2011/213: Man verblijft weekend in PI omdat PI in het weekend geen boetebedrag wil aannemen

Politie Amsterdam-Amstelland houdt een man aan omdat hij met een verboden motorstep over de stoep rijdt. Uit het politiesysteem blijkt dat hij nog een boete van €37,50 (voor fietsen zonder licht) heeft openstaan. Hij had niet genoeg geld bij zich om de boete te betalen. Het CJIB had hem aangemeld voor gijzeling omdat het CJIB geen vaste woon- of verblijfplaats kan vinden. Daarom werd de man vastgezet in een politiecel. De volgende dag wordt de man naar de gevangenis in Almere gebracht waar hem ook geen mogelijkheid wordt gegeven om een huisgenoot te bellen om geld te brengen.. Pas na het weekend wordt hij vrijgelaten, nadat hij zijn huisgenoot had gebeld en die was gekomen om de boeten te betalen. De Nationale ombudsman vindt dat de man onnodig in gijzeling is genomen omdat de instanties hem onvoldoende mogelijkheden hebben gegeven om te betalen. De ombudsman reageert met instemming op de excuses en de schadevergoedingen die hem zijn aangeboden.

Instantie: Politie Amsterdam-Amstelland

Klacht:

Niet in de gelegenheid gesteld om boete te laten betalen met onnodig lange gijzeling tot gevolg

Oordeel: gegrond

Instantie: Ministerie van Veiligheid en Justitie

Klacht:

Niet in de gelegenheid gesteld om boete te laten betalen met onnodig lange gijzeling tot gevolg

Oordeel: gegrond

Verzoeker werd door de politie aangehouden omdat hij met een verboden motorstep over de stoep reed. De politie ging vervolgens na of verzoeker nog een straf of boete had openstaan. Uit het politiesysteem bleek dat verzoeker nog een administratieve boete van €37,50 (inclusief verhoging) had openstaan waarvoor hij, in het geval van niet betaling, 7 dagen kon worden gegijzeld. Omdat verzoeker niet meteen wilde en kon betalen, werd hij meegenomen naar het politiebureau en vervolgens ingesloten. De huisgenoot van verzoeker probeerde vruchteloos om het openstaande boetedag op het politiebureau te betalen. Een dag later werd verzoeker overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting (PI) Almere. Verzoeker heeft gedurende het weekend vastgezeten in de PI omdat de PI in het weekend het openstaande boetebedrag niet in ontvangst kon of wilde nemen. Uiteindelijk kon hij pas op maandag weg nadat zijn huisgenoot de boete en de wettelijke verhogingen in de PI had betaald.

Verzoeker klaagde erover dat hij op administratieve gronden niet in de gelegenheid is gesteld om zijn boete te (laten) betalen, als gevolg waarvan hij onnodig lang gegijzeld was geweest.

Aan verzoeker is tijdens zijn detentie op verschillende momenten de mogelijkheid ontnomen om na betaling van de openstaande boete vrij te komen. Als gevolg daarvan heeft hij langer vastgezeten dan voor het innen van het openstaande boetebedrag noodzakelijk was geweest.

De Nationale ombudsman was van oordeel dat het gebrek aan hulpvaardigheid van de politie, ervoor heeft gezorgd dat de vrijheidsbeneming van verzoeker niet meer het karakter van een dwangmiddel had maar juist van een straf kreeg. Door zich niet hulpvaardig op te stellen had de politie Amsterdam-Amstelland het betreffende vereiste dat grondrechten worden gerespecteerd in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid - geschonden.

Verzoeker klaagt erover dat hij op administratieve gronden niet in de gelegenheid is gesteld om zijn boete te (laten) betalen, als gevolg waarvan hij onnodig lang gegijzeld is geweest.

Feiten

1. Verzoeker werd op 2 april 2009 aan het einde van de middag door de politie Amsterdam-Amstelland aangehouden omdat hij met een verboden motorstep over de stoep reed. De politie ging vervolgens na of verzoeker nog een straf of boete had openstaan. Uit het politiesysteem bleek dat verzoeker nog een administratieve boete van €37,50 (inclusief verhoging) had openstaan waarvoor hij, in het geval van niet betaling, 7 dagen kon worden gegijzeld. Omdat verzoeker niet meteen wilde en kon betalen, werd hij meegenomen naar het politiebureau en vervolgens ingesloten. Een dag later werd verzoeker overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting (PI) Almere. Verzoeker heeft daar gedurende het weekend vastgezeten en kon pas op maandag weg nadat zijn huisgenoot de boete en de wettelijke verhogingen in de PI Almere had betaald.

