2010/343: Politie gebruikt politiefoto geseponeerde zaak bij opsporing verdachte nieuwe zaak

Instantie: Regiopolitie Midden- en West-Brabant

Klacht: Ten onrechte gebruik gemaakt van een foto van verzoeker afkomstig uit een politiedossier uit 1998.
Oordeel: niet gegrond

Verzoeker werd in 2008 aangemerkt als verdachte van bedreiging. Om verzoeker buiten heterdaad aan te houden, belde de politie aan bij de woning van zijn moeder. De politie was op dat moment in het bezit van een verdachtenfoto van verzoeker uit 1998. De moeder wist de politie ervan te overtuigen dat ze de verkeerde persoon zochten. Ze moesten de broer van verzoeker hebben, die dezelfde initialen heeft.

Verzoeker klaagt erover dat de politie eind 2008 gebruik heeft gemaakt van een foto van hem uit 1998. De foto van verzoeker was destijds gemaakt, omdat hij toen verdachte was van een aantal misdrijven en er proces-verbaal tegen hem was opgemaakt door de politie. De zaken uit 1998 waren door de officier van justitie in 2002 geseponeerd. Verzoeker was van mening dat de politiefoto al lang vernietigd had moeten zijn en dat de politie er in 2008 dus ook geen gebruik meer van had mogen maken.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de politie in 2008 gebruik kon maken van de politiefoto van verzoeker uit 1998. De zaken waarvan verzoeker in 1998 verdachte was waren weliswaar geseponeerd, maar gezien de aard van het sepot was het gerechtvaardigd dat de politiefoto gehandhaafd bleef in de het register van de politie en dat deze foto nog in 2008 kon worden gebruikt toen verzoeker (naar later bleek ten onrechte) opnieuw als verdachte van een misdrijf opdook.

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten (in dit geval het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) worden gerespecteerd. Ongegrond.

Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps op 5 oktober 2008 ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een foto van verzoeker afkomstig uit een politiedossier uit 1998.

Beoordeling

Behoorlijkheidsvereiste

Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is neergelegd in de Grondwet en verdragen. Een uitwerking van dit recht is het vereiste dat persoonsgegevens in beginsel alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn verkregen. Ook wel het vereiste van doelbinding genoemd. Uit de beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals verwoord in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie Achtergrond, onder II.), vloeit ook de eis voort dat gegevensverwerking noodzakelijk moet zijn, in samenhang met het doel waarvoor de gegevens zijn opgenomen. Voor de beoordeling van de onderhavige casus brengt het vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dan ook met zich mee dat de politie niet langer gebruik maakt van persoonsgegevens in politiesystemen, dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens zijn bestemd.

Wet politiegegevens van toepassing

Ten tijde van het opnemen van de foto van verzoeker in HKS was de Wet politieregisters (Wpolr) van kracht. Deze wet heeft per 1 januari 2008 plaatsgemaakt voor de Wet politiegegevens (Wpg). De Nationale ombudsman acht de Wpg van toepassing op de klacht van verzoeker, naar analogie van de overgangsbepaling in artikel 48 Wpg (zie voor de artikelen uit de Wpg, Achtergrond, onder III.). De vereisten van doelbinding en noodzakelijkheid zijn in de Wpg met name neergelegd in de artikelen 3 en 4.

Doelbinding en noodzakelijkheid

De vraag of de politie op 5 oktober 2008 gebruik mocht maken van een politiefoto van verzoeker uit 1998, hangt af van het doel van de verwerking van deze foto en van de noodzakelijkheid voor het doel van het verwerken van deze foto. Om deze beoordeling te kunnen maken, is allereerst het volgende van belang.

Op grond van artikel 1, onder a. van de Wpg kan de verdachtenfoto van verzoeker worden gekwalificeerd als een politiegegeven. In onder meer de artikelen 8 en 9 zijn de doelen voor verwerking (een brede term binnen de Wpg, zie artikel 1 onder c.) van politiegegevens omschreven. De gegevensverwerking vanwege het feit dat verzoeker in 1998 verdachte was van diverse strafbare feiten, dat hij daarvoor is aangehouden en dat er proces-verbaal tegen hem is opgemaakt, kan worden aangemerkt als gegevensverwerking binnen de grenzen van artikel 8 dan wel artikel 9 van de wet. Overeenkomstig deze beide artikelen, kunnen politiegegevens ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak verder worden verwerkt, zo bepaalt artikel 13. Dit kan voor zover deze politiegegevens relevant zijn voor onder meer: het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten, het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte en ter identificatie van personen of zaken. De opname van de verdachtenfoto van verzoeker in HKS kan worden gezien als verdere verwerking zoals verwoord in artikel 13.

