2013/092: Verzoekster klaagt over afwijzing kwijtschelding belasting door BSR

Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR) wil de lokale belastingen 2012 van een vrouw niet kwijtschelden omdat zij volgens BSR in het bezit is van twee voertuigen. De vrouw kon aantonen dat haar caravan niets meer waard was en haar auto €500,-. De vrouw tekende bij BSR beroep aan tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. Dit werd door BSR afgewezen. BSR heeft de caravan van de vrouw aangemerkt als een voertuig dat onder vermogensvrijstelling valt. De auto werd door BSR beschouwd als tweede voertuig, waarvan de waarde volledig buiten de vermogensvrijstelling valt. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet staat dat er voor vermogensvrijstelling uitdrukkelijk sprake moet zijn van een auto. De Nationale ombudsman vindt het niet juist dat BSR volhardt in de beslissing dat de caravan onder de vermogensvrijstelling valt.

Instantie: Belastingsamenwerking Rivierenland te Tiel

Klacht:

verzoekster geen kwijtschelding verleend van de aanslag lokale belastingen 2012, want volgens hen kwam ze niet in aanmerking voor kwijtschelding omdat zij twee voertuigen in haar bezit had.

Oordeel: gegrond

Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR) heeft het verzoek om kwijtschelding van de lokale belastingen 2012 van verzoekster afgewezen. Reden was dat verzoekster twee voertuigen op haar naam had. Verzoekster bracht naar voren dat zij een auto had met een waarde van € 500 en een caravan die niets meer waard was. Zij staafde die waardes met taxaties van BOVAG-bedrijven. BSR bleef bij de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding.

In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet is bepaald dat de overheidsinstantie geen kwijtschelding verleent wanneer de belastingplichtige genoeg vermogen heeft om de belasting te betalen. Een auto met een waarde onder de € 2.269 telt niet mee als vermogen.

BSR liet weten de caravan te hebben beschouwd als het voertuig waarvoor die vermogensvrijstelling gold. Volgens BSR kon de belasting dus betaald worden met de waarde van het tweede voertuig, de auto.

De Nationale ombudsman heeft overwogen dat in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet uitdrukkelijk sprake is van een vermogensvrijstelling voor een "auto". Toen verzoekster protesteerde tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding, stelde zij met zoveel woorden aan de orde dat één van de twee voertuigen geen auto was maar een caravan. BSR had de auto toen onder de vermogensvrijstelling moeten brengen. En verzoekster wijtschelding moeten verlenen.

De Nationale ombudsman geeft aan BSR in overweging verzoekster alsnog kwijtschelding te verlenen en het beleid op dit punt voor eventuele toekomstige gevallen aan te passen.

Verzoekster klaagt er over dat Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR) haar geen kwijtschelding heeft verleend van de aanslag lokale belastingen 2012. Volgens BSR kwam verzoekster niet in aanmerking voor kwijtschelding omdat zij twee voertuigen in haar bezit had. Verzoekster had aan de hand van taxaties van BOVAG-garages naar voren gebracht dat zij een auto had ter waarde van € 500 en een caravan met een waarde van € 0.

Bevindingen

Verzoek om kwijtschelding

BSR is een zogeheten gemeenschappelijke regeling, opgericht door het Waterschap Rivierenland, Afvalverwijdering Rivierengebied, en een aantal gemeentes. Namens deze overheidsinstanties verzorgt BSR de heffing en inning van lokale (en regionale) belastingen.

BSR bracht verzoekster over 2012 lokale belasting in rekening. Verzoekster vroeg BSR om kwijtschelding, omdat zij onvoldoende inkomsten en vermogen had om de belasting te voldoen. Verzoekster wees erop dat zij een 12 jaar oude auto en een 21 jaar oude caravan had. Bij het verzoek om kwijtschelding voegde verzoekster taxatierapporten over de auto en de caravan. De waarde van de auto was door een BOVAG-autobedrijf getaxeerd op € 500. De waarde van de caravan was volgens een eveneens bij de BOVAG aangesloten caravanleverancier in principe nihil. De caravan zou gerepareerd moeten worden en zou dan weer € 250 waard zijn. De kosten van de reparatie zouden de waarde echter overstijgen. Het laten slopen van de caravan zou ook € 100 kosten.

Op 9 augustus 2012 wees BSR het kwijtscheldingsverzoek af. Als reden daarvoor gaf BSR op dat verzoekster twee voertuigen had. Die voertuigen moesten worden onderhouden en daarvoor moest verzoekster kosten maken. Daardoor was zij niet in staat de belastingaanslag te voldoen. En voor het tweede voertuig gold geen zogeheten vermogensvrijstelling (uit de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990).

Beroep bij BSR

Verzoekster tekende bij BSR beroep aan tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. Verzoekster wees er onder andere op dat zij de caravan al jaren niet gebruikte of onderhield. Zij hoefde voor de caravan geen verzekering af te sluiten. Er ruste geen keuringsplicht op en zij hoefde geen belasting ervoor te betalen.

Toen verzoekster op 8 februari 2013 nog geen beslissing op haar beroep had ontvangen, wendde zij zich tot de Nationale ombudsman.

BSR liet de Nationale ombudsman weten op 16 november 2012 afwijzend op het beroep te hebben beslist. De beslissing had verzoekster blijkbaar niet bereikt. BSR verstrekte een afschrift van de beslissing. Daarin was aangegeven dat het beroep was afgewezen, omdat verzoekster twee voertuigen in haar bezit had. Voor het tweede voertuig, de auto, gold volgens BSR geen vermogensvrijstelling.

