2009/291

Instantie: Officier van justitie Amsterdam

Klacht: Niet gereageerd op brief van 10 mei 2008 waarin verzoekster vraagt om een verklaring voor het politieoptreden op 10 april 2008 en waarvan zij precies beschuldigd wordt.
Oordeel: gegrond

Instantie: Regiopolitie Amsterdam-Amstelland

Klacht: Woning binnengetreden en doorzocht, terwijl er naar verzoeksters mening geen sprake was van een verdenking.
Oordeel: niet gegrond

Tijdens afwezigheid van verzoekster heeft de politie een inval gepleegd in haar woning.

Verzoekster klaagde erover dat de politie haar woning is binnengetreden en heeft doorzocht, terwijl er naar haar mening geen sprake was van een verdenking. Daarbij wees verzoekster erop dat, voor zover het haar broer betreft, hij al meer dan vijfentwintig jaar niet woonachtig is in de betrokken woning en op het moment van binnentreden in voorarrest zat.

De Nationale ombudsman stelde zich op het standpunt dat de politie voldoende moeite had ondernomen om de anonieme informatie te verifiëren en dat het door de politie verrichte onderzoek voldoende basis gaf voor een redelijk vermoeden dat er wapens en munitie in de woning van verzoekster aanwezig waren. Uit de informatie dat in de woning van verzoekster meerdere wapens en explosieven aanwezig zouden zijn, waarbij een verband werd gelegd met verzoeksters broer, en de documentatie waaruit blijkt dat de broer van verzoekster in het verleden is aangehouden ter zake van overtreding van de WWM, kon in redelijkheid worden afgeleid dat er een gerede kans bestond dat er wapens of explosieven in de woning van verzoekster aanwezig waren.

Het huisrecht was niet geschonden.

De Nationale ombudsman achtte de onderzochte gedraging "behoorlijk".

Voorts klaagde verzoekster erover dat de officier van justitie niet heeft gereageerd op haar brief van 10 mei 2008 waarin zij vraagt om een verklaring voor het politieoptreden en waarvan zij precies beschuldigd wordt.

Verzoekster klaagt erover dat politieambtenaren van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland op 10 april 2008 haar woning zijn binnengetreden en hebben doorzocht, terwijl er naar haar mening geen sprake was van een verdenking. Daarbij wijst zij erop dat, voor zover het haar broer betreft, hij al meer dan vijfentwintig jaar niet woonachtig is in de betrokken woning en op het moment van binnentreden in voorarrest zat.

Voorts klaagt verzoekster erover dat de officier van justitie niet heeft gereageerd op haar brief van 10 mei 2008 waarin zij vraagt om een verklaring voor het politieoptreden op 10 april 2008 en waarvan zij precies beschuldigd wordt.

Beoordeling

Algemeen

1. Tijdens afwezigheid van verzoekster heeft het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland op 10 april 2008 een inval gepleegd in haar woning; een vriendin van verzoekster en haar drie kinderen waren ten tijde van het binnentreden wel aanwezig in de woning.

2. Op 22 april 2008 diende verzoekster een klacht in bij het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland. Op het klachtenformulier maakte zij verder melding van schade aan een deur en kozijn.

3. In het kader van de klachtbehandeling vond op 27 mei 2008 een bemiddelingsgesprek plaats tussen verzoekster en het betrokken politiekorps. Verzoekster schreef in een brief van 1 juli 2008 gericht aan de Nationale ombudsman het volgende over dat gesprek. Haar werd tijdens dat gesprek uitgelegd dat er een melding bij de politie was binnengekomen van terroristische activiteiten en illegaal wapenbezit op haar adres en dat na onderzoek het gerechtvaardigd was om een inval bij haar te doen. De naam (… initialen broer van verzoekster, N.o.) was gevallen en het adres van verzoekster daaraan verbonden. Verzoekster had de politie gevraagd waarom de escapades van haar broer haar werden aangerekend, aangezien haar broer al vijfentwintig jaar uit huis was. Verzoekster schreef ook dat haar broer wel eens kwam logeren bij haar, maar dat dit nog niet betekende dat ze haar huis volstopte met illegale wapens. Verzoekster liet de Nationale ombudsman weten dat zij veel morele en immateriële schade had opgelopen en dat haar vertrouwen in politie en justitie een deuk had opgelopen. Het bemiddelingsgesprek met de politie had niet tot een voor verzoekster bevredigende oplossing geleid.

