2009/292

Instantie: Regiopolitie Gelderland Zuid

Klacht: Gedurende de nacht in een politiecel ingesloten terwijl het politieonderzoek reeds vóór 22.00 uur was afgerond; bij Bureau Jeugdzorg een zorgmelding met betrekking tot verzoeksters minderjarige dochter gedaan; dochter gedurende enige tijd in een politiecel geplaatst.
Oordeel: niet gegrond

Verzoekster en haar ex-partner werden rond 19.30 uur in een supermarkt aangehouden op verdenking van winkeldiefstal en overgebracht naar het politiebureau. Hun jong minderjarige dochter was bij hen en werd ook meegenomen naar het politiebureau. Op uitdrukkelijk verzoek van moeder en dochter werd het meisje bij haar moeder in een ophoudcel ingesloten. Na het verhoor van verzoekster en Ho. werd besloten dat zij de nacht op het politiebureau moesten blijven omdat de politie de volgende ochtend nog nader onderzoek wilde doen. In overleg met verzoekster werd haar buurvrouw bereid gevonden om het meisje voor de nacht op te vangen. Het nadere onderzoek leverde geen aanvullende informatie op en verzoekster en Ho. werden met een dagvaarding heengezonden. Later werd de zaak tegen verzoekster geseponeerd.

Verzoekster klaagde erover dat de politie haar voor de nacht had vastgehouden, terwijl het politieonderzoek nog diezelfde avond afgerond had kunnen worden. Ook klaagde ze erover dat de politie haar minderjarige dochter enige uren in een politiecel had ingesloten en een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg had gedaan.

De Nationale ombudsman stelt voorop dat het zeer ongewenst is dat een onschuldig jong kind een aantal uur wordt ingesloten in een politiecel. Toch was dat in dit geval het beste alternatief. Verzoekster kon in eerste instantie geen opvangmogelijkheden aangeven en gaf uitdrukkelijk te kennen dat zij haar dochter bij haar wilde houden. Dit was ook de wens van het meisje zelf. Verder was er naar het oordeel van de Nationale ombudsman sprake van een redelijke verdenking en deed de politie die avond voldoende voortvarend onderzoek naar de rol van verzoekster bij de winkeldiefstal. Daarom mocht de politie besluiten om verzoekster voor de nacht vast te houden om de volgende ochtend nader onderzoek te doen. Het was belastend voor het meisje dat zij daardoor bij de buurvrouw moest logeren, maar het betekent niet dat de politie onvoldoende oog had voor haar belangen. Er was dan ook geen sprake van schending van het behoorlijkheidvereiste dat grondrechten, in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid, moeten worden gerespecteerd.

Verder deed de politie terecht een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg, aldus de Nationale ombudsman. Het meisje was immers voor de tweede keer getuige was van de aanhouding van haar ouders op verdenking van winkeldiefstal en haar vader bleek bovendien beide keren ook daadwerkelijk schuldig te zijn aan dit strafbare feit. Dat verzoekster achteraf niet schuldig werd bevonden aan winkeldiefstal is voor de beoordeling van deze klacht niet relevant. Bij de afweging of een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg op zijn plaats is, gaat het enkel om de vraag of het zorgelijk is dat een jong minderjarig kind meerdere keren wordt geconfronteerd met zo'n situatie. De politie handelde niet in strijd met het vereiste van professionaliteit door een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg te doen.

Verzoekster klaagt over het optreden van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid bij haar aanhouding op 6 april 2007. In dit verband klaagt zij er met name over dat (een) politieambtena(a)ren van voormeld politiekorps:

1. haar gedurende de nacht in een politiecel hebben ingesloten terwijl het politieonderzoek reeds vóór 22.00 uur was afgerond;

2. bij Bureau Jeugdzorg een zorgmelding met betrekking tot haar minderjarige dochter heeft gedaan;

3. de dochter van verzoekster gedurende enige tijd in een politiecel hebben geplaatst.

Beoordeling

Algemeen

1. Op vrijdagavond 6 april 2007 omstreeks 19 uur bevond verzoekster zich met haar negenjarige dochter R. en Ho., de vader van R., in een supermarkt te N.

2. Politieambtenaar S. van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid, buiten dienst en in burger, deed op dat moment in dezelfde winkel boodschappen. De aandacht van S. werd getrokken toen hij verzoekster en Ho. dicht naast elkaar bij een schap zag staan. Volgens S. haalden zij een voorwerp uit hun boodschappenmandje, waarna de jas van Ho. heen en weer ging en de armen van verzoekster in de richting van de jas van Ho. bewogen. Toen verzoekster en Ho. van elkaar wegliepen zag S. het betreffende voorwerp niet meer in het boodschappenmandje van Ho. liggen. Daarna zag S. dat verzoekster en Ho. eenzelfde handeling elders in de winkel verrichtten. S. kreeg daardoor de indruk dat Ho. en verzoekster zich schuldig maakten aan winkeldiefstal. Nadat Ho. aan de kassa enkele goederen had afgerekend en met verzoekster en dochter R. de winkel wilde verlaten, seinde S. het winkelpersoneel in. Bij de uitgang werden verzoekster en Ho. door winkelpersoneel aangesproken en meegenomen naar een aparte ruimte in de supermarkt. Daar werd in de zakken van de jas van Ho. voor € 33,98 aan levensmiddelen aangetroffen. S. waarschuwde telefonisch de politie.

3. Politieambtenaren W. en R. kwamen ter plaatse en hielden verzoekster en Ho. aan op verdenking van diefstal. Verzoekster en Ho. werden, samen met hun dochter R., meegenomen naar het politiebureau, waar zij om 19.35 uur aankwamen. Ho. werd om 19.50 uur voorgeleid aan hulpofficier van justitie V., verzoekster omstreeks 20.03 uur. Na haar voorgeleiding werd verzoekster in verband met haar claustrofobie ingesloten in een cel met traliedeur. Dochter R. werd bij haar ingesloten.

Omstreeks 20.21 uur werd de aangifte namens de supermarkt opgenomen. Rond 21.27 uur werd verzoekster verhoord door betrokken ambtenaar O. Verzoekster gaf aan niet bij de diefstal van de goederen door Ho. betrokken te zijn geweest. Ho. werd eveneens verhoord en bekende de diefstal. Hij verklaarde dat verzoekster niets van de diefstal af wist. Na hun verhoor werden verzoekster en Ho. opnieuw ingesloten. Dochter R. werd opnieuw bij haar moeder ingesloten.

4. Door hulpofficier van justitie V. werd besloten dat verzoekster de nacht op het politiebureau moest doorbrengen. Na overleg met verzoekster probeerde de politie contact te leggen met de buren van verzoekster om hen te vragen of R. de nacht bij hen zou kunnen doorbrengen. Dit kostte enige tijd omdat de buren de telefoon niet opnamen. Er werd een politieauto naar de buren gestuurd. Omstreeks 23.45 uur werd dochter R. opgehaald door de buurvrouw van verzoekster.