Visie Verzoeker

2. Volgens verzoeker wist hij, op het moment waarop hij van de politie te horen kreeg dat hij nog een boete had openstaan, niet dat het een andere oude boete betrof. Verzoeker weigerde de boete te betalen omdat hij op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat het ging om een boete waarover hij nog contact had met het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Toen verzoeker meerdere malen van een politieambtenaar te horen kreeg dat hij bij niet betaling drie maal zeven dagen zou worden opgesloten, wilde verzoeker alsnog het boetebedrag betalen. Verzoeker voelde zich door deze politieambtenaar bedreigd en geïntimideerd. Omdat verzoeker niet genoeg geld bij zich had en dus op dat moment niet kon betalen, noch op dat moment kon regelen dat iemand anders namens hem zou komen betalen, werd hij geboeid overgebracht naar het nabijgelegen politiecellencomplex. Herhaalde verzoeken van verzoeker in het politiecellencomplex om zijn huisgenoot op te kunnen bellen, werden geweigerd. Verzoeker kon pas 's avonds laat alsnog zijn huisgenoot bellen. Op vrijdag 3 april 2009 werd verzoeker overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting Almere. Volgens verzoeker kwam hij net na 15:00 uur binnen in de PI. Tijdens de rit had een medegedetineerde verzoeker aangeboden om de boete te betalen. Dit werd echter na aankomst in de PI Almere door het personeel van de PI geweigerd omdat transacties tussen gedetineerden niet waren toegestaan. Volgens verzoeker liet het personeel van de PI Almere verder aan hem weten dat hij dat weekend überhaupt niet vrij zou komen omdat de poort van de gevangenis op vrijdag na 17:00 uur gesloten zou zijn.

3. Verzoeker ervoer met name de behandeling in de PI Almere als zeer ingrijpend. Zo werd hij na aankomst gedwongen om zich uit te kleden waarna hij aan een onderzoek werd onderworpen. Volgens verzoeker was dit een aanranding van zijn eerbaarheid en paste dit in het mensonterende rijtje van verkrachting, schennis, onheuse bejegening en aanranding. Het werkte in de woorden van verzoeker vernietigend, belastend en het veranderde zijn waarneming van zichzelf en zijn omgeving. Zijn lichamelijke en geestelijke identiteit werd veranderd door het onterecht ingrijpen van buitenaf. Verder was zijn recht op privacy geschonden doordat er op maandagochtend in de PI Almere foto's van hem werden gemaakt en vingerafdrukken bij hem werden afgenomen terwijl hij niet was veroordeeld. Volgens verzoeker heeft hij het weekend voor het luttele bedrag van € 35,00 doorgebracht in een cel en in de nabijheid van illegalen, drugsdealers, gewelddelinquenten. Verzoeker verkeerde tijdens zijn detentie in een machteloze situatie. Bij hem overheerste het gevoel geen controle te hebben over de situatie en hij had het gevoel dat zijn goede instelling nauwelijks van invloed was op een goede afloop. Verzoeker liet ten slotte weten dat hij de pijnlijke gevolgen nog altijd in zijn dagelijks leven ondervindt en dat de beleving van het gevoel van plezier, blijheid en genoegen, zelfs de beleving van verdriet zowaar verdwijnt. Alles bij elkaar heeft deze emotioneel zeer ingrijpende ervaring op verzoeker een diepe, negatieve indruk gemaakt.

