2013/093: Verzoeker klaagt over afwijzing kwijtschelding belasting door Hefpunt

Een man klaagt erover dat zijn verzoek om kwijtschelding in 2012 van lokale en regionale belastingen is afgewezen door Hefpunt. Hefpunt verzorgt namens gemeenten en waterschappen in het noorden de heffing en inning van lokale en regionale belastingen. De man kreeg in 2008 €24.000,- uitgekeerd van de verzekering vanwege brandschade in zijn woning. In de periode 2008 tot 2011 werd de belasting kwijtgescholden. De man bracht toen naar voren dat hij wel geld op zijn rekening had staan maar dat dat bestemd was voor het herstellen van de schade aan de woning en niet voor het betalen van belasting. In 2012 werd het verzoek tot kwijtschelding afgewezen. Niet langer werd door Hefpunt de uitkering van de verzekering bij het vaststellen van het vermogen buiten beschouwing gelaten. De Nationale ombudsman vindt dat de periode waarin de verzekeringsuitkering bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing wordt gelaten maatwerk moet zijn. In dit geval kan ervan uit worden gegaan dat de man vier of vijf jaar na de brand genoeg tijd heeft gehad de schade te herstellen. De beslissing van Hefpunt is correct.

Instantie: Hefpunt te Groningen

Klacht:

verzoek om kwijtschelding 2012 afgewezen

Oordeel: niet gegrond

Verzoeker vroeg Hefpunt om kwijtschelding van de belasting die hem over 2012 in rekening was gebracht. Hefpunt wees het verzoek om kwijtschelding af omdat verzoeker volgens de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 voldoende vermogen had om de belasting te betalen.

Verzoeker diende een klacht in bij de Nationale ombudsman. Verzoeker bracht naar voren dat de hoogte van zijn banksaldo werd veroorzaakt door het restbedrag van de schade-uitkering, die hij in 2008 had ontvangen van een verzekeringsmaatschappij ter vergoeding van brandschade aan zijn woning.

De Nationale ombudsman overwoog het volgende. Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat ene overheidsinstantie in het kader van een verzoek om kwijtschelding de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast. Onder omstandigheden kan dat betekenen dat de overheidsinstantie een bedrag dat door een verzekeringsmaatschappij is uitgekeerd als brandschade niet meerekent als vermogen. Er bestaat in zo'n situatie aanleiding voor een ruimhartige opstelling van de overheidsinstantie. Dat betekent niet dat het uitgekeerde bedrag tot in lengte van jaren buiten de vermogensberekening moet worden gelaten. Te denken valt aan een overgangssituatie van enkele jaren, waarin de uitkering geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen. Volgens de Nationale ombudsman behoort de duur van de overgangsperiode maatwerk te zijn. In dit geval kon Hefpunt ervan uitgaan dat verzoeker vier of vijf jaar na de brand ruimschoots in staat was geweest de schade te herstellen. En dat hij in zou zien dat de kwijtschelding niet onbeperkt gedurende de loop der jaren zou worden voortgezet.

De Nationale ombudsman achtte de klacht niet gegrond.

Verzoeker klaagt er over dat Hefpunt zijn verzoek om kwijtschelding 2012 heeft afgewezen.

Bevindingen

Schade-uitkering brandverzekering

In 2008 keerde een verzekeringsmaatschappij € 24.000 uit aan verzoeker, ter vergoeding van de schade die als gevolg van een brand was ontstaan aan zijn woning.

Kwijtschelding 2008 t/m 2011

Hefpunt is een zogeheten gemeenschappelijke regeling, opgericht door gemeentes en waterschappen in het noorden van het land. Namens die gemeentes en waterschappen verzorgt Hefpunt de heffing en inning van lokale en regionale belastingen.

Hefpunt bracht verzoeker over 2008 belasting in rekening. Verzoeker vroeg Hefpunt om kwijtschelding, omdat hij onvoldoende inkomen en vermogen had om die belasting te voldoen. Hefpunt wees het verzoek om kwijtschelding af. Volgens Hefpunt had verzoeker op zijn bankrekening voldoende saldo om de belasting te betalen. Verzoeker tekende bij Hefpunt "intern beroep" aan tegen die beslissing. Verzoeker bracht naar voren dat hij weliswaar geld op zijn rekening had, maar dat dat geld was bestemd voor een ander doel dan betaling van de belasting. Het geld was afkomstig van de brandverzekering en bestemd om er de schade aan verzoekers woning mee te herstellen. Hefpunt besliste in tweede instantie dat verzoeker wel voor kwijtschelding in aanmerking kwam.

