2009/294

Instantie: Hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg te Utrecht

Klacht:

Tijdens perspresentatie en interviews uitlatingen gedaan dat stichting Meiling een amateurclubje is dat zij liever ziet verdwijnen; te lang geduurd voordat er daadwerkelijk een gesprek met de hoofdinspecteur plaatsvond.

Oordeel: niet gegrond

Instantie: Hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg te Utrecht

Klacht:

Brief van 24 november 2007 pas op 5 juni 2008 beantwoord en zich in die brief bovendien beroepen op 'signalen uit de praktijk' die zij verder niet nader heeft onderbouwd en/of onderzocht; beweerd dat stichting Meiling zich te gemakkelijk laat leiden door de kinderwens van de kandidaat-adoptiefouders in Nederland en daarbij voorbijgaat aan de belangen van het adoptiekind.

Oordeel: gegrond

Stichting Meiling is een stichting die zich bezighoudt met de bemiddeling bij interlandelijke adopties onder meer uit India. Naar aanleiding van mogelijke misstanden met betrekking tot adopties uit India heeft de Inspectie Jeugdzorg, in opdracht van de minister van Justitie, in 2007 een onderzoek naar de stichting ingesteld. Op 7 november 2007 heeft de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg het eindrapport met de bevindingen van het onderzoek in de media gepresenteerd.

Stichting Meiling klaagt er bij de Nationale ombudsman over dat de hoofdinspecteur tijdens de perspresentatie en later in enkele interviews, uitlatingen heeft gedaan die niet strookten met de conclusies uit het rapport. Volgens de stichting zou de hoofdinspecteur hebben beweerd, of de indruk hebben gewekt, dat de stichting maar een amateurclubje is welke zich te gemakkelijk laat leiden door de kinderwens van kandidaat-adoptiefouders. Ook zou de inspecteur hebben laten doorschemeren dat zij de stichting liever zag verdwijnen. Verder klaagde de stichting erover dat de hoofdinspecteur haar brief pas een half jaar later beantwoordde en daarin uitlatingen deed die niet nader onderbouwd en onderzocht werden.

De Nationale ombudsman stelde vast dat de hoofdinspecteur in de media niet heeft beweerd dat de stichting maar een amateurclubje is. Zij heeft gesproken over "vrijwilligers" en "vrijwilligersorganisaties" en heeft hiermee volgens de Nationale ombudsman geen waardeoordeel willen geven. Ook heeft de Nationale ombudsman de hoofdinspecteur geen uitspraken horen maken die erop duiden dat zij de stichting liever zou zien verdwijnen. De klacht mist op dit punt feitelijke grondslag. Over de klacht van verzoekster betreffende de uitlating van de hoofdinspecteur dat op grond van het Haags Adoptieverdrag ouders gezocht moeten worden bij een kind en niet andersom en dat in de praktijk het omgekeerde gebeurd is, oordeelde de Nationale ombudsman dat de hoofdinspecteur niet behoorlijk heeft gehandeld. De klacht werd gegrond geacht wegens schending van het verbod op vooringenomenheid.

De klacht van verzoekster dat de hoofdinspecteur haar brief pas na een half jaar beantwoordde, achtte de Nationale ombudsman niet gegrond. Dat de hoofdinspecteur in deze brief echter bepaalde uitlatingen deed, die zij niet nader onderbouwd had, achtte de Nationale ombudsman wel gegrond wegens strijd met het motiveringsvereiste.

In opdracht van de minister van Justitie heeft de Inspectie Jeugdzorg een onderzoek ingesteld naar de stichting Meiling, een stichting die zich bezighoudt met de bemiddeling bij interlandelijke adoptie.

In oktober 2007 heeft de Inspectie Jeugdzorg haar rapport uitgebracht. Op 7 november 2007 heeft de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg dit rapport in de media gepresenteerd. De stichting Meiling klaagt erover dat de hoofdinspecteur tijdens de perspresentatie en later in enkele interviews, uitlatingen heeft gedaan die niet overeenkwamen met de conclusies uit het rapport. Zij zou hebben beweerd, of althans de indruk hebben gewekt, dat stichting Meiling maar een amateurclubje is dat zich te gemakkelijk laat leiden door de kinderwens van de kandidaat-adoptiefouders in Nederland en daarbij voorbijgaat aan de belangen van het adoptiekind. Ook zou zij hebben laten doorschemeren dat zij de stichting Meiling liever ziet verdwijnen.

Verder klaagt de stichting Meiling erover dat de hoofdinspecteur hun brief van 24 november 2007 pas op 5 juni 2008 heeft beantwoord en zich in die brief bovendien heeft beroepen op "signalen uit de praktijk" die zij verder niet nader heeft onderbouwd en/of onderzocht.

