2011/312: Deurwaarder gaat bij berekening beslagvrije voet uit van basishuur ipv normhuur

Deurwaarder uit Groningen heeft beslag gelegd op de uitkering die een man van het UWV ontvangt. Dat heeft de deurwaarder gedaan omdat de man een schuld heeft bij een autofinancieringsbedrijf. Maar hij is voor de berekening van de beslagvrije voet (minimum aan inkomen dat de beslagene ter beschikking staat voor zijn of haar levensonderhoud) uitgegaan van de basishuur, en niet van de normhuur. De man heeft daardoor elke maand €17,82 minder te besteden. De Nationale ombudsman wijst op de Wet op de huurtoeslag, jurisprudentie en de wettelijke schuldsaneringsregeling en vindt dat voor de beslagvrije voet moet worden uitgegaan van de normhuur. Hij doet de deurwaarder de aanbeveling de beslagvrije voet opnieuw vast te stellen en ook in andere zaken van de normhuur uit te gaan.

Instantie: Gerechtsdeurwaarder te Groningen

Klacht:

uitgegaan van de basishuur in plaats van de normhuur waardoor de beslagvrije voet te laag is vastgesteld met een bedrag van € 17,82 per maand (in 2010)

Oordeel: gegrond

Omdat verzoeker een betalingsachterstand had bij een autofinancieringsbedrijf werd zijn schuld ter inning overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. Die legde beslag op dat deel van de uitkering die verzoeker ontving dat de beslagvrije voet te boven ging. Volgens de sociaal raadsvrouw van verzoeker was die beslagvrije voet niet juist vastgesteld omdat de woonkosten waarmee de beslagvrije voet in sommige gevallen kan worden verhoogd, niet juist waren berekend.

De gerechtsdeurwaarder was bij de berekening van deze wooncomponent uitgegaan van de basishuur terwijl dat volgens de gemachtigde van verzoeker de normhuur moest zijn. De beslagvrije voet was daardoor in 2010 met een bedrag van € 17,82 per maand te laag vastgesteld.

Zowel de gerechtsdeurwaarder als de gemachtigde van verzoeker gaven in reactie op de klacht aan waarom zij van mening waren dat voor het begrip 'basishuur' respectievelijk 'normhuur' had moeten worden gekozen. De gerechtsdeurwaarder wees in zijn argumentatie vooral op de wetsgeschiedenis en de bedoeling van de wetgever. De gemachtigde van verzoeker wees vooral op de wettekst (artikel 17, tweede lid van de Wet op de huurtoeslag in combinatie met artikel 475d, vijfde lid en onder b Rv), op andere vergelijkbare regelingen (zoals de betalingscapaciteit bij de invordering door de Belastingdienst en het vrij te laten bedrag bij een schuldsanering) en op jurisprudentie. In die situaties wordt ook uitgegaan van de normhuur.

De Nationale ombudsman was van oordeel dat de argumentatie van de gemachtigde van verzoeker sterker was: het letterlijk noemen van het begrip in de wet, meer jurisprudentie (en van hogere rechters) en ter bevordering van een eenduidige wetgeving is het goed om bij andere regelingen aan te sluiten. Doordat de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van de beslagvrije voet voor wat betreft de wooncomponent uit is gegaan van de basishuur heeft hij gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De Nationale ombudsman heeft als individuele aanbeveling gedaan dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet opnieuw moet berekenen en daarbij moet uitgaan van het begrip normhuur.

Als structurele aanbeveling heeft hij de gerechtsdeurwaarder in overweging gegeven om ook bij andere vergelijkbare gevallen voortaan uit te gaan van het begrip normhuur.

Verzoeker klaagt erover dat een bij naam genoemde gerechtsdeurwaarder bij de berekening van de beslagvrije voet uitgaat van de basishuur in plaats van de normhuur waardoor de beslagvrije voet te laag is vastgesteld met een bedrag van € 17,82 per maand (in 2010).

