2009/290

Instantie: Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

Klacht: Geplaatst in een voorlopig arrestantenverblijf; gefouilleerd; opvang op het politiebureau; onjuiste informatie verstrekt tijdens de klachtbehandeling; beslissing van de korpsbeheerder op de klacht.
Oordeel: gegrond

Instantie: Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond

Klacht: Autoprocedure uitgevoerd; aangehouden; overgebracht naar het politiebureau; disproportioneel geweld gebruikt; vuurwapen gericht op verzoeker; geboeid en geblinddoekt; niet gewezen op zwijg- en verschoningsrecht.
Oordeel: niet gegrond

Instantie: Arrondissementsparket te Rotterdam

Klacht: Betrokkenheid van de officier van justitie bij de keuze tot het uitvoeren van de autoprocedure door het arrestatieteam op 29 juli 2005, terwijl verzoeker, die toen dertien jaar oud was en geen verdachte was, in de auto zat.
Oordeel: niet gegrond

Verzoeker (een 13-jarige jongen) reed met vier mannen in een auto, toen deze door het AT werd klemgereden. Alle personen werden overgebracht naar het politiebureau.

Verzoeker klaagde erover dat het AT hem heeft aangehouden, althans uit de auto heeft gehaald en op het politiebureau heeft vastgezet.

Hoewel uit het proces-verbaal van aanhouding kon worden afgeleid dat ook verzoeker was aangehouden, ging de Nationale ombudsman er vanuit dat van een formele aanhouding geen sprake was. Zo was verzoeker niet voorgeleid en was hij in een voorlopig arrestantenverblijf geplaatst en niet in een reguliere cel. Bovendien hadden drie AT-leden onder ede verklaard er zeker van te zijn dat verzoeker buiten de procedure was gehouden, en dat hij dus niet was aangehouden.

De Nationale ombudsman overwoog voorts dat de indruk was ontstaan dat verzoeker met de beste bedoeling in een voorlopig arrestantenverblijf was geplaatst, maar dat hiervoor geen enkele juridische grondslag was.

Het recht op persoonlijke vrijheid was - door plaatsing in het voorlopig arrestantenverblijf - geschonden.

Verzoeker klaagde er verder over dat de politie een vuurwapen op hem had gericht. De Nationale ombudsman oordeelde dat het AT kortstondig een vuurwapen op een ieder mocht richten. De juridische basis hiervoor ontbrak in deze situatie, omdat de verdachten niet vuurwapengevaarlijk waren (het ging om personen die van het voorbereiden van een terroristische aanslag werden verdacht).

De Nationale ombudsman deed de aanbeveling om artikel 7 Ambtsinstructie in die zin uit te breiden dat vuurwapengebruik mogelijk wordt in het geval dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen.

Verzoeker had onder meer nog klachten over het toepassen van de autoprocedure, het gebruik van handboeien en blinddoek, het fouilleren en de klachtbehandeling.

Verzoeker klaagt over de betrokkenheid van de officier van justitie bij de keuze tot het uitvoeren van de autoprocedure door het arrestatieteam op 29 juli 2005, terwijl verzoeker, die toen dertien jaar oud was en geen verdachte was, in de auto zat.

Verzoeker klaagt er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond:

hebben besloten tot het uitvoeren van de autoprocedure door het arrestatieteam op 29 juli 2005, terwijl verzoeker, die geen verdachte was, in die auto zat;

hem ten onrechte hebben aangehouden, althans uit de auto hebben gehaald en dat hij in een politieauto is vervoerd naar het politiebureau en aldaar is vastgezet;

bij de arrestatie disproportioneel geweld hebben gebruikt door hem op zijn knieën te duwen en hem ten onrechte hebben geblinddoekt en geboeid;

hem tijdens het vervoer naar het bureau ten onrechte niet hebben gewezen op het zwijgrecht en het verschoningsrecht;

hem tijdens het verblijf onrechtmatig en disproportioneel hebben behandeld door verzoeker zich uit te laten kleden en hem drie uur alleen te laten wachten in een cel.

Daarnaast klaagt verzoeker erover dat de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond:

onjuiste informatie heeft verstrekt tijdens de behandeling van de klacht doordat ambtenaren van het korps tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd;

onzorgvuldig is geweest bij de behandeling van de klacht, door een feitenonderzoek, uitgevoerd door Bureau Interne Zaken, mee te nemen in het klachtoordeel zonder dat duidelijk is hoe dit onderzoek is uitgevoerd en zonder hoor en wederhoor toe te passen.

Beoordeling

Algemeen

1. Op 28 juli 2005 kwam bij het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond een anonieme melding binnen die onder meer luidde dat er de volgende dag rond 16.00 uur op een bepaald adres in Rotterdam een aantal terroristen in een woning aanwezig zou zijn. Er zou mogelijk gesproken gaan worden over aanslagen die de week erna in Nederland zouden plaatsvinden. In de woning zou één van de terreurverdachten van de aanslagen in Londen verblijven.

Nadat de politie een onderzoek naar deze melding had ingesteld, werd in samenspraak met het Openbaar Ministerie besloten de verdachten door een arrestatieteam (AT) aan te houden. Twee personen verlieten op 29 juli 2005 de betreffende woning en reden in een auto weg. Onderweg stapten nog twee mannen en verzoeker, een destijds dertienjarige jongen, in de auto. Rond 18.15 uur werd de auto door het AT klemgereden en werden de inzittenden aangehouden en/of overgebracht naar het politiebureau.

Volgens verzoeker, die door politie en justitie niet als verdachte van een strafbaar feit was aangemerkt, werden allen geboeid en geblinddoekt meegenomen naar het politiebureau, waar verzoeker zich naar zijn zeggen geheel moest ontkleden en zo'n vier uur is vastgehouden. Verzoeker werd rond 23.45 uur door zijn moeder opgehaald van het politiebureau.

2. Verzoekers advocaat diende bij brief van 28 juli 2006 een klacht in bij de politie. Verzoeker klaagde over de onrechtmatige aanhouding, het disproportionele geweldgebruik, het gebruik van een blinddoek, het niet wijzen op het zwijg- en verschoningsrecht en de behandeling op het politiebureau.

3. Bij brief van 28 juli 2006 aan het arrondissementsparket Rotterdam diende verzoekers advocaat een klacht in over de betrokken officier van justitie, die volgens verzoeker als leider van het opsporingsonderzoek had moeten voorkomen dat verzoeker werd aangehouden en dat er dwangmiddelen jegens hem waren toegepast.

4. De hoofdofficier van justitie liet bij brief van 17 november 2006 weten dat verzoeker niet in opdracht van de officier van justitie was aangehouden.

De hoofdofficier stelde verder dat de aanhouding van personen die ervan verdacht worden een terroristische aanslag voor te bereiden, in principe door een AT plaatsvindt.

Twee aan te houden verdachten waren in de betreffende auto gestapt, waarbij twee andere mannen en verzoeker zich later voegden. Om te voorkomen dat de verdachten uit het zicht verdwenen en omdat een aanhouding in een auto meer controle geeft dan in een woning of op straat, is besloten de verdachten kort daarna aan te houden door middel van de "autoprocedure", aldus de hoofdofficier. Een onderdeel hiervan is dat alle inzittenden door aanroepen en een vuurlijn met het dienstwapen onder controle worden gebracht. Alle personen worden vervolgens geboeid en geblinddoekt afgevoerd.

De hoofdofficier stelde dat verzoeker niet op zijn knieën is gedwongen, ongeboeid in het politievoertuig heeft gezeten en dat hij tijdens de rit naar het politiebureau geruststellend door een politieambtenaar is toegesproken. Op het politiebureau heeft verzoeker tijdelijk in een ophoudkamer verbleven en is hij niet van zijn kleding ontdaan. Vanaf het moment van aankomst, is geprobeerd zijn moeder te bereiken, hetgeen om 21.50 uur lukte, waarna zij verzoeker om 23.45 uur ophaalde, aldus de hoofdofficier.

De hoofdofficier stelde dat gelet op het belang van de samenleving bij een kordaat optreden tegen van terrorisme verdachte personen, de belangen van de verdachten en meereizende niet-verdachten alsmede in acht genomen een voor alle betrokkenen veilige aanhoudingsprocedure, de zaaksofficier in redelijkheid had kunnen beslissen tot de aanhouding van verdachten en gelijktijdige ophouding van verzoeker.

5.1 In het proces-verbaal van aanhouding dat op 31 juli 2005 is opgemaakt en door de verschillende AT-leden is ondertekend, staat vermeld dat op 29 juli 2005 vijf verdachten zijn aangehouden, waaronder verzoeker. Bij verzoeker staat vermeld dat hij na de aanhouding werd overgebracht naar het politiebureau Veranda en dat hij na aankomst op het politiebureau 13 jaar oud bleek te zijn. Hierop was verzoeker op last van de officier van justitie heengezonden, aldus het proces-verbaal.

5.2 Politieambtenaar Wa. (rechercheur) heeft in zijn rapport van 2 november 2006 onder meer gesteld dat hij de opdracht had gekregen om op 29 juli 2005 naar politiebureau Veranda te komen om verzoeker op te vangen.

Wa. kwam omstreeks 19.45 uur op het bureau aan, waar verzoeker gezien de werkdruk uit praktische overwegingen in een voorlopig arrestantenverblijf was geplaatst. Wa. had verzoeker meegenomen naar een aangifteruimte en daar een kort gesprek met hem gevoerd dat hoogstens 15 minuten duurde. Wa. had verzoeker gevraagd wat zijn naam was, waar hij woonde, wie zijn ouders waren en waar deze woonden, wie de mannen waren met wie hij in de auto zat en wat hij in de auto deed op dat moment. Verzoeker had de naam van zijn moeder gegeven, maar zij was niet in het bezit van een mobiele telefoon. Zijn moeder verbleef op dat moment bij kennissen in Rotterdam, wier adres verzoeker niet wist.