4. Op 24 september 2008 werd de klacht van verzoekster behandeld door de Commissie voor de politieklachten Amsterdam-Amstelland (hierna: de commissie). De commissie liet in het advies weten dat naar aanleiding van een op 10 april 2008 ontvangen anonieme melding de politie onderzoek had gedaan. De melding betrof de aanwezigheid van vuurwapens en explosieven, waaronder meerdere vuistvuurwapens, handgranaten en fosforgranaten. Bij het onderzoek werd de melding herleid tot de halfbroer van verzoekster. Deze halfbroer had op het adres van verzoekster gewoond, bleek gedetineerd en was eerder vanwege overtreding van de Wet wapens en munitie aangehouden. Het resultaat van het onderzoek vormde de aanleiding om, na voorafgaand overleg met de officier van justitie, op 10 april 2008 de woning van verzoekster te doorzoeken. Het onderzoek leverde naar het oordeel van de commissie een zekere bevestiging van de betrouwbaarheid van de tip en gaf zeker geen reden om de betrouwbaarheid van de informatie en de aard van de informatie in twijfel te trekken. Dat betekende volgens de commissie dat de politie van de juistheid van die informatie kon uitgaan. De commissie stelde zich op het standpunt dat gezien de grote maatschappelijke belangen die gemoeid zijn bij de bestrijding van ongecontroleerde aanwezigheid van wapens of munitie, het niet onredelijk was dat de politie in dit geval de woning van verzoekster had doorzocht. Het feit dat in haar woning geen verboden wapens werden aangetroffen deed daaraan niet af, aldus de commissie. De commissie adviseerde de korpsbeheerder om de klacht ongegrond te achten.

5. Op 13 november 2008 oordeelde de korpsbeheerder conform het advies van de commissie.

6. Op 30 november 2008 wendde verzoekster zich opnieuw tot de Nationale ombudsman.

I. Ten aanzien van het binnentreden

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt erover dat politieambtenaren van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland op 10 april 2008 haar woning zijn binnengetreden en hebben doorzocht, terwijl er naar haar mening geen sprake was van een verdenking. Daarbij wijst zij erop dat, voor zover het haar broer betreft, hij al meer dan vijfentwintig jaar niet woonachtig is in de betrokken woning en op het moment van binnentreden in voorarrest zat.

2. Voor zover van belang voor de beoordeling van dit klachtonderdeel komt uit de aan de Nationale ombudsman toegezonden informatie het volgende naar voren:

2.1. Uit de machtiging tot binnentreden die is verleend door een hulpofficier van justitie en dateert van 10 april 2008 blijkt, voor zover hier van belang, dat de machtiging was verleend om zonder toestemming van de bewoner de woning van verzoekster binnen te treden. De grondslag was gelegen in artikel 49 van de Wet wapens en munitie (zie Achtergrond, onder 4.) en het binnentreden diende ter inbeslagneming van meerdere vuurwapens en explosieven.

2.2. Uit het rapport van een brigadier van het betrokken politiekorps van 24 juni 2008 die bij de doorzoeking van de woning van verzoekster aanwezig is geweest, blijkt voor zover hier van belang het volgende.

"Op donderdag 10 april 2008 werd mij door de chef bureau districtsrecherche Zuid, de hoofdinspecteur van politie (… naam, N.o.) een MMA (Meld Misdaad Anoniem, N.o.) melding ter beschikking gesteld. De informatie in de melding was reeds veredeld door de afdeling Informatie Actiecentrum (IAC)/Informatieve Ondersteuning (IO) waarbij de conclusie kon worden getrokken dat deze informatie werd ondersteund door informatie die beschikbaar was in de voor de politie beschikbare systemen.

()

Aan de hand van de MMA melding en de aanvullende informatie vanuit IAC/IO is door de hoofdinspecteur van politie (… naam, N.o.), hulpofficier van justitie, op basis van artikel 49 van de Wet wapens en munitie, een machtiging tot binnentreden en doorzoeking van de woning (… adres, N.o.) afgegeven.

Tevens is door mij, gezien de mogelijke omvang van de aan te treffen wapens en explosieven en op verzoek van de inspecteur van politie (… naam, N.o.), telefonisch overleg gepleegd met de officier van justitie (… naam, N.o.) van het parket Amsterdam. Zij gaf mondeling toestemming tot het binnentreden en doorzoeken van de bewuste woning op basis van de Wet wapens en munitie.

(…)

De woning is tevens doorzocht door een explosievenexpert van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en met behulp van een (explosieven)speurhond.

