013 geen kwijtschelding verleend voor de aanslag lokale heffingen.

Oordeel: gegrond

Verzoekster heeft na een verkeersongeluk in 2009 voor opgelopen lichamelijk letsel smartengeld gekregen van € 20.000. Dat bedrag heeft zij apart gezet op een bankrekening. Verzoekster ontvangt bijstand en tot 2012 kwijtschelding van haar lokale heffingen. Op 21 februari 2013 meldt de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, dat verzoekster niet meer in aanmerking komt voor automatische kwijtschelding. Haar vermogen staat daaraan in de weg. Ook in beroep blijft de Belastingsamenwerking bij de afwijzing en verzoekster benadert de Nationale ombudsman.

Zij klaagt erover dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland de lokale heffingen voor 2013 niet kwijtscheldt. Tijdens het onderzoek door de Nationale ombudsman trekt de Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland de reeds toegekende kwijtschelding voor 2012 in.

De Invorderingswet kent de mogelijkheid om in schrijnende gevallen kwijtschelding toe te passen. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman is hier sprake van een schrijnende situatie. Het smartengeld is toegekend voor het lichamelijk letsel dat verzoekster heeft opgelopen. In dat geval is het redelijk dat zij dit bedrag had gereserveerd voor voorzieningen op het moment dat de gevolgen van het opgelopen letsel daarom zouden vragen. Het is dan niet redelijk om van haar te verwachten dat zij het bedrag aanwendt voor dagelijkse verplichtingen, zoals het betalen van de lokale heffingen. Volgens de Nationale Ombudsman kan al sprake zijn van redelijk handelen wanneer bij de beoordeling van kwijtschelding een ontvangen smartengeld voor een aantal jaren buiten beschouwing wordt gelaten, mits de betrokken burger daar van te voren over wordt geïnformeerd.

De Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland heeft dat niet gedaan en daarom het redelijkheidsvereiste geschonden.

De Nationale Ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland lopende het onderzoek bij de Nationale Ombudsman alsnog heeft afgezien van intrekking van de al verleende kwijtschelding over 2012 en alsnog voor de helft kwijtschelding heeft verleend over 2013.

De Nationale Ombudsman geeft de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in overweging om kenbaar beleid te formuleren voor de beoordeling van kwijtscheldingsverzoeken in gevallen waarin sprake is van immateriële schadevergoeding of daarmee vergelijkbare uitkeringen.

Verzoekster klaagt er over dat haar over het belastingjaar 2013 door Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (een Gemeenschappelijke regeling, hierna: BSGR) geen kwijtschelding is verleend voor de aanslag lokale heffingen.

Bevindingen en beoordeling

Algemeen

 

I Bevindingen

Verzoekster is in 1999 door een scooter aangereden en heeft daarbij ernstig lichamelijk letsel opgelopen ten gevolge waarvan zij levenslang pijn ondervindt bij normale lichamelijke verrichtingen als lopen, staan en zitten.

In 2009 is haar een vergoeding voor immateriële schade uitbetaald ter grootte van € 20.000.

Op 21 februari 2013 kreeg zij bericht van BSGR dat zij niet in aanmerking kwam voor automatische kwijtschelding van de lokale heffingen over 2013 omdat haar vermogen daarvoor te hoog was.

Nadat zij een verzoek om kwijtschelding bij BSGR had ingediend, liet BSGR haar in een beschikking van 4 april 2013 het volgende weten:

"…Uit de door u verstrekte financiële gegevens blijkt dat u over positieve vermogensbestanddelen beschikt in de vorm van tegoed ten bedrage van circa € 20.000. Op grond hiervan besluit ik u geen kwijtschelding te verlenen van de hierboven vermelde aanslag…"

Op 9 april 2013 tekende verzoeksters gemachtigde tegen deze beschikking beroep aan bij de directeur van BSGR.

Zij voerde aan dat verzoekster de gemeente Gouda tijdig en correct van de ontvangen schadevergoeding op de hoogte had gesteld en dat de gemeente met deze vergoeding geen rekening hield bij de vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering. Verder voerde zij aan dat verzoekster in voorgaande jaren wel steeds kwijtschelding had gekregen.

Op 26 april 2013 wees de directeur van BSGR haar beroep af. Hij overwoog daarbij het volgende:

"…Dat de gemeente bij de toekenning van de bijstandsuitkering dit vermogensbestanddeel buiten beschouwing heeft gelaten neemt niet weg dat er bij de kwijtschelding getoetst wordt of er voldoende vermogen aanwezig is om (de) aanslag te voldoen…"

Op 16 juli 2013 wendde verzoeksters gemachtigde zich tot de Nationale ombudsman met een klacht over de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding.

