2011/283: Ondernemer klaagt door werk voor Nlse ambassade Kabul in gevaar te zijn gekomen

Nederlandse man heeft sinds 2005 een bouwbedrijf in Afghanistan. Zodra de Nederlandse troepen naar Uruzgan komen, biedt hij zijn diensten aan de Nederlandse ambassade in Kabul en wordt hij door de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) ingeschakeld voor het leveren van diensten. Aanvankelijk wist hij niet dat hij voor de MIVD werkte. In die periode heeft hij vervoer naar Kandahar en onderdak aldaar geregeld voor een MIVD-medewerker. De ombudsman komt op grond van zijn onderzoek tot de conclusie dat de man dit zelf heeft aangeboden, dat de risico’s die hij daarbij liep niet groter waren dan wanneer het een gewone Defensiemedewerker had betroffen en dat hij zelf in staat was die risico’s in te schatten. Later heeft hij diensten voor de MIVD verricht terwijl hij wist dat het de MIVD betrof. Dan keert in 2007 zijn contactpersoon bij de MIVD niet terug uit Nederland en gaat de man nog twee jaar door met het opbouwen van een inlichtingennetwerk zonder aansturing door de MIVD. Hoewel de MIVD valt te verwijten dat de afspraken die de niet-teruggekeerde contactpersoon met de man had gemaakt niet duidelijk waren vastgelegd, is de ombudsman van oordeel dat de man voldoende mogelijkheden had om zijn problemen voor te leggen aan een hem bekende MIVD-medewerker in Afghanistan, maar dat hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Het is niet duidelijk in hoeverre hij veiligheidsrisico’s heeft gelopen door het voortzetten van deze activiteiten. Wel is de ombudsman van oordeel dat de MIVD voldoende actie heeft ondernomen om zijn veiligheid en die van zijn gezin te waarborgen.

Instantie: Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Klacht:

verzoeker onder valse voorwendselen alsmede buiten zijn wil en medeweten betrokken bij inlichtingenoperaties in Afghanistan

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Klacht:

verzoeker aan zijn lot overgelaten toen hij genoodzaakt was om te vluchten naar Nederland

Oordeel: niet gegrond

Verzoeker, oorspronkelijk afkomstig uit Turkije, heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2005 beëindigde hij zijn dienstbetrekking in Nederland en vertrok naar Afghanistan met het doel daar een bouwbedrijf te beginnen. Verzoeker had begin 2006, nadat bekend werd dat Nederlandse troepen in Uruzgan gestationeerd zouden worden, contact opgenomen met de Nederlandse ambassade in Kabul. Hij had zijn diensten aangeboden om de komst van de Nederlandse troepen naar Uruzgan te faciliteren. Verzoeker stelde dat hij dit zowel uit vaderlandsliefde als uit zakelijk oogpunt had gedaan.

Verzoeker klaagde er over dat de Militaire Inlichtingen- en veiligheidsdienst (MIVD) hem onder valse voorwendselen alsmede buiten zijn wil en medeweten had betrokken bij inlichtingenoperaties in Afghanistan. Als gevolg van deze operaties had verzoeker een groot zakelijk en persoonlijk risico gelopen. Volgens verzoeker was hem gevraagd iemand te helpen om naar Kandahar te reizen. Achteraf bleek het om een medewerker van de MIVD te gaan. De Afghaan waar deze persoon verbleef was later doodgeschoten.

Op basis van de aan de Nationale ombudsman verstrekte – en door de substituut-ombudsman geverifieerde – informatie en op basis van de onder ede afgelegde verklaringen van medewerkers van de MIVD heeft de Nationale ombudsman de overtuiging dat de medewerker van de MIVD die door verzoeker was gefaciliteerd bij zijn reis naar Kandahar zich jegens verzoeker had voorgesteld als medewerker van het ministerie van Defensie en dat verzoeker ongevraagd had aangeboden deze reis te faciliteren. De Nationale ombudsman merkte wel op dat het niet was uitgesloten dat verzoeker door het faciliteren van deze reis een risico had gelopen. Dit risico zou niet anders zijn geweest indien het een medewerker van het ministerie van Defensie zou hebben betroffen die niet bij de MIVD werkzaam was. Ook achtte de Nationale ombudsman het aannemelijk dat verzoeker, gelet op zijn jarenlange verblijf in Afghanistan, in staat was zelf het risico in te schatten van (het faciliteren van) de reis van Kabul naar Kandahar. Tevens was niet aannemelijk geworden dat er een verband was tussen de aanslag op de vermoorde persoon en het faciliteren van deze reis door verzoeker. Temeer nu de aanslag meer dan twee jaar na het faciliteren van de reis had plaatsgevonden en de vermoorde persoon een belangrijke functie had vervuld bij een Afghaanse inlichtingendienst en alleen al daardoor grote veiligheidsrisico's liep.

Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit brengt met zich mee dat de MIVD als zij gebruik maakt van de diensten van een burger, anders dan als informant, ervoor waakt dat die burger niet aan onaanvaardbaar risico wordt blootgesteld. De Nationale ombudsman oordeelde dat niet aannemelijk was geworden dat verzoeker buiten zijn wil door de MIVD was betrokken bij inlichtingenoperaties en ook niet dat verzoeker door het faciliteren van de reis van de medewerker van de MIVD aan onaanvaardbaar persoonlijk en zakelijk risico was blootgesteld. De Nationale ombudsman concludeerde dat de onderzochte gedraging op dit punt behoorlijk was.

Verzoeker was voorts in 2007 door een medewerker van de MIVD benaderd om een inlichtingennetwerk in Afghanistan op te zetten. Nadat deze medewerker in 2007 naar Nederland was teruggekeerd, was verzoeker doorgegaan met het opzetten van dit netwerk. Verzoeker had geen contact meer gehad met de betreffende medewerker van de MIVD en ook geen contact opgenomen met de opvolger van deze medewerker in Afghanistan. Verzoeker had de vragen van de mensen die hij als bron had benaderd zelf beantwoord en ook deze mensen zelf betaald om ze rustig te houden. In 2009 was de situatie voor verzoeker onhoudbaar geworden en was hij teruggekeerd naar Nederland. Verzoeker klaagde erover dat de MIVD hem toen hij genoodzaakt was om te vluchten naar Nederland aan zijn lot had overgelaten.

Na grondige bestudering van het dossier en op grond van de afgelegde verklaringen had de Nationale ombudsman niet kunnen vaststellen of en in hoeverre de door verzoeker voor de MIVD verrichte werkzaamheden een zodanig veiligheidsrisico voor hem hadden meegebracht dat dit hem noodzaakte Afghanistan te verlaten. Wel had de Nationale ombudsman geconstateerd dat verzoeker in Afghanistan zodanige contacten had, die niets met zijn werk voor de MIVD te maken hadden, dat deze op zichzelf reeds in de Afghaanse context grote veiligheidsrisico's voor hem konden meebrengen. Voorts had de MIVD verzoeker aangeboden hem en zijn gezin tijdelijk onder te brengen op de kazerne. Verzoeker had dit aanbod afgewezen. Ook had de MIVD verzoeker verzocht aan te geven uit welke hoek verzoeker dreiging verwachtte. Verzoeker had dit niet gedaan.

De Nationale ombudsman was dan ook van oordeel dat de MIVD in voldoende mater actie had ondernomen om de veiligheid van verzoeker en zijn gezin te waarborgen en dat de onderzochte gedraging behoorlijk was.

Verzoeker klaagt er over dat de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD):

- hem onder valse voorwendselen alsmede buiten zijn wil en medeweten heeft betrokken bij inlichtingenoperaties in Afghanistan. Als gevolg van deze operaties heeft verzoeker een groot zakelijk en persoonlijk risico gelopen;

- hem toen hij genoodzaakt was om te vluchten naar Nederland aan zijn lot heeft overgelaten.

Bevindingen en beoordeling Bevindingen

1. Verzoeker, oorspronkelijk afkomstig uit Turkije, heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2005 beëindigde hij zijn dienstbetrekking in Nederland en vertrok naar Afghanistan met het doel daar een bouwbedrijf te beginnen.

2. Bij brief van 18 augustus 2009 wendde verzoeker zich tot de Minister-president. Verzoeker merkte op dat hij, begin 2006, nadat bekend werd dat Nederlandse troepen in Uruzgan gestationeerd zouden worden, contact had opgenomen met de Nederlandse ambassade in Kabul. Hij had zijn diensten aangeboden om de komst van de Nederlandse troepen naar Uruzgan te faciliteren. Verzoeker stelde dat hij dit zowel uit vaderlands- liefde als uit zakelijk oogpunt had gedaan.

Volgens verzoeker was hem op een gegeven moment gevraagd iemand, die naar Kandahar wilde reizen, te willen helpen. Verzoeker had deze persoon van Afghaanse kleding voorzien en twee gewapende bodyguards alsmede zijn eigen auto met chauffeur ter beschikking gesteld. Ook had verzoeker voor deze persoon een vertrouwd adres in Kandahar geregeld waar hij veilig kon overnachten. De Afghaan waar deze persoon logeerde is later doodgeschoten. De betreffende persoon bleek achteraf een medewerker van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) te zijn, aldus verzoeker.

Voorts had verzoeker volgens eigen zeggen met zeer groot zakelijk en persoonlijk risico geheime opdrachten voor de MIVD vervuld. Het betrof hier onder meer wapenleveranties, brandstofleveranties, stempels in paspoorten etc.