Dit gesprek had volgens Wa. nadrukkelijk niet de vorm van een verhoor.

Omstreeks 21.45 uur lukte het Wa. de moeder te bereiken. Nadat zij iemand had gevonden om haar naar het politiebureau te brengen, kwam zij haar zoon omstreeks 23.45 uur ophalen. In de tussenliggende periode was verzoeker de gehele tijd in het bijzijn van Wa. geweest en had Wa. hem diverse keren iets te eten en te drinken aangeboden, aldus het rapport van Wa.

5.3 In een rapport van politieambtenaar Wi. (hoofd van de eenheid Georganiseerde Criminaliteit) van 7 november 2006 staat onder meer vermeld dat verzoeker bij de actie niet was aangehouden en dus ook niet op zijn knieën was gedwongen, geboeid of geblinddoekt. Verzoeker kon niet ter plaatse achtergelaten worden en is op basis van artikel 2 Politiewet meegenomen naar het politiebureau. Tijdens het overbrengen naar het politiebureau was verzoeker geruststellend toegesproken door een AT-lid.

Dat verzoeker samen met de volwassen verdachten was opgenomen in het dossier onder de knop Aanhoudingen en Heenzendingen, was ten onrechte aan de aandacht van Wi. ontsnapt. Verzoeker had hierin niet vermeld moeten worden; in een stuk vrije tekst had moeten worden weergegeven waarom verzoeker naar het politiebureau was overgebracht, aldus de rapportage van Wi.

5.4.1 In een proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar 113, dat op 14 november 2006 is opgemaakt, staat onder meer vermeld dat op 29 juli 2005 de vijf inzittenden van een auto zijn aangehouden en dat verzoeker na de aanhouding door politieambtenaar 113 was overgebracht naar het politiebureau. In het proces-verbaal staat voorts vermeld dat verzoeker, tegen de procedure in, niet was geboeid en niet was geblinddoekt. Politieambtenaar 113 had tijdens de autorit tegen verzoeker gesproken en gezegd dat alles goed zou komen.

Om 18.25 uur waren zij op het politiebureau aangekomen en was verzoeker in een voorlopig arrestantenverblijf opgehouden. Verzoeker heeft zich niet uit hoeven kleden ten behoeve van de insluitingsfouillering. Omdat verzoeker huilde, had politieambtenaar 113 verzoeker iets te drinken aangeboden en met hem gesproken. Vervolgens had politieambtenaar 113 verzoeker overgedragen aan de recherche.

5.4.2 In een aanvullend proces-verbaal van politieambtenaar 113 staat vermeld dat verzoeker niet geboeid of geblinddoekt was en dat hem onderweg naar het politiebureau geen vragen waren gesteld met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor de verdachten waren aangehouden. Voorts had politieambtenaar 113 verklaard dat verzoeker niet was uitgekleed en dat hij aan een veiligheidsfouillering op grond van artikel 28 Ambtsinstructie was onderworpen, voordat hij in het voorlopig arrestantenverblijf werd geplaatst.

6. Op 24 mei 2007 bracht de klachtencommissie advies uit aan de korpsbeheerder. De klachtencommissie overwoog dat in het door Wi. opgemaakte rapport was gesteld dat verzoeker niet was aangehouden en dat hij dus niet op zijn knieën was gedwongen en evenmin was geboeid of geblinddoekt. Deze rapportage was volgens de klachtencommissie in strijd met hetgeen in het proces-verbaal van aanhouding door negen verbalisanten op hun ambtseed was verklaard (waarin staat dat er vijf verdachten waren aangehouden). Daarin staat tevens vermeld dat verzoeker aan een veiligheidsfouillering is onderworpen. Ook in het proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar 113 staat dat verzoeker is aangehouden, aldus de klachtencommissie.

Wi. had bovendien bij de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat het heel wel mogelijk was dat het AT verzoeker tijdens de aanhoudingsprocedure had laten knielen, hem had gefouilleerd en korte tijd had geboeid. Dit was in tegenspraak met de rapportage van Wi., aldus de klachtencommissie.

De commissie was zeer verontrust over de zeer wisselende en met elkaar tegenstrijdige verklaringen die door met name Wi. waren afgelegd. Na de mondelinge behandeling van verzoekers klachten achtte de klachtencommissie verzoekers lezing van de gang van zaken rondom de aanhouding zeer aannemelijk.

De klachtencommissie adviseerde de korpsbeheerder een schadevergoeding toe te kennen voor het feit dat verzoeker meerdere uren onrechtmatig ingesloten was geweest op het politiebureau.

Het aanhouden van verzoeker als verdachte bracht mee dat de politie hem had moeten wijzen op zijn zwijg- en verschoningsrecht. De commissie adviseerde deze klacht gegrond te verklaren.

De politie had volgens de klachtencommissie nagelaten om in alle openheid aan verzoeker aan te geven dat er sprake was van een achteraf bezien onterechte aanhouding en had zich beperkt tot de onjuiste mededeling dat er geen sprake was van een aanhouding in formele zin in plaats van verzoeker een toelichting te geven over hetgeen hem was overkomen.

De commissie adviseerde de klacht, dat de behandeling van verzoeker op het politiebureau onrechtmatig en disproportioneel was, gegrond te verklaren. Verzoeker was ten onrechte in een voorlopig arrestantenverblijf ingesloten en had ten onrechte een insluitingsfouillering ondergaan. De politie had bovendien ten onrechte geen professionele hulp ingeschakeld voor verzoeker, die duidelijk overstuur was.

De klacht dat verzoeker onnodig lang op het politiebureau had moeten verblijven was naar het oordeel van de klachtencommissie ongegrond omdat de politie op dit punt geen verwijt trof, nu het lang had geduurd voordat de moeder kon worden bereikt.

7. Omdat er nogal wat onduidelijkheid over de gebeurtenis bestond, liet de korpschef een intern onderzoek uitvoeren waarbij alle betrokkenen (waaronder alle AT-leden) werden gehoord door politieambtenaren van het Bureau Interne Zaken.

7.1 De betrokken officier van justitie verklaarde in het kader van dat interne onderzoek op 29 juni 2007 onder meer dat verzoeker niet was aangehouden, maar was meegenomen naar het politiebureau, waar hij enige uren later door zijn moeder werd opgehaald.

7.2 Politieambtenaar 113 verklaarde op 3 juli 2007 onder meer dat hij niet meer wist of hij er op het moment van de aanhouding van op de hoogte was dat zich een jongen in de auto bevond en of er was afgeweken van de normale procedure.

Voorts verklaarde politieambtenaar 113 dat uit zijn eerste proces-verbaal zou kunnen worden afgeleid dat verzoeker was aangehouden ("na de aanhouding was verzoeker… overgebracht…"), terwijl dit volgens politieambtenaar 113 niet het geval was.

Voorts verklaarde politieambtenaar 113 dat hij de "verdachte-auto" naar het politiebureau had overgebracht en dat verzoeker op de achterbank zat toen hij instapte. Verzoeker was op dat moment zeker niet geboeid en ook niet geblinddoekt, aldus politieambtenaar 113. Voorts verklaarde politieambtenaar 113 dat hij nog wist dat hij de opdracht had gekregen om verzoeker in een voorlopig arrestantenverblijf te plaatsen, maar dat hij op dat moment niet de status van verzoeker wist. Voordat verzoeker in het voorlopig arrestantenverblijf was geplaatst, had politieambtenaar 113 hem zijn zakken leeg laten maken.

In tegenstelling tot wat gebruikelijk is, had politieambtenaar 113 verzoeker niet uitgekleed. Verder verklaarde politieambtenaar 113 dat hij verzoeker niet had verhoord zonder hem de cautie te geven. Hij had verzoeker alleen geprobeerd gerust te stellen omdat hij oprecht medelijden met hem had, aldus politieambtenaar 113.

7.3 Politieambtenaar 10 verklaarde op 4 juli 2007 onder meer dat nadat de twee passagiers achterin waren geboeid en afgevoerd, hij de controle heeft gehouden op verzoeker. Toen verzoeker alleen op de achterbank zat, had politieambtenaar 10 hem zeer waarschijnlijk onder schot gehouden, maar politieambtenaar 10 wist dit niet zeker. Voorts verklaarde politieambtenaar 10 dat hij verzoeker waarschijnlijk niet had aangehouden en hem zeer waarschijnlijk ook niet had geboeid of geblinddoekt, omdat hij korte tijd later nog in de auto had gekeken of er mogelijk wapens of explosieven in de auto lagen. Als hij verzoeker geboeid of geblinddoekt had, was hij bij hem gebleven.

Verder verklaarde politieambtenaar 10 dat het niet waar is dat verzoeker met geweld uit de auto is gehaald en merkte hij op dat verzoeker wel heeft kunnen zien hoe de overige inzittenden waren aangehouden en afgevoerd.

7.4 Politieambtenaar Wi. verklaarde op 6 juli 2007 onder meer dat hij door de klachtencommissie is gehoord en dat er tijdens de zitting een vervelende discussie ontstond tussen hem en een lid van de klachtencommissie. Wi. verklaarde dat het niet zijn bedoeling is geweest om afstand te nemen van zijn eerdere rapportages, maar dat zijn woorden bij de behandeling ter zitting van algemeen naar specifiek uit z'n verband zijn gehaald. Wi. gaf aan niet de stelling van de commissie te delen dat, omdat er een proces-verbaal van aanhouding was, alle andere verklaringen niet juist konden zijn. Volgens Wi. had hij duidelijk aangegeven dat het proces-verbaal omtrent verzoeker niet juist was.