5. Zaterdagochtend 7 april 2007 belde betrokken ambtenaar O. naar de supermarkt om te vragen naar eventuele getuigen en camerabeelden. Er bleken geen getuigen of camerabeelden te zijn. Verzoekster en Ho. werden niet nader verhoord. Omstreeks 10.50 uur werden zij heengezonden met een dagvaarding voor de zitting van 19 juli 2007 van de politierechter in Arnhem.

6. Op 11 april 2007 belde betrokken ambtenaar O. naar de Raad voor de Kinderbescherming en werd doorverwezen naar het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het AMK verwees O. door naar Bureau Jeugdzorg. Betrokken ambtenaar O. sprak vervolgens met haar collega D. over haar zorgen over het welzijn van R., omdat uit het BPS bleek dat dochter R. al eerder aanwezig was bij een aanhouding van verzoekster en Ho. wegens verdenking van winkeldiefstal.

Op 20 april 2007 deed betrokken ambtenaar D. als senior project-agent Jeugd een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg inzake dochter R.

7. Op 19 juli 2007 sprak de politierechter te Arnhem verzoekster vrij van de verdenking van (medeplichtigheid aan) winkeldiefstal. Ho. kreeg een schikkingsvoorstel, aldus verzoekster.

8. Bij brief van 20 augustus 2007 diende verzoekster een klacht in bij het regionale politiekorps Gelderland-Zuid. Zij klaagde over het feit dat zij een nacht in de cel had moeten doorbrengen terwijl het politieonderzoek naar de winkeldiefstal al voor 22.00 uur afgerond had kunnen zijn, waardoor zij genoodzaakt was haar dochter R. voor de nacht onder te brengen bij haar buren, het feit dat R. een aantal uur bij haar in de cel was ingesloten en het feit dat de politie ten onrechte een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg had gedaan.

9. De korpsbeheerder verklaarde de klacht op 10 april 2008, overeenkomstig het advies van 10 maart 2008 van de Klachtencommissie politie-optreden Politieregio Gelderland-Zuid (verder de Klachtencommissie), op drie onderdelen ongegrond.

10. Bij brief van 28 mei 2008 wendde verzoekster zich tot de Nationale ombudsman.

I. Ten aanzien van de insluiting in de cel gedurende de nacht

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt er in de eerste plaats over dat zij na haar verhoor op 6 april 2007 voor de nacht in een politiecel werd ingesloten, in afwachting van nader onderzoek op 7 april 2007. Verzoekster voerde in dit kader aan dat de politie op grond van de wet weliswaar gerechtigd is om een verdachte zes uur vast te houden voor verhoor en het doen van onderzoek, maar meende dat er in haar geval onvoldoende zwaarwegende redenen aanwezig waren om haar die nacht vast te houden. Zij stelde dat het politieonderzoek naar haar betrokkenheid bij de diefstal al voor 22.00 uur afgerond had kunnen zijn. Ze wees erop dat er in de supermarkt ook na het sluiten van de winkel voor het publiek om 22.00 uur nog personeel aanwezig was, onder andere om vakken te vullen voor het komende paasweekend. Het had volgens verzoekster dan ook in rede gelegen dat de politie nog diezelfde avond, eventueel telefonisch, navraag had gedaan bij de supermarkt of er nog andere getuigen waren. Ze achtte het niet zinvol om pas de volgende morgen te informeren naar eventuele getuigen omdat er toen zeer waarschijnlijk ander winkelpersoneel aanwezig was. Ook had de politie volgens haar al op vrijdagavond kunnen informeren naar het bestaan van eventuele camerabeelden. Er waren evenmin goede redenen om tot de volgende morgen te wachten met het maken van foto´s en het nemen van vingerafdrukken. De op zaterdagochtend uitgereikte dagvaarding had aangetekend aan haar verzonden kunnen worden, aldus verzoekster. Ze wees er tot slot nog op dat zij op zaterdagochtend niet meer werd verhoord.

Verzoekster stelde dat de politie door op deze wijze te handelen geen rekening had gehouden met het feit dat zij door haar insluiting genoodzaakt was om een logeeradres te zoeken voor haar dochter en de impact die dit alles had op haar dochter. Ook ging de politie voorbij aan haar aanbod om zich de volgende dag vrijwillig weer te melden voor eventuele nadere verhoren. Ten aanzien van de vrees van de politie dat verzoekster niet meer voor verhoor bereikbaar zou zijn indien zij vrijdagavond zou zijn heengezonden, wees verzoekster op de feit dat zij een vast woonadres had en een schoolgaand kind.

Volgens verzoekster was haar dochter R. heel bang dat zij haar moeder nooit meer terug zou zien en heeft zij daar nog steeds last van. Verzoekster stelt dat de politie met de beslissing om haar de nacht op het politiebureau vast te houden, geen dan wel onvoldoende rekening hield met het belang van haar dochter.

2. De korpsbeheerder acht de klacht op dit punt ongegrond. Hij gaf aan dat verzoekster op vrijdagavond 6 april om 20.03 werd voorgeleid aan de hulpofficier van justitie en omstreeks 21.27 uur werd verhoord. Tijdens het verhoor ontkende verzoekster de winkeldiefstal te hebben gepleegd. Bij raadpleging van het BPS trof de politie een mutatie aan uit 2001 van het regionale politiekorps Gelderland-Midden over een eerdere aanhouding van verzoekster inzake verdenking van winkeldiefstal. In die mutatie stond vermeld dat de politie vermoedde dat verzoekster haar dochter, die ook bij die aanhouding aanwezig was, als afleiding bij de winkeldiefstal gebruikte. Verder vermeldde de mutatie dat de politie bedenkingen had over de rol van verzoekster bij die winkeldiefstal. Op basis van die mutatie besloot de politie om verzoekster niet onmiddellijk na het verhoor heen te zenden maar haar langer op het politiebureau vast te houden voor nader onderzoek. De korpsbeheerder acht het onder deze omstandigheden gerechtvaardigd om de wettelijk vastgelegde zes uren voor verhoor en onderzoek te benutten, teneinde de volgende dag meer getuigen te kunnen opsporen en eventuele camerabeelden op te vragen. Met die informatie had verzoekster dan op zaterdagochtend geconfronteerd kunnen worden.

Verder stelde de korpsbeheerder dat een verdachte maar eenmaal aangehouden kan worden tenzij er nieuwe feiten bekend worden die niet eerder voorzien waren. Hij wees daarbij op artikelen 53 en 61 van het Wetboek van Strafvordering (Sv, zie Achtergrond 1.1. en 1.2.). Er zouden geen dwangmiddelen bestaan om verzoekster als onwillige verdachte te kunnen horen indien zij op vrijdagavond zou zijn heengezonden en zij zich de volgende dag niet vrijwillig zou hebben gemeld. De korpsbeheerder wees er in dit kader verder nog op dat betrokken ambtenaar O. zich niet kon herinneren dat verzoekster had aangeboden om zich de volgende dag vrijwillig weer te melden op het politiebureau als zij zich de nacht thuis mocht doorbrengen.