Verzoeker gaf verder aan dat hij in 2007 door een medewerker van de MIVD was benaderd met het verzoek om een inlichtingennetwerk op te zetten. Verzoeker mocht hier met niemand anders over praten dan met de betreffende MIVD-medewerker. Verzoeker was met het opzetten van dit netwerk begonnen. De betreffende medewerker vertrok in 2007 naar Nederland. Omdat verzoekers contactpersoon bij de MIVD niet meer terugkeerde naar Afghanistan en hij ook niets hoorde van andere functionarissen van de Nederlandse overheid, kreeg verzoeker de indruk dat hij was gebruikt door de Nederlandse overheid. Verzoeker wist niet meer wie hij wel en wie hij niet kon vertrouwen. Verzoeker kon de vragen van de mensen die hij voor zijn inlichtingennetwerk had benaderd niet meer beantwoorden. Verzoeker voelde zich daardoor gedwongen tegen deze mensen te liegen en grote sommen geld te betalen om deze mensen rustig te houden. Hij merkte op dat hij in deze periode alles had verloren waar hij jarenlang voor had gewerkt. Ook zag hij zich geconfronteerd met vele vijanden die hem graag dood wilden hebben.

Niet lang daarna werd verzoeker ontslagen door het bedrijf waarvoor hij werkzaam was en waar hij een goede positie had. Als reden voor zijn ontslag werd genoemd dat hij werkzaam was als informant/spion voor de MIVD, aldus verzoeker. Verzoeker liep daardoor volgens zijn zeggen inkomsten mis van meer dan twaalf miljoen dollar op jaarbasis.

De contactpersoon van verzoeker bij de MIVD had volgens verzoeker erkend dat het de bedoeling was dat verzoeker als medewerker van de MIVD zou worden gelegaliseerd. Deze legalisering had geen doorgang gevonden omdat de contactpersoon niet was teruggekeerd naar Afghanistan. Verzoeker was dus in strijd met alle regels illegaal ingeschakeld om werkzaamheden voor de MIVD te verrichten. Omdat de situatie volgens verzoeker voor hem in Afghanistan onhoudbaar was geworden, was hij in 2009 gedwongen terug te keren naar Nederland. Ook in Nederland voelde verzoeker zich niet veilig.

3. De minister van Defensie berichtte verzoeker schriftelijk op 28 juni 2010 dat de klacht over de MIVD voor advies werd voorgelegd aan de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CTIVD; hierna de Commissie). Alvorens dit advies uit te brengen werden verzoeker en de betrokken medewerkers van de MIVD door de Commissie gehoord.

4. Bij brief van 22 november 2010 deelde de minister van Defensie verzoeker mee dat de Commissie advies aan de minister had uitgebracht naar aanleiding van de klacht van verzoeker. De minister merkte op zich in het advies van de Commissie te kunnen vinden en het advies van de Commissie over te nemen. De Commissie achtte zich ten aanzien van de klacht over het doorgaan van de bijeenkomst van stamoudsten niet bevoegd omdat deze bijeenkomst niet door de MIVD was georganiseerd. Wat betreft het advies van de Commissie gaf de minister het volgende aan:

"…Onderdeel 2

U stelt op verzoek van de MIVD een persoon te hebben gefaciliteerd in zijn reis binnen Afghanistan. Dit blijkt achteraf iemand van de MIVD te zijn. Als gevolg van het faciliteren van de reis zou een derde zijn vermoord en bent u in een risicovolle situatie gebracht.

De Commissie is van oordeel dat dit faciliteren niet tot de conclusie leidt dat u hierdoor dient te worden aangemerkt als persoon met wiens medewerking gegevens worden verzameld in de zin van artikel 15 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv 2002, zie Achtergrond; N.o.), omdat deze niet specifiek zijn voor inlichtingenwerk waarvoor de wet is geschreven.

Ook wanneer de Wiv 2002 geen specifieke verplichting schept, dient de MIVD bij het optreden niettemin te voldoen aan algemene behoorlijkheidsnormen die gelden voor bestuursorganen in hun contact met burgers. De afweging van de in het geding zijnde belangen mag niet leiden tot een onredelijke uitkomst. Hierbij zijn twee factoren van belang, i.c. de eigen verantwoordelijkheid en de risico-inschatting van de MIVD. Bij het beoordelen van de eigen verantwoordelijkheid is relevant of u op de hoogte kon zijn van het risico. Hierbij speelt tevens mee uw ervaring met de Afghaanse setting (…). Bij de risico-inschatting van de MIVD moet worden beoordeeld of het risico niet dermate groot was dat in redelijkheid niet had mogen worden besloten u in te schakelen zelfs als u dat risico anders inschatte.

De Commissie is van oordeel dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medewerker van de MIVD die u heeft gefaciliteerd bij zijn reis zich anders aan u heeft voorgesteld dan als medewerker van het ministerie van Defensie. De Commissie geeft aan dat zij niet in een positie is om het risico volledig te beoordelen, maar acht het niet uitgesloten dat er een risico was. De Commissie acht het aannemelijk dat u bekend was met het doel van de reis en is van oordeel dat het risico dat was verbonden aan het faciliteren in de reis voor u kenbaar is geweest. Het feit dat u op voorhand niet op de hoogte zou zijn geweest dat het hier een medewerker van de MIVD betreft doet hier niets aan af. Dit risico zou niet kleiner zijn wanneer een dergelijke reis wordt gefaciliteerd voor een andere medewerker van het ministerie van Defensie die informatie verzamelt ten behoeve van een militaire missie. Ook het feit dat u al geruime tijd zakelijke activiteiten ontplooide in Afghanistan en derhalve bekend kon worden verondersteld met de Afghaanse setting draagt bij tot het oordeel dat u in de positie was het risico zelf te beoordelen.