Beoordeling

I. Bevindingen

1. Op 27 oktober 2007 bracht de Inspectie Jeugdzorg het rapport "Meiling en adoptie uit India" uit met de ondertitel "Onderzoek naar het handelen van vergunninghouder interlandelijke adoptie Meiling in de periode 1995 t/m 2002 naar aanleiding van signalen over mogelijke misstanden in India." De inspectie onderzocht of Meiling in deze periode 'de zuiverheid en zorgvuldigheid van het bemiddelingscontact Malaysian Social Service (MSS) voldoende controleerde en of Meiling tijdig en adequaat reageerde op signalen over mogelijke onrechtmatigheden in India. Hierbij werd als uitgangspunt genomen dat de beoordeling of een kind geadopteerd kan worden primair de verantwoordelijkheid is van het land van herkomst.

In de samenvatting van het rapport staat onder meer het volgende:

"Eindoordeel

De inspectie concludeert dat Meiling de wettelijke eisen als uitgangspunt genomen heeft om de adoptie vanuit India via MSS goed te laten verlopen. Meiling heeft zich gehouden aan alle aandachtspunten die in de wet aangegeven zijn, maar heeft deze niet uitgewerkt in inhoudelijke normen waarmee Meiling het bemiddelingscontact MSS had kunnen toetsen. Omdat er noch in de wet noch door Meiling inhoudelijke normen ontwikkeld zijn, kan Meiling feitelijk niet aantonen dat de interlandelijke adoptie via MSS in India zuiver en zorgvuldig gebeurd is en in het belang van het kind is geweest.

Ook is Meiling onvoldoende controleerbaar op de tijdigheid en adequaatheid van handelen, omdat veel mondeling is gebeurd en niet schriftelijk is vastgelegd.

De inspectie is daarom van oordeel dat de werkwijze van Meiling niet voldoende professioneel is geweest in het werken met uitgewerkte normen. Meiling heeft erop vertrouwd dat India zorgvuldig handelt. Dat wil niet zeggen dat de interlandelijke adoptie vanuit India via MSS door Meiling over het algemeen onjuist gebeurd is, maar wel dat vanuit Nederland, op basis van de informatie van Meiling, geen volledig beeld te vormen is over de kwaliteit van handelen van het bemiddelingscontact en van officiële instanties bij interlandelijke adoptie.

Dit maakt dat de kans aanwezig is dat Meiling onbedoeld betrokken is geraakt bij interlandelijke adopties die niet voldoen aan de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag. Of dit ook daadwerkelijk gebeurd is, valt buiten het bereik van dit onderzoek.

Rest de vraag in hoeverre het Meiling is aan te rekenen dat er niet voldoende professioneel gehandeld is. Meiling is immers een vrijwilligersorganisatie die heeft moeten werken met niet nader gespecificeerde uitgangspunten in de wetgeving. De inspectie verwacht ook van vrijwilligersorganisaties dat zij professioneel werken, maar zij vindt het ook een extra verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie om deze organisaties adequaat toe te rusten. (…)

Aanbevelingen

De inspectie is op basis van haar toezichtervaringen van de afgelopen jaren van mening dat de kans aanwezig blijft dat bij interlandelijke adopties onvoldoende professioneel gewerkt wordt en te veel in goed vertrouwen gehandeld wordt zolang er geen inhoudelijke invulling wordt gegeven aan de vereisten om te bepalen of een interlandelijke adoptie in het belang van het kind is. Dit maakt dat adoptiekinderen het risico lopen dat interlandelijke adoptie niet in hun belang geschiedt.

De inspectie vindt dit een onwenselijke situatie en vraagt de minister van Justitie de belangen van adoptiekinderen te beschermen door de vigerende wet- en regelgeving aan te vullen met inhoudelijke normen, waarbij Nederland zelf de interlandelijke adopties toetst en controleert en ervoor zorgt dat het handelen van vergunninghouders geprofessionaliseerd wordt."

2. Bij brief van 12 november 2007 aan de minister van Justitie uitte verzoekster haar ongenoegens over het optreden van de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg in de media bij de presentatie van onder andere het hiervoor vermelde rapport. De onderzoeksbevindingen werden overigens door Meiling onderkend. Verzoekster gaf hierover aan dat zij de kritiek tot zich had genomen en dat zij zou meewerken aan verbeterpunten.

De wijze waarop de hoofdinspecteur zich had uitgelaten over de inhoud van het rapport was naar de mening van verzoekster echter een stuk minder genuanceerd. De werkelijke inhoud van het rapport "sneeuwde" volgens verzoekster onder door de wijze waarop de hoofdinspecteur erover in de media sprak.