Het vierde lid van artikel 13 Wpg en artikel 6:2 van het Besluit politiegegevens (zie Achtergrond, onder IV.) stellen wel de eis dat er regels worden vastgesteld over wat er ten minste schriftelijk moet worden vastgelegd als er verdere verwerking op grond van artikel 13 plaatsvindt. Deze regels moeten in een protocol worden vastgelegd, zo bepaalt artikel 32 Wpg. Het reeds onder de oude Wet politieregister opgestelde modelreglement HKS wordt door de korpsbeheerder gehanteerd als een dergelijk protocol onder de Wpg voor verdere gegevensverwerking binnen HKS.

Modelreglement herkenningsdienst

In artikel 2 van dit modelreglement HKS (zie voor de artikelen uit het modelreglement HKS Achtergrond, onder V.) is het doel van het register nader omschreven als het binnen een politiekorps mogelijk maken van informatievoorziening in het kader van de uitvoering van artikel 2 van de Politiewet 1993 (zie Achtergrond, onder VI.). Het modelreglement vermeldt dat het daarbij onder meer gaat om de opsporing en vervolging van verdachten van misdrijven, de verificatie van namen van verdachten van misdrijven, het vaststellen van de mate van recidive van verdachten van misdrijven en de identificatie van onbekende personen.

In artikel 5 aanhef en onder a. van het modelreglement HKS is aangegeven dat in het register gegevens worden opgenomen van personen tegen wie als verdachte van een misdrijf proces-verbaal is opgemaakt. Artikel 6 aanhef en onder f. van het reglement bepaalt dat van de in artikel 5 genoemde categorie personen onder meer worden opgenomen een zo nauwkeurig mogelijke persoonsbeschrijving, alsmede een fotografische afbeelding met bijbehorende administratieve gegevens.

Artikel 8 van het modelreglement HKS bepaalt dat gegevens uit het register worden verwijderd als deze niet meer noodzakelijk zijn voor het doel van het register, en zodra mogelijk vernietigd. Dit kan worden gezien als de ondergrens voor verwijdering van politiegegevens uit HKS. In lid 2 onder b. van het genoemde artikel staat dat de gegevens in ieder geval worden verwijderd indien het feit ter zake waarvan opneming heeft plaatsgevonden een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan een jaar doch minder dan tien jaar is gesteld, uiterlijk nadat sinds dat jaar vijftien jaar zijn verstreken. Het feit waarvoor de foto van verzoeker is opgenomen in HKS, is onder meer lidmaatschap van een criminele organisatie. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (zie Achtergrond, onder I.) en kent een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar (in 1998 was dit nog vijf jaar). Gezien in het licht van het bovenstaande, levert dit feit een maximale bewaartermijn op van vijftien jaar. Gerekend vanaf 1998, het moment van het opnemen van de foto van verzoeker, moet de foto uiterlijk in 2013 verwijderd zijn. Deze grens vormt de bovengrens voor verwijdering van gegevens uit HKS.

De Nationale ombudsman concludeert dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 dan wel 9, artikel 13 Wpg en artikelen 2 en 8 van het modelreglement HKS de verdachtenfoto van verzoeker rechtmatig is verwerkt in HKS. De bovengrens is immers niet overschreden. Of handhaving (en daarmee de beschikbaarheid) van de foto op 5 oktober 2008 ook noodzakelijk was voor het doel van het register, is een andere vraag. Daarvoor dient eerst de volgende tussenvraag te worden beantwoord:

Gaf het sepot in 2002 aanleiding om de foto van verzoeker uit HKS te verwijderen?