Aanleiding tot gijzeling op verzoek van het CJIB

4. Volgens de minister van Veiligheid en Justitie is verzoeker op 29 oktober 2007 staande gehouden in verband met fietsen zonder licht. Naar aanleiding hiervan is op 16 november 2007 aan verzoeker een administratieve sanctie van € 20,- opgelegd. Het schriftelijke bericht hierover werd naar de X-weg gestuurd. Deze brief is op 26 november 2007 weer onbestelbaar retour gekomen bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Nadat het CJIB een adresverificatie in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) had uitgevoerd, kwam het CJIB erachter dat verzoeker op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had. Omdat verzoeker tijdens de staande houding een adres had opgegeven, mag volgens de minister worden verondersteld dat verzoeker wist dat de administratieve beschikking naar het door hem opgegeven adres zou worden verstuurd. Om die reden werd de executie van de boete voortgezet. Omdat verzoeker de boete niet had betaald, werd op 28 januari 2008 een eerste verhoging aan hem opgelegd en op 17 maart 2008 een tweede verhoging. Volgens de minister zijn deze verhogingen niet naar verzoeker gestuurd omdat hij geen bekende woon- of verblijfplaats had. Omdat van verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was en er geen andere dwangmiddelen tegen hem konden worden toegepast, besloot het CJIB om bij de kantonrechter een machtiging gijzeling te vragen. De machtiging tot gijzeling werd volgens de minister op 20 februari 2009 ontvangen en op 26 februari 2009 in het Opsporingssysteem (OPS) opgenomen. Als gevolg van deze vermelding in het OPS werd verzoeker op 2 april 2009 door de politie Amsterdam-Amstelland aangehouden en ingesloten. Op 6 april 2009 is de vermelding in het OPS opgeheven omdat in het huis van bewaring in de PI Almere € 37,50, het openstaande bedrag inclusief verhogingen, was betaald.

5. Volgens de minister heeft er voorafgaand aan het opleggen van de twee verhogingen geen GBA verificatie plaatsgevonden. De verhogingen werden niet verstuurd omdat ervan uit werd gegaan dat verzoeker geen bekende woon- of verblijfplaats had. Volgens de minister blijkt echter uit de historische GBA-gegevens dat verzoeker vanaf 12 december 2007 tot 22 mei 2008 woonachtig was op de X-weg. Volgens de minister is de eerste verhoging ten onrechte niet naar het toenmalige adres van verzoeker gestuurd.

Verder gaf de minister aan dat hoewel er op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) geen verplichting bestaat om de tweede schriftelijk aangekondigde verhoging van de boete per post te versturen, dit wel de normale praktijk is die door het CJIB wordt gevolgd.

Volgens de minister heeft het CJIB op 26 augustus 2008 besloten om het dwangmiddel gijzeling aan te vragen. Op het moment waarop deze aanvraag werd ingediend, had verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De machtiging tot gijzeling is bijna zes maanden later op 20 februari 2009 ontvangen. Voorafgaande aan de plaatsing van de vermelding in OPS dat verzoeker kan worden gegijzeld, heeft het CJIB de GBA- gegevens van verzoeker niet geverifieerd. Uit de historische gegevens van de GBA blijkt dat verzoeker vanaf 19 september 2008 woonachtig was op de Y-laan in Amsterdam. Volgens de minister had verzoeker op het moment waarop hij in het OPS werd geplaatst dus een bekend GBA adres.

Standpunt van de minister

6. De minister concludeert dat verzoeker, op het moment waarop de eerste en de tweede verhoging werden opgelegd, een bekend GBA adres had en de eerste verhoging ten onrechte niet naar dat adres is gestuurd. Verder heeft het CJIB ten onrechte op 26 augustus 2008 het dwangmiddel gijzeling aangevraagd omdat niet is nagegaan of hij een GBA adres had. Indien blijkt dat betrokkene een GBA adres heeft dan wordt teruggegaan in het proces en zal de initiële beschikking opnieuw worden verzonden. In het geval van verzoeker heeft deze standaardverificatie volgens de minister ten onrechte niet plaatsgevonden. Indien dat wel was gebeurd dan was duidelijk geworden dat verzoeker wel een GBA adres had (gehad) en dan was er geen machtiging tot gijzeling aangevraagd en waren de verhogingen ongedaan gemaakt. Verder merkte de minister op dat hoewel verzoeker op het moment van het verzoek tot gijzeling geen bekende woon- of verblijfplaats had, verzoeker op het moment van de plaatsing in het OPS op 26 februari 2009 wel een bekend adres had. Volgens de minister heeft het CJIB verzoeker ten onrechte in het OPS opgenomen. Het door het CJIB gehanteerde werkproces VIP heeft dat niet aan het licht gebracht. De minister is dan ook van oordeel dat het CJIB fouten heeft gemaakt en zich daardoor jegens verzoeker niet behoorlijk heeft gedragen en achtte de klacht van verzoeker daarom gegrond.