7.5 Sectiecommandant 107 verklaarde op 9 juli 2007 dat hij tegen de AT-leden had gezegd dat verzoeker niet moest worden aangehouden en dus ook buiten de procedure moest worden gehouden. De commandant wist zeker dat er conform zijn opdracht was gehandeld en als het anders zou zijn gegaan, dan zou hij dat zeker moeten hebben gezien. Hij stelde voorts dat hij duidelijk in het proces-verbaal heeft vermeld dat verzoeker niet is geboeid en geblinddoekt. Over het knielen had hij niets vermeld omdat daarnaar niet was gevraagd.

Verzoeker was meegenomen naar het politiebureau omdat hij niet op straat kon worden achtergelaten. Uit het feit dat verzoeker in een voorlopig arrestantenverblijf is geplaatst, blijkt volgens politieambtenaar 107 dat verzoeker niet als verdachte is aangemerkt, omdat hij anders in een normale cel zou zijn geplaatst en daar zou zijn uitgekleed.

8. In de samenvatting van het interne onderzoek, dat op 10 juli 2007 werd afgerond, staat onder meer vermeld dat mocht worden verondersteld dat verzoeker niet zelf onder schot was gehouden, maar dat hij dit zo had ervaren; verzoeker niet was geboeid en geblinddoekt en evenmin had moeten knielen; verzoeker niet aan zijn lot kon worden overgelaten en als niet-arrestant was overgebracht; verzoeker onderweg naar het politiebureau niet was verhoord; verzoeker niet was voorgeleid maar wel in een voorlopig arrestantenverblijf was ondergebracht; verzoeker aan een insluitingsfouillering was onderworpen, maar zich niet volledig hoefde te ontkleden; verzoeker na verloop van tijd vragen waren gesteld om achter de identiteit van zijn familie te komen en dat was geprobeerd verzoeker zo veel mogelijk te troosten en op z'n gemak te stellen.

9. De korpsbeheerder liet verzoekers advocaat bij brief van 19 juli 2007 weten dat de klachtencommissie advies aan hem had uitgebracht en dat er in samenspraak met de korpschef en de hoofdofficier van justitie was besloten het Bureau Interne Zaken de opdracht te geven een feitenonderzoek uit te voeren. Uit dit feitenonderzoek was onder meer gebleken dat verzoeker niet was aangehouden, niet op zijn knieën was gedwongen, niet was geboeid en geblinddoekt en niet van zijn kleding was ontdaan, aldus de korpsbeheerder.

De korpsbeheerder liet weten dat hij het advies van de klachtencommissie niet integraal overnam en op een aantal punten contrair ging.

De korpsbeheerder achtte de klacht over het AT-optreden jegens verzoeker ongegrond, omdat verzoeker niet was aangehouden maar vanuit hulpverleningsperspectief naar het politiebureau was meegenomen, zodat hij niet overstuur en alleen op straat zou achterblijven.

De klacht dat verzoeker niet op zijn zwijg- en verschoningsrecht was gewezen, achtte de korpsbeheerder ongegrond omdat het niet meedelen van het zwijg- en verschoningsrecht aan verzoeker niet aan de orde was. Verzoeker was noch aangehouden, noch verhoord, aldus de korpsbeheerder.

De korpsbeheerder achtte de klacht met betrekking tot verzoekers behandeling op het politiebureau inzake de insluitingsfouillering, het verblijf in een voorlopig arrestantenverblijf en het niet inschakelen van professionele hulp gegrond.

De klacht dat verzoeker lange tijd op het politiebureau moest doorbrengen achtte de korpsbeheerder ongegrond; de politie had serieus geprobeerd verzoekers moeder te bereiken en was niet verantwoordelijk voor het feit dat zij van ver moest komen.

Omdat de korpsbeheerder zich kon voorstellen dat de hele gang van zaken behoorlijke indruk op verzoeker had gemaakt, vond de korpsbeheerder het passend om verzoeker hiervoor tegemoet te komen en hem een bedrag van € 250,- toe te kennen.

Voorts liet de korpsbeheerder weten dat hij de korpschef had verzocht de problematiek met betrekking tot de status van niet-verdachte (minderjarige) personen die tijdens een AT-optreden onder controle worden gebracht, landelijk in kaart te brengen om tot protocollering te komen.

HET OPENBAAR MINISTERIE

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt over de betrokkenheid van de officier van justitie bij de keuze tot het uitvoeren van een autoprocedure door het AT, terwijl verzoeker, die geen verdachte was, in de auto zat. Verzoeker heeft gesteld dat de officier van justitie had moeten inzien dat een gewelddadige aanhouding door een AT voor een (onschuldige) minderjarige jongen dermate beangstigend en traumatiserend is, dat had moeten worden besloten de aanhouding uit te stellen toen duidelijk werd dat verzoeker zich in de auto bevond.

2. De minister van Justitie heeft de Nationale ombudsman bij brief van 31 maart 2008 laten weten dat de officier van justitie naar aanleiding van de anonieme melding toestemming heeft gegeven voor de aanhouding buiten heterdaad van de twee personen die de terroristische aanslag mogelijk zouden voorbereiden. Aangezien deze personen werden verdacht van het voorbereiden van terroristische activiteiten, heeft de hoofdofficier van justitie toestemming gegeven voor de inzet van het AT.

Om te voorkomen dat de twee verdachten uit het zicht verdwenen en omdat aanhouding in een auto meer gecontroleerd kan plaatsvinden, heeft het AT besloten de zogenaamde autoprocedure toe te passen, aldus de minister.

De minister heeft gesteld dat de hoofdofficier van justitie beslist of het inzetten van een AT geïndiceerd is, waarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit worden getoetst en wordt bekeken of er bijvoorbeeld kinderen bij de actie betrokken raken.

Het AT beslist echter zelfstandig op welke manier wordt opgetreden en welke techniek wordt toegepast. De minister kon zich dan ook geen oordeel vormen over de klacht.

3. De betrokken officier van justitie heeft op 18 september 2009 tegenover een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman verklaard dat het AT onder zijn verantwoordelijkheid is opgetreden. De officier had de opdracht gegeven om vier mensen aan te houden die het bewuste pand in waren gegaan. De officier heeft aangegeven wat de informatie was die aan deze opdracht ten grondslag lag, welke informatie de Nationale ombudsman vertrouwelijk behandelt.

De officier heeft voorts verklaard dat er mensen uit het pand kwamen en dat twee personen in een auto stapten. Op het moment dat hij de opdracht gaf tot aanhouding van de personen die in de auto zaten, wist hij dat er ook anderen dan de verdachten in de auto zaten. Hij wist niet dat er een dertienjarige jongen in de auto zat. Als hij dat wel had geweten had hij de opdracht ook gegeven, aldus de officier van justitie. Het ging om terreurverdachten die net van een bijeenkomst terugkwamen waar zou zijn gesproken over het plegen van een aanslag. Van belang is ook, aldus de officier, dat deze aanhouding zeven dagen na de aanslag in Londen heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft de officier van justitie verklaard dat hij verzoeker niet heeft laten aanhouden en dat verzoeker ook niet is aangehouden, maar slechts "bijvangst" was. De officier kon zich niet herinneren of hij met de politie overleg had gevoerd over de heenzending van verzoeker.

Beoordeling

4. Het evenredigheidsvereiste houdt in dat overheidsinstanties voor het bereiken van een doel een middel aanwenden dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat in evenredige verhouding staat tot dat doel.

5. De inzet van een AT wordt over het algemeen beschouwd als een zwaar geweldsmiddel. Dit heeft te maken met de wijze van optreden van AT's. Een AT treedt op als een operationele eenheid en maakt daarbij gebruik van specifieke aanhoudingstechnieken- en tactieken. De werkwijze van AT's is gebaseerd op snelheid van handelen en het verrassingseffect, en is erop gericht een aan te houden persoon geen gelegenheid te bieden van zijn (vuur)wapen gebruik te maken, dan wel te voorkomen dat op andere wijze een levensbedreigende omstandigheid ontstaat. Zo worden woningen standaard betreden zonder toestemming van de bewoner, worden aangehouden personen meteen na hun aanhouding geboeid en worden zij veelal geblinddoekt. De overrompelende werkwijze van een AT houdt daarom een ernstige inbreuk in op grondrechten van betrokken burgers, zoals de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bij het bepalen van het moment van aanhouding, dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van niet-verdachten, zeker wanneer het om minderjarige niet-verdachten gaat. De aanhouding mag niet onnodig bezwarend zijn voor de betrokkene(n) en dient in evenredige verhouding te staan tot het te bereiken doel.

6. De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat het optreden van het AT voor verzoeker zeer beangstigend en traumatiserend moet zijn geweest.

Politie en justitie beschikten daarentegen over informatie op grond waarvan uitstel van de aanhouding geen reële optie was. Hierdoor zou immers het risico ontstaan dat de politie de verdachten uit het oog zou verliezen en zouden er wellicht zeer ernstige misdrijven worden gepleegd. Gelet op de door de officier van justitie verstrekte informatie (zie hiervoor onder 3.) was het dan ook redelijk dat hij de opdracht heeft gegeven de personen in de auto aan te houden. Hierbij is van belang dat de aanhouding enkele weken na de terroristische aanslagen in Londen plaatsvond. De Nationale ombudsman deelt verzoekers mening, dat de aanhouding had moeten worden uitgesteld, dan ook niet. Dat verzoeker ook in deze auto zat, acht de Nationale ombudsman zeer betreurenswaardig, maar het bevel tot aanhouding was gezien de feiten en omstandigheden toch toelaatbaar.