In de woning werden geen voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aangetroffen. Wel werden enkele onklaar gemaakte jachtgeweren aangetroffen in de slaapkamer van de hoofdbewoonster."

2.3. Uit het rapport van een inspecteur van het betrokken politiekorps van 24 juni 2008 die bij de doorzoeking van de woning van verzoekster aanwezig is geweest, blijkt voor zover hier van belang het volgende.

"Tijdens de doorzoeking werden vier jachtwapens aangetroffen die onklaar waren gemaakt en waarvoor een jachtakte in de woning aanwezig was. Deze wapens vielen niet onder de strafbepalingen in de Wet wapens en munitie en zijn achter gebleven in de woning. Bij de doorzoeking zijn verder geen wapens en explosieven aangetroffen."

2.4. Het rapport van een inspecteur van het betrokken politiekorps van 25 juni 2008 bevat, voor zover hier van belang, de volgende informatie:

"Op donderdag 10 april 2008 werd in de mailbox van ( naam mailbox, N.o.) een melding ontvangen dat er vuurwapens in de woning aan de ( straatnaam, N.o.) zouden liggen. Een Mmelding wordt gedaan via een landelijke telefoonnummer waar men anonieme criminele feiten kan melden. Deze meldingen worden doorgezet naar betreffende politieregio.

Mmelding:

()

Datum melding: 9-4-2008

Criminaliteitsklasse: bommen/handgranaten, vuurwapens

Status: nieuw

Aanleiding melding: niet bekend/niet aangegeven

Melder heeft: reden van wetenschap niet genoemd

Melding verzonden aan: regiopolitie Amsterdam-Amstelland, AIVD, KLPD

Voorrangsprocedure: nee

Melding:

Vuurwapens/explosieven in Amsterdam. In Amsterdam aan de ( adres, N.o.) bevinden zich meerdere vuurwapens en explosieven in een bovenwoning. Het gaat om meerdere 9mm handvuurwapens, een onbekend aantal handgranaten en meerdere fosforgranaten. Op het naambordje van de woning staat de achternaam (K. naam verzoekster, N.o.) vermeld en de woning wordt bewoond door een vrouwelijk familielid van de heer ( naam, N.o.), een man van ca 50 jaar, die momenteel gedetineerd zit wegens afpersing. ( naam, N.o.) heeft in het verleden in wapens gehandeld en na zijn vrijlating op korte termijn zal hij naar alle waarschijnlijkheid weer aan de ( adres, N.o.) gaan wonen.

Onderzoek:

Door de afdeling Informatie Actie Centrum van de Dienst Regionale Recherche is een eerste administratief onderzoek in de systemen ingesteld. Uit dit onderzoek bleek dat een persoon met bijna dezelfde naam voldeed aan het in de melding genoemd profiel. Van de voornaam was een letter anders. Uit onderzoek bleek namelijk dat een persoon genaamd ( naam, N.o.) geboren op (… datum, N.o.) gedetineerd zat. De gegevens uit dit onderzoek kwamen overeen met de melding. Tevens bleek uit het door hen uitgevoerd GBA onderzoek dat deze persoon had gewoond op het adres () te Amsterdam. Op dat adres stond op moment van melding een halfzus van genoemd persoon ingeschreven. ().

Door een medewerker van de afdeling Informatieve Ondersteuning is naar aanleiding van deze melding een nader administratief onderzoek ingesteld. Hierbij zijn door deze medewerker de ter beschikking staande systemen geraadpleegd. De gevonden gegevens betreffende genoemd persoon ( naam, N.o.) konden de informatie in de Mmelding ondersteunen. Het betreft hier de bevraging in het Herkenningssysteem. Hieruit bleek dat genoemde ( naam, N.o.) eerder was aangehouden ter zake overtreding van de Wet wapens en munitie zoals ook in de melding wordt genoemd.

De gegevens uit de geraadpleegde systemen zijn ter beschikking gesteld aan de chef bureau Districtsrecherche (… naam, N.o.)."

2.5. Uit het rapport van de hoofdinspecteur van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 26 juni 2008, blijkt voor zover hier van belang het volgende. Deze hoofdinspecteur had het bemiddelingsgesprek van 27 mei 2008 met verzoekster gevoerd.

"Deze bemiddeling heeft niet geleid tot tevredenheid bij klaagster. Zij was van mening dat de politie onvoldoende informatie had verzameld en geen wettelijke bevoegdheid had om tot een doorzoeking van haar woning over te gaan. Voorts gaf zij aan dat de politie haar gewoon had kunnen benaderen en dat zij gewoon medewerking had verleend bij de doorzoeking. Zij zou nu tot het uiterste gaan om haar gelijk te halen."

