2011/048

Instantie: Belastingdienst/Limburg/kantoor buitenland

Klacht:

Geen redelijke termijn gegeven om op aankondiging loonbeslag te reageren; niet bereid beslagvrije voet met terugwerkende kracht, per datum beslaglegging, aan te passen.

Oordeel: gegrond

Verzoeker woont in Vietnam. De Belastingdienst wil voor zijn belastingschuld een loonvordering zonder beslagvrije voet doen onder het Abp. De Belastingdienst stuurde verzoeker een brief waarin hij de gelegenheid kreeg binnen veertien dagen te reageren. Deze brief bereikte verzoeker pas na het verstrijken van die termijn. Naderhand werd alsnog een beslagvrije voet toegepast maar zonder terugwerkende kracht.

Verzoeker klaagt er over dat de Belastingdienst hem geen redelijke termijn bood om te reageren en niet bereid is de alsnog vastgestelde beslagvrije voet met terugwerkende kracht toe te passen.

De Nationale ombudsman oordeelt dat de Belastingdienst bij het vaststellen van de reactietermijn rekening had moeten houden met het woonland van verzoeker en de gevolgen daarvan voor de postbezorging. Ook oordeelt de Nationale ombudsman dat het onder de omstandigheden van het geval niet redelijk is om er zonder meer vanuit te gaan dat de beslagvrije voet geen terugwerkende kracht kan hebben.

De Nationale ombudsman concludeert dat de Belastingdienst met de termijn het vereiste van fair play heeft geschonden en met de beslagvrije voet het redelijkheidsvereiste.

De Nationale ombudsman doet de aanbeveling alsnog na te gaan of eerder toepassing van de beslagvrije voet leidt tot een teruggaaf aan verzoeker.

Verzoeker, die in Vietnam woont, klaagt erover dat de Belastingdienst /Limburg/ kantoor Buitenland:

hem geen redelijke termijn heeft gegeven om op de aankondiging loonbeslag te reageren, als gevolg waarvan aanvankelijk een niet met zijn persoonlijke omstandigheden overeenkomende beslagvrije voet is gehanteerd;

desondanks geen reden ziet de beslagvrije voet met terugwerkende kracht

- per datum beslaglegging - aan te passen.

Beoordeling

Algemeen

I. Bevindingen

1. Verzoeker is in 2005 verhuisd naar Vietnam. Hij genoot een uitkering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP).

2. Gedagtekend 13 november 2009 zond de Belastingdienst verzoeker per post een aankondiging dat de Belastingdienst van plan was te vorderen dat het ABP de bedragen waarop verzoeker recht had, voortaan aan de Belastingdienst zou betalen ter voldoening van de belastingschuld van verzoeker. De belastingschuld was ontstaan doordat de Belastingdienst verzoeker per vergissing een teruggave inkomstenbelasting over het jaar 2006 had verleend en deze van hem terugvorderde. In de brief gaf de Belastingdienst aan dat bij de vordering onder het ABP geen rekening zou worden gehouden met een beslagvrije voet omdat verzoeker woonachtig was in het buitenland. Verzoeker werd in de gelegenheid gesteld vóór 27 november 2009 op een meegezonden formulier gegevens te verstrekken die konden leiden tot de vaststelling van een andere beslagvrije voet dan nihil.

3. De brief van de Belastingdienst werd op 30 november 2009 gedeponeerd in de postbus van verzoeker in Vietnam.

4. Na ontvangst van de brief nam verzoeker telefonisch contact op met de Belastingdienst. Naar aanleiding van dat gesprek werd met ingang van 14 januari 2010 alsnog een beslagvrije voet vastgesteld.

5. Verzoeker diende op 8 februari 2010 een klacht in bij de Nationale ombudsman. Hij klaagde er over dat de Belastingdienst hem, hoewel bekend was dat hij in Vietnam woonde, slechts een termijn had gegund van veertien dagen om te reageren op de aangekondigde vordering onder het ABP. Hij klaagde er verder over dat de alsnog vastgestelde beslagvrije voet niet werd toegepast op de vóór 14 januari 2010 al door het ABP aan de Belastingdienst afgedragen bedragen.

Omdat verzoeker de klacht nog niet had voorgelegd aan de Belastingdienst, stuurde de Nationale ombudsman de klacht ter behandeling door aan de Belastingdienst.

6. De Belastingdienst liet verzoeker op 23 februari 2010 weten dat het probleem van de trage postbezorging het gevolg was van verzoekers woonplaatskeuze en dat de Belastingdienst ter zake geen verwijt trof. De Belastingdienst achtte daarom beide klachten van verzoeker niet gegrond.