Bij de vraag of de verdachtenfoto van verzoeker nog in 2008 in HKS geregistreerd mocht staan, is eerst aan de orde of het seponeren van de feiten waarvan verzoeker in 1998 verdachte was, met zich meebracht dat de registratie van de gewraakte foto uit HKS verwijderd had moeten zijn. De destijds geldende Aanwijzing afloopberichten aan beheerders politieregisters (zie Achtergrond, onder VII.) schept hier duidelijkheid. Deze Aanwijzing bepaalde dat wanneer een strafzaak tegen een verdachte is geëindigd, er een afloopbericht aan de beheerder van een politieregister wordt gestuurd. Het is namelijk van belang, zo meldt de Aanwijzing, dat de politie beschikt over informatie die ertoe leidt dat gegevens, die bekeken naar het moment van registratie rechtmatig in een politieregister zijn opgenomen, verwijderd worden zodra in een later stadium blijkt dat de grondslag voor registratie is weggevallen. Niet in alle gevallen waarin de verdachte niet is of zal worden veroordeeld voor het in het proces-verbaal vermelde feit, is een afloopbericht noodzakelijk. Dit moet alleen gebeuren als de zaak is geëindigd met sepotcode 01 (onterecht als verdachte aangemerkt), vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, sepotcode 07 (onrechtmatig verkregen bewijs) en wanneer er een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen registratie en veroordeling.

In de zaak van verzoeker was geen sprake van één van vier bovengenoemde gevallen. De Nationale ombudsman concludeert dat er om die reden niet de noodzaak bestond om een afloopbericht te verzenden wat ertoe had kunnen doen leiden dat de registratie van verzoeker uit HKS was verwijderd. Dat verzoeker van mening is dat hij in 1998 onterecht als verdachte is aangemerkt, doet hieraan niet af. Immers de destijds door de officier van justitie toegekende sepotcodes betekenen niet dat verzoeker onterecht als verdachte is aangemerkt.

Betekent dit echter ook dat de korpsbeheerder de verdachtenfoto van verzoeker op 5 oktober 2008 kon gebruiken of had deze foto verwijderd moeten zijn, dan wel had de korpsbeheerder bij de bevraging van het systeem in 2008 moeten constateren dat de foto niet meer gebruikt mocht worden? Want, zoals de Memorie van Toelichting bij de Wpg verwoordt: steeds dient een betrokken verantwoordelijke autoriteit bij een voorgenomen verwerking, autorisatie en/of verstrekking van gegevens af te wegen in hoeverre de handeling noodzakelijk is (zie Achtergrond, onder VIII.). Dus of de foto op 5 oktober 2008 gebruikt kon worden, hangt af van het antwoord op de vraag of de foto op dat moment nog noodzakelijk was voor het doel van het register, de eerder besproken ondergrens. In een advies aan de rechtbank Utrecht in een vergelijkbare zaak overwoog het College Bescherming Persoonsgegevens (zie Achtergrond, onder IX.) dat deze ondergrens een afweging vergt van het belang van registratie voor de uitvoering van de politietaak (het doel van verwerking in HKS) enerzijds tegen de belangen van verzoeker anderzijds. Alle omstandigheden van het geval kunnen daarbij een rol spelen.

De Nationale ombudsman is van oordeel dat de korpsbeheerder op 5 oktober 2008 gebruik kon maken van de foto van verzoeker. Het opvragen van de verdachtenfoto uit HKS, als hulpmiddel voor de betrokken politieambtenaren om verzoeker te identificeren als verdachte van bedreiging, kan als een noodzakelijke verwerking worden gezien voor de informatieverstrekking in het kader van de uitoefening van de politietaak, voor zover het betreft de opsporing en vervolging van verdachten van misdrijven, zoals verwoord in artikel 2 lid 1 onder a. van het modelreglement HKS.

Anders dan het recht op privacy, is het de Nationale ombudsman niet gebleken dat verzoeker zwaarwegende belangen had om zijn persoonsgegevens uit HKS verwijderd te zien. Wanneer verzoeker van mening was dat zijn gegevens eerder dan oktober 2008 verwijderd hadden moeten zijn uit HKS, had hij de korpsbeheerder daartoe een verzoek kunnen doen. Een ieder heeft namelijk het recht om de korpsbeheerder te vragen of en zo ja welke gegevens er van hem of haar in de politiesystemen zijn opgenomen. Daarbij kan dan ook het verzoek worden gedaan om eventueel opgenomen gegevens aan te passen, of te verwijderen. Het is de Nationale ombudsman niet gebleken dat verzoeker in het verleden een dergelijk verzoek heeft gedaan. Al met al is niet gehandeld in strijd met het vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Slotbeschouwing