3. De minister van Justitie liet in zijn brief van 29 mei 2009 aan de Nationale ombudsman weten dat zijn standpunt over dit klachtonderdeel ongewijzigd was. Daarvoor werd aangevoerd dat het binnentreden en doorzoeken van de woning mogelijk was op grond van de wettelijke voorschriften, omdat er een redelijkerwijs vermoeden was dat in de woning van verzoekster wapens of munitie aanwezig was als bedoeld in artikel 49 WWM. De beslissing tot het binnentreden en doorzoeken was volgens de minister zeer begrijpelijk, gezien de omschrijving in de melding van de grote hoeveelheid wapens en explosieven.

4. De korpsbeheerder bleef in de brief van 26 mei 2009 aan de Nationale ombudsman bij het standpunt dat de klacht ongegrond was.

Beoordeling

5. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het huisrecht vindt bescherming in verdragen en de Grondwet (zie Achtergrond, onder 1. en 2.) en houdt in dat overheidsinstanties niet zonder toestemming van de bewoner een woning mogen binnengaan en doorzoeken. Uitzonderingen hierop zijn in de wet geregeld.

6. De Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) geeft een nadere uitwerking van de grondwettelijke bepaling inzake het binnentreden van woningen. Van binnentreden is sprake als datgene plaatsvindt in de woning, waartoe de bevoegdheid tot binnentreden is verleend. De ambtenaar bevindt zich dan geheel of gedeeltelijk in de woning. Op grond van artikel 2 lid 1 van de Awbi is een schriftelijke machtiging vereist voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner (zie Achtergrond, onder 3.1.). Artikel 3 Awbi bepaalt wie bevoegd is om een machtiging te geven (zie Achtergrond, onder 3.2.). Artikel 1 lid 1 van de Awbi geeft een, overigens niet limitatieve, opsomming van wie vervolgens bevoegd zijn een woning met of zonder toestemming te betreden. Daaruit blijkt dat dit onder andere degene is die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek (zie Achtergrond, onder 3.3.).

7. In deze zaak is er een schriftelijke machtiging tot het binnentreden van de woning van verzoekster uitgegeven. Uit deze machtiging blijkt dat deze door de hulpofficier van justitie is verstrekt. Daarmee is de machtiging door een bevoegd persoon uitgegeven. Uit de machtiging blijkt ook dat deze is bestemd voor vijf met naam genoemde politieambtenaren; zij zijn uit hoofde van hun functie onder andere belast met de opsporing van strafbare feiten. Verder blijkt uit het verslag van binnentreden dat de politieambtenaren ook daadwerkelijk in de woning van verzoekster zijn geweest. Hieruit volgt dat is voldaan aan de vereisten die de Awbi stelt aan het binnentreden in een woning zonder toestemming.

8. Om te bepalen of de politieambtenaren ook bevoegd waren om de woning van verzoekster te doorzoeken, moet gekeken worden naar het doel van het binnentreden. Uit de machtiging blijkt dat dit doel een doorzoeking van de woning van verzoekster is ter inbeslagneming van meerdere vuurwapens en explosieven. De wettelijke basis daarvoor ligt in artikel 49 Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Op grond van dit artikel zijn opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd om doorzoeking te doen ter inbeslagneming, indien zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat ter plaatse wapens of munitie aanwezig zijn (zie Achtergrond, onder 4.). Onder doorzoeking in de zin van artikel 49 WWM wordt verstaan het doorzoeken van iedere plaats, ook woningen, waar wapens en munitie kunnen worden vermoed. Nadere voorwaarden, zoals bijvoorbeeld verdenking van een strafbaar feit waarop verzoekster een beroep doet, zijn niet gesteld om van de bevoegdheid van doorzoeking op grond van artikel 49 WWM gebruik te kunnen maken. Vermeld moet worden dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de ruime doorzoekingsbevoegdheid van artikel 49 WWM niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (zie Achtergrond, onder 5.).