Gang van zaken op het politiebureau

7. Een huisgenoot van verzoeker verklaarde tijdens de interne klachtbehandeling door de politie dat hij op zijn werk door verzoeker werd gebeld. Verzoeker verbleef op dat moment in het politiecellencomplex. Volgens de huisgenoot had hij nog uitdrukkelijk aan verzoeker gevraagd of hij na zijn werk verzoeker, na betaling van de openstaande boete, kon komen ophalen. Dat zou zo het geval zijn geweest. De huisgenoot pakte omstreeks 01:45 uur na afloop van zijn werk zijn fiets en kwam tussen 02:30 en 03:00 uur aan op het politiebureau. Op het politiebureau kreeg de huisgenoot in eerste instantie van politieambtenaar G. te horen dat er niemand in de cel zou zitten. Daarna kreeg de huisgenoot van G. te horen dat er op grond van de privacywet niet kon worden gezegd of verzoeker in het politiecellencomplex zat. Nadat de huisgenoot naar het politiecellencomplex was verwezen, kreeg hij via de intercom van dat complex te horen dat hij de boete wel kon betalen maar dat dat op het politiebureau moest gebeuren. Terug op het politiebureau kreeg de huisgenoot van G. te horen dat dat niet mogelijk was omdat de politie op grond van de privacywet geen informatie mocht vrijgeven. De huisgenoot keerde daarop onverrichter zake terug naar zijn huis.

De volgende dag ging de huisgenoot wederom naar het politiebureau om de boete te betalen. Hij kwam daar tussen 12:30 en 13:00 uur aan. Op het politiebureau kreeg de huisgenoot te horen dat verzoeker een half uur daarvoor was overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting in Almere. Volgens de huisgenoot was er tegen verzoeker gezegd dat zijn huisgenoot tot 15:00 uur de tijd had om verzoeker, na voldoening van de boete, op te komen halen uit het politiecellencomplex.

Standpunt van de korpsbeheerder

8. De Commissie voor de politieklachten Amsterdam-Amstelland (hierna: de Commissie) was van oordeel dat binnen het politiecellencomplex bekend was dat verzoeker zijn huisgenoot had gebeld en hem had gevraagd om het boetebedrag bij de politie te komen betalen. Volgens de Commissie hadden de politieambtenaren die op dat moment in het cellencomplex daarmee bekend waren, hun collega's op het nabijgelegen politiebureau daarover kunnen informeren. Verder oordeelde de Commissie dat de politieambtenaar die 's nachts op het politiebureau de huisgenoot van verzoeker te woord stond, zelf uit eigen beweging bij het politiecellencomplex had kunnen informeren of verzoeker wist wie deze persoon was en verzoeker om toestemming kunnen vragen. Volgens de Commissie zal het zeker vaker voorkomen dat huisgenoten boetes komen betalen om mensen vrij te krijgen en kan de privacy daar niet aan in de weg staan.

9. Verder achtte de Commissie het niet behoorlijk dat er aan de huisgenoot van verzoeker onjuiste informatie was verstrekt voor wat betreft het tijdstip waarop verzoeker zou worden overgebracht naar het huis van bewaring.

10. Alles overziend was de Commissie van oordeel dat verzoeker dagen langer van zijn vrijheid was benomen dan nodig zou zijn geweest. Volgens de Commissie is vrijheidsbeneming een dwangmiddel dat pas in het uiterste geval mag worden toegepast. Bij de toepassing van dit dwangmiddel dienen de verantwoordelijke politieambtenaren naar het oordeel van de Commissie alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om de duur van de detentie zo kort mogelijk te laten zijn. Nu dat niet was gebeurd, adviseerde de Commissie de korpsbeheerder om de klacht gegrond te verklaren. De korpsbeheerder nam dit oordeel over en achtte de klacht gegrond.

Gang van zaken in de PI Almere

11. Verzoeker diende bij de Commissie van Toezicht van de PI Almere (hierna: de Commissie) een klacht in over de manier waarop hij in de PI Almere was behandeld. Tijdens de klachtbehandeling door de Commissie deelde de plaatsvervangend vestigingsdirecteur aan de Commissie mee dat verzoeker inderdaad zijn boete niet door een medegedetineerde kon laten betalen. Volgens de plaatsvervangend directeur kwam verzoeker pas na 17:00 uur bij de PI binnen. De bevolkingsadministratie van de PI handelt tot 16:00 uur boetes af. Daarnaast is het niet mogelijk om tijdens het weekend boetes af te handelen omdat er dan alleen executief personeel in dienst is dat niet bevoegd is om de boetes te verwerken.