Bevindingen en beoordeling

Algemeen

I Bevindingen

1. Verzoeker ontvangt een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en heeft een schuld bij een autofinancieringsbedrijf. In verband met een betalingsachterstand van de maandelijkse termijnen is de schuld op een gegeven moment ter inning overgedragen aan een deurwaarder. Deze heeft beslag gelegd op dat gedeelte van de uitkering bij het UWV dat de beslagvrije voet te boven gaat. Volgens de sociaal raadsvrouw van verzoeker was de beslagvrije voet niet juist berekend omdat de deurwaarder bij de verhoging van de beslagvrije voet met de woonkosten, voor de berekening was uitgegaan van de 'basishuur' in plaats van de 'normhuur'. Een gevolg hiervan was dat verzoeker in 2010 maandelijks een bedrag van € 17,82 minder te besteden had. Op 7 januari 2011 diende de sociaal raadsvrouw hierover een klacht in bij de Nationale ombudsman.

2. De klacht van verzoeker werd voorgelegd aan de deurwaarder waarbij werd gevraagd om een berekening van de beslagvrije voet en meer specifiek om een toelichting op de verhoging van de beslagvrije voet met de woonkosten.

3. De deurwaarder reageerde bij brief van 21 februari 2011 op de klacht. Volgens de deurwaarder werd er bij de berekening van de beslagvrije voet pas rekening gehouden met de wooncomponent toen de sociaal raadsvrouw daar om verzocht. Artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv, zie Achtergrond, onder 1.) geeft aan hoe de berekening moet plaatsvinden. In dat artikel staat het in hoofdlijnen als volgt omschreven:

"De beslagvrije voet wordt verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering meer bedragen dan de normhuur, met dien verstande dat de verhoging niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar ten hoogste aanspraak heeft."

Op de huur van verzoeker (€ 352,14) wordt de huurtoeslag van € 153,00 in mindering gebracht. Dit levert een bedrag op van € 199,14. Dit is hoger dan € 192,32 (de normhuur, dat is dat deel van de huur dat een huurder gelet op zijn inkomen geacht wordt zelf te kunnen betalen, dit bedrag wordt genoemd in artikel 17 tweede lid van de Wet op de huurtoeslag; zie Achtergrond, onder 2.). De verhoging mag niet meer bedragen dan het huurtoeslagbedrag waarop verzoeker ten hoogste aanspraak heeft. De rekenhuur bedraagt voor hem € 199,14. De basishuur is de normhuur vermeerderd met een bedrag van € 17,05 (zie artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag) en bedraagt € 209,37. Omdat de rekenhuur lager is dan de basishuur is er dus geen aanleiding om de beslagvrije voet aan te passen met een woonkostencomponent.

De deurwaarder is van mening dat de berekening kan worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis. Volgens de wetsgeschiedenis is er zowel aan de boven- als aan de onderkant een grens voor het aanpassen van de beslagvrije voet met de woonkosten. Aan de onderkant was dat volgens de deurwaarder de normhuur. Later is dat volgens hem vervangen door de basishuur, dat is het deel van de huur waarover geen huursubsidie wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Volgens de deurwaarder heeft de wetgever met de woorden 'te allen tijde' expliciet willen aangeven dat dit bedrag voor rekening van de huurder blijft en als dat het geval is, wordt het niet meegenomen in de beslagvrije voet.

Verder is volgens hem het begrip 'basishuur' in plaats van het begrip 'normhuur' gekomen. Naar zijn zeggen is er sprake van een schijnbare discrepantie omdat er in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b Rv naar de artikelen 17, tweede lid en 21 van de Wet op de huurtoeslag wordt verwezen, waar gesproken wordt over 'normhuur' respectievelijk 'basishuur'. Voor de berekening van artikel 21 moet echter uitgegaan worden van de basishuur voor de verhoging van de beslagvrije voet. Dit is volgens hem in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

4. De sociaal raadsman van verzoeker heeft bij brief van 15 maart 2011 commentaar gegeven op de reactie van de gerechtsdeurwaarder. Verzoeker is van mening dat bij de berekening van de beslagvrije voet uitgegaan moet worden van de normhuur. Als de normhuur wordt gehanteerd wordt de beslagvrije voet (in 2010) € 17,82 hoger en heeft verzoeker maandelijks dat bedrag meer te besteden.