Voorts gaf de korpsbeheerder aan dat de politie op 7 april 2007 ook daadwerkelijk onderzoek had verricht, door bij de supermarkt na te vragen of er zich nog getuigen hadden gemeld en of er bruikbare videobeelden beschikbaar waren. Beide vragen werden echter ontkennend beantwoord. Omdat nader verhoor van verzoekster vanwege het ontbreken van nieuwe bevindingen niet nodig was, werd in overleg met de officier van justitie besloten om haar heen te zenden. Dit gebeurde om 10.50 uur.

3. Voor zover van belang voor de beoordeling van dit klachtonderdeel komt uit de aan de Nationale ombudsman toegezonden informatie nog het volgende naar voren.

3.1. In het journaal inzake het mutatie rapport, welk formulier is bedoeld voor het bijhouden van activiteiten die in een bepaalde zaak worden gedaan, werd door betrokken ambtenaar O. op 6 april 2007 genoteerd dat:

"Iom OVD V. besloten om beide VE een nachtje te laten overblijven. De dochter mocht natuurlijk niet blijven. Moeders helemaal overstuur en bleef maar vragen waarom ze niet naar huis mocht, ze zou zich morgen wel melden (…)."

3.2. Betrokken ambtenaar O. verklaarde op 24 oktober 2007 in het kader van de interne klachtbehandeling dat zij op vrijdagavond 6 april 2007 in het Bedrijfs Processen Systeem (BPS) een mutatie van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid uit 2001 had aangetroffen waarin stond vermeld dat verzoekster en Ho. waren aangehouden op verdenking van winkeldiefstal en dat hun dochter R. ook bij dat voorval aanwezig was geweest. Naar aanleiding van die informatie voerde O. overleg met hulpofficier van justitie V. Verder verklaarde O. dat zij verzoekster pas omstreeks 21.27 uur verhoorde, wegens andere werkzaamheden, zaken en verdachten en omdat de stukken toen pas compleet waren.

Voorts gaf O. aan dat zij de volgende ochtend contact had opgenomen met de supermarkt om te vragen of er zich nog getuigen hadden gemeld. Toen dit niet het geval bleek, overlegde O. met Justitie, waarna verzoekster omstreeks 10.50 uur in vrijheid werd gesteld.

3.3. Betrokken ambtenaar O. verklaarde tijdens de hoorzitting van de Klachtencommissie op 26 februari 2008 dat er was besloten om verzoekster en Ho. na verhoor de nacht op het politiebureau te laten doorbrengen, omdat het na het overleg met hulpofficier van justitie V. inmiddels zo laat was geworden dat contact met de supermarkt niet meer mogelijk was. Er konden zich nog burgers als getuige hebben gemeld en er waren misschien nog camerabeelden van de winkeldiefstal.

O. gaf verder nog aan dat zij zich niet kon herinneren dat verzoekster zou hebben aangeboden om zich de volgende dag weer op het bureau te melden als zij de nacht thuis zou mogen doorbrengen.

3.4. Betrokken ambtenaar V. verklaarde tijdens de hoorzitting van de Klachtencommissie op 26 februari 2008 dat hij in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie had besloten dat verzoekster de nacht moest doorbrengen op het politiebureau. Nader onderzoek zou mogelijk nog meer feiten en omstandigheden boven water brengen om verzoekster mee te kunnen confronteren. Om die reden wilde hij verzoekster binnen handbereik hebben. Hij verklaarde dat hij niet over dwangmiddelen beschikte om verzoekster opnieuw te kunnen verhoren als zij zich na haar heenzending op vrijdagavond de volgende dag niet vrijwillig op het politiebureau zou hebben gemeld voor verder verhoor. Verder gaf V. aan dat hij zich die bewuste vrijdagavond niet had gerealiseerd dat er wellicht ook na 22.00 uur nog personeel van de supermarkt in de winkel aanwezig zou zijn. Hij plaatste daarbij wel de kanttekening dat navraag na 22.00 uur bij de supermarkt wel uitsluitsel zou hebben gegeven over de vraag of er camerabeelden waren waarop de winkeldiefstal te zien was, maar dat er geen burgergetuigen te verwachten waren aangezien de supermarkt vanaf 22.00 uur voor het publiek gesloten was. Tot slot merkte V. op dat hij had mogen uitgaan van de betrouwbaarheid van de mutatie uit 2001 dat het om die reden gerechtvaardigd was om de zes uur voor verhoor volledig te benutten.

3.5. In het proces verbaal van verhoor van Ho. werd vermeld dat Ho. op 6 april 2007 eveneens omstreeks 21.30 uur werd verhoord.

4. Bij brief van 4 december 2009 gaf verzoekster aan dat zij en dochter R. in 2001 weliswaar aanwezig maar niet betrokken waren bij de winkeldiefstal die toen door Ho. werd gepleegd. Verzoekster wees erop dat die zaak tegen haar daarom werd geseponeerd.

Beoordeling

5. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op persoonlijke vrijheid is gewaarborgd in verdragen en de Grondwet. In de wet is geregeld in welke gevallen de overheid een burger zijn vrijheid mag ontnemen.

In dit verband bepaalt artikel 61, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (zie Achtergrond, onder 1.2.) dat een verdachte niet langer dan zes uren voor onderzoek mag worden opgehouden, met dien verstande dat niet wordt meegerekend de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens. Ophouden voor onderzoek houdt niet alleen in ophouden voor verhoor, maar betreft ook de tijd waarin nader onderzoek wordt verricht, getuigen worden gehoord, antecedenten worden nagetrokken om deze eventueel in een nader verhoor aan de orde te kunnen stellen, alsmede voor het nemen van de beslissing of de verdachte kan worden heengezonden, dan wel in verzekering moet worden gesteld of voorgeleid aan de rechter-commissaris. Ook de tijd die gemoeid is met het opstellen van een proces-verbaal van verhoor van de verdachte kan onder "ophouden voor onderzoek" worden begrepen.

Sinds 1 november 2005 valt het in persoon uitreiken van gerechtelijke mededelingen eveneens onder het onderzoeksbelang. Wanneer dat echter nog het enige belang is, dat met de vrijheidsbeneming gediend wordt, maant lid 9 tot extra spoed (Tekst en Commentaar Strafvordering, zie Achtergrond, onder 1.3.).