Het is daarmee niet aannemelijk geworden dat dit risico zodanig was, dat het faciliteren, uw eigen verantwoordelijkheid in aanmerking nemend, getuigt van een onredelijke belangenafweging door de MIVD.

Het is de Commissie ook niet gebleken dat u ten gevolge van het verrichten van de werkzaamheden enig nadeel heeft ondervonden.

De Commissie voegt hieraan toe dat een causaal verband tussen de aanslag op de vermoorde persoon en het faciliteren van de reis niet aannemelijk is geworden. De Commissie wijst in dit verband onder meer op het lange tijdsverloop tussen het faciliteren in de reis en de aanslag.

Onderdeel 3

U stelt dat u door het verrichten van werkzaamheden buiten uw wil betrokken bent geraakt bij een inlichtingenoperatie van de MIVD. Als gevolg van deze werkzaamheden zou u een groot zakelijk en persoonlijk risico hebben gelopen.

Het verrichten van de werkzaamheden leidt niet tot de conclusie dat u moet worden aangemerkt als een persoon met wiens medewerking gegevens worden verzameld in de zin van artikel 15 Wiv (zie Achtergrond; N.o.). De maatstaf die in het kader van dergelijke werkzaamheden dient te worden gehanteerd is of de MIVD een redelijke belangenafweging heeft gemaakt bij het besluit u te benaderen in verband met deze werkzaamheden. In dat verband wordt verwezen naar de behoorlijkheidsnormen zoals deze zijn verwoord bij onderdeel 2 van uw klacht.

De Commissie heeft de verschillende werkzaamheden die u voor de MIVD heeft verricht apart beoordeeld. Het is daarbij niet aannemelijk geworden dat u bij al deze werkzaamheden meer risico heeft gelopen dan een willekeurige andere lokale opdrachtnemer die werkzaamheden ten behoeve van de bij de NAVO-missie betrokken landen verrichtte. Niet is in te zien dat het verrichten van deze werkzaamheden voor de MIVD een groter risico voor u inhield dan het voor u reeds kenbare risico.

De Commissie acht het van belang dat bepaalde werkzaamheden een bepaald risico inhielden, ook al is aannemelijk geworden dat deze werkzaamheden in Afghanistan niet uitzonderlijk waren. De Commissie acht het, afgaande op de inschatting van de situatie door de MIVD niet waarschijnlijk dat het risico zich zou verwezenlijken en dat bij het voordoen van problemen, maatregelen konden worden getroffen. Bovendien is het relevant dat het risico inherent was aan de betreffende werkzaamheden en derhalve op dat moment voor u kenbaar waren. Daarnaast kon u, zoals eerder opgemerkt, worden aangemerkt als iemand die goed bekend is met de Afghaanse setting.

De Commissie is van oordeel dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de MIVD bij het inschakelen voor werkzaamheden jegens u een onredelijke belangenafweging heeft gemaakt. Evenmin is gebleken dat u ten gevolge van het verrichten van deze werkzaamheden enig nadeel heeft ondervonden.

Onderdeel 4

U stelt dat uw contactpersoon van de MIVD u op enig moment heeft verzocht om een inlichtingennetwerk op te bouwen in Afghanistan en dat u zonder legale status als agent bent gerund door de MIVD. Nadat uw contactpersoon is teruggekeerd naar Nederland bent u doorgegaan met het opbouwen van het netwerk en mocht of kon u niet over het netwerk spreken met andere vertegenwoordigers van de MIVD aldaar. U bent hierdoor in een bedreigende situatie terecht gekomen waardoor u genoodzaakt was te vluchten uit Afghanistan naar Nederland met achterlating van uw zakelijke projecten en bezittingen. U stelt hierdoor grote schade te hebben geleden.

De Commissie constateert dat uw contactpersoon met u bepaalde afspraken heeft gemaakt. Uit het onderzoek is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt in het kader van het mogelijk, na afstemming met de MIVD, opzetten van een inlichtingennetwerk.

Uit deze afspraken leidt de Commissie niet af dat u in dat stadium reeds bent aangestuurd als agent van de MIVD. Uit uw verklaring blijkt immers dat u niet bent aangestuurd ten aanzien van het benaderen van specifieke contacten. Evenmin is de specifieke inlichtingenbehoefte met u doorgenomen.

De Commissie overweegt dat de met u gemaakte afspraken voor meer interpretaties vatbaar zijn en dat deze duidelijker hadden moeten worden verwoord. Dergelijke afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd opdat bij de dienst bekend is dat met een bepaalde persoon plannen zijn besproken en door hem mogelijk het een en ander wordt ondernomen. Door geen eenduidige afspraken met u te maken en door niet vast te leggen of over te dragen wat met u was besproken, heeft uw contactpersoon jegens u onzorgvuldig gehandeld. Deze onzorgvuldigheid moet aan de MIVD worden toegerekend.