Wanneer iemand als verdachte in aanraking komt met de politie en er proces-verbaal tegen hem wordt opgemaakt, dan is het onvermijdelijk dat de politie persoonsgegevens van deze verdachte opneemt in de politiesystemen. Ook als een zaak niet tot vervolging leidt, maar wordt geseponeerd, dan kan de reden voor sepot met zich meebrengen dat de persoonsgegevens geregistreerd blijven in de politiesystemen. In de onderhavige casus maakte de politie in oktober 2008 gebruik van een verdachtenfoto van verzoeker uit 1998, als hulpmiddel bij zijn aanhouding als verdachte van bedreiging. De Nationale ombudsman begrijpt dat het voor verzoeker een vervelende constatering moet zijn geweest om te bemerken dat zijn persoonsgegevens tien jaar na opneming nog steeds in de politiesystemen raadpleegbaar waren. De politiegegevens van verzoeker waren echter rechtmatig opgenomen. En ondanks dat de zaken waarvoor verzoeker verdachte was in 2002 waren geseponeerd, kon de politiefoto tot 2013 worden gebruikt, als dit ook noodzakelijk was voor het doel waarvoor de foto was opgenomen. In dit geval was de Nationale ombudsman van oordeel dat de politie in 2008 gebruik kon maken van de foto. Dat verzoeker in 2008 achteraf onterecht als verdachte bleek te zijn aangemerkt, deed aan deze conclusie niet af.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Midden en West Brabant te Tilburg, is niet gegrond.

Algemeen

Op zondag 5 oktober 2008 stonden vroeg in de morgen drie ambtenaren van het regionale politiekorps Midden en West Brabant voor de woning van verzoeker. Deze politieambtenaren waren aldaar met een machtiging van de officier van justitie om verzoeker buiten heterdaad aan te houden als verdachte van bedreiging. Alleen de moeder van verzoeker was op dat moment aanwezig in de woning. Zij wist de politieambtenaren, die in het bezit waren van een politiefoto van verzoeker uit 1998, ervan te overtuigen dat er sprake was van persoonsverwisseling. Ze moesten niet verzoeker hebben, maar zijn broer (wiens roepnaam begint met dezelfde letter als die van verzoeker).

Verzoeker vond dat de politie op de bewuste dag geen gebruik (meer) had mogen maken van een foto van hem uit een politiedossier uit 1998. Hij diende daarover op 21 oktober 2008 een klacht in bij de beheerder van het regionale politiekorps Midden en West Brabant (de korpsbeheerder).

De korpsbeheerder liet verzoeker op 26 maart 2009 weten zijn klacht niet gegrond te verklaren. De politiefoto waarvan de politie op 5 oktober 2008 gebruik had gemaakt, was in 1998 gemaakt naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker dat jaar voor onder meer lidmaatschap van een criminele organisatie, het (medeplegen van) vervalsen van chassisnummers en het (meermalen) plegen van schuldheling. Tegen hem was proces-verbaal opgemaakt. Alle zaken zijn later door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd. Politiefoto's ouder dan vijf jaar mogen niet meer worden gebruikt voor de opsporings- of bewijsconfrontatie, aldus de korpsbeheerder. Wel mag de politie de foto's nog gebruiken tot de einddatum van de verjaringstermijn betrekking hebbend op de strafbare feiten waarvan verzoeker in 1998 werd verdacht. Weliswaar had er tijdens het opsporingsonderzoek van de politie een persoonsverwisseling plaatsgevonden en was verzoeker op 5 oktober 2008 onterecht als verdachte aangemerkt; dit nam niet weg dat de politie de foto van verzoeker uit 1998 op 5 oktober 2008 mocht gebruiken.

Verzoeker was het hier niet mee eens. Om die reden diende hij op 7 april 2009 een klacht in bij de Nationale ombudsman met het verzoek een onderzoek in te stellen.

Visie verzoeker

Verzoeker bracht in dat kader naar voren dat de korpsbeheerder onzorgvuldig was in de formulering van zijn oordeel dat de politie politiefoto's ouder dan vijf jaar niet meer voor opsporings- of bewijsconfrontatie mag gebruiken, terwijl de politie de foto's wel mag gebruiken tot de einddatum van de verjaringstermijn betrekking hebbend op de strafbare feiten waarvan verzoeker in 1998 werd verdacht. Immers was verzoeker voor deze feiten vrijgesproken en had deze foto vernietigd moeten zijn, nu vaststond dat de politiefoto ouder was dan vijf jaar. Daarbij acht verzoeker tevens van belang dat de rechtbank Breda in april 2002 in de schadevergoedingsprocedure op grond van artikel 89 Wetboek van Strafvordering heeft overwogen dat verzoeker de tegen hem gerezen verdenking en de daarop gevolgde vrijheidsbeneming niet aan zichzelf te wijten had gehad. Met de hieronder weergegeven reactie van de korpsbeheerder was verzoeker het niet eens. Artikel 70 Wetboek van Strafrecht (zie Achtergrond, onder I.) was hier niet van toepassing en om die reden was er geen sprake van een verjaringstermijn.