6. Het staat vast dat verzoekster op 6 april 2007 na haar voorgeleiding om 20.03 uur omstreeks 21.27 uur is verhoord door betrokken ambtenaar O. O. voerde daarna met hulpofficier van justitie V. overleg, onder andere over de mutatie uit 2001 die O. in het BPS had aangetroffen en de verklaringen van verzoekster en Ho. Uit de stukken komt verder naar voren dat er op zaterdagochtend 7 april 2007 door de politie verschillende (onderzoeks)handelingen werden verricht. Naast het afnemen van vingerafdrukken, deed betrokken ambtenaar O. bij de supermarkt navraag naar eventuele camerabeelden en/of getuigen. Toen deze niet beschikbaar bleken te zijn, werd door O. overlegd met Justitie. Na overhandiging van een dagvaarding werd verzoekster vervolgens om 10.50 uur heengezonden. Zij is daardoor niet langer dan zes uren - uitgezonderd de uren in de nacht - vastgehouden. In zoverre handelde de politie niet in strijd met het recht op persoonlijke vrijheid.

7. Verzoekster werpt echter de vraag op of de politie zich niet meer had moeten inspannen om het onderzoek naar haar vermeende medeplichtigheid aan de winkeldiefstal op vrijdagavond af te ronden door nog diezelfde avond bij de supermarkt navraag te doen. Zij had dan vrijdagavond nog heengezonden kunnen worden, waardoor haar dochter R. niet bij de buurvrouw had hoeven te logeren. Door haar de nacht op het politiebureau vast te houden, hield de politie onvoldoende rekening met het belang van haar dochter, aldus verzoekster. R. was volgens verzoekster heel bang dat zij haar moeder nooit meer terug zou zien.

8. De Nationale ombudsman stelt voorop dat het een onwenselijke situatie is dat een niet verdacht, minderjarig kind enige tijd op een politiebureau moet doorbrengen. De Nationale ombudsman kan zich goed voorstellen dat de situatie voor R., die toen negen jaar was, beangstigend was en dat het voor haar moeilijk was om haar moeder te moeten achterlaten op het politiebureau.

9. De Nationale ombudsman is echter van oordeel dat de politie op dit punt desondanks geen verwijt valt te maken. Hij overweegt daartoe het volgende.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de betrokken politieambtenaren vrijdagavond voldoende voortvarend onderzoek deden naar de vraag of verzoekster betrokken was bij de winkeldiefstal. De Nationale ombudsman houdt bij de beoordeling van dit soort klachten rekening met het feit dat (administratieve) handelingen inzake de voorgeleiding en insluiting van een verdachte alsmede het verrichten van onderzoek nu eenmaal enige tijd in beslag nemen.

Na het verhoor van verzoekster had hulpofficier van justitie V. overleg met betrokken ambtenaar O. Dit was kort voor 22.00 uur. Zijn veronderstelling dat er na die tijd geen winkelpersoneel meer in de supermarkt zou zijn, was achteraf gezien misschien niet juist. Deze veronderstelling was naar het oordeel van de Nationale ombudsman echter niet zodanig onbegrijpelijk dat er sprake is van nalatigheid aan de kant van V.

10. Verder overweegt de Nationale ombudsman dat de politie voldoende reden had om nader onderzoek te willen verrichten. De Nationale ombudsman wijst daarbij op de getuigenverklaring van politieambtenaar S., het feit dat er bij Ho. gestolen goederen waren aangetroffen en dat hij bekend had de winkeldiefstal te hebben gepleegd terwijl hij samen met verzoekster en R. boodschappen deed, alsmede de mutatie over een soortgelijke situatie in 2001. De Nationale ombudsman stelt ten aanzien van die mutatie dat de politie in beginsel mag uitgaan van de juistheid van gegevens in de politiesystemen.

Gelet op het voorgaande is er geen reden voor kritiek op de beslissing van V. om verzoekster voor de nacht vast te houden, om haar de volgende morgen met eventuele nieuwe informatie uit het nadere onderzoek te kunnen confronteren. Dat het doen van navraag bij de supermarkt uiteindelijk geen nieuwe informatie opleverde, doet daar niet aan af.

11. De Nationale ombudsman acht het voldoende aannemelijk dat verzoekster vrijdagavond had aangeboden om zich de volgende dag vrijwillig weer te melden voor eventuele nadere verhoren. Van belang in dit verband is hetgeen door betrokken ambtenaar O. op 6 april 2007 in het journaal werd vermeld. Dat de politie aan dit aanbod voorbij ging, is echter niet onjuist. De politie verklaarde immers niet over dwangmiddelen te beschikken om verzoekster toch te kunnen verhoren als zij zich niet vrijwillig voor verhoor zou hebben gemeld. Het kon niet van de politie worden verwacht dat zij dat risico zou nemen.

12. Alles overziend oordeelt de Nationale ombudsman dat de politie het belang van dochter R. niet boven het onderzoeksbelang had hoeven te stellen, hoe vervelend het ook voor R. was om haar moeder achter te moeten laten. Door in overleg met verzoekster opvang voor R. te organiseren, had de politie binnen de gegeven omstandigheden voldoende oog voor haar welzijn.

Dat verzoekster zich geneerde dat zij haar buurvrouw om hulp moest vragen en die daardoor op de hoogte kwam van het feit dat verzoekster was aangehouden, is te begrijpen maar voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant. Anders dan zij stelde, heeft de Nationale ombudsman geen reden om aan te nemen dat de politie verzoekster om andere redenen voor de nacht heeft ingesloten dan het doen van nader onderzoek.

Het behoorlijkheidsvereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd, in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid, is niet geschonden door de beslissing om verzoekster gedurende de nacht in te sluiten. De onderzochte gedraging is behoorlijk.

II. Ten aanzien van de zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg

Bevindingen

1. Daarnaast klaagt verzoekster erover dat de politie bij Bureau Jeugdzorg een zorgmelding deed. Ze wijst de suggestie van de politie dat zij haar dochter gebruikte als afleiding om winkeldiefstal te kunnen plegen met Ho. ten stelligste van de hand. De politie betrok volgens haar ten onrechte de mutatie uit 2001 van het regionale politiekorps Gelderland-Midden bij de onderhavige zaak. In 2001 was haar dochter R. weliswaar ook aanwezig toen verzoekster en Ho. werden aangehouden wegens verdenking van winkeldiefstal, maar ook toen had zij niets met de winkeldiefstal te maken. Die zaak tegen haar werd dan ook geseponeerd. Dat de basisschool van R. naar aanleiding van de zorgmelding ook op de hoogte kwam van de aanhouding, werd door verzoekster ervaren als een inbreuk op haar privacy en die van haar dochter.

2. De korpsbeheerder acht dit klachtonderdeel ongegrond. Hij stelde daartoe dat de politie zich zorgen maakte over het welzijn van R. omdat uit de bedoelde mutatie van het regionale politiekorps Gelderland-Midden uit 2001 viel op te maken dat R. al eerder aanwezig was bij een aanhouding van haar moeder. In die mutatie was bovendien melding gemaakt van het vermoeden van de betreffende politieambtenaren uit A. dat het meisje bij de diefstal werd gebruikt om het winkelpersoneel af te leiden. Deze politieambtenaren meldden hun zorgen over het welzijn van R. toen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Deze deed onderzoek naar het gezin en sloot het dossier van R. in 2005. Ook de Raad voor de Kinderbescherming Utrecht stelde in 2003 een onderzoek in.