12. De beklagcommissie gaf geen oordeel over de klacht van verzoeker dat een medegedetineerde zijn boete niet mocht betalen. Verzoeker ging tegen de beslissing van de Commissie in beklag bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ was van oordeel dat de beklagcommissie verzoeker niet ontvankelijk had mogen verklaren in diens beklag omdat hij dat beklag niet op tijd had ingediend. Om die reden verklaarde de RSJ verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Oordeel van de nationale ombudsman

13. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op persoonlijke vrijheid is gewaarborgd in verdragen en artikel 15 van de Grondwet (zie Achtergrond onder 2.). In de wet is geregeld in welke gevallen de overheid een burger zijn vrijheid mag ontnemen. Een voorbeeld is de gijzeling op basis van artikel 28 van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv zie: Achtergrond onder 1). Dit vereiste brengt met zich mee dat bestuursorganen ervoor zorg dragen dat een burger, die in het kader van de inning van een openstaande boete is gegijzeld, ruime gelegenheid krijgt om zo spoedig mogelijk te laten betalen zodat de betreffende burger niet langer zijn vrijheid wordt ontnomen dan voor de inning van de boete strikt noodzakelijk is.

14. Op grond van artikel 28 van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv zie: Achtergrond onder 1.) kan de officier van justitie aan de kantonrechter vragen om het dwangmiddel gijzeling toe te passen bij de persoon die, ondanks aanmaningen, zijn boete niet op tijd heeft betaald. Voor elke afzonderlijke boete kan het dwangmiddel gijzeling voor de maximale duur van zeven dagen worden toegepast. Op grond van artikel 28 lid 4 Wahv moet de toepassing van dit dwangmiddel worden beëindigd zodra het boetebedrag is ontvangen. Dat betekent dat degene die wordt gegijzeld na betaling van het verschuldigde bedrag onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld.

15. De Nationale ombudsman stelt voorop dat de minister heeft erkend dat de officier van justitie ten onrechte het dwangmiddel gijzeling heeft aangevraagd omdat op dat moment nog geen afdoende adresverificatie had plaatsgevonden. Nu de kantonrechter niettemin de gevraagde machtiging heeft verleend, dient de Nationale ombudsman ervan uit te gaan dat de bevoegdheid tot gijzeling bestond.

16. In het geval van verzoeker constateerde de politie na bevraging van het opsporingssysteem (OPS) dat hij nog een onherroepelijke boete had openstaan. De politie kon voor het incasseren van deze boete met de wettelijke verhogingen het dwangmiddel gijzeling bij verzoeker toepassen met het doel hem te dwingen het openstaande bedrag, zo snel mogelijk, te (laten) betalen. In dat kader werd verzoeker door de politie meegenomen naar het politiebureau. Omdat verzoeker onvoldoende geld bij zich had om de boete en de wettelijke verhogingen zelf te betalen, werd hij vastgezet op het politiebureau en later overgebracht naar het politiecellencomplex in de buurt van dat bureau. Omdat verzoeker graag zo snel mogelijk weer zijn vrijheid terug wilde krijgen, stelde hij alles in het werk om iemand te regelen die het openstaande boetebedrag namens hem op het politiebureau zou komen betalen. De Nationale ombudsman acht het kwalijk dat de politieambtenaren verzoeker in eerste instantie niet in de gelegenheid hebben gesteld om hem naar het werk van zijn huisgenoot te laten bellen. Doordat verzoeker was ingesloten verkeerde hij in een zeer afhankelijke positie. Verzoeker kan uiteindelijk pas 's avonds laat zijn huisgenoot op diens werk bellen met het verzoek om het openstaande boetebedrag zo snel mogelijk op het politiebureau te komen betalen. 's Nachts is de huisgenoot van verzoeker, na afloop van diens werk, naar het politiebureau gefietst met het doel het openstaande bedrag te betalen. Op het politiebureau werd hij vervolgens van het kastje naar de muur gestuurd en hij besloot daarom onverrichter zake naar huis te fietsen. De Nationale ombudsman is het met de korpsbeheerder eens dat nu binnen het politiecellencomplex bekend was dat verzoeker zijn huisgenoot had gebeld en hem had gevraagd om het boetebedrag op het politiebureau te komen betalen, de betrokken politieambtenaren hun collega's op het nabijgelegen politiebureau daarover hadden kunnen informeren. Aan de andere kant had van de politieambtenaar die 's nachts op het politiebureau de huisgenoot van verzoeker te woord stond, mogen worden verwacht dat hij zelf uit eigen beweging bij het politiecellencomplex had geïnformeerd of verzoeker wist wie deze persoon was. Verder had hij aan verzoeker kunnen vragen of hij er geen probleem mee had dat de politie aanzijn huisgenoot zou doorgeven dat hij op dat moment inderdaad in het politiecellencomplex vastzat. Als verzoeker daarvoor toestemming had gegeven dan zou zijn privacy niet zijn geschonden. De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoeker die nacht zijn eerste reële kans is ontnomen om direct vrij te komen.