De officier van justitie heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

DE POLITIE

I. Ten aanzien van de autoprocedure

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie heeft besloten tot het uitvoeren van een autoprocedure, terwijl verzoeker, die geen verdachte was, in de auto zat. Verzoeker heeft gesteld dat de aanhouding had moeten worden uitgesteld toen duidelijk werd dat hij zich in de auto bevond.

2.1 De korpsbeheerder heeft bij brief van 7 mei 2008 aan de Nationale ombudsman gesteld dat door het Openbaar Ministerie de voorkeur werd gegeven aan het “verstoren” van de zaak. Bij dergelijke verstoringsacties is het vrijwel onmogelijk een zaak volledig uit te rechercheren en het wettig en overtuigend bewijs van verdachten aan te tonen, aldus de korpsbeheerder.

2.2 Bij mail van 12 oktober 2009 heeft een medewerker van de politie namens de korpsbeheerder gesteld dat de officier van justitie de beslissing heeft genomen om tot aanhouding van de verdachten over te gaan op het moment dat zij in de auto reden.

Beoordeling

3. Nu zowel de korpsbeheerder als de officier van justitie heeft gesteld dat de officier van justitie opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van de autoprocedure treft de politie op dit punt geen verwijt.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

II. Ten aanzien van de aanhouding

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie hem ten onrechte heeft aangehouden, althans uit de auto heeft gehaald en dat hij in een politieauto is vervoerd naar het politiebureau en aldaar is vastgezet. Verzoeker heeft gesteld dat er geen enkele juridische grondslag voor zijn aanhouding was, omdat er van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit geen sprake was. Nergens zou uit blijken dat de officier van justitie toestemming had gegeven voor de aanhouding van verzoeker.

2.1 De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 7 mei 2008 gesteld dat politieambtenaar Wi. zich tegenover de klachtencommissie wisselend heeft uitgelaten. Ook was er spraakverwarring over de vraag wat nu als aanhouding moest worden betiteld en stond verzoeker in het proces-verbaal van aanhouding vermeld.

De korpsbeheerder heeft aangegeven meer waarde te hechten aan de uitkomsten van het onderzoek van het Bureau Interne Zaken en de volstrekt eenduidige ambtsedige verklaring van de sectiecommandant dan aan de verklaring van een dertienjarige jongen, die zich in kringen van personen bevond, die naar het oordeel van de korpsbeheerder een reëel risico voor de rechtsstaat vormen.

2.2 Bij mail van 12 oktober 2009 heeft een medewerker van de politie namens de korpsbeheerder laten weten dat verzoeker niet is voorgeleid.

3. Verzoeker heeft op 21 september 2009 tegenover de substituut-ombudsman verklaard dat hij met vier mannen, waaronder zijn stiefvader, in de auto zat en dat zij abrupt door de politie werden klemgereden. Eén voor één moesten zij uit de auto komen en verzoeker dacht dat hij in zijn eigen auto werd overgebracht naar het politiebureau. Volgens verzoeker zaten er twee politieambtenaren bij hem in de auto. Voorts heeft verzoeker verklaard dat de bestuurder van de auto hem in een cel heeft gefouilleerd. Verder heeft verzoeker verklaard dat de mevrouw die achter de servicebalie stond, hem wat te drinken heeft gebracht. Volgens verzoeker heeft deze mevrouw hem geen vragen gesteld en is er verder niemand bij hem geweest.

4. Op 5 oktober 2009 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de substituut-ombudsman de politieambtenaren 10, 107 en 113 onder ede heeft gehoord. Politieambtenaar 107 heeft verklaard dat hij met 100% zekerheid kan zeggen dat verzoeker niet in de procedure is meegenomen.

Politieambtenaar 113 heeft verklaard dat hij verzoeker op het politiebureau in een voorlopig arrestantenverblijf heeft geplaatst. Verdachten worden in een reguliere cel geplaatst, maar omdat verzoeker geen verdachte was, is hij in een VAV geplaatst, aldus politieambtenaar 113. Volgens politieambtenaar 113 was het niet handig om verzoeker in een openbare ruimte te plaatsen, omdat hij zo overstuur was. De politie draagt de verantwoordelijkheid voor verzoeker en het was niet gewenst dat hij misschien de straat op zou gaan. Verzoeker is voor zijn eigen veiligheid in een VAV geplaatst, aldus politieambtenaar 113.

Beoordeling

5. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op persoonlijke vrijheid is gewaarborgd in de Grondwet en in internationale verdragen (zie Achtergrond, onder 1.). In de wet is geregeld in welke gevallen de overheid een burger zijn vrijheid mag benemen. Zo bieden de artikelen 53 en 54 Wetboek van Strafvordering (Sv) een wettelijke basis voor aanhouding van een verdachte (zie Achtergrond, onder 2.).

6.1 De Nationale ombudsman overweegt het volgende. In het proces-verbaal van aanhouding staat vermeld dat het AT vijf personen, waaronder verzoeker, heeft aangehouden. Ook in het proces-verbaal van onderzoek wordt verzoeker als verdachte omschreven. Bovendien heeft politieambtenaar Wi. wisselende verklaringen afgelegd.

Desondanks gaat de Nationale ombudsman ervan uit dat verzoeker niet als verdachte is aangehouden, maar dat er in de processen-verbaal fouten zijn geslopen. Zo staat er in het proces-verbaal van aanhouding ook vermeld dat verzoeker is vrijgelaten nadat hij was voorgeleid, terwijl van een voorgeleiding geen sprake is geweest. De politie heeft immers ontkend dat verzoeker is voorgeleid en ook uit de verklaring van verzoeker zelf, kan worden afgeleid dat hij niet is voorgeleid (hij heeft verklaard dat hem bij aankomst op het politiebureau geen vragen zijn gesteld).

Ook uit het feit dat verzoeker in een voorlopig arrestantenverblijf is geplaatst en niet in een reguliere cel, kan worden afgeleid dat hij geen aangehouden verdachte was. Bovendien hebben de betrokken politieambtenaren 10, 107 en 113 allen onder ede verklaard er zeker van te zijn dat verzoeker buiten de procedure is gehouden (en dus niet is aangehouden). De Nationale ombudsman hecht aan deze verklaringen meer waarde dan aan de tegenstrijdige verklaringen die politieambtenaar Wi. heeft afgelegd. Wi. was immers niet bij de aanhouding aanwezig en de Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat er tijdens de hoorzitting spraakverwarring is ontstaan over hoe een AT in zijn algemeenheid handelt en hoe het AT in deze specifieke situatie heeft gehandeld.

De Nationale ombudsman gaat er dan ook van uit dat er van een formele aanhouding geen sprake was en verzoeker "bijvangst" was, zoals de officier van justitie heeft gesteld.

De politie heeft verzoekers recht op persoonlijke vrijheid op dit punt dan ook niet geschonden. Dat het proces-verbaal onjuistheden bevat, is overigens een kwalijke zaak.

Van de juistheid van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal moet immers kunnen worden uitgegaan.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

6.2 Politieambtenaar 113, die verzoeker naar het politiebureau heeft overgebracht, heeft verklaard dat hij verzoeker in de "eigen" auto heeft overgebracht. Ook verzoeker dacht dat hij in de "eigen" auto was vervoerd. De Nationale ombudsman gaat er dan ook niet van uit dat verzoeker in een politieauto naar het politiebureau is overgebracht. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover de klacht zich tegen de overbrenging in zijn algemeenheid richt, overweegt de Nationale ombudsman dat de politie een minderjarige niet-verdachte in een situatie als deze niet op straat kan achterlaten. Verzoeker was volledig over zijn toeren en van de politie mocht worden verwacht dat zij ervoor zou zorgen dat verzoeker werd opgevangen door ouders of verzorgers. De Nationale ombudsman acht het dan ook redelijk dat verzoeker naar het politiebureau is overgebracht, waar contact werd gezocht met zijn moeder. Verzoekers recht op persoonlijke vrijheid is niet geschonden.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

6.3 Ten aanzien van de klacht dat verzoeker op het politiebureau in een voorlopig arrestantenverblijf is geplaatst, overweegt de Nationale ombudsman als volgt. De indruk is ontstaan dat politieambtenaar 113 verzoeker met de beste bedoelingen in een VAV heeft geplaatst (verzoeker was erg overstuur en het was niet verantwoord om hem in een openbare ruimte te laten wachten). Voor insluiting in een VAV was echter geen enkele juridische grondslag. Hierdoor werd verzoeker immers van zijn vrijheid beroofd, terwijl hij niet was aangehouden.

De politie had dan ook naar andere mogelijkheden moeten zoeken om verzoeker op te vangen totdat rechercheur Wa. zich over verzoeker ontfermde.

Door verzoeker in een VAV te plaatsen, is zijn recht op persoonlijke vrijheid geschonden.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

III. Ten aanzien van het geweldgebruik

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie disproportioneel geweld bij de aanhouding heeft gebruikt. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman gesteld dat hij op blote voeten uit de auto moest komen en op hardhandige wijze op zijn knieën tegen een stilstaande auto is geduwd. Ook is een vuurwapen op hem gericht en is hij geblinddoekt en geboeid weggevoerd. De blinddoek werd pas verwijderd toen verzoeker reeds geruime tijd in de auto op weg naar het politiebureau zat.