Ook in de jaren 2009, 2010 en 2011 vroeg verzoeker Hefpunt om kwijtschelding van de belasting. Die kwijtschelding werd zonder meer verleend.

Kwijtschelding 2012

In 2012 vroeg verzoeker opnieuw om kwijtschelding. Hefpunt wees het verzoek af.

Verzoeker vroeg Hefpunt daarop telefonisch om een toelichting. Hefpunt gaf die in een brief van 5 juli 2012. Hefpunt deelde mee dat het verzoek was afgewezen omdat verzoeker volgens de wettelijke norm beschikte over voldoende vermogen. Hefpunt liet weten dat de uitkering van de verzekering bij het vaststellen van het vermogen niet meer buiten beschouwing werd gelaten. Na vier jaar mocht Hefpunt ervan uitgaan dat de schade aan verzoekers woning was hersteld en dat de woning opnieuw volledig was ingericht. Hefpunt merkte op die visie op redelijkheid te hebben getoetst bij de ombudsman. Die zou hebben gesteld dat de visie niet onbehoorlijk was.

Verzoeker nam daarover contact op met de Nationale ombudsman. Van de zijde van de Nationale ombudsman werd hem meegedeeld dat niet was te achterhalen dat er over het verzoek om kwijtschelding contact was geweest tussen de Nationale ombudsman en Hefpunt.

In de brief van 5 juli 2012 schreef Hefpunt verder onder meer dat in eerste instantie geen kwijtschelding over 2012 was verleend omdat aanvullende informatie ontbrak. Ook liet Hefpunt weten dat de procedure voor kwijtschelding daarmee was beëindigd en dat er verder geen "rechtsgang" was.

Hoorzitting

Toch stelde verzoeker bij brief van 10 juli 2012 "intern beroep" in. Verzoeker gaf onder meer aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij ook in 2012, evenals in de voorgaande jaren, kwijtschelding zou krijgen. Op 19 september 2012 was er bij Hefpunt een hoorzitting over het beroep. Verzoeker bracht onder meer naar voren dat de hoogte van zijn banksaldo werd veroorzaakt door het restbedrag van de uitkering van de brandschade. Die uitkering was volgens verzoeker "geoormerkt geld" en er was geen reden om haast te maken met het besteden van de uitkering. Er waren hem ook nooit beperkende voorwaarden opgelegd. Verzoeker gaf een voorbeeld waaruit bleek dat het soms veel tijd, moeite en geld kostte om spullen die bij de brand verloren gingen door exact dezelfde spullen te vervangen.

Beslissing op beroep

In een brief van 15 oktober 2012 deelde Hefpunt verzoeker de uitkomst van het beroep mee. De kwestie was opnieuw bekeken. Volgens Hefpunt beschikte verzoeker over voldoende banktegoed om de belasting te betalen. Hefpunt liet weten de brandschade-uitkering in 2008 éénmaal buiten beschouwing te hebben gelaten. In de jaren 2009 tot en met 2011 had verzoeker - door fouten van Hefpunt in verzoekers voordeel - ten onrechte kwijtschelding gekregen. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder kwijtschelding kan worden verleend. In 2012 waren de kwijtscheldingsregels volgens Hefpunt correct toegepast. Verzoeker had voldoende banktegoed om de belasting te betalen. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet zijn bedragen genoemd, die bij de betaling van belasting buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Een schadevergoeding van een brandverzekering valt niet onder de genoemde uitzonderingen.

Klacht bij Nationale ombudsman

Verzoeker wendde zich tot de Nationale ombudsman. Volgens hem was het saldo van zijn bankrekening aantoonbaar het gevolg van de schade-uitkering in 2008. Verzoeker wees op de rapporten 2010/246 en 2011/119 van de Nationale ombudsman. In rapport 2010/246 ging het om een bedrag dat de gemeente had uitgekeerd aan bijzondere bijstand, voor de inrichting van de woning. De Nationale ombudsman achtte het redelijk dat het bedrag niet werd meegerekend als vermogen bij een verzoek om kwijtschelding van gemeentebelasting. In rapport 2011/119 was de situatie aan de orde dat de Belastingdienst teveel huurtoeslag en loonheffing had gestort. De bedragen moesten aantoonbaar worden terugbetaald. De Nationale ombudsman was van mening dat het waterschap de voor terugbetaling gereserveerde bedragen bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding niet tot het vermogen diende te rekenen.