7. Op 19 maart 2010 liet de Belastingdienst verzoeker nog weten dat de ontvanger van de Belastingdienst de bevoegdheid had om alsnog een beslagvrije voet vast te stellen maar dat van terugwerkende kracht geen sprake kon zijn.

8. Verzoeker wendde zich op 2 juni 2010 opnieuw tot de Nationale ombudsman. Voor zijn klacht wordt verwezen naar de klachtsamenvatting onder Klacht. De Nationale ombudsman nam de klacht in onderzoek en vroeg de Belastingdienst hierop te reageren.

9. De Belastingdienst reageerde op 26 augustus 2010 en schreef het volgende.

"…Nadat met dagtekening 25 september 2008 aan (verzoeker; N.o.) een aanslag is uitgereikt, is op 6 december 2008 een betalingsherinnering verzonden.

Vervolgens wordt op 19 januari 2009 een aanmaning verzonden. En dan wordt op 17 februari 2009 een dwangbevel betekend.

Het mag duidelijk zijn, (verzoeker; N.o.) is op de hoogte van het bestaan van de belastingschuld. Daarnaast, het dwangbevel geeft de schuldeiser het recht indien niet binnen twee dagen is betaald verdere maatregelen te treffen.

Dit zijn wettelijke termijnen die gelden voor een ieder. Voor personen woonachtig in het buitenland worden in de wetgeving geen uitzonderingen gemaakt.

Op 13 november 2009 is aan (verzoeker; N.o.) een brief verzonden waarin wordt aangekondigd dat loonbeslag zal worden gelegd.

Er wordt door (verzoeker; N.o.) niet op gereageerd.

Bij brief van 2 december 2009 wordt het loonbeslag gelegd.

(Verzoeker;N.o.) is geëmigreerd. Heeft hij zich blijkbaar niet vergewist over de kwaliteit van de postbezorging in Vietnam. (Verzoeker; N.o.) had een ander postadres kunnen kiezen of een gemachtigde kunnen aanstellen in Nederland.

Het is mij niet duidelijk waarom de Belastingdienst als schuldeiser verantwoordelijkheid moet dragen voor de slechte (?) postbezorging, volgens (verzoeker; N.o.), in Vietnam.

Ik vermag niet in te zien dat (verzoeker; N.o.) onvoldoende tijd heeft gehad om te reageren op zijn belastingschuld en onvoldoende tijd zou hebben gehad ten aanzien van de gevolgen van het niet voldoen van de schuld.

Op geen enkele wijze is er regelgeving dat er, afhankelijk van de postbezorging van een land, andere termijnen gehanteerd dienen te worden door een schuldeiser dan er zijn gehanteerd.

Ik acht de klacht ongegrond.

Ook ten aanzien van het verlenen van terugwerkende kracht met betrekking tot een beslagvrije voet bestaat er geen wetgeving of regelgeving die dit voorschrijft. Ook deze klacht onderschrijf ik niet…"

II. Beoordeling

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel

10. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat de Belastingdienst hem geen redelijke termijn heeft gegeven om te reageren op de brief van 13 november 2009 waarin de Belastingdienst aankondigde een vordering te willen doen bij het ABP ter voldoening van zijn belastingschuld en daarbij geen beslagvrije voet te zullen hanteren. In die brief gaf de Belastingdienst verzoeker de gelegenheid om vóór 27 november 2009 informatie te verstrekken die ertoe kon leiden dat alsnog rekening zou worden gehouden met een beslagvrije voet. De brief is op 30 november 2009 gedeponeerd in verzoekers postbus in Vietnam.

Verzoeker is van mening dat de Belastingdienst had kunnen en moeten begrijpen dat de bezorging van een brief in Vietnam langer duurt dan gemiddeld en dat de Belastingdienst daarmee rekening had moeten houden.

11. De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat het risico van de vertraging bij de verzending en bezorging van een brief naar Vietnam voor rekening komt van verzoeker en dat de Belastingdienst op dat punt geen verantwoordelijkheid draagt. De Belastingdienst verwijt verzoeker dat deze zich onvoldoende heeft vergewist van de kwaliteit van de postbezorging in Vietnam en onvoldoende maatregelen heeft genomen om het risico van vertraging in de postbezorging te beperken.

12. Het beginsel van fair play houdt voor overheidsinstanties in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten.

Het beginsel van fair play impliceert dat een overheidsinstantie de burger een realistische termijn stelt om te reageren.