Volgens de stichting zou de hoofdinspecteur namelijk in de media hebben gezegd dat "Meiling mogelijk de belangen van de ouders zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van kinderen". Ook zou zij de indruk hebben gewekt "dat Meiling een amateuristische adoptiebemiddelaar zou zijn."

Verzoekster benadrukte dat deze stellingname van de hoofdinspecteur geen recht deed aan het functioneren van de organisatie, de vrijwilligers en de beginselen waarvoor Meiling staat. Mede doordat Meiling als eerste vrijwilligersorganisatie onder de vergunninghouders voor interlandelijke adoptiebemiddeling de vereiste certificering wist te behalen en dat in de statuten, de werkinstructies en dergelijke 'het Meiling credo' namelijk dat ouders voor kinderen wordt gezocht en niet andersom, vooropstaat.

Verzoekster stelde dat 'deze publiekelijk gemaakte beschuldigingen van de hoofdinspecteur op geen enkele wijze onderbouwd' waren door het rapport. Volgens verzoekster berokkende de hoofdinspecteur Meiling "ernstige imagoschade" en veroorzaakte zij "ten onrechte onzekerheid bij kinderen die via bemiddeling door Meiling naar Nederland zijn gekomen". Verzoekster besloot haar brief als volgt:

"Wij achten deze gang van zaken een grote inbreuk op de zorgvuldigheid en genuanceerdheid die van een rijksinspectie mag worden verwacht. Wij zullen als betrokkenen dit ook ter sprake brengen in een onderhoud dat wij met (de hoofdinspecteur; N.o.) zullen aanvragen. Wij hopen op een goed gesprek met haar waarbij het mogelijk is die voor ons onverkwikkelijke gang van zaken bevredigend af te sluiten. Gelet op uw opdrachtgeverschap voor dit onderzoek van de inspectie Jeugdzorg wilden wij graag ons ongenoegen over deze zaak met u delen".

3. Bij brief van 24 november 2007 verzocht verzoekster om een onderhoud met de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg teneinde onder meer "de achtergronden en onderbouwing" van haar uitlatingen in de media te bespreken.

4. In mei 2008 vond het gesprek tussen de hoofdinspecteur en verzoekster plaats. De hoofdinspecteur schreef in haar brief van 5 juni 2008 aan verzoekster hierover, dat zij het op prijs stelde dat Meiling het initiatief had genomen het gesprek met haar aan te gaan. Zij schreef verder dat zij zorgvuldig naar verzoekster had geluisterd en dat zij zich erin kon verplaatsen "dat het niet altijd prettig is via de media de kritiek te horen" die men zelf al in het rapport had gelezen. Verder gaf zij aan dat zij haar woordvoering had gebaseerd op "de onderzoeksbevindingen en signalen uit de praktijk". Hoewel zij aangaf zich te realiseren dat een geschreven tekst meer mogelijkheden tot nuancering bood dan "het snelle medium televisie", vermeldde de hoofdinspecteur tenslotte in haar brief dat zij achter haar uitspraken bleef staan die zij in de persconferentie had gedaan.

5. In oktober 2008 wendde verzoekster zich met een klacht tot de Nationale ombudsman. Zij gaf aan dat de klacht betrekking had op de uitlatingen van de hoofdinspecteur tijdens de presentatie van het onderzoeksrapport naar het handelen van de stichting Meiling, omdat zij hierbij een voorstelling van zaken gaf die niet overeenstemde met de rapportage die zij had gemaakt. Volgens verzoekster hebben de uitlatingen van de hoofdinspecteur grote reputatieschade aan haar gebracht alsmede onrust veroorzaakt bij de kinderen die via bemiddeling door Meiling in Nederland geadopteerd zijn. Verzoekster gaf daarbij aan dat zij de klacht ook bij de hoofdinspecteur zelf had aangekaart maar dat deze, tot verbazing van verzoekster, de klacht met een kort briefje van de hand had gewezen met een verwijzing naar "handelingen van Meiling in de praktijk." Volgens verzoekster was dit verwijt volledig nieuw en niet onderbouwd. De wijze waarop de klacht door de hoofdinspecteur werd afgedaan, sterkte verzoekster in de overtuiging de gedragingen van de hoofdinspecteur ter toetsing aan de Nationale ombudsman voor te leggen.

