2010/223

Instantie: Belastingsamenwerking Rivierenland te Tiel

Klacht: Verzoek om kwijtschelding over 2009 afgewezen, omdat waarde van verzoekers tweede auto volledig wordt meegenomen als vermogen.
Oordeel: niet gegrond

De Belastingsamenwerking Rivierenland heeft het verzoek om kwijtschelding van de heer H. uit Nijmegen afgewezen, omdat de waarde van zijn tweede auto volledig wordt meegenomen als vermogen.

De heer H. is het met de afwijzing niet eens.

De waarde van een auto telt mee als vermogen. Dat daarop bij één auto een uitzondering kan worden gemaakt, kan als uitgangspunt gelden. Bij de aanwezigheid van vermogen door bezit van meer dan één auto is het echter in beginsel niet redelijk te achten dat een betrokkene niet aan zijn belastingplicht zou hoeven voldoen. Immers, van een betrokkene kan worden verwacht dat hij dat bedrag aanwendt voor de betaling van belastingen. Dit brengt met zich mee dat een tweede auto in beginsel volledig als vermogen in aanmerking kan worden genomen. De regelgeving verplicht evenmin expliciet tot een beoordeling van meer dan één auto. Een en ander laat onverlet dat een bestuursorgaan bij bijzondere of zwaarwegende omstandigheden tot een ander oordeel kan komen. Niet is gebleken van zodanige omstandigheden dat de Belastingsamenwerking Rivierenland tot een ander beslissing had moeten komen.

Redelijkheidsvereiste. De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingsamenwerking Rivierenland is niet gegrond.

Verzoeker klaagt erover dat de Belastingsamenwerking Rivierenland zijn verzoek om kwijtschelding over 2009 heeft afgewezen, omdat de waarde van zijn tweede auto volledig wordt meegenomen als vermogen.

Beoordeling

Algemeen

I. Bevindingen

1. Op 12 november 2009 heeft de Belastingsamenwerking Rivierenland (verder de BSR) het verzoek om kwijtschelding van de heer H. uit Nijmegen afgewezen. Als motivering gaf de BSR aan dat er een onevenredige verhouding is geconstateerd tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds.

2. De heer H. heeft tegen de beslissing administratief beroep aangetekend. Hij heeft - samengevat - aangegeven dat er geen sprake is van een onevenredige verhouding tussen de omvang van de uitgaven en zijn inkomen. Zijn twee oldtimers zouden samen hoogstens € 1.000 waard zijn. Hij hoeft voor de auto's geen wegenbelasting te betalen en heeft een voordelig tarief kunnen bedingen bij de verzekering. Het onderhoud kan hij zelf verrichten en de brandstofkosten zijn laag door incidenteel gebruik. De beide oldtimers kosten volgens hem daardoor minder dan één modernere auto. De tweede auto zou hij hebben aangeschaft om zijn moeder liggend te kunnen vervoeren en voor de variabele kosten van deze auto zou hij door zijn moeder worden gecompenseerd. De Sociale Dienst van Nijmegen heeft toestemming gegeven voor de aanschaf.

3. Bij brief van 31 maart 2010 heeft de BSR geweigerd het eerdere besluit te herzien. Als motivering gaf de BSR aan dat de waarde van het tweede voertuig volledig wordt meegenomen als vermogen, omdat daarvoor geen vermogensvrijstelling geldt. De BSR acht het verwijtbaar dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan, omdat een tweede voertuig veel maandelijkse lasten met zich meebrengt. De gemiddelde waarde op internet van de Opel Kadett is € 1.570 en van de Opel Manta € 1.200.