De Commissie is van oordeel dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat met uw contactpersoon meer is besproken dan hiervoor is gesteld. Ondanks het niet eenduidig verwoorden van de afspraken, is niet aannemelijk geworden dat er een afspraak is gemaakt die redelijkerwijs geïnterpreteerd kon worden als een verzoek dan wel opdracht om over te gaan tot het daadwerkelijk inwinnen van inlichtingen. Voor zover u na het vertrek van uw contactpersoon bent overgegaan tot het inwinnen van inlichtingen en u hierdoor in een gevaarlijke situatie bent geraakt, kan dit niet worden gezien als een gevolg van hetgeen met u is besproken.

Hoewel de Commissie heeft vastgesteld dat u niet als agent van de MIVD kan worden aangemerkt, is er, gezien de inhoud van hetgeen met u is besproken, wel een zekere zorgplicht ontstaan op basis van artikel 15 Wiv 2002 die zich uitstrekt tot uw veiligheid.

In dat kader is relevant dat uw verklaringen met betrekking tot het contact met de MIVD na het vertrek van uw contactpersoon niet consistent zijn. U heeft aan de Commissie verklaard dat u niets mocht vertellen over uw werkzaamheden aan de opvolger van uw contactpersoon, omdat u dit zou hebben toegezegd aan uw eerste contactpersoon. Tevens verklaart u dat u niets kon vertellen over uw werkzaamheden, omdat de vertegenwoordigers van de MIVD het contact met u afhielden. Het is niet aannemelijk geworden dat het voor u niet mogelijk was om met medewerkers van de MIVD in contact te treden,

Nu u op geen enkele manier aan andere MIVD medewerkers kenbaar heeft gemaakt dat u begeleiding nodig had of problemen ondervond, zelfs niet nadat u had vernomen dat uw eerste contactpersoon niet meer zou terugkeren naar Afghanistan, is de Commissie van oordeel dat de MIVD niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens u in de periode na het vertrek van uw contactpersoon.

Onderdeel 5

U stelt dat de MIVD onvoldoende heeft ondernomen om uw veiligheid en de veiligheid van uw gezin te waarborgen.

De Commissie is van oordeel dat de MIVD nadat u medio 2009 een verklaring heeft afgelegd over de bedreigende situatie waarin u stelde zich te bevinden, voldoende in het werk heeft gesteld om uw veiligheid te waarborgen. De Commissie constateert dat de MIVD na het door u afleggen van de verklaring heeft aangegeven zich in te spannen voor uw veiligheid en ook in de gesprekken met het ministerie van Defensie in de periode na aankomst in Nederland is dit duidelijk gemaakt. Dit is ondersteund door een concreet voorstel om u en uw gezin op een kazerne onder te brengen.

Daarnaast stelt de Commissie vast dat de MIVD heeft getracht een eventuele dreiging ten aanzien van u te achterhalen, maar dat u over uw contactpersonen niets concreets heeft willen prijsgeven zonder nadere voorwaarden te stellen waar de MIVD redelijkerwijs niet aan kan voldoen.

De Commissie constateert dat u momenteel twee contactpersonen heeft bij de MIVD die u direct kan benaderen indien zich een veiligheidsincident voordoet. De Commissie is dan ook van oordeel dat de MIVD in de periode vanaf medio 2009 niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens u.

Conclusie

De Commissie is van oordeel dat de MIVD door met u geen eenduidige afspraken te maken en deze niet vast te leggen of over te dragen wat met u is besproken ten aanzien van plannen en voorbereidende werkzaamheden, onzorgvuldig heeft gehandeld. De commissie adviseert klachtonderdeel 4, voor zover dit klachtonderdeel hierop betrekking heeft, gegrond te verklaren. Gezien de aard van de onzorgvuldigheid en het feit dat u geen enkele mogelijkheid heeft aangegrepen om duidelijkheid te verkrijgen over de situatie, is de Commissie van oordeel dat de MIVD niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door u gepretendeerde schade.

De Commissie adviseert de klacht van klager op alle overige onderdelen ongegrond te verklaren.

Ik neem het advies van de Commissie op alle onderdelen van uw klacht over. Dat betekent dat ik uw klacht voor zover deze ziet op het niet voldoende vastleggen of overdragen van hetgeen met u besproken is gegrond verklaar; de overige onderdelen van uw klacht verklaar ik ongegrond..."

5. Verzoeker kon zich met de reactie van de minister van Defensie naar aanleiding van zijn klacht niet verenigen. Op 7 december 2010 wendde hij zich tot de Nationale ombudsman met het verzoek zijn klacht in behandeling te nemen.

6. Tijdens een bezoek op 25 maart 2011 aan de MIVD maakte de substituut-ombudsman gebruik van de hem geboden gelegenheid om de door de minister van Defensie aan verzoeker bij brief van 22 november 2010 verstrekte informatie te verifiëren aan de hand van de relevante dossierstukken.