Op 19 september 2013 liet zij telefonisch nog weten dat verzoekster verrast was door de afwijzing over 2013 omdat de voorgaande jaren ondanks het vermogen uit de ontvangen schadevergoeding steeds wel kwijtschelding was verleend. Deze verrassing zou zijn uitgebleven als haar vooraf was verteld dat na enkele jaren bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding wèl rekening zou worden gehouden met de ontvangen vergoeding voor immateriële schade.

Op 23 september 2013 legde de Nationale ombudsman de klacht van verzoekster voor aan BSGR. De Nationale ombudsman vroeg BSGR om in te gaan op de relatie tussen de toepasselijke regelgeving die leidde tot afwijzing van het verzoek om kwijtschelding enerzijds en het doel waarvoor het smartengeld aan verzoekster was uitgekeerd. Tevens vroeg de Nationale ombudsman of er beleid was dat voorzag in een overgangsperiode voor situaties als die van verzoekster en zo niet, of in een dergelijk beleid kon worden voorzien.

BSGR reageerde op 8 oktober 2013. BSGR liet weten dat verzoekster diverse jaren automatisch kwijtschelding had ontvangen omdat zij voorkwam op de lijst van uitkeringsgerechtigden. Zij had, aldus BSGR, nimmer de bankrekening vermeld waarop het bedrag van de schadevergoeding stond. BSGR zag daarin aanleiding om de kwijtschelding over 2012 ongedaan te maken en het bedrag alsnog van verzoekster te vorderen. BSGR liet tevens weten niet voornemens te zijn beleid te formuleren voor kwesties als deze maar van geval tot geval maatwerk te willen leveren.

In een brief van 10 oktober 2013 stelde BSGR verzoekster op de hoogte van haar beslissing om de kwijtschelding over 2012 ongedaan te maken.

In een rapportage van 15 oktober 2013 legde een medewerker van de gemeente Gouda vast dat verzoekster eigener beweging een brief had ingeleverd bij de gemeente waaruit bleek dat zij een smartengeldvergoeding van € 20.000 had ontvangen. Tevens stelde hij vast dat deze vergoeding volgens de handboekrichtlijnen buiten aanmerking werd gelaten bij de vaststelling van het recht op bijstand. De BSGR is niet op de hoogte geweest van deze rapportage.

Desgevraagd liet BSGR de Nationale ombudsman weten dat de kwijtscheldingen over de oudere jaren niet nader waren onderzocht noch de kwijtschelding over 2012 was ingetrokken, als verzoekster niet bij de Nationale ombudsman had geklaagd. De Nationale ombudsman wees BSGR er op het ongewenst te achten dat verzoekster als gevolg van de klachtbehandeling bij de Nationale ombudsman in een slechtere positie zou komen dan daarvoor. Met de intrekking van de eerder verleende kwijtschelding over 2012 zou dit wel het geval zijn. De Nationale ombudsman was van mening dat voor klachten bij de Nationale ombudsman geldt, wat in de bezwaarschriftenprocedure voor beroep bij de rechter geldt: degene die een rechtsmiddel aanwendt mag hierdoor in beginsel niet in een nadeligere positie terecht komen, dan zonder het middel mogelijk was geweest (verbod op 'reformatio in peius'). De Nationale ombudsman nodigde BSGR uit haar beslissing over 2012 te herzien.

Op 14 november 2013 liet BSGR verzoekster weten tot de conclusie te zijn gekomen dat er geen grond was om de kwijtschelding over 2012 in te trekken.

Verder gaf BSGR aan dat voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding de ontvangen smartengeldvergoeding met ingang van het jaar 2013 als vermogen zou worden meegerekend

Op 10 februari 2014 berichtte BSGR aan de Nationale ombudsman dat in overleg met de gemachtigde van verzoekster op informele wijze een oplossing was gevonden om de kwestie rond de kwijtscheldingsverzoeken af te ronden: verzoekster ontvangt de helft van het inmiddels betaalde bedrag aan lokale heffingen over 2013 alsnog terug.

Beoordeling

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

BSGR is formeel gerechtigd de aanslag lokale heffingen 2013 van verzoekster in te vorderen. Geen wettelijke bepaling staat daaraan in de weg.

Het redelijkheidsvereiste kan in bepaalde situaties echter betekenen een andere afweging te maken en geheel of gedeeltelijk gebruik te maken van de mogelijkheid van kwijtschelding. De Invorderingswet 1990 kent de mogelijkheid van kwijtschelding voor de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen. Deze bepaling is uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Weliswaar is daar geen regeling opgenomen voor een situatie zoals die van verzoekster, maar dat neemt niet weg dat uit een oogpunt van behoorlijkheid in schrijnende situaties kwijtschelding toch aan de orde kan komen.