17. De volgende dag kwam de huisgenoot van verzoeker om 12:30 uur wederom op het politiebureau om voor de tweede maal te proberen het openstaande bedrag te betalen. Verzoeker zou namelijk pas na 15:00 uur naar de PI Almere worden overgebracht. Op het politiebureau kreeg de huisgenoot van verzoeker te horen dat verzoeker niet meer aanwezig was omdat hij al naar de PI Almere was overgebracht. De huisgenoot van verzoeker keerde vervolgens voor de tweede maal onverrichter zake terug naar huis. De Nationale ombudsman stelt vast dat verzoeker op dat moment zijn tweede reële kans is ontnomen om direct vrij te komen.

18. De Nationale ombudsman onderschrijft de overwegingen van de Commissie voor de Politieklachten Amsterdam-Amstelland (hierboven nr. 10) en is van oordeel dat het gebrek aan hulpvaardigheid van de politie, ervoor heeft gezorgd dat de vrijheidsbeneming van verzoeker niet meer het karakter van een dwangmiddel had maar in de beleving van verzoeker juist van een straf kreeg. Door zich niet hulpvaardig op te stellen heeft de politie Amsterdam-Amstelland het betreffende vereiste dat grondrechten worden gerespecteerd - in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid - geschonden. Deze gedraging wordt toegerekend aan de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Instemming

De Nationale ombudsman heeft met instemming ervan kennis genomen dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) aan verzoeker excuses heeft aangeboden en de wettelijke verhogingen van € 5,00 en € 12,50 aan verzoeker heeft terugbetaald. Daarnaast heeft het College van procureurs-generaal aan verzoeker een schadevergoeding van € 345,00 toegekend omdat hij ten onrechte vier dagen gedetineerd was geweest. Verder heeft de Nationale ombudsman met instemming ervan kennis genomen dat het CJIB een omissie in de query van het werkproces VIP heeft aangepast. Daarnaast zal er frequent een bestandsvergelijking plaatsvinden. Volgens de minister van Veiligheid en Justitie zal er verder worden onderzocht of en in hoeverre, voor betrokkenen zonder bekend GBA adres, een GBA verificatie plaats kan vinden voorafgaande aan plaatsing in het OPS, indien tussen het aanvragen van de machtiging en het verlenen van de machtiging een periode langer dan drie maanden zit. Door voornoemde maatregelen en de standaard GBA-verificatie voorafgaande aan het machtigingsverzoek tot gijzeling (die in het geval van verzoeker onterecht niet was uitgevoerd) wordt de problematiek, zoals die in het geval van verzoeker speelde, ondervangen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland is gegrond wegens schending van het vereiste dat grondrechten, in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid, moeten worden gerespecteerd.

Slotbeschouwing

Bij ketensamenwerking zijn verschillende overheidsinstanties betrokken. In dit geval waren de politie Amsterdam-Amstelland en de Penitentiaire Inrichting Almere in opdracht van de officier van justitie van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) betrokken bij het uitvoeren van het dwangmiddel gijzeling. Het doel van dit dwangmiddel was verzoeker te dwingen om het openstaande boetebedrag alsmede de wettelijke verhogingen alsnog te betalen. Dat werd verzoeker echter erg moeilijk gemaakt.

In eerste instantie was de politie niet bereid om verzoeker in een vroeg stadium in de gelegenheid te stellen om naar het werk van zijn huisgenoot te bellen. De huisgenoot van verzoeker begaf zich 's nachts naar het politiebureau. Bij het politiecellencomplex wilde de politie niet zeggen of verzoeker daar vastzat. De volgende dag kwam de huisgenoot omstreeks 12:30 uur weer op het politiebureau maar kreeg daar te horen dat verzoeker eerder dan was aangekondigd was overgeplaatst naar de PI Almere.