6. In reactie op de door de Nationale ombudsman op 3 december 2008 in onderzoek genomen klacht berichtte de minister voor Jeugd en Gezin bij brief van 6 februari 2009 op de vraag van de Nationale ombudsman hoe de hoofdinspecteur tot de conclusie kwam dat bij stichting Meiling sprake is van een omgekeerde praktijk in die zin dat er een kind bij de gewenste ouders werd gezocht en het belang van het kind niet voorop werd gesteld, onder meer als volgt:

"Tijdens de bewuste perspresentatie heeft de hoofdinspecteur gezegd dat er volgens het Haags Adoptieverdrag van 1993 ouders moeten worden gezocht bij een kind en niet andersom. Zij heeft verder gezegd dat in de praktijk eigenlijk het omgekeerde gebeurde. Tot deze conclusie is de hoofdinspecteur gekomen op grond van de bevindingen in het onderzoeksrapport. (…)

Volgens het rapport was gebleken dat Meiling een kind adoptabel achtte als de Indiase autoriteiten hun procedures hadden afgerond en een stempel hadden gezet. Verder was gebleken dat Meiling niet zelf met vastgestelde normen bepaalde of aan alle voorwaarden voor adoptie was voldaan. Daarnaast beschikte Meiling niet over een beschrijving van de manier waarop zij zich ervan vergewiste dat de adoptie van een kind in Nederland in zijn belang kon worden geacht. Ook is gebleken dat Meiling de afweging om een kind aan bepaalde aspirant-adoptiefouders in Nederland te matchen gedurende lange tijd maakte op onvolledige informatie en dat zij tot eind jaren negentig de adoptabele kinderen niet in persoon bezocht. In de rapportage beoordeelde de inspecteur (onder andere) deze handelwijzen als onvoldoende professioneel.

Hoewel het (volgens pagina 17 van het rapport) buiten het bereik van het onderzoek viel om vast te stellen of er ook daadwerkelijk kinderen in strijd met de twee op pagina 9 en 10 van het rapport genoemde uitgangspunten zijn geadopteerd, was het voor de inspectie wel voldoende duidelijk dat door het onprofessioneel handelen van Meiling (en andere Nederlandse adoptiebureaus) de mogelijkheid is ontstaan dat de interlandelijke adoptie niet in het belang van de adoptiekinderen is geschied.

Met andere woorden: Meiling heeft onvoldoende gewerkt vanuit de gedachte dat ouders moeten worden gezocht bij een kind. Uit de omstandigheid dat het niet deze gedachte is geweest die leidend was bij de matching van adoptabele kinderen en aspirant-adoptiefouders, heeft de hoofdinspecteur de conclusie getrokken dat het de wens van de andere partij bij deze matching, de aspirant-adoptiefouders, moet zijn geweest die de boventoon heeft gevoerd.

De hoofdinspecteur heeft tot slot gezegd dat hiermee niet in het belang van het kind is gehandeld. Dit is een direct verwijzing naar het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit verdrag bepaalt dat het belang van het kind bij adoptie de voornaamste overweging dient te zijn. In het rapport van de inspectie wordt duidelijk beschreven dat dit uitgangspunt een van de beoordelingscriteria van het onderzoek was".

Op de vragen van de Nationale ombudsman over welke "signalen uit de praktijk" de hoofdinspecteur in haar brief van 5 juni 2008 sprak en waarom zij hiernaar verwees berichtte de minister het volgende:

"Aansluitend op voornoemde perspresentatie van 7 november 2007 heeft de hoofdinspecteur aan een verslaggeefster van de NOS een interview gegeven, dat later die dag gedeeltelijk is uitgezonden in het NOS journaal van 20:00 uur. De verslaggeefster heeft tijdens dit interview vragen gesteld over de professionaliteit van de Nederlandse adoptiebureaus. Omdat de vragen dus niet uitsluitend over Meiling gingen, kon de hoofdinspecteur voor de beantwoording daarvan niet uitsluitend putten uit de bevindingen van het onderzoek naar Meiling Zij diende ook andere signalen over de professionaliteit van de Nederlandse adoptiebureaus - waaronder dus ook Meiling- in haar antwoord te betrekken. Dit zijn de signalen uit de praktijk waarop de hoofdinspecteur in haar brief doelt.

Deze signalen bestaan uit de bevindingen uit eerdere onderzoeken, die in het onderhavige onderzoeksrapport ook worden genoemd (…). Voorts bestaan ze uit signalen die de inspectie ambtshalve ter ore zijn gekomen in haar contacten met het veld en met het ministerie van Justitie in het kader van het opstellen van een kwaliteitskader voor vergunninghouders interlandelijke adoptie, (…)."

Het (eerste) klachtonderdeel van verzoekster, dat zich richtte tegen de, volgens verzoekster niet op het rapport gebaseerde, uitlatingen van de hoofdinspecteur op 7 november 2007 tijdens de presentatie en later andere interviews, achtte de minister ongegrond. De minister stelde dat de hoofdinspecteur niet beweerd had dat verzoekster 'maar een amateurclubje" is. Volgens de minister sprak de hoofdinspecteur in het interview over "amateurorganisaties" in de betekenis van "niet beroepsmatig" en had zij geen badinerende ondertoon gebruikt en deze ook niet willen gebruiken.