Van een schrijnende situatie was naar het oordeel van de Nationale ombudsman in het geval van verzoekster sprake. De door haar ontvangen vergoeding voor immateriële schade (smartengeld) was haar immers toegekend voor het lichamelijk letsel dat zij bij het ongeval in 1999 had opgelopen. Het is redelijk dat verzoekster dit bedrag had gereserveerd voor het treffen van voorzieningen op het moment dat de gevolgen van het opgelopen letsel daarom zouden vragen. Het zou in strijd zijn met de redelijkheid om van haar te vragen het ontvangen smartengeld in de tussenliggende periode aan te wenden voor dagelijkse verplichtingen als het betalen van lokale heffingen. In de lijn met deze gedachte heeft de gemeente dan ook telkenjare geen rekening gehouden met de ontvangen vergoeding bij de vaststelling van haar recht op bijstand. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman had BSGR een zelfde gedragslijn te volgen bij het beoordelen van een kwijtscheldingsverzoek. Door dat niet te doen heeft BSGR het redelijkheidsvereiste geschonden.

Dit betekent niet dat van BSGR in alle situaties mag worden verwacht voor onbeperkte duur bij de beoordeling van kwijtscheldingsverzoeken voorbij te gaan aan het ontvangen smartengeld. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman kan reeds sprake zijn van redelijk handelen wanneer een ontvangen smartengeld voor een reeks van jaren buiten beschouwing wordt gelaten, mits betrokkene daar van te voren over wordt geïnformeerd.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat lopende het onderzoek een voor verzoekster redelijk resultaat is bereikt. De intrekking van de kwijtschelding over 2012 is ongedaan gemaakt en de aanslag 2013 is alsnog voor de helft kwijtgescholden. Weliswaar is zij er niet vooraf over geïnformeerd dat haar schadevergoeding met ingang van 2013 niet langer buiten beschouwing zou worden gelaten, maar daar staat tegenover dat verzoekster kan worden verweten dat zij het betrokken bedrag in ieder geval in 2012 niet heeft vermeld op haar aanvraag voor kwijtschelding. Een dergelijk verzuim had op zich reeds aanleiding kunnen zijn kwijtschelding te weigeren. Daaraan doet niet af dat zij de gemeente Gouda eigener beweging heeft geïnformeerd over het ontvangen bedrag. Zij mocht daarin geen aanleiding zien om vermelding van de ontvangen vergoeding achterwege te laten bij de uitdrukkelijke vraag naar haar vermogensbestanddelen.

De Nationale ombudsman is verder van oordeel dat het wenselijk is dat BSGR criteria heeft voor afweging hoe en hoelang met de bijzondere herkomst van geldbedragen rekening gehouden wordt in situaties als die van verzoekster. Ook is de Nationale ombudsman van oordeel dat BSGR dit beleid algemeen en individueel kenbaar en toegankelijk moet maken. Dat kan door informatie te plaatsen op de website en door betrokkene in het individuele geval vooraf te informeren over dit beleid en wat dat concreet betekent. Dit vormt aanleiding tot het doen van een aanbeveling.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden, is gegrond wegens schending van het redelijkheidsvereiste.

Instemming

De Nationale ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat BSGR lopende het onderzoek bij de Nationale ombudsman alsnog heeft afgezien van intrekking van de al verleende kwijtschelding over 2012 waarmede is voorkomen dat verzoekster door haar klacht en het onderzoek bij de Nationale ombudsman in een slechtere positie is gekomen dan daarvoor en dat zij voor 2013 lopende het onderzoek alsnog voor de helft kwijtschelding heeft verleend.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland in overweging kenbaar beleid te formuleren voor de beoordeling van kwijtscheldingsverzoeken in gevallen waarin sprake is van een immateriële schadevergoeding of daarmee vergelijkbare uitkeringen.

De Nationale ombudsman,

mr. F.J.W.M. van Dooren,

waarnemend ombudsman

Onderzoek

Op 16 juli 2013 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw K te Gouda, ingediend door mw. mr. H. Killi te Arnhem, met een klacht over een gedraging van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te Leiden.

Naar deze gedraging, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijland verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland gaf aanleiding om het verslag op een punt aan te vullen. Verzoekster heeft niet gereageerd.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Het verzoekschrift met bijlagen;

De reactie van de BSGR in e-mails van 8 oktober 2013 en 10 februari 2014.

Brieven van 10 oktober 2013, 14 november 2013 van BSGR

Rapportage van de gemeente Gouda van 15 oktober 2013

De reactie van de BSGR in de e-mail van 6 maart 2014

Publicatiedatum
Rapportnummer
2014/025