9. Het staat vast dat de doorzoeking in verzoeksters woning is verricht naar aanleiding van een anonieme melding die bij het betrokken politiekorps is binnengekomen. Enkel op basis van deze anonieme melding is de politie een (administratief) onderzoek gestart en is besloten tot binnentreden en doorzoeking van de woning van verzoekster. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de politie voldoende moeite heeft ondernomen om de anonieme informatie te verifiëren en dat het door de politie verrichte onderzoek voldoende basis gaf voor een redelijk vermoeden dat er wapens en munitie in de woning van verzoekster aanwezig waren. Uit de informatie dat in de woning van verzoekster meerdere wapens en explosieven aanwezig zouden zijn waarbij een verband werd gelegd met verzoeksters broer, en de documentatie waaruit blijkt dat de broer van verzoekster in het verleden is aangehouden ter zake van overtreding van de WWM, kon in redelijkheid worden afgeleid dat er een gerede kans bestond dat er wapens of explosieven in de woning van verzoekster aanwezig waren. Hieraan doet niet af dat verzoeksters broer al meer dan vijfentwintig jaar niet woonachtig was in de betrokken woning en op het moment van binnentreden in voorarrest zat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat bij de doorzoeking is gehandeld in overeenstemming met artikel 49 WWM. De Nationale ombudsman oordeelt dat niet gesteld kan worden dat met de doorzoeking van de woning van verzoekster haar huisrecht onvoldoende is gerespecteerd.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

II. Ten aanzien van het niet reageren op de brief van 10 mei 2008

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt erover dat de officier van justitie niet heeft gereageerd op haar brief van 10 mei 2008 waarin zij vraagt om een verklaring voor het politieoptreden op 10 april 2008 en waarvan zij precies beschuldigd wordt.

2.1. In de brief van 10 mei 2008 schrijft verzoekster, voor zover hier van belang:

"Betreft: inval politie 10 april jongstleden

()

Tot op heden heeft u mij geen verklaring gestuurd voor deze absurde vertoning. Ik verwacht per omgaand antwoord van u."

2.2. In de brief van verzoekster gericht aan de commissie van 1 oktober 2008 schrijft verzoekster dat ze tot op dat moment nog geen reactie had ontvangen van de officier van justitie.

2.3. Op 19 februari 2009 heeft verzoekster telefonisch tegenover een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman laten weten dat zij niet begrijpt waarom zij destijds als verdachte is aangemerkt. Zij had tot op dat moment nog steeds geen verklaring daarover ontvangen van de officier van justitie, ondanks haar brieven van 10 mei en 1 oktober 2008.

3. De minister van Justitie formuleerde in de brief van 29 mei 2009 aan de Nationale ombudsman voor zover hier van belang het volgende standpunt. De officier van justitie had laten weten dat zij, naar aanleiding van de brief van 10 mei 2008, de politie om inlichtingen had gevraagd. Haar was toen meegedeeld dat de politie reeds bezig was met een bemiddelingspoging. De minister liet weten dat officier van justitie vermoedde dat ze vanwege deze mededeling van de politie de brief van 10 mei 2008 onbeantwoord had gelaten. Achteraf bezien had de officier van justitie, volgens de minister, de reden van het niet beantwoorden van de brief aan verzoekster kunnen melden. De minister achtte dit klachtonderdeel gegrond. Het was volgens de minister behoorlijk geweest verzoekster te melden dat haar brief niet of later zou worden beantwoord, vanwege de bemiddelingspoging van de politie met verzoekster.

Beoordeling

4. Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking houdt in dat bestuursorganen burgers met het oog op de behartiging van hun belangen actief en desgevraagd van adequate informatie voorzien. Deze norm behelst enerzijds de plicht om in te gaan op verzoeken van burgers om informatie, anderzijds de plicht om burgers uit eigen beweging te informeren over handelingen van de overheid die hun belangen kunnen raken.

5. Door de brief van verzoekster, waarin zij om opheldering vroeg, niet te beantwoorden heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking. Indien de officier van justitie met haar antwoord wilde wachten totdat de afloop van de bemiddelingspoging bekend was, had het op haar weg gelegen dit aan verzoekster mee te delen en navraag te doen over die afloop.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

slotbeschouwing

Artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie (WWM) biedt de meest vergaande bevoegdheid tot doorzoeking van woningen en andere plaatsen ter inbeslagneming. Een concrete verdenking van een strafbaar feit is niet vereist; het redelijkerwijs kunnen vermoeden dat er wapens of munitie aanwezig zijn is voldoende. Het is de enige wettelijke bepaling die geen voorafgaande rechterlijke toetsing van de toelaatbaarheid vergt voor het doorzoeken van woningen. In 2001 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze bepaling niettemin niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft het grote maatschappelijke belang dat gediend is met de bestrijding van ongecontroleerde aanwezigheid van wapens of munitie de doorslag gegeven.