De opmerking van Meiling dat de hoofdinspecteur gezegd had, althans de indruk had gewekt dat verzoekster zich te gemakkelijk liet leiden door de kinderwens van kandidaat-adoptiefouders en daarbij aan het belang van het kind zou zijn voorbijgegaan, beantwoordde de minister onder verwijzing naar de eerdere beantwoording van de eerste vraag dat de hoofdinspecteur tot deze uitspraken kwam op grond van de beoordelingscriteria en onderzoeksbevindingen zoals die waren opgenomen in het rapport. Verder wees de minister erop dat Meiling de uitspraken van de hoofdinspecteur niet geheel juist citeerde. Dit deed hij omdat hij uit de klacht begreep dat het verzoekster niet alleen om de letterlijke tekst van de uitlatingen ging maar ook om wat de hoofdinspecteur volgens verzoekster liet doorschemeren.

Op de bewering van verzoekster dat de hoofdinspecteur zou hebben gezegd 'dat het nu eenmaal de keuze was van de minister van Justitie is om met amateurclubs te willen werken' en daarbij liet doorschemeren dat zij Meiling liever zag verdwijnen merkte de minister op dat verzoekster hierbij doelde op de uitlatingen die de hoofdinspecteur in het NOS journaal deed. Volgens de minister ging het hierbij niet uitsluitend over Meiling maar over alle Nederlandse adoptiebureaus. Hierbij zou het woord "amateurclubs" niet zijn gevallen. De minister stelde dat de hoofdinspecteur in het interview liet blijken dat "het door de inspectie bij meerdere adoptiebureaus geconstateerde gebrek aan professionaliteit moet verdwijnen." In dit verband wees de hoofdinspecteur erop dat de adoptiebureaus die met vrijwilligers werken "nog een kans" verdienden om zich te professionaliseren. De suggestie dat de hoofdinspecteur Meiling liever had zien verdwijnen wees de minister van de hand. De minister schreef hierover het volgende:

"Het is ook niet de bedoeling van de hoofdinspecteur iets anders te laten doorschemeren dan de letterlijke tekst van haar antwoord. Wellicht dat het de vraagstelling van de verslaggeefster van de NOS is die Meiling tegen de haren in strijkt. De verslaggeefster vraagt of de adoptiebureaus waarover het in het interview gaat nog wel een kans verdienen om zich te professionaliseren. Het gaat hier over mensenlevens, voegt de verslaggeefster daar aan toe. Ik benadruk hierbij dat het de verslaggeefster is die suggereert dat vrijwilligersorganisaties als Meiling geen kans meer verdienen en dus beter kunnen verdwijnen. Het is niet de hoofdinspecteur die dit suggereert. De hoofdinspecteur houdt zich verre van een dergelijke suggestie en antwoordt slechts dat het aan de minister van Justitie is om te werken met adoptiebureaus met vrijwilligers, hetgeen overigens ook een juiste constatering is."

Ook het (tweede) klachtonderdeel van verzoekster, welke zich richt tegen de reactie van de hoofdinspecteur op de brief van 24 november 2007 waarin verzocht werd om een onderhoud, achtte de minister ongegrond.

De minister gaf gemotiveerd aan dat het niet alleen aan de inspectie te wijten was dat het gesprek uiteindelijk pas op 15 mei 2008 plaatsvond. De klacht van verzoekster dat de hoofdinspecteur zich in haar brief van 5 juni 2008 beriep op signalen uit de praktijk en dit vervolgens niet nader onderbouwde of onderzocht, achtte de minister onjuist. Volgens de minister bleek de onderbouwing weliswaar niet uit de desbetreffende brief, maar hij legde uit dat de hoofdinspecteur tijdens het gesprek van 15 mei 2008 "haar woordvoering van 7 november 2007" uitvoerig had toegelicht. Bovendien, zo stelde de minister stonden de signalen in het onderzoeksrapport. De minister gaf vervolgens aan dat de hoofdinspecteur haar woordvoering tijdens de perspresentatie niet wilde aanvullen maar verduidelijken.