Verzoeker heeft gesteld dat de aan te houden personen niet vuurwapengevaarlijk waren en geen antecedenten hadden met betrekking tot geweldsdelicten. Volgens verzoeker waren er dan ook geen concrete redenen voor het gebruik van geweld door de politie. Het enkel (vage) vermoeden dat personen in de auto betrokken waren bij terroristische activiteiten, waarvoor later geen enkel bewijs bleek te bestaan, is onvoldoende om het gebruikte geweld te rechtvaardigen, aldus verzoeker.

2. De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 7 mei 2008 gesteld dat voor hem vast is komen te staan dat politieambtenaren gedurende de behandeling van de klacht tegenstrijdige verklaringen hebben gegeven. Tijdens de interne klachtbehandeling heeft de korpsleiding bewust politieambtenaar Wi. naar voren geschoven die alle ins en outs van het opsporingsonderzoek kende. Wi. was echter niet bij de actie van het AT aanwezig, hetgeen hem tijdens de zitting van de klachtencommissie opbrak, aldus de korpsbeheerder. Wi. kon namelijk niet met zekerheid uitsluiten dat verzoeker geboeid en geblinddoekt was geweest. Deze verklaring was niet in lijn met zijn stellige rapportage, aldus de korpsbeheerder.

De korpsbeheerder heeft gesteld ervan overtuigd te zijn dat de klachtencommissie tot een ander oordeel was gekomen indien zij zelf de politieambtenaren 10, 107 en 113 had gehoord. Om redenen van veiligheid en anonimiteit was daarvan afgezien.

De korpsbeheerder heeft aangegeven dat het onderzoek van het Bureau Interne Zaken en de verklaring van de sectiecommandant van het AT hem hebben doen besluiten af te wijken van het advies van de klachtencommissie. De korpsbeheerder gaf aan meer vertrouwen te hebben in een volstrekt eenduidige ambtsedige verklaring van de sectiecommandant dan aan de verklaring van de dertienjarige jongen.

3. Op 21 september 2009 heeft verzoeker een verklaring afgelegd tegenover de substituut-ombudsman. Verzoeker heeft onder meer verklaard dat er tot het moment dat hij alleen in de auto zat, een wapen op hem was gericht. Volgens verzoeker is hij niet met geweld uit de auto gehaald en verliep de aanhouding zelf wel rustig. Verzoeker was als laatste uit de auto gestapt, moest op zijn knieën zitten en werd vervolgens geboeid en geblinddoekt. Verzoeker heeft verklaard dat hij naar een auto werd gebracht en is weggereden naar het politiebureau. Onderweg is hij geboeid en geblinddoekt geweest, aldus verzoeker.

Verzoeker heeft gesteld dat de blinddoek in de garage van het politiebureau werd verwijderd. De handboeien werden verwijderd toen hij uit de auto was gestapt en al in het politiebureau was.

4. De politieambtenaren 107 en 113 hebben op 5 oktober 2009 onder ede tegenover de substituut-ombudsman verklaard dat verzoeker absoluut niet is geboeid en geblinddoekt. Volgens politieambtenaar 113 worden dertienjarige kinderen gewoonweg niet geboeid of geblinddoekt; het is naar zijn zeggen niet ethisch dat te doen.

Volgens politieambtenaar 113 klopt de gang van zaken niet, zoals verzoeker deze heeft weergegeven. Ook het verklaarde over het afdoen van de blinddoek (in de garage van het politiebureau) kan volgens politieambtenaar 113 niet kloppen, omdat dit niet de plek is waar de blinddoek volgens de standaardprocedure wordt verwijderd. Wat verzoeker heeft verklaard, is niet waar en bovendien in strijd met de standaardprocedure, aldus politieambtenaar 113.

Of verzoeker heeft moeten knielen toen hij uit de auto kwam, konden de politieambtenaren niet zeggen. Politieambtenaar 107 wist met 100% zekerheid te verklaren dat verzoeker niet in de procedure was meegenomen en dat hij dus niet volgens de procedure had hoeven knielen. Politieambtenaar 113 heeft verklaard dat hij verzoeker alleen zou laten knielen wanneer dat voor hem zelf het beste was. Hieraan heeft hij toegevoegd dat hij verzoeker niet als gevaar zag.

Beoordeling

5. Of verzoeker met blote voeten uit de auto moest komen, met veel kracht is vastgegrepen en op zijn knieën op de grond moest zitten, is niet komen vast te staan. Verzoeker heeft gesteld dat hij op blote voeten uit de auto kwam en op zijn knieën moest zitten, hetgeen de betrokken politieambtenaren zich niet meer wisten te herinneren.

Wat hier ook van zij, de Nationale ombudsman ziet geen aanleiding om op dit punt aan te nemen dat er sprake was van disproportioneel geweldgebruik. Verzoeker heeft immers zelf tegenover de substituut-ombudsman verklaard dat hij niet met geweld uit de auto is gehaald en dat de aanhouding zelf wel rustig is verlopen. Dat verzoeker wellicht met blote voeten uit de auto is gekomen en op zijn knieën heeft moeten zitten, maakt nog niet dat er sprake is van (disproportioneel) geweldgebruik. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

6. De Nationale ombudsman acht verzoekers relaas over het boeien en het blinddoeken niet aannemelijk. De betrokken politieambtenaren 10, 107 en 113 hebben allen onder ede tegenover de substituut-ombudsman verklaard er zeker van te zijn dat verzoeker niet is geboeid en geblinddoekt. De Nationale ombudsman heeft geen aanleiding gezien aan deze verklaringen te twijfelen.

Voorts heeft verzoeker in zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman gesteld dat de blinddoek onderweg in de auto af werd gedaan, terwijl hij later tegenover de substituut-ombudsman heeft verklaard dat de blinddoek in de garage van het politiebureau werd verwijderd. Bovendien heeft politieambtenaar 113 verklaard dat dit niet de normale gang van zaken is en dat, ingeval een verdachte wordt geblinddoekt, de blinddoek volgens de standaardprocedure op een andere plaats wordt verwijderd. Ook om die reden acht de Nationale ombudsman verzoekers relaas niet geloofwaardig en gaat hij er dan ook van uit dat verzoeker niet is geboeid of geblinddoekt. De klacht mist feitelijke grondslag.

7.1 Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam is neergelegd in artikel 11 Grondwet, waarop bij of krachtens de wet beperkingen kunnen worden gesteld (zie Achtergrond, onder 3.1). Ook in artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (zie Achtergrond, onder 3.2) is bepaald dat een inbreuk op ieders recht op respect voor zijn privéleven - waaronder mede wordt verstaan zijn lichamelijke integriteit - moet zijn voorzien bij wet. Het gebruik van geweld betekent een inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Op grond van artikel 8, eerste lid, Politiewet (zie Achtergrond, onder 4.1) is een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening bevoegd geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt (het proportionaliteitsvereiste) en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt (het subsidiariteitsvereiste). Aan het gebruik van geweld dient zo mogelijk een waarschuwing vooraf te gaan.

7.2.1 De Nationale ombudsman acht het aannemelijk dat het AT een vuurwapen op verzoeker heeft gericht. De betrokken AT-leden hebben tegenover de substituut-ombudsman verklaard dat dit zeer wel mogelijk kan zijn geweest. Bovendien heeft politieambtenaar 10 tijdens het onderzoek door het Bureau Interne Zaken verklaard dat hij verzoeker zeer waarschijnlijk onder schot heeft gehouden.

De juridische basis voor het richten van een vuurwapen op verzoeker moet gevonden worden in artikel 7 en volgende van de Ambtsinstructie voor de politie (zie Achtergrond, onder 4.2). In dat artikel is niet bepaald dat het vuurwapen slechts mag worden gebruikt jegens een aan te houden verdachte. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de politie onder omstandigheden in het belang van de veiligheid in dat geval ook het vuurwapen mag richten op personen in de directe nabijheid van de verdachte. Omdat een arrestatieteam bij het uitvoeren van een aanhouding veelal niet weet wat het van de verdachte en eventuele andere aanwezigen kan verwachten, biedt een standaard werkwijze waarborgen voor zowel de veiligheid van de politieambtenaren als de veiligheid van de verdachte en eventuele personen die bij de aanhouding aanwezig zijn. Het kortstondig richten van een vuurwapen op een ieder, waarbij de aanwezigen onder controle worden gebracht, mag worden gezien als toepassing van deze standaardprocedure.

7.2.2 Tot 2002 werden AT's ingezet ter aanhouding van vuurwapengevaarlijke verdachten. In 2002 werd het besluit beheer regionale politiekorpsen in die zin gewijzigd dat AT's konden worden ingezet in levensbedreigende omstandigheden (zie Achtergrond, onder 4.3). Het inzetcriterium werd dus ruimer. Het lijkt erop dat met wijziging van dat besluit een leemte in de Ambtsinstructie is ontstaan. In de Ambtsinstructie staat immers nog altijd het criterium "vuurwapengevaarlijk" genoemd en niet het criterium "levensbedreigende omstandigheden".

In deze zaak is niet gebleken dat de verdachten vuurwapengevaarlijk waren. Een terroristische aanslag wordt over het algemeen niet met minder gevaarlijke middelen dan een vuurwapen gepleegd en levensbedreigende omstandigheden konden dan ook worden aangenomen, zodat aan het inzetcriterium is voldaan.