Namens verzoeker worden de volgende argumenten aangevoerd: de wettekst van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b Rv verwijst heel duidelijk naar artikel 17, tweede lid van de Wet op de huurtoeslag waarin gesproken wordt over de normhuur. De verwijzing naar artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag waarin het begrip basishuur wordt genoemd heeft betrekking op het maximum bedrag aan woonkosten waarmee de beslagvrije voet kan worden verhoogd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens verzoeker dat het begrip 'basishuur' als verhoging van de 'normhuur' is geïntroduceerd als bezuiniging op de huursubsidies. Nergens zou uit blijken dat deze introductie ook zou moeten doorwerken in andere regelingen.

Ook andere regelingen waar de betalingscapaciteit moet worden vastgesteld, maken volgens verzoeker gebruik van het begrip 'normhuur', het gaat daarbij om de betalingsregeling en kwijtschelding belastingen op grond van artikel 15, eerste lid onder b van de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990 en de Beleidsregel 2008 oplegging bestuurlijke boete bij niet tijdige aanmelding zorgverzekering.

Volgens verzoeker is ook de jurisprudentie eensgezind in het gebruik van de 'normhuur'. Hij verwijst daarbij onder meer naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2010 (zie Achtergrond, onder 3.).

Ten slotte wordt de normhuur gebruikt bij de berekening van het vrij te laten bedrag voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen volgens de Recofa-methode en bij de berekening van de beslagvrije voet in de "Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders" van de Belastingdienst.

Voor zover dat bij de sociaal raadsman van verzoeker bekend is, is Gerechtsdeurwaarder X. het enige kantoor dat bij de berekening van de beslagvrije voet nog uit gaat van de 'basishuur' in plaats van de 'normhuur'. De deurwaarder gaat daarmee tegen de gangbare interpretatie in.

5. Op 7 april 2011 heeft de gerechtsdeurwaarder een nadere reactie gegeven op het commentaar van de sociaal raadsman.

Verzoeker is volgens hem ten onrechte uitgegaan van een algemene maximalisering van de verhoging van de beslagvrije voet terwijl het daadwerkelijk ontvangen bedrag aan huurtoeslag leidend zou moeten zijn. Als er geen recht is op huurtoeslag is het niet mogelijk om de beslagvrije voet met een woonkostencomponent te verhogen.

Dat het begrip 'basishuur' als bezuinigingsmaatregel is geïntroduceerd, zou in de redenering van verzoeker volgens de deurwaarder betekenen dat de gevolgen van die bezuiniging feitelijk moeten worden gedragen door de beslaglegger. De bewering dat het begrip 'basishuur' volgens de wetgever niet zou doorwerken in andere regelingen is volgens de deurwaarder niet juist omdat de wetgever de basishuur heeft gedefinieerd als dat deel van de huur waarover geen huursubsidie wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Nergens zou uit blijken dat de wetgever een uitzondering had willen maken voor het derdenbeslag.

In de namens verzoeker aangedragen jurisprudentie wordt onder meer aansluiting gezocht bij de Recofa-methode, dit is volgens de deurwaarder niet correct omdat die methode betrekking heeft op de berekening van het vrij te laten bedrag in een wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit is volgens de deurwaarder een andere regeling die gebaseerd is op artikel 295 van de Faillissementswet. Deze wet neemt als basis de beslagvrije voet waarop de rechtercommissaris een nominale verhoging kan toestaan. Het beleid voor toekenning van deze verhoging is vastgelegd in de zogenaamde Recofamethode. Naar de overtuiging van de deurwaarder is het – gelet op het feit dat niet iedereen tot een schuldsaneringstraject wordt toegelaten – onjuist om voorrechten uit die regeling toe te kennen aan een schuldenaar die niet onder die regeling valt.