De vraag of het huisrecht in deze zaak voldoende is gerespecteerd diende tegen deze achtergrond beoordeeld te worden. De anonieme melding dat er vuurwapens en explosieven waren in de woning van verzoekster, waarbij een verband werd gelegd met de broer van verzoekster en werd medegedeeld dat deze na afloop van zijn detentie weer in die woning zou gaan wonen, in combinatie met de antecedenten van verzoeksters broer op het gebied van de WWM en het gegeven dat hij (weliswaar jaren) eerder op het adres van verzoekster ingeschreven was geweest, gaf naar het oordeel van de Nationale ombudsman voldoende aanwijzing voor het vermoeden als bedoeld in artikel 49 WWM van de aanwezigheid van verboden wapens in verzoeksters woning. Dat verzoekster daarbij niet als verdachte gold, was niet van belang, en evenmin dat bij de doorzoeking geen verboden wapens of munitie zijn aangetroffen.

Voor verzoekster moet de doorzoeking van haar woning een ingrijpende ervaring zijn geweest, maar het belang van de opsporing van illegale wapens en munitie woog hier zwaarder dan het privacybelang van verzoekster.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland te Amsterdam is niet gegrond.

De klacht over de officier van justitie te Amsterdam is gegrond, wegens schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking.

Onderzoek

Op 2 december 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw K. te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland te Amsterdam.

Op 19 februari 2009 ontving de Nationale ombudsman telefonisch een klacht over de officier van justitie te Amsterdam.

Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland (de burgemeester van Amsterdam) respectievelijk de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder en de minister verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen korpsbeheerder, de minister en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoekster gaf daarop een reactie. Deze reactie gaf geen aanleiding het verslag van bevindingen te wijzigen. De minister van Justitie gaf eveneens een reactie. Deze reactie gaf aanleiding voor een toevoeging aan het verslag van bevindingen. De korpsbeheerder gaf geen reactie binnen de gestelde termijn.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

De machtiging tot het binnentreden in een woning van 10 april 2008.

Klachtenregistratieformulier van verzoekster gericht aan het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 22 april 2008.

Verslag van binnentreden van 19 mei 2008.

Rapport van een brigadier van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 24 juni 2008.

Rapport van een inspecteur van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 24 juni 2008.

Rapport van een inspecteur van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 25 juni 2008.

Rapport van de hoofdinspecteur van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland van 26 juni 2008.

Advies van de Commissie voor de Politieklachten Amsterdam-Amstelland van 24 september 2008 over de klacht van verzoekster.

Beslissing van de korpsbeheerder van 24 november 2008 op de klacht van verzoekster.

Verzoekschrift aan de Nationale ombudsman, ontvangen op 2 december 2008, met bijlagen.

Standpunt van de korpsbeheerder van 26 mei 2009 op de klacht van verzoekster na opening van het onderzoek door de Nationale ombudsman.

Standpunt van de minister van Justitie van 29 mei 2009 op de klacht van verzoekster na opening van het onderzoek door de Nationale ombudsman.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

2. Grondwet

Artikel 12

"1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.

2. […]

3. […]"

3. Algemene wet op het binnentreden

3.1. Artikel 2

"1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo nodig getoond.

2. […]

3. […]"

3.2. Artikel 3

"1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn:

a. de advocaat-generaal bij het gerechtshof;

b. de officier van justitie;

c. de hulpofficier van justitie.

2. […]

3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts over, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist."

3.3. Artikel 1

"1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.

2. […]

3. […]

4. […]"

4. Wet wapens en munitie

Artikel 49

"De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen."

5. HR 25 september 2001, NJ 2002, 97

"In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat het Hof, ter toetsing of de doorzoeking gerechtvaardigd was op grond van artikel 8 EVRM, heeft vastgesteld dat de doorzoeking haar grondslag vond in een wettelijke regeling, dat deze een legitiem doel diende en dat deze in een redelijke verhouding stond tot dat doel. 's Hof's daaruit getrokken conclusie dat, mede gelet op de maatschappelijke veiligheid die met de opsporing van wapens en munitie is gediend, de doorzoeking noodzakelijk was in een democratische samenleving, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel zou betogen dat artikel 8 EVRM vergt dat voor een doorzoeking steeds een rechterlijke machtiging is afgegeven, stelt het, aldus de Hoge Raad, een eis die dat artikel niet kent." (Uit: Tekst en Commentaar Strafrecht, Bijlagen, Bijlage Enige Bijzondere Wetten, Bijlage 16, § 11A Opsporing, Aantekening 1. Algemeen, Kluwer 2009)

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/291