Uit de door de substituut-ombudsman ingeziene stukken bleek onder meer dat de man, waar de medewerker van het ministerie van Defensie had overnacht, ruim twee jaar na de overnachting van deze medewerker om het leven was gebracht.

Voorts bleek uit de stukken dat de betreffende contactpersoon van verzoeker bij de MIVD verzoeker niet had verboden om met andere medewerkers van de MIVD te spreken en ook dat verzoeker met andere medewerkers contact kon opnemen, indien hij de contactpersoon niet kon bereiken.

Uit een andere verklaring bleek dat, nadat de contactpersoon naar Nederland was teruggekeerd, vanuit Nederland het bericht uit was gegaan dat het contact met verzoeker zoveel mogelijk moest worden vermeden en niet op eigen initiatief mocht worden ontplooid.

7. Na de verzending van het verslag van bevindingen heeft op 30 augustus 2011 op het Bureau Nationale ombudsman een gesprek plaatsgevonden tussen de substituut-ombudsman en verzoeker. Dit gesprek vond plaats op initiatief van verzoeker. In dit gesprek lichtte verzoeker zijn klachten verder toe en wees hij in het bijzonder op door hem overgelegde stukken die hij niet eerder aan de minister had overgelegd. Dit gesprek met verzoeker was voor de substituut-ombudsman aanleiding om op 16 september 2011 twee medewerkers van de MIVD onder ede te horen.

Beoordeling

Ten aanzien van het verzoeker betrekken bij inlichtingenoperaties

1. Verzoeker klaagt er over dat de MIVD hem onder valse voorwendsels en buiten zijn wil heeft betrokken bij inlichtingenoperaties. Als gevolg van deze operaties heeft hij naar zijn zeggen een groot zakelijk en persoonlijk risico gelopen. Volgens verzoeker is hem gevraagd iemand te helpen om naar Kandahar te reizen. Achteraf bleek het om een medewerker van de MIVD te gaan. De Afghaan waar deze persoon verbleef is later doodgeschoten.

2. De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten heeft ten aanzien van de klacht van verzoeker geadviseerd deze klacht ongegrond te verklaren en de minister heeft dit advies opgevolgd.

Op basis van de aan de Nationale ombudsman verstrekte - en door de substituut-ombudsman geverifieerde - informatie en op basis van de onder ede afgelegde verklaringen van medewerkers van de MIVD heeft de Nationale ombudsman de overtuiging dat de medewerker van de MIVD die door verzoeker was gefaciliteerd bij zijn reis naar Kandahar zich jegens verzoeker heeft voorgesteld als medewerker van het ministerie van Defensie en dat verzoeker ongevraagd heeft aangeboden deze reis te faciliteren.

De Nationale ombudsman merkt wel op dat het niet is uitgesloten dat verzoeker door het faciliteren van deze reis een risico heeft gelopen. De Nationale ombudsman acht het echter - evenals de Commissie - aannemelijk dat verzoeker bekend was met doel van de reis en dat verzoeker wist dat aan het faciliteren van deze reis een risico was verbonden. Dit risico zou niet anders zijn geweest indien het een medewerker van het ministerie van Defensie zou hebben betroffen die niet bij de MIVD werkzaam was. Ook acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat verzoeker, gelet op zijn jarenlang verblijf in Afghanistan, in staat was zelf het risico in te schatten van (het faciliteren van) de reis van Kabul naar Kandahar.

Tevens is niet aannemelijk geworden dat er een verband is tussen de aanslag op de vermoorde persoon en het faciliteren van deze reis door verzoeker. Temeer nu de aanslag meer dan twee jaar na het faciliteren van de reis heeft plaatsgevonden en de vermoorde persoon een belangrijke functie had vervuld bij een Afghaanse inlichtingendienst en alleen al daardoor grote veiligheidsrisico's liep.

3. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is. Dit brengt met zich mee dat de MIVD als zij gebruik maakt van de diensten van een burger, anders dan als informant in de zin van artikel 15 Wiv 2002, ervoor waakt dat die burger niet aan onaanvaardbaar risico wordt blootgesteld.

4. De Nationale ombudsman is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker onder valse voorwendsels en buiten zijn wil door de MIVD is betrokken bij inlichtingenoperaties en ook niet dat verzoeker door het faciliteren van de reis van de medewerker van de MIVD aan onaanvaardbaar persoonlijk en zakelijk risico is blootgesteld. Verzoeker heeft zelf zijn diensten aangeboden aan de Nederlandse overheid in Afghanistan mede omdat hij daarvan financieel profijt verwachtte. Hij wist dat daaraan zekere risico's verbonden waren.