Klacht bij de Nationale ombudsman

Verzoekster liet weten dat zij het niet eens was met de beslissing op het beroep.

Zij gaf aan dat er volgens haar sprake was van een inconsistente en ondeugdelijke motivering. Verder was het niet juist de caravan, die geen waarde had, in plaats van de auto onder de vermogensvrijstelling te laten vallen.

De Nationale ombudsman nam de kwestie in onderzoek en stelde BSR daarover een aantal vragen.

Standpunt BSR

BSR liet de Nationale ombudsman weten de afwijzingsgrond in de beslissing op het verzoek om kwijtschelding en de beslissing op het beroep niet woordelijk, maar in de essentie van de tekst wel gelijk te achten. Op het moment van het indienen van het verzoek was er sprake van twee voertuigen. In de beslissing op het beroep was als aanvulling nog vermeld welk voertuig was vrijgesteld en welk voertuig niet.

BSR hanteerde als uitgangspunt dat het voertuig met de minste waarde was vrijgesteld. Volgens BSR was het aan te merken als verwijtbaar dat met een laag inkomen de dubbele kosten konden worden betaald. Die kosten waren in het geval van de caravan: stalling, verzekering en onderhoud, en in geval van de auto: wegenbelasting, verzekering en onderhoud.

BSR liet weten dat in de Van Dale is vermeld dat onder voertuig een vervoermiddel wordt verstaan en dat een caravan als een vervoermiddel is aan te merken.

Nadere reactie verzoekster

Verzoekster bracht onder meer naar voren dat BSR steeds genegeerd heeft dat zij geen kosten heeft aan de caravan. Voor de caravan hoeft geen wegenbelasting te worden betaald of verzekering te worden afgesloten. Ook zijn er geen stallingskosten. De caravan is gestald onder een zeil in de tuin.

Verzoekster wees erop dat een voertuig volgens de Van Dale dient voor vervoer van personen of goederen. Een caravan doet dat niet.

Beoordeling

Redelijkheidsvereiste

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de verschillende belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Tweede auto is in beginsel vermogen

In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is bepaald dat een auto met een waarde tot € 2.269 niet wordt aangemerkt als vermogen, waaruit de belastingaanslag behoort te worden voldaan. In rapport 2010/223 (zie de website van de Nationale ombudsman) overwoog de Nationale ombudsman dat het bij de aanwezigheid van meer dan één auto in beginsel niet redelijk is te achten dat de betrokkene zijn belastingplicht niet hoeft te voldoen. Dit betekent dat een tweede auto in beginsel volledig als vermogen in aanmerking kan worden genomen. De Nationale ombudsman overwoog tevens dat van betrokkene kan worden verwacht dat hij de waarde van de auto('s) onderbouwt met een taxatie van een garagebedrijf dat bij de BOVAG is aangesloten.

Vermogensvrijstelling geldt voor een "auto"

BSR heeft verzoeksters caravan aangemerkt als voertuig dat onder de vermogensvrijstelling valt. BSR beschouwde de auto daarom als tweede voertuig, waarvan de waarde volledig buiten de vermogensvrijstelling valt. Daargelaten of een caravan als voertuig moet worden beschouwd, ligt deze gang van zaken niet voor de hand. In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet is, wat betreft de vermogensvrijstelling uitdrukkelijk sprake van een auto. Uit de bepaling in kwestie kan worden opgemaakt dat er sprake moet zijn van een (motor)voertuig, dat geschikt is voor (het woon-werk verkeer bij) de uitoefening van een beroep of voor het vervoer van invaliden. Een caravan is dat niet.

Toen verzoekster in beroep ging tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding, stelde zij met zoveel woorden aan de orde dat één van haar "voertuigen" een caravan was. De Nationale ombudsman vindt het niet juist dat BSR toen heeft volhard in de beslissing dat de caravan onder de vermogensvrijstelling viel. BSR had verzoekers auto toen onder de vermogensvrijstelling moeten brengen. Uiteraard had BSR de waarde van de caravan vervolgens volledig bij verzoekers vermogen kunnen rekenen. Aangezien verzoekster aannemelijk had gemaakt dat de waarde van de caravan nihil was, had dat in dit geval ertoe moeten leiden dat het verzoek om kwijtschelding alsnog was gehonoreerd.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de beslissing van BSR op verzoeksters beroep in strijd is met het redelijkheidsvereiste. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Belastingsamenwerking Rivierenland is gegrond, wegens strijd met het redelijkheidsvereiste.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft Belastingsamenwerking Rivierenland in overweging om verzoekster alsnog kwijtschelding te verlenen van de aanslag lokale belasting 2012, en het beleid op dit punt voor eventuele toekomstige gevallen aan te passen.

Onderzoek

Op 25 februari 2012 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift met een klacht over een gedraging van Belastingsamenwerking Rivierenland (verder: BSR). Naar die gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd BSR gevraagd om op de klacht te reageren en werd BSR vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Noch verzoekster noch BSR gaf binnen de gestelde termijn een reactie.

BIJLAGE

Wettelijk kader

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bevat – voor zover van belang – de volgende bepalingen:

Artikel 11, aanhef en onder a:

"Kwijtschelding wordt verleend voor: het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is; …"

Artikel 12, aanhef tweede lid en onder c en derde lid:

"Lid 2. Onder bezittingen wordt niet begrepen:

(…)

c. een auto die op het moment van het verzoek een waarde heeft van € 2.269 of minder; een auto met een waarde van meer dan € 2.269 wordt niet als vermogen beschouwd indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit.

(…)

Lid 3. Onder waarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt verstaan de prijs die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2013/092