De namens verzoeker genoemde andere regelingen die ook gebruik zouden maken van het begrip 'normhuur', zijn volgens de deurwaarder niet verwant: zo is in beide genoemde regelingen sprake van 'coulance', terwijl daar in de situatie van artikel 475d Rv geen sprake van is.

De deurwaarder vindt niet dat er sprake is van een gangbare interpretatie door de normhuur te hanteren. Zowel de Recofamethode als de berekening door de Belastingdienst hebben betrekking op een andersoortige regeling. Ten slotte is de deurwaarder ingegaan op de opmerking over de gangbaarheid van de door hem gehanteerde rekenmethode: het zijn van "gangbare interpretatie" wordt door de deurwaarder uitdrukkelijk betwist. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de beroepsorganisatie van de gerechtsdeurwaarders inmiddels ook uitgaat van zijn interpretatie waarmee de interpretatie van de gemachtigde van verzoeker niet (meer) de gangbare is.

II Beoordeling

6. Onderhavige klacht gaat volledig over een verschil van mening met betrekking tot de berekening van de beslagvrije voet. Verzoeker meent dat bij de berekening voor wat betreft de woonkostencomponent rekening moet worden gehouden met de 'normhuur', terwijl de deurwaarder er stellig van overtuigd is dat moet worden uitgegaan van de 'basishuur'. Bij het hanteren van de normhuur wordt de beslagvrije voet ongeveer € 18 hoger en houdt verzoeker per maand dus iets meer over om vrij te besteden. Zoals in de bevindingen goed naar voren komt, hebben beide partijen uitvoerig en gemotiveerd aangevoerd waarom zij van mening zijn dat zij gelijk hebben.

7. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Bij de toetsing van de keuze voor het gebruik van de normhuur of de basishuur aan dit vereiste gaat het om het belang van de schuldeiser tegenover het belang van de schuldenaar. Als het begrip normhuur wordt gebruikt bij het berekenen van de beslagvrije voet, kan het innen van een schuld langer duren maar houdt de burger tijdens dat proces meer vrij besteedbaar inkomen over. Dit is precies andersom als bij die berekening het begrip basishuur wordt gebruikt.

8. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman zijn de argumenten om bij de berekening van de beslagvrije voet voor de normhuur te kiezen sterker. Het begrip normhuur wordt genoemd in artikel 17 tweede lid van de Wet op de huurtoeslag (zie Achtergrond, onder 2.). Naar dat artikel wordt verwezen in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b. Rv (zie Achtergrond, onder 1.) waarin de verhoging van de beslagvrije voet met de wooncomponent is beschreven. Er is meer jurisprudentie (en van hogere rechters) waarin bij de berekening van de beslagvrije voet de normhuur wordt gehanteerd (zie Achtergrond, onder 3. en 4.). Hoewel het om andersoortige regelingen gaat, is het ter bevordering van een eenduidige wetgeving goed om aansluiting te zoeken bij de berekening van het vrij te laten bedrag in een wettelijke schuldsaneringsregeling. Ook bij die berekening wordt voor de wooncomponent gebruik gemaakt van de normhuur. Door bij de berekening van de beslagvrije voet voor wat betreft de wooncomponent uit te gaan van de basishuur heeft Gerechtsdeurwaarder X. gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman ziet in het voorgaande aanleiding om aan dit rapport twee aanbevelingen te verbinden.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Gerechtsdeurwaarder X. uit Groningen, is gegrond wegens strijd met het redelijkheidsvereiste.

Aanbeveling

Gerechtsdeurwaarder X. wordt in overweging gegeven te bevorderen dat:

de beslagvrije voet van verzoeker opnieuw wordt vastgesteld waarbij voor wat betreft de berekening van de woonkostencomponent wordt uitgegaan van het begrip 'normhuur'.

ook bij het vaststellen van de beslagvrije voet in andere bij hem in behandeling zijnde zaken voor wat betreft de berekening van de woonkostencomponent wordt uitgegaan van het begrip 'normhuur'.

De Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

Onderzoek

Op 7 januari 2011 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer B. uit Arnhem, ingediend door de Stichting Rijnstad Sociaal Raadslieden uit Arnhem, met een klacht over een gedraging van Gerechtsdeurwaarder X. uit Groningen.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd Gerechtsdeurwaarder X. verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Na de aankondiging dat een verslag van bevindingen zou worden opgesteld, maakte Gerechtsdeurwaarder X. van de gelegenheid gebruik om commentaar te geven op de reactie van de gemachtigde van verzoeker.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De gemachtigde van verzoeker deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van Gerechtsdeurwaarder X. gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Verzoekschrift d.d. 29 december 2010 (ontvangen op 7 januari 2011)

Reactie op de klacht van Gerechtsdeurwaarder X. d.d. 21 februari 2011

Commentaar van de sociaal raadsman d.d. 15 maart 2011

Nadere reactie van de Gerechtsdeurwaarder X. d.d. 7 april 2011

Commentaar van de Gerechtsdeurwaarder X. op het verslag van bevindingen d.d. 27 september 2011

Achtergrond

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b.:

"…De beslagvrije voet wordt verhoogd met: (…)

b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft…"

Wet op de huurtoeslag (zoals die gold op 1 juli 2010)

Artikel 16

"De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurder blijft. De basishuur is het overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 berekende bedrag van de normhuur verhoogd met € 12 [Red: per 1 januari 2009: € 17,05] ."

Artikel 17, tweede lid:

"Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 192,32."

Centrale Raad van Beroep, uitspraak van 26 januari 2010, LJN: BL3614:

"…9.5. Met betrekking tot de stelling van appellante dat het College de beslagvrije voet heeft verhoogd met een te gering bedrag wegens woonkosten overweegt de Raad als volgt.

9.5.1. Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Rv wordt de beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag (WHT), met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de WHT ten hoogste aanspraak heeft.

9.5.2. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellante ten tijde hier van belang een huur betaalde van (ongeveer) € 453,20 per maand en aanspraak had op een huurtoeslag van (ongeveer) € 134,--. Daarvan uitgaande wordt de in artikel 17, tweede lid, van de WHT genoemde normhuur ten bedrage van € 178,54 met € 140,66 overschreden. Laatstgenoemd bedrag is niet hoger dan het maximale huurtoeslagbedrag voor de laagste inkomenscategorie, als bedoeld in artikel 21 van de WHT. Niet is in te zien hoe de in de aangevallen uitspraak 3 genoemde uitspraak van de rechtbank van 26 november 2007 (LJN BC0264) wat er overigens van die uitspraak zij met zich kan brengen dat in het geval van appellante niettemin slechts een bedrag van € 8,50 (zijnde de helft van € 17, ) voor woonkosten aan de beslagvrije voet kan worden toegevoegd. De beroepsgrond treft dus doel…"

Gerechtshof Amsterdam, uitspraak van 7 juni 2011, LJN: BQ8689:

"…4.11. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de navolgende volgende berekening en vaststelling.

4.11.1. Ten aanzien van [appellant sub 1]

Basisnorm beslagvrije voet: € 907,47

Rekenhuur: € 200,00

-/- Normhuur (per 1 jan 2011) € 194,33

Premie ziektekosten - normpremie: € 5,67

Max verhoging woonkosten € 335,67

Bij: € 5,67

€ 913,14

Premies Ziektekostenverzekering € 179,45

-/- Normpremie voor eigen rekening € 45,00

Bij: Ziektekosten € 134,45

€ 1.047,59

AF: overige inkomsten € 0,00

BESLAGVRIJE VOET € 1.047,59

Publicatiedatum
Rapportnummer
2011/312