De korpsbeheerder stelde dat deze omstandigheden voor betrokken ambtenaar O. voldoende aanleiding gaven om contact op te nemen met de Raad voor de Kinderbescherming. O. had verzoekster tijdens haar verhoor op 6 april 2007 al medegedeeld dat zij de situatie van R. zorgelijk vond en dat zij voornemens was de Raad dan wel Bureau Jeugdzorg op de hoogte te stellen van de situatie.

Na overleg tussen O. en betrokken ambtenaar D., deed D. in haar hoedanigheid van senior projectagent-Jeugd vervolgens een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg. Omdat haar collega O. verzoekster al tijdens het verhoor over dit voornemen had geïnformeerd, deed D. niet nogmaals hiervan melding aan verzoekster. Dit is de reden dat op het zorgmeldingsformulier vermeld staat dat het doen van de zorgmelding niet aan verzoekster is medegedeeld door D. zelf.

De korpsbeheerder verwees voor de procedure rondom het doen van een zorgmelding naar twee documenten inzake het Visiedocument en werkproces vroegsignaleren en doorverwijzen van de politie (zie ook onder 5.5) en stelde dat de betrokken politieambtenaren conform dit beleid handelden. De politie ontving een zogenoemd zorgsignaal over R. en signaleerde vervolgens een zorgelijke situatie zoals bedoeld in het genoemde beleidsstuk. Op grond daarvan informeerde de politie Bureau Jeugdzorg over de situatie.

Tot slot stelde de korpsbeheerder dat de basisschool van R. niet door de politie op de hoogte werd gebracht van de aanhouding van verzoekster. Betrokken ambtenaar D. had weliswaar bij de leerplichtambtenaar nagevraagd op welke school R. zat, omdat dit op het zorgformulier moet worden aangegeven, maar een medewerker van Bureau Jeugdzorg deelde haar daarna mee dat hij contact zou opnemen met de school van R.

3. Betrokken ambtenaar O. verklaarde op 26 februari 2008 in het kader van de hoorzitting van de Klachtencommissie dat haar opmerkingen in haar mutatie over de aanhouding van verzoekster in 2001 rechtstreeks uit BPS waren overgenomen. Deze informatie tezamen met de gebeurtenissen op 6 april 2007 brachten O. ertoe om haar zorgen over het welzijn van R. te uiten. O. stelde verzoekster, toen zij nog op het politiebureau was, al op de hoogte van haar voornemen om een zorgmelding te doen. Verder verklaarde O. tegenover de Klachtencommissie haar handelwijze geenszins te betreuren.

4. Betrokken ambtenaar D. verklaarde op 26 februari 2008 in het kader van de hoorzitting van de Klachtencommissie dat zij de zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg deed, omdat zij zich zorgen maakte over R. toen bleek dat dit niet de eerste keer was dat R. door haar moeder in een dergelijke situatie was gebracht. Dochters horen niet bij hun moeder in de cel, aldus D. Verder verklaarde D. dat niet zij, maar Bureau Jeugdzorg de basisschool van R. op de hoogte stelde van het voorval op 6 april 2007.

5. Voor zover van belang voor de beoordeling van dit klachtonderdeel komt uit de aan de Nationale ombudsman toegezonden informatie het volgende naar voren.

5.1. In het proces-verbaal van verhoor van verzoekster werd door betrokken politieambtenaar O. als verklaring van verzoekster genoteerd:

"U vraagt mij of ik vaker in aanraking ben geweest met de politie. Ja, ik ben eerder aangehouden omdat Ho. een winkeldiefstal had gepleegd en ik er bij was.

(...)

U zegt mij dat u het kwalijk vindt dat mijn dochter hierbij betrokken is. Dat vind ik zelf ook. Ik doe er alles aan om het te voorkomen dat mijn dochter in deze situatie komt. Om de relatie te verbreken dat vind ik ook weer zoiets, hij heeft ook zijn goede kanten, maar ik begrijp dat het niet wenselijk is dat mijn dochter hier bij de politie zit en hiermee in aanraking komt."

5.2. In het journaal schreef betrokken ambtenaar O. op 11 april 2007:

"Dossier opgemaakt. Naar Raad voor de Kinderbescherming gebeld, welke mij doorwezen naar AMK, welke mij doorwezen naar Jeugdzorg… Maar eigenlijk moest het via jeugdcoördinator… Dus mail gestuurd naar D. met daarin dat het zorgelijk is dat de dochter van het setje vaker meegaat op winkeldiefstal-pad."

5.3. In de mutatie van 16 april 2007 werd door betrokken ambtenaar D. vermeld:

"Door mij zal voor het meisje R. een zorgmelding worden gemaakt en richting jeugdzorg gestuurd worden. Ouders zijn aangehouden geweest voor winkeldiefstal en hadden tijdens het plegen van de diefstal hun dochter bij zich. Mogelijk gebruiken zij deze dochter als afleiding tijdens hun diefstallen. Dat vermoeden was er ook al eerder."

5.4. In de zorgmelding van 20 april 2007 aan Bureau Jeugdzorg Nijmegen schreef betrokken ambtenaar D.:

"Vorige week op 6 april 2007 zijn de ouders van R. aangehouden voor winkeldiefstal. R. was daarbij aanwezig en heeft ook even in de cel gezeten omdat moeder niet wilde dat R. tijdelijk ergens anders werd ondergebracht. (...)

In ons politiesysteem zag ik in 2001 dat de ouders ook al een keer waren aangehouden voor winkeldiefstal en ook toen hadden ze R. bij zich tijdens de diefstal. Dat is toen gemeld aan de Raad voor de Kinderbescherming en deze hebben toen onderzoek gedaan. Ik heb vandaag contact opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming en zij hebben deze zaak afgesloten in 2005. Ook in 2003 is er nog een onderzoek door de Raad te Utrecht gedaan in verband met een soortgelijk incident.

In onze systemen bleek dat vader en moeder in meerdere regio's voorkomen ter zake winkeldiefstal en dat dochter R. hier al vaker bij betrokken was.

Wij maken ons zorgen omtrent de situatie rondom R. en we zijn bang dat ze vaker mis/gebruikt wordt door haar ouders bij dit soort feiten. Tevens leek het erop dat ze hun dochter wilden misbruiken voor het feit dat ze dan eerder het politiebureau konden verlaten.

R. zelf komt verder bij ons in de systemen niet voor.

Ik heb bij leerplicht geïnformeerd waar R. op school zit en dat is …."