Voor zover verzoeker er over klaagt dat hij voor de MIVD ook andere werkzaamheden heeft verricht, kan niet worden gesteld dat dit onder valse voorwendsels en buiten de wil van verzoeker is gebeurd en dat verzoeker door het uitvoeren van deze werkzaamheden meer risico heeft gelopen dan wanneer hij deze werkzaamheden voor iemand anders zou hebben verricht.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

II. Ten aanzien van het verzoeker aan zijn lot overlaten

1. Verzoeker is in 2007 door een medewerker van de MIVD benaderd om een inlichtingennetwerk in Afghanistan op te zetten. Nadat deze medewerker in 2007 naar Nederland was teruggekeerd, is verzoeker doorgegaan met het opzetten van dit netwerk. Verzoeker heeft geen contact meer gehad met de betreffende medewerker van de MIVD en ook geen contact opgenomen met de opvolger van deze medewerker in Afghanistan. Verzoeker zegt dat hij de vragen van de mensen die hij als bron heeft benaderd zelf heeft beantwoord en ook deze mensen zelf heeft betaald om ze rustig te houden. In 2009 was de situatie voor verzoeker onhoudbaar geworden en is hij teruggekeerd naar Nederland.

Verzoeker klaagt erover dat de MIVD hem toen hij genoodzaakt was om te vluchten naar Nederland aan zijn lot heeft overgelaten.

2. Het vereiste van bijzondere zorg houdt in dat overheidsinstanties aan personen die onder hun hoede zijn geplaatst de zorg verlenen waarvoor deze personen, vanwege die afhankelijke positie, op die overheidsinstanties zijn aangewezen. Dit geldt ook voor personen die risicovolle werkzaamheden verrichten voor de overheid.

3. De Commissie heeft vastgesteld dat verzoeker niet als agent van de MIVD kan worden aangemerkt. Weliswaar waren er door een contactpersoon van de MIVD afspraken gemaakt met verzoeker over het opzetten van een inlichtingennetwerk in Afghanistan maar uit deze afspraken was niet af te leiden dat verzoeker in dat stadium reeds is aangestuurd als agent van de MIVD. Uit de aan de Nationale ombudsman verstrekte - en door de substituut-ombudsman geverifieerde - informatie heeft de Nationale ombudsman vastgesteld dat in 2007 door een medewerker van de MIVD met verzoeker is gesproken over het opzetten van een inlichtingennetwerk. Het is dan ook begrijpelijk dat er bij verzoeker verwachtingen zijn gewekt dat de MIVD geïnteresseerd was om hem als informant te laten opereren in Afghanistan. Uit het onderzoek is echter niet aannemelijk geworden dat verzoeker over het opzetten van dit inlichtingennetwerk aanwijzingen van de MIVD heeft ontvangen of door de MIVD hierover is aangestuurd. Nadat de betreffende MIVD-medewerker in 2007 is teruggekeerd naar Nederland is verzoeker doorgegaan met het opzetten van het netwerk totdat hij zich genoodzaakt zag in 2009 naar Nederland te vluchten. Verzoeker heeft in de periode tussen 2007 en 2009 geen contact opgenomen met de betreffende medewerker van de MIVD en ook niet met diens opvolger in Afghanistan.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de MIVD verzoeker niet als agent heeft gerund. In zoverre kan niet worden gezegd dat verzoeker onder de hoede stond van de MIVD. Wel is de Nationale ombudsman met de Commissie en de minister van oordeel dat het geschort heeft aan een duidelijke vastlegging van de afspraken met verzoeker door de betrokken MIVD-medewerker. Dit dient aan de MIVD te worden toegerekend. Echter verzoeker heeft zichzelf in een gevaarlijke positie gebracht door op eigen houtje gedurende twee jaar door te gaan met het opzetten van een inlichtingennetwerk zonder hierover terugkoppeling te vragen aan de MIVD. Dat verzoeker door zijn contactpersoon was medegedeeld dat hij hierover niet met anderen mocht spreken, doet hier niet aan af. Immers, gelet op het feit dat de betreffende MIVD medewerker niet naar Afghanistan terugkeerde, had van verzoeker mogen worden verwacht dat hij contact had opgenomen met de MIVD-medewerker in Nederland of met diens opvolger in Afghanistan. Op grond van de onder ede afgelegde verklaringen van MIVD-medewerkers heeft de Nationale ombudsman de overtuiging gekregen dat verzoeker na het niet terugkeren van zijn contactpersoon de mogelijkheid heeft gehad om zijn probleem voor te leggen aan een hem bekende medewerker van de MIVD in Afghanistan, maar dat hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

4. Na grondige bestudering van het dossier en op grond van de afgelegde verklaringen heeft de Nationale ombudsman niet kunnen vaststellen of en in hoeverre de door verzoeker voor de MIVD verrichte werkzaamheden een zodanig veiligheidsrisico voor hem hebben meegebracht dat dit hem noodzaakte Afghanistan te verlaten. Wel heeft de Nationale ombudsman geconstateerd dat verzoeker in Afghanistan zodanige contacten had, die niets met zijn werk voor de MIVD te maken hadden, dat deze op zichzelf reeds in de Afghaanse context grote veiligheidsrisico's voor hem konden meebrengen. Aan het vorenstaande doet niet af dat van de MIVD, gelet op de activiteiten die verzoeker in Afghanistan heeft verricht en de contacten die er waren geweest met verzoeker, uit het oogpunt van bijzondere zorg mocht worden verwacht dat de MIVD actie ondernam om de veiligheid van verzoeker te waarborgen. De MIVD heeft dit gedaan door verzoeker aan te bieden hem en zijn gezin tijdelijk te huisvesten op een kazerne. Verzoeker heeft dit aanbod afgewezen. Ook heeft de MIVD verzoeker verzocht aan te geven uit welke hoek verzoeker dreiging verwachtte. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Gelet op het vorenstaande is de Nationale ombudsman van oordeel dat de MIVD in voldoende mate actie heeft ondernomen om de veiligheid van verzoeker en zijn gezin te waarborgen.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Slotbeschouwing