13. De Belastingdienst heeft jegens verzoeker onvoldoende invulling gegeven aan het beginsel van fair play. De Belastingdienst was ervan op de hoogte dat verzoeker in Vietnam woonde en had, zoals verzoeker terecht stelt, kunnen en moeten begrijpen dat een termijn van veertien dagen om te reageren onder die omstandigheden voor verzoeker niet of nauwelijks haalbaar zou zijn. Van een realistische termijn was dan ook geen sprake. Dientengevolge heeft de Belastingdienst verzoeker niet werkelijk de mogelijkheid geboden informatie te verstrekken ten behoeve van de vaststelling van een beslagvrije voet. Daaraan doet niet af dat verzoeker er zelf voor heeft gekozen om in een land te gaan wonen dat ver van Nederland ligt en wellicht een minder goede postbezorging heeft.

De Nationale ombudsman merkt daarover op dat de Belastingdienst verzoeker ten onrechte wijst op de mogelijke consequenties van de keus in het buitenland te gaan wonen. Het is het onvervreemdbaar recht van een burger om zich elders te vestigen en de Belastingdienst dient een dergelijke keus als realiteit te aanvaarden en daar bij zijn wijze van werken in redelijkheid rekening mee te houden.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel

14. Verzoeker klaagt er verder over dat de Belastingdienst niet bereid is de beslagvrije voet die per 14 januari 2010 is vastgesteld naar aanleiding van het telefoongesprek van verzoeker met de Belastingdienst, toe te passen met terugwerkende kracht tot de datum van de vordering bij het ABP.

15. De Belastingdienst merkt op dat de wet geen beslagvrije voet kent voor iemand die in het buitenland woont, maar dat de ontvanger de bevoegdheid heeft daarvan af te wijken. De Belastingdienst stelt zich verder op het standpunt dat aan de vaststelling van een beslagvrije voet op grond van gegevens die na de vordering of het beslag zijn verstrekt, geen terugwerkende kracht kan worden verleend.

16. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

17. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de Belastingdienst het redelijkheidsvereiste heeft geschonden door zonder meer te stellen dat ten aanzien van de alsnog vastgestelde beslagvrije voet van terugwerkende kracht vóór de ingangsdatum van 14 januari 2010 geen sprake kan zijn. Er zijn naar gangbare opvatting geen wettelijke of andere belemmeringen voor het verlenen van terugwerkende kracht aan de na ingang van de vordering onder het ABP vastgestelde beslagvrije voet. Ook de wetgever is daarvan blijkens de Memorie van Antwoord bij de betrokken bepaling uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet uitgegaan (zie Achtergrond, onder 2.)

18. In het geval van verzoeker geldt in het bijzonder dat het standpunt van de Belastingdienst niet redelijk is. Hierboven is immers geoordeeld dat het aan de Belastingdienst is te wijten dat verzoeker niet tijdig de informatie kon verstrekken die nodig was voor het vaststellen van een beslagvrije voet. Verder acht de Nationale ombudsman in dit verband nog van belang dat ook al het ontstaan van de belastingschuld het gevolg was van een vergissing van de Belastingdienst.

Deze vaststelling vormt aanleiding tot het doen van een aanbeveling.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingdienst/Limburg/kantoor buitenland, is gegrond

op het punt van de gestelde reactietermijn wegens schending van het beginsel van fair play

op het punt van de terugwerkende kracht wegens schending van het redelijkheidsvereiste.

Aanbeveling

De minister van Financiën wordt in overweging gegeven te bevorderen dat de Belastingdienst/Limburg alsnog nagaat of de met ingang van 14 januari 2010 vastgestelde beslagvrije voet bij toepassing over de periode vanaf de vordering onder het ABP leidt tot een teruggaaf aan verzoeker.

Onderzoek

Op 2 juni 2010 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van verzoeker uit Vietnam, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Limburg/kantoor buitenland.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Financiën, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de Belastingdienst verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Belastingdienst deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

het verzoekschrift met bijlagen

de brieven van 26 augustus 2010 en 28 september 2010 van de Belastingdienst, met bijlagen.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Artikel 475d, zevende lid

"Met wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen, moet de beslaglegger onverwijld rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de deurwaarder."

2. Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1986-1987, 17897, nr. 5, p. 13)

"… Art.475d lid 5 (nu art. 475d lid 7 Rv)

59. In lid 5 is de regel vastgelegd dat wijziging van omstandigheden ten voordele van de schuldenaar meteen de beslagvrije voet beïnvloedt: is in onwetendheid te veel aan de beslaglegger betaald, dan moet hij dat onverwijld teruggeven of verrekenen. Voor wijzigingen ten nadele van de schuldenaar is afgezien van zulk een bepaling, omdat verrekening in zijn omstandigheden te zware gevolgen zou kunnen hebben. Deze wijzigingen gaan dus niet in voordat de beslaglegger degene die de periodieke betalingen moet verrichten, heeft ingelicht…"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2011/048