Aangezien geen van de overige criteria van artikel 7 Ambtsinstructie op deze zaak van toepassing is, mist er feitelijk een juridische basis voor het richten van een vuurwapen op de inzittenden van de auto. Nu de Nationale ombudsman van oordeel is dat het AT terecht is ingezet en er een leemte in de regelgeving bestaat, acht hij de gedraging toelaatbaar. Het behoorlijkheidsvereiste dat grondrechten (in dit geval het recht op onaantastbaarheid van het lichaam) worden gerespecteerd, is niet geschonden.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

7.2.3 Het voorgaande geeft de Nationale ombudsman aanleiding de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overweging te geven artikel 7 van de Ambtsinstructie in die zin uit te breiden dat vuurwapengebruik mogelijk wordt in het geval dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen.

IV. Ten aanzien van het zwijgrecht/verschoningsrecht

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie hem tijdens het vervoer naar het politiebureau niet heeft gewezen op het zwijgrecht en het verschoningsrecht. Zo werd verzoeker onderweg gevraagd wie de personen waren met wie hij in de auto zat en waarom hij met hen omging. Verzoeker zou zijn meegedeeld dat hij met de verkeerde mensen omging. Omdat verzoeker is aangehouden, had hij op zijn zwijgrecht moeten worden gewezen. Ook zijn stiefvader is als verdachte aangehouden, zodat verzoeker ook op zijn verschoningsrecht had moeten worden gewezen, aldus verzoeker.

2. De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 7 mei 2008 gesteld dat alle leden van het AT hebben ontkend met verzoeker te hebben gesproken, met uitzondering van de politieambtenaren 10 en 113. Politieambtenaar 10 heeft verzoeker uit de auto gepraat en politieambtenaar 113 heeft verzoeker gerustgesteld, maar naar eigen zeggen niet verhoord, aldus de korpsbeheerder.

3. Verzoeker heeft op 21 september 2009 tegenover de substituut-ombudsman onder meer verklaard dat de bestuurder van de auto hem onderweg heeft gevraagd wie de twee mensen waren bij wie hij in de auto was gestapt. Op het antwoord dat zij kennissen waren, had de politieambtenaar verteld dat het foute kennissen zijn.

Voorts heeft verzoeker verklaard dat andere politieambtenaren niet met hem over de zaak hebben gesproken.

4. Politieambtenaar 113 heeft op 5 oktober 2009 onder ede verklaard dat verzoeker volgens hem door hem in de verdachte-auto is vervoerd en dat hij in zijn herinnering alleen met verzoeker in de auto heeft gezeten. Volgens politieambtenaar 113 heeft hij onderweg alleen geruststellende woorden tegen verzoeker gesproken. Er was geen gesprek met verzoeker mogelijk, omdat hij zo aan het huilen was, aldus politieambtenaar 113. Voorts heeft politieambtenaar 113 ontkend te hebben gezegd dat verzoeker bij foute kennissen in de auto zat. Politieambtenaar 107 heeft verklaard dat het standaardprocedure is dat AT-leden niet met verdachten spreken. Politieambtenaar 113 heeft verklaard dat hij alleen troostende woorden tegen verzoeker heeft gesproken en dat hij tegen hem heeft gezegd dat het allemaal heel vervelend was, maar dat het wel goed zou komen. Verder heeft hij verklaard dat hij er helemaal geen belang bij had om een gesprek met verzoeker te voeren.

Beoordeling

5. Het beginsel van fair play houdt voor bestuursorganen in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Dit betekent onder meer dat

politieambtenaren verdachten en getuigen voorafgaand aan een verhoor wijzen op de rechten die zij volgens de wet hebben.

6. De Nationale ombudsman ziet geen aanleiding te veronderstellen dat verzoeker door de politie is verhoord. Politieambtenaar 113 heeft onder ede tegenover de substituut-ombudsman verklaard dat hij verzoeker alleen maar geruststellende woorden heeft toegesproken en dat hij er geen belang bij had om een gesprek met verzoeker te voeren. Hetgeen verzoeker heeft verklaard over het gesprek dat onderweg met hem is gevoerd, duidt naar het oordeel van de Nationale ombudsman ook niet op een verhoor. Daarbij neemt de Nationale ombudsman in aanmerking dat het een gesprek betrof met een lid van een AT die geen enkele rol speelt in het onderzoek naar de feiten.

Nu er van een verhoor geen sprake was, hoefde de politie verzoeker niet te wijzen op het zwijgrecht en verschoningsrecht. Bovendien was verzoeker niet als verdachte aangemerkt, zodat de politie hem überhaupt niet op een eventueel zwijgrecht hoefde te wijzen.

De politie heeft dan ook niet in strijd met het vereiste van fair play gehandeld.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

V. Ten aanzien van het verblijf op het politiebureau

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat hij zich op het politiebureau moest uitkleden en alleen in een cel moest wachten. De politie heeft hem van 18.15 uur tot 22.00 uur vastgehouden, waarbij hij van 18.25 uur tot 21.45 uur alleen in een cel heeft gezeten, terwijl hij huilde en zichtbaar overstuur was. Verzoeker is daarbij volledig ontkleed, en mocht zich na zo'n tien minuten weer aankleden toen zijn kleding uitvoerig was doorzocht. De politie heeft verzoeker niet uitgelegd wat er aan de hand was en hij wist niet hoe lang hij zou worden vastgehouden. Verzoeker stelt dat na aankomst op het politiebureau direct contact had moeten worden opgenomen met zijn moeder, zodat zij hem kon komen ophalen.

2.1 De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 7 mei 2008 gesteld dat de politie veel van deze zaak heeft geleerd en dat er een protocol is ontwikkeld met betrekking tot de wijze waarop AT's dienen om te gaan met niet verdachten die ongewild bij een actie van een AT betrokken raken. In dit protocol wordt speciale aandacht gegeven aan minderjaren, aldus de korpsbeheerder.

2.2 In het protocol staat onder meer vermeld dat het overbrengen van niet-verdachten naar een politiebureau alleen mogelijk is met toestemming van de niet-verdachte. De zorgplicht van de politie laat het echter niet toe om kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, ter plaatse achter te laten.

Voorts staat in het protocol vermeld dat niet-verdachten op het politiebureau in een wachtkamer, niet zijnde een VAV, worden opgehouden. Deze niet-verdachten worden bij aankomst op het bureau in beginsel niet gefouilleerd.

Op het bureau vindt een nagesprek met de niet-verdachte plaats, en indien nodig zal er professionele hulp worden ingeschakeld.

Wanneer een minderjarige is overgebracht naar het politiebureau, moet zo snel mogelijk contact worden gezocht met één van de ouders met het verzoek de minderjarige op te komen halen, aldus het protocol.

3. Verzoeker heeft op 21 september 2009 tegenover de substituut-ombudsman onder meer verklaard dat één van de politieambtenaren hem in de cel heeft gefouilleerd. Dat was de bestuurder van de auto die hem naar het politiebureau heeft vervoerd. Verzoeker moest zijn t-shirt en broek uitdoen en de politieambtenaar voelde met zijn hand in verzoekers onderbroek. Nadat de politieambtenaar verzoekers kleren had gecontroleerd, mocht hij deze weer aantrekken, aldus verzoeker.

Volgens verzoeker heeft hij tot ongeveer 22.00 uur in de cel gezeten totdat er een andere politieambtenaar kwam. Deze politieambtenaar had verzoeker meegenomen naar een ander kamertje, waar hij had geprobeerd zijn moeder te bereiken. Toen hij haar had gesproken, mocht verzoeker in de wachtkamer op haar wachten. Om ongeveer 23.00 uur mocht hij weer naar huis, aldus verzoeker.

4. Op 5 oktober 2009 heeft politieambtenaar 113 onder ede verklaard dat hij verzoeker op het politiebureau in een voorlopig arrestantenverblijf heeft geplaatst. Dit VAV is van glas, maar wordt wel afgesloten. Volgens politieambtenaar 113 was het niet handig om verzoeker in een openbare ruimte te plaatsen, omdat hij zo overstuur was. De politie draagt de verantwoordelijkheid voor verzoeker en het was niet gewenst dat hij misschien de straat op zou gaan. Verzoeker is voor zijn eigen veiligheid in een VAV geplaatst, aldus politieambtenaar 113.

Voorts heeft politieambtenaar 113 verklaard dat hij denkt dat hij bij verzoeker heeft gecontroleerd wat hij in zijn zakken had. Verzoeker was gespannen en onophoudelijk aan het huilen. Dat hij zijn zakken heeft gecontroleerd, was voor de veiligheid van hemzelf en die van de politie.

Politieambtenaar 113 heeft verder verklaard dat hij zich niet meer precies kan herinneren hoe het fouilleren is gegaan, maar hij wist zeker dat verzoeker zijn broek en zijn t-shirt niet heeft hoeven uittrekken. Verder heeft politieambtenaar 107 verklaard dat het AT geen tijd had om zich over verzoeker te ontfermen en dat er iemand van de recherche naar het politiebureau moest komen om verzoeker op te vangen. Nadat politieambtenaar 113 verzoeker nog een bekertje water had gegeven, was hij weer weggegaan.

Beoordeling

5. Het is een vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het onderzoek aan het lichaam betekent een inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, welk recht is neergelegd in artikel 11 Grondwet. Hierop kunnen bij of krachtens de wet beperkingen worden gesteld. Ook in artikel 8 EVRM is bepaald dat een inbreuk op ieders recht op respect voor zijn privéleven - waaronder mede wordt verstaan zijn lichamelijke integriteit - moet zijn voorzien bij wet (zie Achtergrond, onder 3.).