5.5. In het Visiedocument en werkproces "Vroegsignaleren en doorverwijzen" van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid staat vermeld:

"Een zorgelijke situatie is het ontvangen van een signaal dat een kind gedrag vertoont of zich in een leefklimaat bevindt, dat algemeen in onze maatschappij als "niet normaal" en/of "ongezond" beoordeeld wordt. Zorgsignalen kunnen betrekking hebben op de persoon van het kind zelf, het gezin waarin het kind opgroeit, vrienden waarmee het omgaat, het gedrag op school of in de openbare ruimte. (...)

Vroegsignaleren is het door de politie onderzoeken van de aard van een haar ter kennis gekomen zorgelijke situatie rondom een kind en het maken van een inschatting van de ernst daarvan. (…)

Elke politiefunctionaris heeft een signaleringsfunctie. Hij ziet, hoort of leest dingen waarvan hij vindt dat ze "niet normaal" zijn. Dit soort momenten dient hij niet te negeren, maar te onderzoeken. Geen diepgravend onderzoek, maar een globale verkenning van de situatie om een eerste inschatting te kunnen maken en of er sprake is van terechte zorg.

Met de beantwoording van die vraag wordt ook een eerste inschatting gemaakt van beschermende en risicofactoren in het leven van een kind. Dit kan gebeuren door het raadplegen van de politieregistratiesystemen, overleg met een "gespecialiseerde" en/of meer ter zake kundige collega, overleg met derden en/of betrokken(en) zelf.

Indien geconcludeerd kan worden dat het redelijk is om aan te nemen dat er sprake is van terechte zorg, onderneemt de politie vervolgstappen. (…)

Wanneer het kind en/of zijn ouders het probleem wel (h)erkennen, maar geen hulp willen - om wat voor reden dan ook - kan het proces (voorlopig) voor de politie eindigen met het vastleggen van de resultaten van het gesprek in het bedrijfsprocessensysteem. Als de politie zich echter ernstige zorgen maakt/blijft maken over de ontwikkeling van het kind en de betrokkenen hulp (blijven) weigeren, vertelt de politiefunctionaris dat hij de taak heeft om stappen te ondernemen en dat hij een professionele organisatie zal inschakelen om de situatie te beoordelen. Hij informeert schriftelijk het Bureau Jeugdzorg."

6. Bij brief van 4 december 2009 gaf verzoekster aan dat haar aanhouding vanwege verdenking van winkeldiefstal in 2001 niet de aanleiding was voor het onderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming toen deed. Dat onderzoek werd in 2001 afgerond en niet in 2005, zoals door betrokken ambtenaar D. werd gesteld.

Beoordeling

7. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit vereiste impliceert dat bestuurorganen deskundig en objectief dienen te handelen en hun beslissingen dienen te baseren op voldoende en afgewogen informatie.

8. De Nationale ombudsman komt tot de conclusie dat uit het politieonderzoek voldoende relevante informatie naar voren kwam om de zorg voor de dochter te rechtvaardigen. Zo bleek dat verzoekster en Ho. niet alleen op 6 april 2007 maar al eerder, in 2001, wegens verdenking van winkeldiefstal waren aangehouden. Ook toen was R. getuige van hun aanhouding en werd zij met haar ouders meegenomen naar het politiebureau. Dat verzoekster, anders dan Ho., na haar aanhoudingen in 2001 en 2007 niet schuldig werd bevonden aan winkeldiefstal, doet in dit verband niet ter zake. Relevant voor de beoordeling van dit klachtonderdeel is enkel de vraag of het zorgelijk is dat een jong minderjarig kind meerdere keren getuige is van de aanhouding van haar ouders en in vervolg daarop enige tijd op een politiebureau moet doorbrengen.

9. Nu door verzoekster wordt erkend dat R. twee keer aanwezig was bij een aanhouding van haar ouders en daardoor enige tijd - ingesloten - op het politiebureau moest verblijven en er daarnaast bovendien vaststaat dat Ho., de vader van R., zich toen wel schuldig had gemaakt aan winkeldiefstal, oordeelt de Nationale ombudsman dat er voldoende aanleiding was om de situatie als zorgwekkend te bestempelen. Betrokken ambtenaar D., die als senior projectagent ervaring had op het aandachtsgebied Jeugd, besloot dan ook terecht om Bureau Jeugdzorg in te lichten. Zij handelde daarmee niet in strijd met het vereiste van professionaliteit.

10. De Nationale ombudsman merkt verder het volgende op met betrekking tot het punt dat de politie volgens verzoekster ten onrechte in een mutatie het vermoeden uitte dat R. mogelijk als afleiding bij de winkeldiefstallen werd gebruikt. Het BPS is een intern informatiesysteem waarin door de politie allerlei soorten informatie wordt verzameld. Dit betreft niet alleen vaststaande feiten, maar ook vermoedens die van belang kunnen zijn bij (toekomstige) opsporingsonderzoeken. De Nationale ombudsman ziet dan ook geen aanleiding om de bedoelde mutatie als onbehoorlijk te bestempelen.

11. Tot slot merkt de Nationale ombudsman op dat de politie ook niet kan worden verweten dat de school van R. door de zorgmelding ook op de hoogte kwam van de aanhouding. Bureau Jeugdzorg heeft een eigen verantwoordelijkheid om te handelen naar aanleiding van een zorgmelding en is daarop aanspreekbaar.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

III. Ten aanzien van het plaatsen van de dochter in een politiecel

1. Tot slot klaagt verzoekster erover dat de politie haar negenjarige dochter R. een aantal uur bij haar in de politiecel plaatste. Ze kon zich niet vinden in de bewering van de politie dat er vanaf het moment dat verzoekster was aangehouden, aandacht werd besteed aan goede zorg voor R. Dat R. enige tijd bij haar moeder in de cel werd geplaatst, was niet in het belang van het kind, aldus verzoekster. Dat R. later op de avond haar moeder in de cel moest achterlaten omdat zij bij de buren ging logeren, was zeer traumatiserend voor het meisje. Volgens verzoekster was haar dochter doodsbang dat zij haar moeder nooit meer zou terugzien.

Verzoekster stelde dat de politie de tijd die werd besteed aan het vinden van onderdak voor R. beter had kunnen steken in het onderzoek naar de vermeende betrokkenheid van verzoekster bij de winkeldiefstal. Indien het onderzoek al op vrijdagavond zou zijn afgerond, had verzoekster niet de nacht op het politiebureau hoeven verblijven en had er geen onderdak voor haar dochter geregeld hoeven worden.

Verzoekster verklaarde dat zij had verzocht om haar dochter bij zich in de cel te mogen houden omdat zij en R. dat zelf graag wilden. Ook ging zij er op dat moment vanuit dat al snel duidelijk zou worden dat zij niets met de winkeldiefstal te maken had en zij samen met haar dochter weer naar huis zou kunnen gaan.