De minister besloot zijn reactie op de klacht van verzoekster als volgt:

"Tenslotte nog dit. Medio 2008 heeft de inspectie de gehele gang van zaken rondom de bezwaren van Meiling tegen de uitlatingen van de hoofdinspecteur intern geëvalueerd. Tijdens deze evaluatie is ook gekeken naar de gevolgen van de gehele gang van zaken voor de professionele verhoudingen tussen partijen als vergunninghouder en toezichthouder. De conclusie was dat het verstandig was na enige tijd een gesprek tussen partijen te plannen om te bezien of de bezwaren van Meiling nog immer aanwezig waren en, zo ja, of deze bezwaren zo ernstig waren dat ze de professionele verhoudingen tussen partijen zou kunnen verstoren. Op korte termijn staat er immers weer een nieuw toezicht bij Meiling op stapel. Dit gesprek heeft op 28 augustus 2008 plaatsgevonden. Meiling heeft tijdens dit gesprek gezegd dat haar bezwaren nog steeds bestaan, dat zij zich niet kon vinden in de uitleg van de hoofdinspecteur, maar dat haar ongenoegen zich niet richtte op de inspectie en haar onderzoeksrapport, doch uitsluitend op de uitlatingen van de hoofdinspecteur. Wat Meiling betrof was er geen sprake van verstoorde professionele verhoudingen, die haar medewerking tijdens (…) een toekomstig onderzoek in de weg zou staan. Ook de inspectie heeft tijdens dit gesprek gezegd dat zij niet van mening is dat er sprake is van verstoorde professionele verhoudingen. De gehele gang van zaken rondom de uitlatingen van de hoofdinspecteur staan los van een toekomstig onderzoek en zullen ook op geen enkele wijze invloed daarop hebben."

7. De hoofdinspecteur had eerder bij brief d.d. 29 januari 2009 laten weten zich te kunnen vinden in de inhoud van de reactie van de minister en had hieraan verder niets toe te voegen.

8. Op 25 maart 2009 gaf verzoekster een schriftelijke reactie op hetgeen de minister had laten weten. Verzoekster gaf aan deze reactie teleurstellend te vinden. Verzoekster stelde dat de door de minister gegeven voorstelling van zaken niet juist zou zijn en dat de reactie niet nader inging op verzoeksters waarneming dat het optreden van de hoofdinspecteur verklaard zou kunnen worden "als strategie om de aandacht af te leiden van het tegelijkertijd uitgebrachte rapport van de heer Oosting over het toezicht door de inspectie Jeugdzorg op de adoptiebemiddeling." Volgens verzoekster ging de reactie van de minister daarmee voorbij aan de kern van haar klacht namelijk dat de hoofdinspecteur Meiling in een kwaad daglicht had gesteld door uitlatingen te doen die niet overeenkwamen met de onderzoeksbevindingen uit het rapport.

II. Beoordeling

Ten aanzien van de perspresentatie van 7 november 2007.

9. Het verbod van vooringenomenheid houdt in dat bestuursorganen zich actief opstellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden.

10. De Nationale ombudsman stelt vast dat de inspectie in haar rapport van 27 oktober 2007 onder meer heeft geoordeeld dat de werkwijze van Meiling niet voldoende professioneel is geweest in het werken met uitgewerkte normen. Hierdoor heeft men zich geen volledig beeld kunnen vormen over de kwaliteit van het handelen van het bemiddelingscontact en de officiële instanties bij interlandelijke adoptie. Volgens het inspectierapport is de kans aanwezig dat Meiling onbedoeld betrokken is geraakt bij interlandelijke adopties die niet voldoen aan de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag. Vervolgens is de vraag opgeworpen in hoeverre het Meiling is aan te rekenen dat er niet voldoende professioneel gehandeld is omdat Meiling immers een vrijwilligersorganisatie is, waarbij de inspectie wel opmerkt dat ook van dergelijke organisaties verwacht wordt professioneel te werken.

Tijdens de perspresentatie van 7 november 2007 (zie onder Achtergrond) benadrukte de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg dat de conclusie van het rapport was dat de werkwijze van Meiling niet voldoende professioneel is geweest. Even later zei ze dat op grond van het Haags adoptieverdrag ouders gezocht moeten worden bij een kind en niet andersom. Volgens de hoofdinspecteur zou in de praktijk eigenlijk het omgekeerde zijn gebeurd en is daarmee niet in het belang van het kind gehandeld. Later in een interview met de NOS gaf de hoofdinspecteur aan dat het een politiek besluit is om te werken met vrijwilligersorganisaties in plaats van met professionele, betaalde krachten en dat de Inspectie dit politieke besluit volgt.