Visie korpsbeheerder

De korpsbeheerder liet in zijn reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman weten geen aanleiding te zien zijn oordeel te herzien. Hij merkte op dat de beslissing van de rechtbank Breda uit 2002 in de zaak van verzoeker een schadevergoedingsverzoek betrof en geen uitspraak was in een strafzaak. Daarnaast bleek uit informatie van het OM over de afdoening van de strafzaak uit 1998 tegen verzoeker dat de feiten waarvan verzoeker verdacht werd, door de officier van justitie in 2002 waren geseponeerd vanwege respectievelijk onvoldoende wettig bewijs (sepotcode 02), oud feit (sepotcode 43) en dat verzoeker door feiten en gevolgen zou zijn getroffen (sepotcode 52). Dit rechtvaardigde de handhaving van de registraties in het herkenningsdienstregister (HKS) en ook de beschikbaarheid van de in 1998 gemaakte foto. De korpsbeheerder was van mening dat op grond van het modelreglement HKS (alsmede een later genomen aanpassingsbesluit) de politiefoto van verzoeker uit 1998 op 5 oktober 2008 voor interne doelen mocht worden gebruikt, zelfs tot de verjaringstermijn van het strafbare feit waarvoor verzoeker in 1998 is aangehouden.

Onderzoek

Op 7 april 2009 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer M. te X., ingediend door de heer mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Midden en West Brabant.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Midden en West Brabant (de burgemeester van Tilburg), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Verzoeker maakte van de gelegenheid gebruik hierop te reageren.

In het kader van het onderzoek werd betrokkenen verzocht op de bevindingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Verzoekers advocaat deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De korpsbeheerder gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

het verzoekschrift van verzoeker van 7 april 2009,

het antwoord van de korpsbeheerder van 27 juli 2009 op het onderzoek,

de aanvullende reactie van de korpsbeheerder van 19 november 2009 op het onderzoek,

de reactie van verzoeker van 12 januari 2010 op het antwoord van de korpsbeheerder op het onderzoek,

de reactie van verzoeker van 12 oktober 2010 op het verslag van bevindingen.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

I. Wetboek van Strafrecht

Artikel 70

"Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in drie jaren voor alle overtredingen;

2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld.

2.In afwijking van het eerste lid verjaart het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld."

Artikel 140 lid 1 (geldend in 1998)

"1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie. "

II. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Artikel 8

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. "

III. Wet politiegegevens

Artikel 1 aanhef en onder a., b. en .c. (definities)

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

b. politietaak: de taken, bedoeld in de artikelen 2 en 6, eerste lid, van de Politiewet 1993;

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens; "

Artikel 3 (noodzakelijkheid, rechtmatigheid en doelbinding)

"1. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze wet geformuleerde doeleinden.

2. Politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.

3. Politiegegevens worden uitsluitend voor een ander doel verwerkt dan waarvoor zij zijn verkregen voor zover deze wet daar uitdrukkelijk in voorziet. "

Artikel 4 lid 1 en 2 (juistheid, volledigheid en beveiliging politiegegevens)

"1. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat politiegegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Hij verbetert of vernietigt politiegegevens of vult deze aan indien hem blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn.

2. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat politiegegevens worden verwijderd of vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor ze zijn verwerkt of dit door enige wettelijke bepaling wordt vereist. "

Artikel 8 lid 1 en 6 (uitvoering van de dagelijkse politietaak)

"1. Politiegegevens kunnen worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking.

6. De politiegegevens, die zijn verwerkt op grond van het eerste, tweede en derde lid, worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en worden in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd. "

Artikel 9 lid 1 en 4 (onderzoek in verband met de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval)

"1. Politiegegevens kunnen gericht worden verwerkt ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval.