Ten aanzien van personen aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen, is in artikel 15, vierde lid, Grondwet meer in het algemeen bepaald dat zij kunnen worden beperkt in de uitoefening van hun grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt (zie Achtergrond, onder 1.1). Voorts is in de Ambtsinstructie bepaald wat een insluitingsfouillering inhoudt en in welke gevallen mag worden overgegaan tot het zich laten ontkleden van in te sluiten personen (zie Achtergrond, onder 5.).

6. De Nationale ombudsman oordeelt allereerst dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker zich daadwerkelijk heeft moeten uitkleden. Politieambtenaar 113 heeft immers onder ede verklaard zeker te weten dat verzoeker zijn broek en t-shirt aan mocht laten, aan welke verklaring de Nationale ombudsman meer betekenis toekent dan aan de verklaring van verzoeker. Wel kan worden aangenomen dat verzoeker op enigerlei wijze is gefouilleerd; zo heeft politieambtenaar 113 in ieder geval verzoekers zakken gecontroleerd. Nu verzoeker niet was aangehouden en evenmin in het VAV mocht worden geplaatst, was er geen wettelijke basis om verzoeker te fouilleren. Door verzoeker te fouilleren is het behoorlijkheidsvereiste dat grondrechten (in dit geval het recht op onaantastbaarheid van het lichaam) worden gerespecteerd, geschonden.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

7. Het vereiste van bijzondere zorg houdt in dat overheidsinstanties aan personen die onder hun hoede zijn geplaatst de zorg verlenen waarvoor deze personen, vanwege die afhankelijke positie, op die overheidsinstanties zijn aangewezen. Dit betekent onder meer dat wanneer de politie een niet-verdachte in het kader van haar zorgplicht meeneemt naar het politiebureau, zij op het bureau voor adequate opvang dient te zorgen.

8. Ten aanzien van de klacht dat verzoeker gedurende enkele uren alleen in een cel heeft moeten wachten, oordeelt de Nationale ombudsman dat verzoeker niet aan zijn lot had mogen worden overgelaten toen hij op het politiebureau was aangekomen. De politie had verzoeker onder haar hoede genomen en diende dan ook voor adequate opvang te zorgen. De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat de opvang van verzoeker niet de taak van het AT was, maar dan had van de politie mogen worden verwacht dat iemand anders verzoeker zou opvangen, zeker nu verzoeker zo overstuur was en erg moest huilen. Niet kon worden volstaan met de opvang door politieambtenaar Wa., omdat verzoeker ruim een uur alleen in het VAV op Wa. heeft moeten wachten. De Nationale ombudsman acht deze gang van zaken onaanvaardbaar en in strijd met het vereiste van bijzondere zorg.

Dat verzoeker enkele uren op het politiebureau heeft verbleven, kan de politie niet worden aangerekend, nu het lastig was om verzoekers moeder te bereiken en het bovendien nog enige tijd kostte voordat zij op het politiebureau was.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennis genomen van het landelijk protocol dat naar aanleiding van deze zaak is opgesteld, waarin onder meer is opgenomen dat niet-verdachten in een wachtkamer moeten worden geplaatst en dat er eventueel professionele hulp moet worden ingeschakeld voor de opvang van minderjarigen.

VI. Ten aanzien van de informatieverstrekking

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de korpsbeheerder onjuiste informatie heeft verstrekt tijdens de klachtbehandeling, doordat politieambtenaren tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Zo zou politieambtenaar Wi. in een eerder rapport hebben ontkend dat verzoeker op zijn knieën had moeten zitten en gefouilleerd, geboeid en geblinddoekt was, terwijl hij tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie had toegegeven dat het AT waarschijnlijk wel op deze wijze had opgetreden. Ook op andere punten bleken zijn rapport, bepaalde uitspraken tijdens de hoorzitting en het proces-verbaal van politieambtenaar 113 onjuist, aldus verzoeker. Verzoeker heeft gesteld dat de verbalisanten de gebeurtenissen opzettelijk verkeerd hebben weergegeven.

2. In zijn brief van 7 mei 2008 heeft de korpsbeheerder gesteld dat het voor hem vaststaat dat politieambtenaren gedurende de klachtbehandeling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd en hij acht dit onderdeel van de klacht dan ook gegrond.

Tijdens de klachtbehandeling was bewust politieambtenaar Wi. naar voren geschoven. Het feit dat hij niet bij de aanhouding door het AT aanwezig was geweest, brak hem tijdens de zitting van de klachtencommissie op, omdat hij niet met zekerheid kon uitsluiten dat verzoeker geboeid en geblinddoekt was geweest, omdat hij dat niet uit eigen waarneming had. Deze verklaring was niet in lijn met zijn eerdere stellige rapportage waarin het tegendeel werd beweerd, aldus de korpsbeheerder.

Voorts heeft de korpsbeheerder gesteld dat hij ervan overtuigd is dat de klachtencommissie tot een ander advies zou zijn gekomen indien zij zelf de politieambtenaren 10, 107 en 113 zou hebben gehoord. Voor de korpsleiding is deze casus aanleiding om de klachtencommissie in de toekomst de gelegenheid te geven de meest betrokken AT-leden apart van de verzoeker te horen.

Beoordeling

3. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit betekent onder meer dat ambtenaren in een door hen ondertekend ambtsedig proces-verbaal of in een verklaring tegenover een klachtencommissie juiste en eenduidige informatie dienen te verstrekken.

4. Vast is komen te staan dat er tijdens de klachtbehandeling vele tegenstrijdigheden zijn geconstateerd. Zo bevatten de verschillende processen-verbaal onjuiste informatie en heeft ook politieambtenaar Wi. niet eenduidig verklaard.

De Nationale ombudsman heeft echter niet de indruk gekregen dat de betrokken politieambtenaren opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken hebben gegeven. De substituut-ombudsman heeft de betrokken AT-leden onder ede gehoord en zij hebben allen de indruk gegeven op integere wijze hun werk te hebben uitgevoerd. Dat hierbij in de verslaglegging fouten zijn gemaakt, staat vast en is onzorgvuldig. Van niet integer handelen is echter niet gebleken.

Door het verstrekken van onjuiste informatie (zowel schriftelijk als mondeling) hebben de betrokken politieambtenaren in strijd met het vereiste van professionaliteit gehandeld.

De onderzochte gedraging, die wordt toegerekend aan de korpsbeheerder, is niet behoorlijk.

VII. Ten aanzien van de klachtbehandeling

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de korpsbeheerder het feitenonderzoek, dat is uitgevoerd door het Bureau Interne Zaken, heeft meegenomen in zijn beoordeling van de klacht, zonder dat duidelijk is hoe dit onderzoek is uitgevoerd en zonder het toepassen van hoor en wederhoor.

Volgens verzoeker heeft de korpsbeheerder na een feitenonderzoek door het Bureau Interne Zaken geoordeeld dat de verklaring van verzoeker onjuist is. Verzoeker is niet op de hoogte gebracht van de resultaten van dit onderzoek, anders dan de conclusie in de beslissing van 18 juli 2007. Verzoeker heeft gesteld dat onderzocht zou moeten worden waaruit dit onderzoek heeft bestaan (de korpsbeheerder kan niet volstaan met verklaringen van politieambtenaren die tegenstrijdige en onjuiste verklaringen hebben afgelegd) en dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om op dit onderzoek te reageren.

2. De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 7 mei 2008 aan de Nationale ombudsman laten weten dat het advies van de klachtencommissie (waarin de commissie stelde dat verzoeker waarschijnlijk wel degelijk was aangehouden, geboeid, geblinddoekt en verhoord) uitvoerig is besproken in de driehoek. De driehoek was ervan overtuigd dat de administratieve slordigheden in de processen-verbaal en andere ambtsedige verklaringen niet hoefden te betekenen dat er door politieambtenaren bewust was gelogen over de wijze waarop de aanhouding was verlopen. De driehoek realiseerde zich dat indien er wel was gelogen, de zaak als vele malen ernstiger moest worden aangemerkt en een disciplinaire dan wel strafrechtelijke aanpak zou moeten volgen. Tegen die achtergrond is besloten het Bureau Interne Zaken (BIZ) een feitenonderzoek te laten instellen, welk bureau alleen aan de korpschef rapporteert, aldus de korpsbeheerder.

De leden van het AT zijn, op één persoon na (die naar de Verenigde Staten is geëmigreerd en niet kon worden bereikt) gehoord en geen van hen had verzoeker geboeid, op de knieën gedwongen, gefouilleerd, geblinddoekt etcetera, aldus de korpsbeheerder.

De klachtencommissie heeft de betrokken AT-leden bij de klachtbehandeling niet gehoord. Er was voor gekozen om politieambtenaar Wi., hoofd van de eenheid Georganiseerde Criminaliteit, tegenover de commissie te laten verklaren om de AT-leden uit veiligheidsoverwegingen af te schermen. Wi. had zich tegenover de klachtencommissie wisselend uitgelaten. Dit, in combinatie met de verwarring wat nu als aanhouding moet worden aangemerkt en het feit dat verzoeker wel in het proces-verbaal van aanhouding stond vermeld, was voor de klachtencommissie een belangrijke overweging om te adviseren de klacht gegrond te verklaren.

De korpsbeheerder heeft gesteld dat de uitkomsten van het onderzoek door BIZ hem hebben doen besluiten deels contrair aan het advies van de klachtencommissie te oordelen; de korpsbeheerder hecht meer vertrouwen aan een volstrekt eenduidige ambtsedige verklaring van de sectiecommandant dan aan de verklaring van een dertienjarige jongen.