11. De Nationale ombudsman constateert met de minister dat de hoofdinspecteur niet, zoals verzoekster stelt, in de media heeft beweerd dat Meiling maar een amateurclubje is. De hoofdinspecteur heeft gesproken over "vrijwilligers" en "vrijwilligersorganisaties" en heeft hiermee, voor zover de Nationale ombudsman dit heeft kunnen vaststellen geen waardeoordeel willen geven. De Nationale ombudsman kan zich vinden in de uitleg van de minister dat de hoofdinspecteur de term vrijwilliger heeft gebruikt in de zin van 'niet beroepsmatig', temeer omdat zij dit in het interview met de NOS met zoveel woorden heeft benadrukt. Ook heeft de Nationale ombudsman de hoofdinspecteur in de media geen uitspraken horen doen die erop duiden dat zij Meiling of andere vrijwilligersorganisaties liever zou zien verdwijnen. De klacht mist dus een feitelijke grondslag.

Over de uitlating van de hoofdinspecteur, dat op grond van het Haags Adoptieverdrag ouders gezocht moeten worden bij een kind en niet andersom en dat in de praktijk eigenlijk het omgekeerde gebeurd is, deelt de Nationale ombudsman de stelling van Meiling dat deze zinsneden niet met zoveel woorden in het inspectierapport staan vermeld. In het inspectierapport staat ten aanzien van dit punt het volgende aangegeven:

"dat de kans aanwezig is dat Meiling onbedoeld betrokken is geraakt bij interlandelijke adopties die niet voldoen aan de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag. Of dit ook daadwerkelijk gebeurd is, valt buiten dit onderzoek." In zijn reactie stelde de minister echter dat het voor de inspectie wel voldoende duidelijk was dat door het onprofessioneel handelen van Meiling (en andere Nederlandse adoptiebureaus) de mogelijkheid was ontstaan dat de interlandelijke adoptie niet in het belang van de adoptiekinderen was geschied en hieruit concludeerde hij vervolgens dat Meiling onvoldoende gewerkt had vanuit de gedachte dat ouders moeten worden gezocht bij een kind. Deze conclusie acht de Nationale ombudsman te kort door de bocht.

Hoewel voor de oplettende luisteraar en lezer de uitlatingen van de hoofdinspecteur in de juiste context kunnen worden uitgelegd, vindt de Nationale ombudsman dat tijdens de perspresentatie ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat Meiling niet in het belang van kinderen heeft gehandeld (door niet ouders bij een kind te zoeken maar door andersom te handelen). Hiermee heeft de hoofdinspecteur naar het oordeel van de Nationale ombudsman het vereiste van vooringenomenheid geschonden en niet behoorlijk gehandeld.

Ten aanzien van de brief van 24 november 2007 en de reactie daarop.

12. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van een overheidsinstantie feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering. Dit impliceert dat een overheidsinstantie zijn reactie op een klacht dient te onderbouwen met een feitelijk juiste motivering. In de brief van 5 juni 2008 geeft de hoofdinspecteur aan dat zij haar woordvoering in de media zou hebben gebaseerd op de onderzoeksbevindingen en "signalen uit de praktijk". Wat deze signalen vervolgens zijn, wordt verder niet uitgelegd. In zijn reactie op de klacht legt de minister uit welke "signalen" de hoofdinspecteur volgens hem heeft bedoeld. Vervolgens stelt hij dat de hoofdinspecteur in de brief van 5 juni 2008 weliswaar niet heeft onderbouwd op welke signalen in de praktijk zij doelde, maar dat dit wel uitvoerig in het overleg met verzoekster aan de orde zou zijn gekomen. Of dit daadwerkelijk ook gebeurd is valt voor de Nationale ombudsman niet te onderzoeken. Het ware beter geweest indien de hoofdinspecteur haar uitleg ook schriftelijk aan verzoekster had kenbaar gemaakt. Omdat de Nationale ombudsman van oordeel is dat een motivering voor belanghebbende kenbaar moet zijn en dit in casu niet het geval is, acht de Nationale ombudsman deze gedraging niet behoorlijk.

Ten aanzien van verzoeksters klacht dat het zo lang duurde voordat er daadwerkelijk een gesprek tussen de hoofdinspecteur en verzoekster plaatsvond (en de inspecteur ten gevolge van deze afspraak pas op 5 juni 2008 schriftelijk reageerde op verzoeksters brief), gaf de minister in de brief van 6 februari 2009 aan dat dit niet uitsluitend aan de inspectie was te verwijten. In haar reactie van 25 maart 2009 weerspreekt verzoekster de uitleg van de minister niet. De Nationale ombudsman stelt hiermee vast dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden het overleg niet eerder dan 15 mei 2008 heeft plaatsgevonden. Hiermee onderschrijft de Nationale ombudsman de stelling van de minister dat dit niet slechts de Inspectie te verwijten valt. Dat de hoofdinspecteur pas na het gesprek schriftelijk reageert op de klachtbrief van 24 november 2007 acht de Nationale ombudsman niet onlogisch. De gedraging is op dit onderdeel behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg te Utrecht:

is niet gegrond voor zover deze betrekking heeft op uitlatingen van de hoofdinspecteur dat Meiling een amateurclubje is dat zij liever zou zien verdwijnen;

is gegrond wat betreft de uitspraak van de hoofdinspecteur dat Meiling zich te makkelijk laat leiden door de kinderwens van kandidaat-adoptiefouders wegens schending van het verbod op vooringenomenheid;

is gegrond ten aanzien van de reactie op de brief van 24 november 2007 wegens strijd met het motiveringsvereiste.

is niet gegrond ten aanzien van de klacht dat het te lang duurde voordat een gesprek met de hoofdinspecteur plaatsvond.