(De volledige rapporten zijn te raadplegen via de website van de Nationale ombudsman)

Reactie Hefpunt

De Nationale ombudsman stelde een onderzoek in naar aanleiding van verzoekers klacht. Hefpunt liet de Nationale ombudsman weten het eens te zijn met de hierboven genoemde rapporten van de Nationale ombudsman. Hefpunt wees erop dat er daarin telkens sprake was van een periode van één jaar, waarin vermogen buiten beschouwing werd gelaten. Hefpunt bracht de vraag naar voren of het onbehoorlijk was dat na vijf jaar nog steeds te doen. Hefpunt beantwoordde die vraag zelf ontkennend. Hefpunt wees erop dat verzoeker geen aparte rekening had voor de "doeluitkering". Dat hoefde ook niet, maar het geld was nu vermeld met andere middelen die op de spaarrekening stonden. Verzoeker had als voorbeeld genoemd dat hij op zoek was naar bepaalde merkschoenen. Volgens Hefpunt was het niet onbehoorlijk dat soort uitgaven na vijf jaar te beschouwen als normale onderhoudsuitgaven.

Hefpunt deelde verder mee op 28 juni 2012 contact te hebben opgenomen met het Bureau Nationale ombudsman. Hefpunt wilde bespreken of er soortgelijke gevallen bekend waren en hoe kon worden gehandeld. Hefpunt had dat besproken met een met naam genoemde medewerker van het Bureau Nationale ombudsman.

De medewerker van het Bureau Nationale ombudsman, die door Hefpunt werd genoemd, herinnerde zich over de kwestie destijds telefonisch met een medewerker van Hefpunt te hebben besproken. Het gesprek was informeel en informatief van aard.

Beoordeling

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Hefpunt heeft terecht opgemerkt dat de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek 2012 volgens de regels correct was. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is bepaald dat de belasting moet worden betaald indien daarvoor voldoende vermogen (banksaldo) aanwezig is. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 worden vermogensbestanddelen genoemd die bij de beantwoording van de vraag of de belasting betaald kan worden buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Dat zijn bijvoorbeeld: het bedrag dat maandelijks noodzakelijk wordt geacht voor het levensonderhoud, of de uitkering van een uitvaartverzekering bij het overlijden van de belastingplichtige of zijn echtgenoot. Een schadevergoedingsuitkering van de brandverzekering is daarbij niet genoemd.

Redelijkheidsvereiste

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat een overheidsinstantie in het kader van een verzoek om kwijtschelding de bepalingen van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 naar de geest toepast, indien een letterlijke toepassing tot een onredelijke en onbedoelde uitkomst leidt. Onder omstandigheden kan dat met zich meebrengen dat de overheidsinstantie een bedrag dat door een verzekeringsmaatschappij is uitgekeerd als vergoeding voor brandschade niet meerekent als vermogen. Er is immers een spanningsveld tussen de toepasselijke regelgeving en het feit dat de toegekende vergoeding is bedoeld om aan te wenden voor het herstel van de schade. De Nationale ombudsman vindt dat er in een dergelijke situatie aanleiding bestaat voor een ruimhartige opstelling van de betrokken overheidsinstantie. Dit betekent overigens niet dat het uitgekeerde bedrag tot in lengte van jaren buiten de vermogensberekening moet worden gelaten. Te denken valt aan een overgangssituatie van enkele jaren, waarin de uitkering geheel of gedeeltelijk niet wordt meegeteld bij de berekening van het vermogen.

Duur overgangsperiode

Volgens de Nationale ombudsman behoort de duur van de overgangsperiode, waarin de verzekeringsuitkering bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing kan worden gelaten, maatwerk te zijn. In dit geval kan ervan uit worden gegaan dat verzoeker vier of vijf jaar na de brand ruimschoots in staat moet zijn geweest de schade met behulp van de uitkering te herstellen.

Hefpunt heeft verzoeker in de brieven van 5 juli en 15 oktober 2012 meegedeeld waarom zijn verzoek om kwijtschelding over 2012 werd afgewezen. De beslissing van Hefpunt was correct. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Conclusie

De klacht over Hefpunt is niet gegrond.

Onderzoek

Op 9 november 2012 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift met een klacht over een gedraging van Hefpunt te Groningen.

Naar die gedraging stelde hij een onderzoek in.

De Nationale ombudsman stuurde het resultaat van het onderzoek als verslag van bevindingen aan de betrokkenen. De reactie van Hefpunt gaf de Nationale ombudsman aanleiding het verslag te wijzigen. Van verzoeker ontving hij binnen de gestelde termijn geen reactie op het verslag.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2013/093