4. De heer H. heeft bij de Nationale ombudsman geklaagd over de weigering van de BSR hem kwijtschelding te verlenen.

Wettelijk kader

5. De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 bevat - voor zover van belang - de volgende bepalingen:

Artikel 11, aanhef en onder a;

"Kwijtschelding wordt verleend voor:

het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag indien geen vermogen en geen betalingscapaciteit aanwezig is; …"

Artikel 12, aanhef tweede lid en onder c en derde lid;

"Lid 2. Onder bezittingen wordt niet begrepen:

(…)

c. een auto die op het moment van het verzoek een waarde heeft van € 2.269 of minder; een auto met een waarde van meer van € 2.269 wordt niet als vermogen beschouwd indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit;

(…)

Lid 3. Onder waarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt verstaan de prijs die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto."

6. In de Leidraad Invordering 2008 wordt artikel 12, aanhef tweede lid en onder c nader beschreven:

26.2.3

"De auto en kwijtschelding particulieren.

De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van de belastingschuldige of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald."

II. Beoordeling

De norm

7. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Het redelijkheidsvereiste brengt mee dat het in beginsel niet onredelijk is dat een bestuursorgaan bij het bepalen van het vermogen in het kader van kwijtschelding bij één auto beoordeelt of de waarde daarvan niet als vermogensbestanddeel geldt.

Vrijstelling van een auto als vermogensbestanddeel

8. Bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding speelt het vermogen van de betrokkene een belangrijke rol. Om het bedrag aan vermogen vast te stellen wordt gekeken naar de waarde van de bezittingen van de betrokkene. Het bezit van een auto is als vermogen te beschouwen.

Een uitzondering hierop is een auto met een lagere waarde dan € 2.269. Deze waarde telt dan niet mee als vermogensbestanddeel. Heeft de auto een hogere waarde, dan telt dit geheel mee als vermogen. Alleen als de auto met een hogere waarde aantoonbaar onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep of in verband met invaliditeit, wordt deze auto niet als vermogen beschouwd.

Meerdere auto's

9. De waarde van een auto telt mee als vermogen. Dat daarop bij één auto een uitzondering kan worden gemaakt, kan als uitgangspunt gelden. Bij de aanwezigheid van vermogen door bezit van meer dan één auto is het echter in beginsel niet redelijk te achten dat een betrokkene niet aan zijn belastingplicht zou hoeven voldoen. Immers, van een betrokkene kan worden verwacht dat hij dat bedrag aanwendt voor de betaling van belastingen. Dit brengt met zich mee dat een tweede auto in beginsel volledig als vermogen in aanmerking kan worden genomen.

De regelgeving verplicht evenmin expliciet tot een beoordeling van meer dan één auto.

Een en ander laat onverlet dat een bestuursorgaan bij bijzondere of zwaarwegende omstandigheden tot een ander oordeel kan komen.

Beoordeling kwijtscheldingsverzoek van de heer H.

10. De heer H. bezit twee oldtimers. De BSR heeft de waarde van de tweede oldtimer geheel meegenomen als vermogen. De Nationale ombudsman acht deze handelwijze - gelet op het voorgaande - niet onjuist. Zelfs al zou worden uitgegaan van de door de heer H. naar voren gebrachte waarden van € 500 en € 300 voor de respectievelijke auto's, dan nog kan de BSR in redelijkheid één van de auto's uitzonderen als vermogen (omdat de waarde onder de € 2.260 ligt) en de tweede auto geheel als vermogen meetellen. Niet is gebleken van zodanige bijzondere of zwaarwegende omstandigheden dat de BSR tot een andere beslissing had moeten komen.

Voor de goede orde merkt de Nationale ombudsman nog op dat van een betrokkene kan worden verwacht dat hij de waarde van zijn auto onderbouwt met de taxatie van een bij de BOVAG aangesloten garagebedrijf.

Motivering in besluit.

11. Na een administratief beroep vindt er een heroverweging plaats. Het is niet ongebruikelijk dat er dan andere gronden aan het besluit ten grondslag worden gelegd. De BSR heeft in haar besluit op administratief beroep terecht opgemerkt dat er geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Wel is het mogelijk om een klacht over de beslissing voor te leggen aan de Nationale ombudsman.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Belastingsamenwerking Rivierenland uit Tiel, is niet gegrond.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Publicatiedatum
Rapportnummer
2010/223