Onderzoek

Op oktober 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van Stichting Meiling te Leidschendam, met een klacht over een gedraging van de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg te Utrecht.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister voor Jeugd en Gezin, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werden de minister voor Jeugd en Gezin en de betrokken hoofdinspecteur verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg deelde mee zich te kunnen vinden in de reactie van de minister voor Jeugd en Gezin op het verslag van bevindingen en hieraan niets te willen toevoegen.

De reactie van de minister gaf, in tegenstelling tot die van verzoekster, aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

Het rapport van de Inspectie Jeugdzorg, oktober 2007;

Uitzendingen van Netwerk en het NOS Journaal van 7 november 2007;

De brief van verzoekster aan de minister van Justitie, 12 november 2007;

De brief van verzoekster aan de Directeur Inspectie Jeugdzorg, 24 november 2007;

De brief van de hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg, 5 juni 2008;

De brief van verzoekster aan de Nationale ombudsman, oktober 2008;

De brief van de hoofdinspecteur aan de Nationale ombudsman, 29 januari 2009;

De reactie van de minister voor Jeugd en Gezin, 6 februari 2009;

De reactie van verzoekster, 25 maart 2009.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Transcript van de uitzendingen van Netwerk en het NOS Journaal op 7 november 2007.

Het actualiteitenprogramma Netwerk zond op 7 november 2007 een reportage uit waarin een gedeelte van de eerder op die dag gepresenteerde persconferentie werd weergegeven. Hierin meldde de hoofdinspecteur het volgende:

"Onze conclusie is dat de werkwijze van Meiling niet voldoende professioneel is geweest."

"Het Haags Adoptieverdrag, waar de heer Oosting naar verwees, zegt dat er ouders gezocht moeten worden bij een kind en niet andersom. En de praktijk is eigenlijk dat het omgekeerd gebeurt. En daarmee is er dus niet in het belang van het kind gehandeld."

"De Indiase overheid heeft inspecties gehouden die behoorlijk negatief waren voor dat kindertehuis, maar dat was niet bij Meiling bekend. Dus het doorvragen hoe zit het nou met de kwaliteit van dat tehuis, dat is niet gebeurd."

Vervolgens werd de hoofdinspecteur geïnterviewd door een verslaggever van Netwerk. De hoofdinspecteur gaf het volgende aan:

"Wij waren dan ook erg geschokt toen we deze inspectierapporten zagen en ook zeer geschokt om te zien en te horen dat Meiling hier niets van af wist."

(Een "voiceover" vermeldde vervolgens dat "de Indiase inspectierapporten, die Meiling nooit gezien zou hebben, alarmerend zijn en wijzen zelfs in de richting van kidnapping van meerdere kinderen". De verslaggever van Netwerk: "kinderen die fysiek aanwezig zijn, niet op lijsten staan en andersom. Zijn dat eigenlijk niet al signalen van hé misschien zijn deze kinderen al op een oneigenlijke manier hier gekomen?" Hierop antwoordde de hoofdinspecteur:

"Het zijn zeer zorgelijke signalen waar dit kan leiden tot die conclusie."

(Verslaggever: "dus kidnapping?")

Inspecteur: "Wellicht, het is niet uit te sluiten."

Tijdens het Journaal van 7 november 2007 werd de hoofdinspecteur geïnterviewd. In dit gesprek bracht de inspecteur het volgende naar voren:

"Het blijven amateurorganisaties, dus het is maar de vraag of het ze lukt. Maar ik denk, laten we ze een kans geven en kijken hè. Dat gaan we nu nauwlettend volgen of het inderdaad professioneler wordt en als dat niet het geval is, dan zal de minister daar weer een uitspraak over moeten doen."

(De verslaggever vervolgens: '"ze een kans geven? Het gaat hier over mensenlevens he?" De inspecteur meldde hierop:

"Ja, maar nogmaals, het is een politiek besluit of je het met vrijwilligers eh vrijwilligersorganisaties doet of met professionele, betaalde krachten. En wij als inspectie volgen in deze zin het politieke besluit."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/294