2. De korpsbeheerder acht dit klachtonderdeel niet gegrond. Hij gaf aan dat het een bijzondere en lastige situatie is wanneer een moeder wordt aangehouden die vergezeld is van een kind. Hij stelde dat de politie in dit geval binnen de beperkte mogelijkheden naar een passende oplossing had gezocht.

Omdat het de wens was van verzoekster en haar dochter om bij elkaar te blijven, liet de politie R. gedurende de avond bij haar moeder in de politiecel verblijven. De korpsbeheerder verwees in dit kader naar een mutatie waarin wordt vermeld dat verzoekster niet overtuigd kon worden van het feit dat het beter was om haar dochter niet in te laten sluiten. Ook toen was besloten dat verzoekster de nacht op het politiebureau moest doorbrengen, wilde zij haar dochter bij zich houden. De politie achtte dit echter niet wenselijk en regelde in samenspraak met verzoekster opvang voor R. Omdat het enige tijd kostte om contact te krijgen met het beoogde logeeradres, werd R. pas rond 23.45 uur opgehaald door de buren van verzoekster. De korpsbeheerder benadrukte dat ook hij dit geen wenselijke situatie vond voor R., maar achtte het niet onbehoorlijk gegeven de omstandigheden en het feit dat het insluiten van R. gedurende de avond conform de wens van verzoekster zelf was.

3. Betrokken ambtenaar O. verklaarde op 26 februari 2008 in het kader van de hoorzitting van de Klachtencommissie dat het insluiten van R. bij haar moeder gedurende de avond de wens van de ouders zelf was. Toen eenmaal was besloten dat verzoekster de nacht op het politiebureau moest blijven, werd in overleg met verzoekster opvang voor R. geregeld. Tot R. omstreeks 23.45 uur werd opgehaald, verbleef zij bij haar moeder in de cel.

4. Betrokken ambtenaar V. verklaarde op 26 februari 2008 in het kader van de hoorzitting van de Klachtencommissie dat verzoekster zelf wilde dat haar dochter ook gedurende de nacht bij haar in de cel zou verblijven. V. vond dit echter niet wenselijk en liet naar een andere opvang voor R. zoeken. Omdat het in eerste instantie niet lukte om telefonisch contact te krijgen met het beoogde opvangadres, werd een politieauto naar de buren van verzoekster gestuurd om te vragen of R. daar de nacht kon doorbrengen.

5. Voor zover van belang voor de beoordeling van dit klachtonderdeel komt uit de aan de Nationale ombudsman toegezonden informatie het volgende naar voren.

5.1. In de mutatie melding met rapportage van 6 april 2007 werd omstreeks 20.38 uur genoteerd:

"De dochter van verdachte (.., verzoekster, No) en (..) konden ze nergens onderbrengen en moest mee. Verdachte (.., verzoekster, No) niet kunnen overtuigen dat het beter is dat het kind ergens anders ondergebracht zou gaan worden."

6. De Nationale ombudsman stelde in het kader van het onderzoek op 1 september 2009 de navolgende aanvullende vraag aan de politie: "Heeft de politie Gelderland-Zuid beleid (protocol) ten aanzien van het wel of niet insluiten van niet verdachte minderjarigen, wanneer die bij de aanhouding van een verdachte ouder/verzorger aanwezig zijn en worden meegenomen naar het politiebureau?".

In reactie op die vraag liet de politie weten op dit punt geen protocol te hebben. De stelregel is dat zulke minderjarigen in beginsel niet worden ingesloten. In het geval van verzoeksters dochter werd daarvan afgeweken op uitdrukkelijk verzoek van verzoekster zelf en dan slechts voor een beperkte periode. De betrokken politieambtenaren zochten en vonden zelf opvang voor het kind. Dit is in overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze van het betrokken politiekorps.

De politie heeft daarnaast sinds een jaar of twee ook de mogelijkheid om zich te wenden tot de Dienst Spoedeisende Zorg van Bureau Jeugdzorg. Dit is overigens geen verplichting. Deze Dienst is iedere dag van de week vierentwintig uur per dag bereikbaar. Medewerkers van deze Dienst dienen binnen twee uur na een verzoek ter plaatse te komen. Gelet op de uitgestrektheid van de provincie Gelderland is die termijn ten aanzien van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid verlengd tot maximaal vier uur. De politie kan de Dienst verzoeken om de zorg voor een kind op zich te nemen dan wel over te nemen. De Dienst regelt indien nodig ook opvang voor de nacht. Deze regeling voorkomt dat de politie genoodzaakt is kinderen voor langere tijd bij hun ouders in de cel in te sluiten.

Als de buurvrouw van verzoekster zich niet bereid had getoond om R. voor de nacht op te vangen, zou waarschijnlijk de Dienst zijn ingeschakeld, aldus de politie.

Beoordeling

7. Ook dit klachtonderdeel wordt getoetst aan het behoorlijkheidvereiste dat grondrechten, in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid, worden gerespecteerd.

8. De Nationale ombudsman stelt voorop dat het in beginsel niet wenselijk is dat een niet verdacht (jong) minderjarig kind wordt ingesloten op het politiebureau. Dit betekent dat van de politie mag worden verwacht dat zij zich ervoor inspant om een dergelijke situatie te voorkomen. Bij een kind van negen jaar zal dan met name moeten worden gedacht aan het onderbrengen bij familie of vrienden.

9. Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen staat echter voldoende vast dat verzoekster in eerste instantie geen opvangmogelijkheden voor haar dochter kon aangeven en verklaarde dat zij R. het liefste bij zich hield. Dit was ook de uitdrukkelijke wens van het kind zelf.

Toen vervolgens werd besloten dat verzoekster de nacht op het politiebureau zou doorbrengen, werd in overleg met haar opnieuw gezocht naar opvang voor R. Toen het niet lukte om telefonisch contact te krijgen met het beoogde logeeradres, stuurde de politie een surveillancewagen naar de buren van verzoekster. Deze haalden R. om 23.45  uur bij het politiebureau op.

Al met al zat R. dus ruim vier uur bij haar moeder in de politiecel ingesloten. De Nationale ombudsman vindt dit geen goede situatie voor een negenjarig meisje.

10. De vraag is echter welke alternatieven de politie had, naast het insluiten van R. bij haar moeder.

Uit de reactie van de politie op de vraag of het korps beleid heeft ten aanzien van dit soort situaties, blijkt dat de politie ook de Dienst Spoedeisende Zorg van Bureau Jeugdzorg had kunnen inschakelen. Uit de verklaringen van verzoekster en de betrokken ambtenaren blijkt overigens niet dat deze optie is overwogen dan wel met verzoekster is besproken. Gelet echter op de uitgesproken wens van verzoekster en R. om bij elkaar te mogen blijven, verwacht de Nationale ombudsman niet dat dit een aanvaardbaar alternatief voor verzoekster zou zijn geweest. Dit had immers ertoe kunnen leiden dat de Dienst R. had meegenomen om zelf voor haar een slaapplaats te zoeken. De Nationale ombudsman neemt aan dat verzoekster, indien zij voor deze keuze zou zijn gesteld, de voorkeur zou hebben gegeven aan opvang door een (relatief) bekende persoon.