In reactie op de klacht heeft de korpsbeheerder gesteld dat hij niet van oordeel is dat het BIZ-onderzoek integraal aan verzoeker had moeten worden voorgelegd. Wel acht de korpsbeheerder het een minder gelukkige keuze dat het onderzoek niet alsnog aan de klachtencommissie is gezonden met het verzoek aan te geven of dit onderzoek aanleiding gaf het advies te herzien.

Beoordeling

3. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van overheidsinstanties feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering.

4. De Nationale ombudsman acht het in dit geval zorgvuldig dat de korpsbeheerder naar aanleiding van het advies van de klachtencommissie een onderzoek heeft laten uitvoeren door BIZ, waarbij alle betrokken politieambtenaren zijn gehoord. De klachtencommissie had immers geoordeeld dat zij sterke twijfels had aan de verklaringen van de politie, terwijl de politieambtenaren die bij het optreden betrokken waren, zelf niet waren gehoord, omdat zij werden afgeschermd. De Nationale ombudsman kan zich voorstellen dat de uitkomsten van het onderzoek van BIZ van doorslaggevende betekenis voor de korpsbeheerder waren, omdat deze uitkomsten zijn gebaseerd op de verklaringen van de betrokkenen zelf.

Wanneer de klachtencommissie advies uitbrengt, staat het de korpsbeheerder vrij om van dit advies af te wijken. Wel wordt van de korpsbeheerder verwacht dat hij gemotiveerd aangeeft waarom hij het advies van de klachtencommissie niet opvolgt.

De Nationale ombudsman is niet van oordeel dat de korpsbeheerder de rapportage van BIZ in het kader van wederhoor aan verzoeker had moeten voorleggen. Deze rapportage heeft een vertrouwelijk karakter en is slechts opgesteld ten behoeve van de korpschef.

Wel had de korpsbeheerder explicieter kunnen aangeven op basis waarvan BIZ had geconcludeerd dat er geen sprake was van aanhouden, knielen, boeien, blinddoeken en fouilleren (zoals verzoeker dat had gesteld). Het had in de rede gelegen dat de korpsbeheerder hierbij een korte samenvatting had gegeven van de verklaringen die voor

hem van doorslaggevende betekenis waren. Dat de korpsbeheerder dat niet heeft gedaan, acht de Nationale ombudsman in strijd met het motiveringsbeginsel.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

slotbeschouwing

Verzoeker - destijds dertien jaar - zit op 29 juli 2005 met zijn stiefvader en drie kennissen in een auto als de auto plotseling wordt klemgereden door een arrestatieteam (AT). De vier mannen worden aangehouden omdat zij ervan werden verdacht een terroristische aanslag voor te bereiden. Ook verzoeker wordt overgebracht naar het politiebureau, waar hij enige tijd alleen en geheel overstuur in een voorlopig arrestantenverblijf (VAV) heeft gezeten. Na ruim een uur komt iemand van de recherche, die zich over verzoeker ontfermt en contact opneemt met zijn moeder. Enige uren later komt zijn moeder hem ophalen.

Er bestond onduidelijkheid of verzoeker al dan niet is aangehouden, omdat verzoeker onder meer in het proces-verbaal van aanhouding is opgenomen. Uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker niet daadwerkelijk is aangehouden. Dat de politie verzoeker naar het politiebureau heeft overgebracht, is juist, omdat verzoeker niet op straat kon worden achtergelaten. Hij had echter niet in een VAV geplaatst mogen worden, omdat hij niet was aangehouden.

Voorts is niet gebleken dat verzoeker is geboeid en geblinddoekt. Wel had de politie tijdens de aanhouding van de vier mannen een vuurwapen op verzoeker gericht, hetgeen in dit geval toelaatbaar was.

Hoewel verzoeker op het politiebureau wel op enigerlei wijze is gefouilleerd, is niet gebleken dat hij zich heeft moeten uitkleden. Het fouilleren was echter niet toegestaan, omdat verzoeker niet als verdachte was aangemerkt.

Op het politiebureau is verzoeker enige tijd aan zijn lot overgelaten geweest, hetgeen volstrekt onaanvaardbaar is. Een aanhouding door een AT is voor een nietsvermoedende burger een zeer schokkende en beangstigende ervaring. Het is dan ook volstrekt logisch dat verzoeker - als dertienjarige jongen - geheel overstuur was. De politie had zich dan ook vanaf het moment dat de verdachten waren aangehouden, over verzoeker moeten ontfermen en hem op het politiebureau (professionele) hulp moeten bieden. Dat verzoeker enige tijd alleen in een VAV heeft gezeten, is onacceptabel. Het valt voorts te betreuren dat de politie op geen enkele manier nazorg heeft geboden. Het had in de rede gelegen dat de politie na enkele dagen contact met verzoeker had gezocht, om te vragen hoe het met hem ging.

Hoewel niet is gebleken dat de politieambtenaren niet integer hebben gehandeld (zoals

verzoeker heeft gesteld), heeft de politie vele fouten gemaakt. Allereerst zijn er administratief gezien onjuistheden geconstateerd, waardoor de toedracht met betrekking tot verzoekers overbrenging de nodige vragen heeft opgeworpen. Dit heeft tot grote verwarring bij de klachtencommissie geleid. Daarnaast is de politie ernstig tekortgeschoten in de opvang en hulpverlening aan verzoeker. De korpsbeheerder heeft gesteld dat de politie van deze zaak heeft geleerd en dat er inmiddels een landelijk protocol is opgesteld hoe er met (minderjarige) niet-verdachten moet worden omgegaan door AT's. Hiervan is met instemming kennis genomen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de minister van Justitie is niet gegrond.

De klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond is

gegrond ten aanzien van:

de plaatsing van verzoeker in een voorlopig arrestantenverblijf, wegens schending van het recht op persoonlijke vrijheid;

het fouilleren van verzoeker, wegens schending van het behoorlijkheidsvereiste dat grondrechten (in dit geval het recht op onaantastbaarheid van het lichaam) worden gerespecteerd;

de opvang op het politiebureau, wegens schending van het vereiste van bijzondere zorg;

de onjuiste informatieverstrekking tijdens de klachtbehandeling, wegens schending van het vereiste van professionaliteit;

de beslissing van de korpsbeheerder op de klacht, wegens schending van het motiveringsvereiste;

niet gegrond ten aanzien van:

het uitvoeren van de autoprocedure;

de aanhouding van verzoeker;

de overbrenging van verzoeker;

het geweldgebruik (vastgrijpen van verzoeker);

het richten van een vuurwapen op verzoeker;

het boeien en blinddoeken van verzoeker;

het niet wijzen op het zwijg- en verschoningsrecht.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overweging artikel 7 van de Ambtsinstructie in die zin te wijzigen dat deze aansluit op het in 2002 gewijzigde Besluit beheer regionale politiekorpsen, zodat

vuurwapengebruik mogelijk wordt in het geval dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen terwijl niet vaststaat dat de verdachte vuurwapengevaarlijk is.

Onderzoek

Op 19 november 2007 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw F. te Antwerpen, ingediend door haar advocaat, mevrouw mr. S. Hopman met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond en het arrondissementsparket Rotterdam.

Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond en de minister van Justitie werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder en de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd de betrokken politieambtenaren en de hoofdofficier van justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Zij maakten van deze gelegenheid geen gebruik.

Vervolgens is de betrokken officier van justitie door een onderzoekster van de Nationale ombudsman gehoord. Ten slotte zijn verzoeker en de meest betrokken politieambtenaren door de substituut-ombudsman mr. Van Dooren onder ede gehoord.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De minister van Justitie, de officier van justitie en de betrokken ambtenaren 113 en 107, berichtten dat het verslag hun geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

De reactie van de korpsbeheerder gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

Verzoekschrift met bijlagen van 15 november 2007.

Standpunt van de minister van Justitie van 31 maart 2008

Standpunt van de korpsbeheerder met bijlagen van 7 mei 2008.

Reactie van verzoekers raadsman van 12 november 2008.

Verklaring van de betrokken officier van justitie van 18 september 2009.

Verklaring van verzoeker van 21 september 2009.

Verklaring van drie betrokken AT-leden van 5 oktober 2009.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1.1 Artikel 15, eerste en vierde lid, Grondwet

"1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen. (…)

4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt. "

1.2 Artikel 5, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

"1. Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag van zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;

b. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;

c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;

e. in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is."

2.1 Artikel 53, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

"In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden."

2.2 Artikel 54, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

"Ook buiten het geval van ontdekking op heeter daad is de officier van justitie bevoegd den verdachte van eenig strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten, aan te houden en naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen."

3.1 Artikel 11 Grondwet

"Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam."

3.2 Artikel 8 EVRM

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

4.1 Artikel 8, eerste lid, Politiewet

"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

4.2 Artikel 7, eerste lid, Ambtsinstructie

"Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:

a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;

b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf

1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en

2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of

3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;

d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt."

4.3 Artikel 8, eerste lid, onder a, Besluit beheer regionale politiekorpsen

"Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale politiekorpsen, over een eenheid die uitsluitend tot taak heeft, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen, de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. het verrichten van planmatige aanhoudingen"

5.1 Artikel 28 Ambtsinstructie

"1. De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.

2. Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze in bewaring.

3. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen."

5.2 Artikel 29 Ambtsinstructie

"1. De ambtenaar kan slechts van de ingeslotene verlangen dat deze zich ontkleedt indien:

a. de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven;

b. de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen kan vormen.

2. De ambtenaar neemt de kleding, bedoeld in het eerste lid, in bewaring en draagt zorg voor vervangende kleding."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/290