2010/246

Instantie: Gemeente Nijmegen

Klacht: Verzoek om kwijtschelding gemeentelijke belasting afgewezen omdat verzoeker vermogen aan bijzondere belasting op zijn rekening had staan.
Oordeel: gegrond

Verzoeker klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen zijn verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belasting over 2009 heeft afgewezen, vanwege een teveel aan vermogen in de vorm van tegoed op bank en/of girorekening.

De gemeente heeft terecht opgemerkt dat een bedrag aan bijzondere bijstand op de bankrekening in de regelgeving niet is uitgezonderd als vermogen. Bijzondere bijstand wordt verstrekt door de gemeente met als reden dat de betrokkene in bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten moet maken die hij niet kan betalen. Daarom is er aanleiding om de aanwezigheid van bijzondere bijstand op de bankrekening niet in de weg te laten staan aan het verlenen van kwijtschelding.

Redelijkheidsvereiste. De klacht is gegrond. De Nationale ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat de gemeente Nijmegen uit eigen beweging het bedrag aan bijzondere bijstand niet als vermogen heeft beschouwd en daarop alsnog kwijtschelding heeft verleend.

De heer D. klaagt erover dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen zijn verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belasting over 2009 heeft afgewezen, vanwege een teveel aan vermogen in de vorm van tegoed op bank en/of girorekening.

Beoordeling

I. Bevindingen

1. De gemeente Nijmegen heeft het verzoek om kwijtschelding van de heer D. bij brief van 14 september 2009 afgewezen, vanwege vermogen in de vorm van tegoed op de bank- en/of girorekening.

2. De heer D. heeft in zijn administratief beroepschrift aangegeven dat de gemeente Nijmegen een bedrag van € 3002,42 aan bijzondere bijstand had gestort, dat nog op zijn bankrekening stond. Hij is van mening dat de afwijzing om die reden niet juist is.

3. De gemeente heeft daarop aangegeven de afwijzing van de kwijtschelding te handhaven. Als reden wordt aangevoerd dat de tegemoetkoming in de vorm van bijzondere bijstand bij de berekening van het vermogen in de regelgeving niet is uitgezonderd.

4. De heer B. heeft zijn klacht op 9 februari 2010 ter beoordeling aan de Nationale ombudsman voorgelegd.

5. Na contact met de Nationale ombudsman, heeft de gemeente uit eigen beweging het besluit genomen om alsnog tot kwijtschelding over te gaan.

II. Beoordeling

8. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Het redelijkheidsvereiste brengt met zich mee dat een overheidsinstantie in het kader van een verzoek om kwijtschelding een bedrag aan bijzondere bijstand - dat is verstrekt omdat in bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten moeten worden gemaakt die de betrokkene niet zelf kan betalen - niet meerekent als vermogen.

9. De gemeente heeft terecht opgemerkt dat een bedrag aan bijzondere bijstand op de bankrekening in de regelgeving niet is uitgezonderd als vermogen. In zoverre was haar eerdere beslissing dan ook niet onjuist te achten.

Toch is er aanleiding om de aanwezigheid van bijzondere bijstand op de bankrekening niet in de weg te laten staan aan het verlenen van kwijtschelding. Bijzondere bijstand wordt verstrekt door de gemeente (of een bevoegde gemeenschappelijke regeling) met als reden dat de betrokkene in bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten moet maken die hij niet zelf kan betalen.

Zo blijkt uit het besluit van de gemeente Nijmegen, dat de heer D. een bedrag aan bijzondere bijstand verstrekt heeft gekregen voor de inrichting van zijn woning. Ten tijde van zijn aanvraag om kwijtschelding had hij van de verstrekte bijzondere bijstand nog geen gebruik gemaakt. Het is redelijk te achten dat het bedrag aan bijzondere bijstand niet wordt meegerekend als vermogen, omdat het door de gemeente wordt toegekend voor de bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, is gegrond.

De Nationale ombudsman heeft er met instemming van kennisgenomen dat de gemeente Nijmegen uit eigen beweging het bedrag aan bijzondere bijstand niet als vermogen heeft beschouwd en daarop alsnog kwijtschelding heeft verleend.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Relevante regelgeving.

6. De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 voor zover relevant luidt:

“Artikel 11.

Kwijtschelding wordt verleend voor:

a. het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is;

….”

Artikel 12.

1. Onder vermogen als bedoeld in artikel 11 wordt verstaan de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Wet werk en bijstand of artikel 3 van de Wet investeren in jongeren, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.

2. Onder bezittingen wordt niet begrepen:

a. de inboedel voor zover de waarde hiervan niet meer bedraagt dan € 2.269;

b. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige of zijn echtgenoot, mits deze kapitaaluitkering is bestemd voor de verzorging van een uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot;

c. een auto die op het moment van het verzoek een waarde heeft van € 2.269 of minder; een auto met een waarde van meer dan € 2.269 wordt niet als vermogen beschouwd indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit;

d. het totale bedrag aan financiële middelen, andere dan de onder f bedoelde, voor zover dat bedrag de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten van bestaan vermeerderd met een bedrag ter grootte van het per maand gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, niet te boven gaat;

e. het bedrag op een bank- of girorekening dat in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten is verkregen in de vorm van leningen of dat is verkregen in het kader van een regeling voor persoonsgebonden budget, welke regeling is gegrond op artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 14a van de Zorgverzekeringswet;

f. een bedrag van € 2.269 aan financiële middelen per persoon voor personen die op 31 december 1999 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;

g. de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening.

…."

7. De Leidraad Invordering 2008 luidt voor zover relevant:

“26.2.4.

Saldo op de bankrekening en kwijtschelding voor particulieren

Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering. De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.”

“26.2.13.

Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren

Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.

….”

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/246