Het door verzoekster aangevoerde alternatief, dat zij op vrijdagavond zo snel mogelijk samen met R. heengezonden had moeten worden, acht de Nationale ombudsman niet relevant. Bij klachtonderdeel I. is immers al geoordeeld dat de politie niet onbehoorlijk handelde door verzoekster gedurende de nacht in te sluiten, nu het onderzoeksbelang dit vereiste.

11. Het behoorlijkheidvereiste dat grondrechten moeten worden gerespecteerd, in dit geval het recht op persoonlijke vrijheid, is niet geschonden door de beslissing om R. gedurende enige uren bij verzoekster in de politiecel vast te houden. Hoewel daarvoor geen wettelijke grond was, handelde de politie op een wijze waarmee de belangen van het kind in de gegeven omstandigheden en naar redelijke inschatting het meest waren gediend.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

Slotbeschouwing

Dit incident plaatst de Nationale ombudsman voor een paradoxale afweging. Het is zeer ongewenst dat een onschuldig negenjarig kind vier uur ingesloten wordt in een politiecel. Tegelijkertijd was, gelet op alle omstandigheden, deze opsluiting - samen met haar van winkeldiefstal verdachte moeder - het beste alternatief. De Nationale ombudsman is zich bewust van het feit dat wanneer dit ouderpaar met negenjarig kind bij de supermarkt terecht komt in een situatie van terechte verdenking van winkeldiefstal, dat het een voor het kind ongewenste situatie is. De politie stond vervolgens voor een aantal lastige afwegingen en heeft gegeven de kwetsbare positie van de negenjarige dochter geen onverstandige keuzes gemaakt.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid te Nijmegen, is niet gegrond.

Onderzoek

Op 5 juni 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw H. te Nijmegen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid te Nijmegen. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid (de burgemeester van de gemeente Nijmegen), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd drie betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Zij maakten daarvan geen gebruik.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Arnhem over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. Hij maakte daarvan geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen verzoekster, de korpsbeheerder en de betrokken politieambtenaren de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De korpsbeheerder en alle betrokken ambtenaren deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van verzoekster gaf aanleiding het verslag op een enkel punt aan te vullen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

1. Brief van 20 augustus 2007 van verzoekster gericht aan de politie.

2. Brief van de korpsbeheerder van 18 april 2008 waarin verzoekster wordt medegedeeld dat haar klacht ongegrond is.

3. Brief van 28 mei 2008 van verzoekster gericht aan de Nationale ombudsman.

4. Standpunt van 14 mei 2009 van de korpsbeheerder gericht aan de Nationale ombudsman.

5. Reactie van 20 juni 2009 van verzoekster op het standpunt van de korpsbeheerder van 14 mei 2009.

6. Klachtdossier van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid opgemaakt naar aanleiding van verzoeksters bij de politie ingediende klacht.

7. Reactie van 11 september 2009 van de politie op een aanvullende vraag van 1 september 2009.

8. Reactie van 4 december 2009 van verzoekster op het Verslag van Bevindingen.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Wetboek van Strafvordering

Artikel 53

"1. In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

2. In zoodanig geval is de Officier van Justitie of hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den Officier van Justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.

4. Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert dezen den aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, de artikele 156 en 157."

1.2. Artikel 61

"1. Indien de verdachte niet overeenkomstig artikel 57 in verzekering wordt gesteld, noch overeenkomstig artikel 60 voor de rechter-commissaris wordt geleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij hij op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, voor ten hoogste zes uren wordt opgehouden voor onderzoek. Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte gehoord.

2. Indien de ophouding met het oog op het vaststellen van de identiteit plaatsvindt, kan ten aanzien van een verdachte ten aanzien van wie verdenking bestaat terzake van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de in het eerste lid genoemde termijn van zes uren, op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, eenmaal met ten hoogste zes uren worden verlengd.

3. Ophouding als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats in het belang van het onderzoek, waaronder mede wordt verstaan het belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak.

4. Voor de berekening van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen wordt de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet meegerekend.

5. Het bevel tot verlenging is gedagtekend en ondertekend.

6. Het bevel geeft een korte omschrijving van het strafbare feit ten aanzien waarvan een verdenking bestaat en de feiten of omstandigheden waarop de verdenking is gegrond.

7. De verdachte wordt in het bevel met name of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

8. Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt.

9. Indien het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een mededeling over de strafzaak, wordt deze mededeling zo spoedig mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld. Het vierde lid is in dit geval niet van toepassing."

Tekst en Commentaar Strafvordering, achtste druk, inleidende opmerkingen bij artikel 61 Sv,

"1 Algemeen

Omdat verhoor niet het enige legitieme onderzoeksdoel is, spreekt het onderhavige artikel van ophouding voor onderzoek. Tijdens de ophouding kan de verdachte worden onderworpen aan onderzoeksmaatregelen als het afnemen van vingerafdrukken, de toepassing van een getuigenconfrontatie en de toepassing van een geuridentificatieproef (zie verder art. 61a.). Onder ophouding voor onderzoek wordt dan ook mee verstaan ophouding ter identificatie (lid 2). In laatstgenoemd geval kan de termijn voor ophouding eenmalig voor de duur van maximaal zes uur worden verlengd, in gevallen waarin geen voorlopige hechtenis mogelijk is. Dit bevel tot verlenging mag ook door de hulp-OvJ die zelf de verdachte heeft aangehouden worden gegeven (Kamerstukken II 1999/2000, 26 983, nr. 3, p. 25). De verdachte heeft in deze cruciale fase van het opsporingsonderzoek geen recht op bijstand van een raadsman (HR 22 november 1983, NJ 1984, 805).

Uitreiking dagvaarding

Sinds 1 november 2005 valt het in persoon uitreiken van gerechtelijke mededelingen eveneens onder het onderzoeksbelang. Wanneer dat (nog) het enige belang is, dat met de vrijheidsbeneming gediend wordt, maant lid 9 tot extra spoed.

3 OPHOUDEN VOOR VERHOOR

(...)

De tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens wordt niet meegerekend (lid 4)

De wetgever wilde voorkomen dat ten behoeve van eventuele verhoren dag en nacht (hulp-)OvJ's en andere opsporingsambtenaren paraat moeten staan. Daarom is bepaald dat de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet wordt meegerekend.

Uitzondering in lid 9

Het genoemde tijdvak telt weer wél mee voor de maximale duur van het ophouden, wanneer met het ophouden alleen nog het belang van het in persoon uitreiken van de dagvaarding (of een andere mededeling) gediend wordt."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/292