In de PI Almere probeerde verzoeker alsnog te regelen dat het openstaande boetebedrag zou worden betaald zodat hij alsnog in vrijheid zou kunnen worden gesteld. Een medegedetineerde had zich, tijdens het transport naar de PI Almere, namelijk bereid verklaard om verzoeker het benodigde bedrag te lenen. Verzoeker kreeg te horen dat betaling door een medegedetineerde niet mogelijk was. Verder kreeg verzoeker te horen dat het personeel van de PI, dat bevoegd was om de boetebetalingen af te handelen, inmiddels naar huis was en betaling van het openstaande bedrag pas ná het weekend, op zijn vroegst maandagochtend, weer mogelijk zou zijn. Verzoeker kreeg na het weekend in gevangenschap in de PI te hebben doorgebracht pas op maandagochtend de gelegenheid om de boete door zijn huisgenoot te laten betalen. Na betaling werd verzoeker in vrijheid gesteld.

Verzoeker gaf aan dat het feit dat hij vier dagen gedetineerd heeft gezeten een grote emotionele impact op hem heeft gehad. De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat het vertrouwen van verzoeker in het politie- en justitieapparaat door de hiervoor beschreven gang van zaken in ernstige mate is aangetast en dat hij zich erg machteloos heeft gevoeld. Doordat de verschillende instanties verzoeker op drie verschillende momenten niet de kans hebben gegeven om middels betaling zijn vrijheid onmiddellijk terug te krijgen, is verzoeker onnodig langer van zijn vrijheid beroofd dan in het kader van de toepassing van het dwangmiddel gijzeling strikt noodzakelijk zou zijn geweest. Hoewel de Nationale ombudsman zich niet bevoegd had verklaard om over de klacht over de PI Almere een oordeel te geven, wil hij de minister van Veiligheid en Justitie toch erop attenderen dat het op dit moment voor gegijzelden die in het weekend in een PI zitten, organisatorisch kennelijk niet mogelijk is om eerder dan maandagochtend het openstaande bedrag te (laten) betalen.

Onderzoek

Op 12 mei 2010 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer S. uit Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland en het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland (de burgemeester van Amsterdam) respectievelijk de minister van Veiligheid en Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland en de minister van Veiligheid en Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

In het kader van het onderzoek werd betrokkenen verzocht op de bevindingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De minister berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

De reactie van verzoeker gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen en aan te vullen.

De korpsbeheerder gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Achtergrond

Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

Artikel 23

"1. Uiterlijk binnen twee weken nadat een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, onherroepelijk is geworden, moeten de administratieve sanctie en de administratiekosten zijn voldaan.

2. De sanctie wordt van rechtswege met vijfentwintig procent, doch ten minste € 4, verhoogd indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan."

Artikel 24

"Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is tot betaling van het ingevolge artikel 23 verhoogde bedrag verplicht binnen vier weken nadat de officier van justitie hem over de gewone post een aanmaning heeft toegezonden."

Artikel 25, eerste lid

"Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft de sanctie en de daarop gevallen verhoging geheel te voldoen binnen de in de aanmaning gestelde termijn van vier weken, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verder verhoogd met vijftig procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging, doch ten minste € 11, en kan door de officier van justitie verhaal worden genomen op de goederen, de inkomsten en het vermogen van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27."

Artikel 28

"1. De officier van justitie te Leeuwarden kan, indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe te passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, voor ten hoogste één week. Indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd ingeschreven staat op een in de basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adres, maar niet op dat adres woonachtig is, dan wel indien degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geschiedt de instelling van de bovenbedoelde vordering door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden bij de rechtbank te Leeuwarden. Een verleende machtiging om gijzeling toe te passen kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden, worden uitgevoerd.

Op de vordering wordt niet beslist dan nadat degene aan wie de sanctie is opgelegd door de kantonrechter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

De officier van justitie te Leeuwarden of de ambtenaar die door hem is belast met de toepassing van de gijzeling heeft voor het in gijzeling stellen van de betrokkene toegang tot elke plaats.

De toepassing van het dwangmiddel wordt gestaakt, zodra het verschuldigde bedrag aan de instantie, belast met deze toepassing, is betaald. De toepassing van het dwangmiddel heft de verschuldigdheid niet op.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de tenuitvoerlegging van de gijzeling als bedoeld in het eerste lid."

Grondwet

Artikel 15

"1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen."

13

2010.06210

de Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

de Nationale ombudsman

Publicatiedatum
Rapportnummer
2011/213