4. De politiegegevens die zijn verwerkt op grond van het eerste lid en niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van het onderzoek, worden verwijderd, of gedurende een periode van maximaal een half jaar verwerkt teneinde te bezien of zij aanleiding geven tot een nieuw onderzoek als bedoeld in het eerste lid of een nieuwe verwerking als bedoeld in artikel 10, en na verloop van deze termijn verwijderd. "

Artikel 13 lid 1 onder a. b. en c. en lid 4 (ondersteunende taken)

"1. Ten behoeve van de ondersteuning van de politietaak kunnen de politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 8, 9 en 10, verder worden verwerkt voor zover zij relevant zijn voor:

a. het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak, onder meer ter bepaling van eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten;

b. het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte;

c. identificatie van personen of zaken;

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over hetgeen met het oog op de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde verwerkingen tevoren schriftelijk wordt vastgelegd en ter inzage gelegd. In ieder geval worden regels gesteld over de schriftelijke vastlegging van:

a. het specifieke doel ten behoeve waarvan de gegevens ter ondersteuning van de politietaak verder worden verwerkt;

b. de categorieën van personen over wie gegevens ten behoeve van het betreffende doel verder worden verwerkt en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;

c. de gevallen waarin of de termijnen waarbinnen het verder verwerken van de betreffende gegevens wordt beëindigd. "

Artikel 32 lid 1 onder b. en lid 4 (protocolplicht)

"1. De verantwoordelijke draagt zorg voor de schriftelijke vastlegging van:

b. de gegevens die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 13, vierde lid, worden vastgelegd;

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van vastlegging. "

Artikel 48 (overgangsbepaling)

"In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen een beslissing die op grond van de Wet politieregisters is genomen op een verzoek om kennisneming, verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van politiegegevens, dan wel op tegen een dergelijke beslissing in te stellen of ingesteld beroep, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet. "

IV. Besluit politiegegevens

Artikel 6:2 lid 1 Ondersteunende taken

"1.Over de verwerkingen bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en derde lid, van de wet, wordt tevoren schriftelijk vastgelegd:

a. ten behoeve van welk specifiek doel ter ondersteuning van de politietaak de gegevens verder worden verwerkt;

b. de categorieën van personen over wie gegevens ten behoeve van het betreffende doel verder worden verwerkt en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;

c. de termijn waarbinnen dan wel de gevallen waarin het verder verwerken van de betreffende gegevens wordt beëindigd;

d. de frequentie waarmee de gegevens ter voldoening aan de onder c bedoelde verplichting tot beëindiging van de verwerking worden gecontroleerd;

e. de verantwoordelijke of verantwoordelijken die de gegevens verder verwerken;

f. indien sprake is van een bewerker, degene die als bewerker optreedt. "

V. Modelreglement herkenningsdienstregister (Staatscourant 1996, 125, laatst gewijzigd in 2004, Verklaring van overeenstemming inzake aanpassing modelreglement herkenningsdienstregister, Staatscourant 2004, 124)

Artikel 1

"f. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; "

Artikel 2

"1. Het register heeft tot doel de informatievoorziening in het kader van de uitvoering van artikel 2 van de Politiewet 1993 binnen het korps mogelijk te maken voor zover het betreft:

a. de opsporing en vervolging van verdachten van misdrijven;

b. de verificatie van namen van verdachten van misdrijven;

c. het vaststellen van de mate van recidive van verdachten van misdrijven; "

Artikel 5

"In het register worden gegevens opgenomen betreffende de volgende categorieën van personen:

a. personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt, indien:

1. tegen hen als verdachte van enig misdrijf proces-verbaal is opgemaakt, of"

Artikel 6

"1. Omtrent de in artikel 5, onder a, sub 1, genoemde categorie van personen worden ten hoogste de volgende soorten van gegevens opgenomen:

f. een zo nauwkeurig mogelijke persoonsbeschrijving, alsmede een fotografische afbeelding met bijbehorende administratieve gegevens; "

Artikel 8

"1. De gegevens worden uit het register verwijderd wanneer deze niet meer noodzakelijk zijn voor het doel van het register, en zodra mogelijk vernietigd.

2. De gegevens worden in ieder geval uit het register verwijderd indien:

b. het feit ter zake waarvan opneming heeft plaatsgevonden een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan een jaar doch minder dan tien jaar is gesteld, uiterlijk nadat sinds dat feit vijftien jaren zijn verstreken;"

VI. Politiewet 1993

Artikel 2

"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. "

VII. Aanwijzing afloopberichten aan beheerders politieregisters, Staatscourant 1999, nr. 137, pag. 10.

VIII. Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 327, nr. 3, pag. 8.

IX. College Bescherming Persoonsgegevens, Brief van 6 december 2004, Z2004-1392.

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/343