Verzoeker is als ondernemer in Afghanistan op verschillende manieren betrokken geraakt bij activiteiten van het Ministerie van Defensie en in het bijzonder de MIVD als onderdeel daarvan. Deze samenwerking heeft voor hem in 2009 uiteindelijk tot een negatieve uitkomst geleid toen hij zich vanwege zijn waardering van zijn veiligheidssituatie in Afghanistan genoodzaakt zag terug te keren naar Nederland. Verzoeker stelt primair een aanzienlijk economisch verlies geleden te hebben. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman ligt dit verlies uiteindelijk binnen de grenzen van zijn ondernemerschap en valt de schade die hij geleden heeft in redelijkheid niet toe te rekenen aan gedragingen van de MIVD. Zakelijke samenwerking met Defensie en de MIVD in Afghanistan schept gelet op de rol van Nederland ter plaatse onvermijdelijk risico's. Als meest cruciaal moment in de samenwerking ziet de Nationale ombudsman het verbreken van de contacten met een door de MIVD teruggetrokken medewerker ter plaatse. Over de mogelijke rol die verzoeker bij het oprichten van een inlichtingennetwerk zou vervullen is daardoor onduidelijkheid ontstaan. De MIVD valt te verwijten dat onvoldoende nagegaan is of de teruggetrokken medewerker lopende afspraken had die om een bijzondere afwikkeling vroegen. Hierdoor is het contact tussen de MIVD en verzoeker verwaterd. Daar staat tegenover dat verzoeker, zonder na het vertrek van zijn contactpersoon nader contact met de MIVD op te nemen, gedurende ongeveer twee jaar op eigen initiatief is blijven opereren. De gevolgen hiervan vallen uiteindelijk binnen verzoekers eigen risicosfeer als ondernemer.

Na zijn terugkeer in Nederland is niet gebleken dat de MIVD hem onvoldoende bescherming heeft geboden.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, is niet gegrond.

De Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

Onderzoek

1. Algemeen

In het geval van een onderzoek naar aanleiding van een klacht over de MIVD kunnen onderzoek en rapportage doorgaans niet met eenzelfde openheid plaatsvinden als in andere zaken gebruikelijk is.

Ingevolge artikel 9:31, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de minister van Defensie het verstrekken van de door de Nationale ombudsman gevraagde gegevens weigeren of bepalen dat alleen de Nationale ombudsman van die gegevens mag kennis nemen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Gewichtige reden kunnen zijn strijd met een wettelijke geheimhoudingsplicht of met het belang van de Staat. Op grond van artikel 83, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) dient de Nationale ombudsman zich bij zo'n beslissing van de minister neer te leggen.

Indien de Nationale ombudsman een onderzoek instelt naar aanleiding van een klacht over de MIVD, stelt hij de minister van Defensie, en eventueel een of meer betrokken ambtenaren in de gelegenheid om op de klacht te reageren. De Nationale ombudsman maakt daarbij gebruik van de in de Awb gegeven onderzoeksbevoegdheden. In voorkomende gevallen verstaat de substituut-ombudsman zich persoonlijk met medewerkers van de MIVD of neemt hij persoonlijk kennis van relevante gegevens (artikel 83, vijfde lid, Wiv 2002). Langs deze weg wordt informatie verkregen die de Nationale ombudsman nodig heeft voor zijn onderzoek.

2. Het onderhavige onderzoek

Op 7 december 2010 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van verzoeker met een klacht over een gedraging van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Defensie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Defensie verzocht op de klacht te reageren. De minister beriep zich op vertrouwelijkheid van de door hem verstrekte informatie. De substituut-ombudsman mr. Van Dooren verstond zich persoonlijk met medewerkers van de MIVD ten einde de door de minister van Defensie verstrekte informatie bij deze dienst te verifiëren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De reactie van de MIVD gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen.

De reactie van verzoeker gaf aanleiding twee medewerkers van de MIVD onder ede te horen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

1. De door verzoeker op 7 december 2010 aan de Nationale ombudsman verstrekte informatie.

2. De door de minister van Defensie op 25 maart 2011 aan de substituut-ombudsman versterkte informatie.

Achtergrond

Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002

Artikel 15

"De hoofden van de diensten dragen zorg voor:

de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld."

5

2011.02279

de Nationale ombudsman

Publicatiedatum
Rapportnummer
2011/283